12

 

Natuurlijk rijden we allemaal in een Porsche

 

 

 

‘Zeg moppie, jij betaalt toch sinds kort belasting?’ informeert Tessa. ‘Veel?’

‘Dat wisselt,’ zeg ik. ‘Aan het einde van elke maand bekijk ik eerst wat mijn verdiensten en vaste kosten waren.’

‘Vaste kosten?’ valt ze me in de rede.

‘Ja,’ zeg ik. ‘We hebben toch vaste kosten! Kamerhuur, condooms, glijmiddel en de speeltjes. Dat zijn de dingen die je van de belasting mag aftrekken. En bij dat bedrag tel ik er dan gemiddeld tussen de 1000 en 1500 bij op. Dat wisselt elke maand, anders geloven ze je niet. En wat overblijft is zwart.’

Tessa knikt begrijpend en schrijft driftig alle informatie die ik haar geef in een klein boekje. Ik lach. ‘Ja, lach maar, interesseert me niks. Als ik het niet opschrijf, ben ik morgen alles weer vergeten. En dan sta ik daar, met mijn mond vol witte tandjes.’

‘Hoe bedoel je?’ vraag ik verwonderd. Want Tessa had tot nu toe altijd beweerd dat ze eerder dood zou neervallen dan dat zij belasting ging betalen.

‘Morgen ga ik me aanmelden bij die miep van de belastingen,’ verzucht ze. ‘Ik kom er niet langer onderuit. Sinds die figuren hier te pas en te onpas rond lopen te snuffelen, moet ik behalve op mijn vent, mijn klanten, er ook op letten of er op straat geen ambtenaar loopt rond te koekeloeren, op zoek naar een vrouw die nog niets betaalt. Daar heb ik dus geen trek meer in. Bovendien hoorde ik van een collega dat als ze je pakken bij zo’n controle, ze je hele hebben en houden overhoop gooien en je daarnaast een aanslag kan krijgen voor al die jaren die je niet hebt opgegeven, tot wel vijf jaar terug. Dan kan ik net zo goed mijn faillissement aanvragen, want ik heb niks. Ik moet elke dag vechten om een beetje geld te verdienen en heb geen zin om daarbovenop ook nog eens opgezadeld te worden met een dikke vette naheffing van de belastingen. Ik heb het zo al zwaar genoeg.’

Ik knik begrijpend. Als iemand het echt zwaar had was Tessa het wel. Ze verdiende het meeste van ons, maar ze had nooit iets. Al haar geld ging aan het einde van de dag rechtstreeks naar haar man, die het er op zijn beurt elke keer in een recordtempo doorheen joeg. Tessa had daarom altijd chronisch geldgebrek. Het was al meer dan eens voorgekomen dat Mary of ik haar een beetje hadden moeten bij lenen omdat ze de minimaal 500 euro die ze van haar man dagelijks moest verdienen niet had gehaald wegens te weinig klanten. In het begin had ik wel eens geprobeerd haar te laten inzien dat ze misschien alleen beter af zou zijn. Maar ondanks alles hield ze van hem en wilde ze geen kwaad woord over hem horen.

‘Vorige week was ik bijna het haasje.’ Ik knik. Die onaangekondigde controles waren voor mij ook de aanleiding geweest om belasting te gaan betalen. Ook ik wilde rust en niet steeds over mijn schouder hoeven kijken. Toen ik pas op de Wallen werkte had dat nooit gespeeld. Want toen werd er door de Belastingdienst zelden of nooit gecontroleerd. De Belastingdienst zag ons als slachtoffers van mensenhandel of ander gespuis en die diende je niet lastig te vallen met een controle, laat staan met een aanslag. Maar aan die coulante houding kwam twee jaar geleden, en zeven jaar nadat de prostitutiebranche werd gelegaliseerd onder druk van Den Haag, een einde. Wij werden nu gezien als ondernemers met dezelfde rechten en plichten als iedere andere zelfstandige, met de verplichting van een controleerbare boekhouding en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

 

‘Weet je voor wie al die verplichte inschrijvingen een zegen zijn?’ vraagt Mary. Ik haal vragend mijn schouders op. ‘Voor de pooiers en al die andere types die hier al die grieten importeren natuurlijk. Ben ik nou de enige die dat ziet? Het lijkt wel alsof die legalisering speciaal voor hen bedacht is. Nederland is het mekka voor al die figuren. En het is ook zo gemakkelijk. Je importeert een paar Oost-Europese grieten, gaat met ze naar de Kamer van Koophandel, die op haar beurt de inschrijving doorsluist naar de belastingen. Je stopt ze in een appartement met nog vier andere grieten, huurt een kamer op de Wallen en het feest kan beginnen. Want wie in dit land wit werkt, hoeft van de overheid geen lastige vragen te verwachten. Tenminste, zolang je netjes betaalt natuurlijk, en daar wringt nou net het schoentje. Want je kunt die pooiers en mensenhandelaren van veel beschuldigen, maar er niet van dat ze graag betalen, en al helemaal niet aan de overheid. En ik hoef je vast en zeker ook niet uit te leggen dat dat gespuis natuurlijk niet zit te wachten op regeltjes die het voor ons beter maken. Wat kan hun het schelen dat wij ons niet kunnen verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, of een bankrekening kunnen openen, of in aanmerking komen voor een betaalbaar huis. Het enige wat telt is wat zo’n griet voor hen opbrengt.’

Ik hang aan haar lippen, want als Mary ergens goed in is, dan is het wel om moeilijke onderwerpen in begrijpelijke taal en met de nodige verontwaardiging uit te leggen. Wat dat betreft had ze een zuster van Irene kunnen zijn. ‘Om dat proces van opbrengen zo goed mogelijk te laten verlopen,’ vervolgt ze haar college aan mij, ‘hebben die snuiters een fantastische constructie bedacht die wij wel doorhebben, maar bij de overheid na een jaartje of zes in elk geval nog geen alarmbellen heeft doen rinkelen. Het werkt als volgt: tegen de tijd dat de eerste kwartaalaangifte van zo’n mensenhandelarenslachtoffer moet worden ingediend, worden die meiden verscheept naar een ander belastingarrondissement, waar het spel weer van voren af aan begint. En tegen de tijd dat ze dat bij de Belastingdienst doorhebben en er alsnog een beetje druk van hun kant komt om te betalen, worden die wijven gewoon naar het volgende land getransporteerd. Hun plaats wordt gewoon ingenomen door een nieuwe lichting, waarmee het circus weer van voren af aan kan beginnen. Het einde van het liedje is dat zij geen stuiver hebben betaald en wij, die natuurlijk niet kunnen vluchten, intussen helemaal worden kaalgeplukt door een stelletje overijverige belastingtruusjes, die hoe dan ook hun target wel moeten halen aan het einde van het jaar. Om gezichtsverlies te vermijden wordt naar de buitenwereld toe doodleuk gedaan alsof de nieuwe regeling werkt. Laatst las ik in een interview met iemand van de belastingen dat ze juist geen problemen hadden met al die buitenlandse meiden omdat die netjes wit werkten, maar dat wij Nederlandse vrouwen het probleem waren. Dat ze zich in de toekomst daarom nog meer op ons Nederlanders zouden gaan toeleggen. Aan het einde van dat interview beweerde die miep ook nog doodleuk dat die nieuwe belastinghandhaving dus als geslaagd beschouwd kon worden. Wát geslaagd!’ Mary hapt naar adem. ‘Ik had graag gelezen hoeveel van die buitenlandse grieten er ook daadwerkelijk hadden afgerekend. En al die andere overheidsinstanties die zich met ons bezighouden houden wat dit onderwerp betreft natuurlijk wijselijk hun klep dicht. Want als de waarheid bekend wordt levert dat alleen maar gedonder op. Ik kan niet anders zeggen dan: God deed zijn plas en alles bleef zoals het was.’

 

‘Vraagt die vrouw van de belastingen eigenlijk meteen naar je inkomsten?’ vraagt Tessa.

‘Onder andere,’ zeg ik. ‘Ze willen zoveel mogelijk over je te weten komen. Hoe lang je al werkt en bij wie.’ Ik leg haar uit dat ik me op het eerste gesprek met de belastingambtenaar dan ook heel goed had voorbereid. Ze wilde eerst dat ik langskwam bij het belastingkantoor. Toen ik zei dat ik daar nogal tegenop zag en er nog eens over wilde nadenken, kon het plotseling ook wel per telefoon. Gelukkig maar, want ze vroeg me het hemd van het lijf. Als ik tegenover haar had gezeten was ik vast en zeker door de mand gevallen, want ik loog er lustig op los. Buiten allerlei persoonlijke vragen wilde dat mens ook weten hoe lang ik al werkte en of ik mijn verdiende geld aan iemand moest afstaan. Hoeveel huur ik betaalde. Of ik bonnetjes kreeg en of ik al was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Aan de andere kant van de lijn werd begripvol geluisterd en aan het einde kreeg ik zelfs de belofte dat er niet verder in mijn verleden zou worden gespit. Mits ik natuurlijk vanaf die dag netjes mijn kwartaalaangifte zou indienen en betalen en op voorwaarde dat ik volgende week niet plotseling in een Porsche rondreed.

De overbuurvrouw die even voordien is binnengekomen om een bakkie te doen begint schamper te lachen en mengt zich nu ook in ons gesprek. ‘Is dat mens van een andere planeet? Denken ze daar nu echt nog steeds dat bij ons het geld met bakken tegelijk binnenkomt? Moet ze eens een dagje met ons meedraaien, zullen we eens kijken of ze er nog steeds zo gemakkelijk over denkt. De staat als pooier. Hoe verzin je het.’

‘Hoe lang werk jij al?’ vraag ik.

‘Acht jaar,’ zegt ze triomfantelijk. ‘Maar steeds op andere plaatsen. Ik reis al jaren als een soort kermisklant door Nederland. Dan weer een paar maandjes hier en dan weer een tijdje daar.’

‘En nooit belastingen betaald?’ vraag ik.

‘Nee, waarom? Tegen de tijd dat de grond me te heet onder mijn voetjes wordt pak ik de boel weer in en sla ik gewoon mijn tentje weer een tijdje ergens anders op. Schuldig voel ik me daar geen minuut over. Ik moet me eerst door jan en alleman laten neuken en als het even tegenzit me krom betalen aan kamerhuur en amusementsgeld voor mijn vent. En vervolgens komt de staat ook nog effe de pooier uithangen. Zeg, mag ik misschien zelf ook nog iets verdienen? Waar is hun mededogen gebleven? Jarenlang hadden ze hun mond vol van die schandelijke vorm van uitbuiting waaraan wij blootstonden en nu, een paar jaar later, staan ze gebroederlijk in dezelfde rij als al die pooiers, kamerverhuurders en die andere snuiters die een graantje willen meepikken uit het ruifje. En dat allemaal onder het mom dat de boel is gelegaliseerd. Ammehoela, mijn ruifje is leeg. Als ze willen bereiken dat er bij mij wat te halen valt, zullen ze er toch echt eerst voor moeten zorgen dat ze de boel wat eerlijker regelen.’

Ik kan niet anders dan ook haar gelijk geven. Ik heb me er de afgelopen jaren ook over verbaasd hoe krom er wordt geredeneerd als het om onze beroepsgroep gaat. Volgens de overheid moeten we blij zijn dat alles nu zo goed is geregeld. We worden nu immers gezien als echte ondernemers, met alle rechten en plichten van dien. Maar een bankrekening kun je als prostituee niet openen. Een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid is niet te krijgen en een contract voor een zelfstandige werkruimte evenmin. En als je je werkelijke beroepskosten in mindering wilt brengen, krijg je te horen dat dat niet kan.

‘Heb jij al eens uitgerekend hoeveel geld je kwijt bent aan al die lingeriesetjes? De wekelijkse kappersbezoekjes? Je nageltjes en make-up?’ briest de overbuurvrouw. ‘En dan heb ik het nog niet eens over al die kleine verbouwinkjes aan je lijf, niet voor jezelf, maar om zoveel mogelijk in trek te blijven bij je klanten. Ik heb de afgelopen acht jaar twee keer nieuwe tieten moeten aanschaffen. De eerste waren veel te klein, daar viel gewoon niet mee te werken, en bij de tweede had ik last van kapselvorming. Hup, weer 8000 onaftrekbare eurootjes weg. Toen ik dat belastingmens eens vroeg waarom mijn tieten niet aftrekbaar waren, zei ze doodleuk dat ik van die dingen ook privé plezier had. Ja, zo ken ik er nog wel een paar!’ Tessa en ik knikken instemmend. Zo was het. ‘En dan heb ik het ook niet over al die andere doktersbezoekjes. De ene keer voor wat spuitjes met opvulmiddel, de andere keer weer een oogliftje, zodat de boel er weer net wat frisser uitziet. En dat noemen die belastingfiguren dingen die niet bij je werk horen? Hoezo niet? Dat zijn toch kosten! Als de supermarkt gaat verbouwen zeggen ze toch ook niet dat ze het zonnescherm zelf maar moeten betalen omdat ze er ook plezier van hebben als er geen klanten in de buurt zijn? Zolang ze die zaken niet aanpassen, zal ik elke maand opnieuw de boel blijven flessen en besodemieteren, net zo lang tot ik dezelfde rechten heb als iedere andere zelfstandige ondernemer.’

 

‘En toch ga ik,’ zegt Tessa even later als de overbuurvrouw weer in haar eigen kamer zit. ‘Ik kan die spanning er gewoon niet langer bij hebben. Zeker niet nu ik zwanger ben.’ Van schrik laat ik mijn kop koffie op de stenen vloer vallen. Ik weet niet of ik Tessa nou om de nek moet vliegen en feliciteren met haar zwangerschap of ontzettend boos moet worden omdat ze hier nog werkt terwijl ze zwanger is. Als ik van de eerste schrik ben bekomen vertelt mijn collega me dat ze het zelf ook nog maar een paar dagen weet. Omdat ze niet wil dat iemand er voorlopig vanaf weet, laat ze me zweren op alles wat me lief is om dit voor me te houden, ze wil het nieuws nog even voor zichzelf houden, zegt ze. Ik beloof het.

Op de vraag of ze al heeft nagedacht wanneer ze gaat stoppen met dit werk antwoordt ze dat stoppen voorlopig geen optie is. Ze heeft geen andere inkomsten en haar man weet nog niet dat ze zwanger is. Ik herken het verhaal. Ook ik kon niet stoppen toen mijn lichaam even niet wilde. Maar er moest toch wel ergens een instelling zijn die zwangere prostituees kon bijstaan. ‘Ga hulp zoeken, Tess, je kunt het niet maken om hier te blijven. Het is te zot voor woorden als jij in deze toestand nog een dag langer blijft werken,’ zeg ik geemotioneerd. ‘Als ik jou was, dan zou dat zo zijn, Patricia,’ zegt Tessa. ‘Jij komt uit een leven dat ik alleen maar ken uit mijn dromen. Ik ben Tessa en die is niet gewend dat er voor haar wordt gezorgd. Ik heb mijn hele leven al mijn eigen plan moeten trekken. Op mijn vierde werd ik door mijn moeder doodleuk afgeleverd bij Jeugdzorg, met koffertje en al. Niet omdat ik onhandelbaar was, maar omdat zij een nieuwe vriend had die mij niet zag zitten. Hij wilde een eigen kind. Mijn moeder begreep dat en bracht me dus weg. Ik heb haar en mijn opa en oma nooit meer gezien. Mijn andere opa en oma waren net als mijn vader bij een auto-ongeluk om het leven gekomen toen ik anderhalf was, dus naar hen kon ik ook niet. Het gevolg was dat ik tot mijn zestiende in zeven kindertehuizen heb gezeten. Ik schat dat ik elf was toen ik door mijn eigen groepsleider werd verkracht. In de jaren daarna gebeurde dat nog een keer of zeven. Toen ik op mijn zestiende wegliep, heb ik nooit meer iets van Jeugdzorg gehoord. Ik denk dat ze blij waren dat ze van me af waren.

Aan een opleiding was ik door die veelvuldige verhuizingen van tehuis naar tehuis nooit toegekomen. Om aan geld te komen ben ik in de prostitutie verzeild geraakt. En daar heb ik dus mijn man leren kennen. Dat hij nou ook niet bepaald de hoofdprijs is weet ik heus wel. Maar hij is wel een van de weinigen die me nooit in de steek hebben gelaten. Ga mij dus niet vertellen dat ik hulp moet zoeken. Ik hoop dat je me mijn cynisme vergeeft, maar van die zogenaamde hulpverlening heb ik mijn buik vol. Na een paar abortussen is dit kindje zo gewenst dat ik het alle liefde en zorg zal geven die ik nooit heb gekregen. En als ik om dat doel te bereiken nog een tijdje hier voor het raam moet doorbrengen, dan zal ik dat met alle voorzichtigheid die in me zit met alle plezier doen.’