13
De verhuurder is Sinterklaas niet
‘Waar zijn de bonnen van je kamerhuur?’ vraagt mijn boekhouder nadat hij het stapeltje papieren heeft doorgenomen dat ik hem zojuist heb gegeven. Al maanden ben ik bezig om elke maand een bon te krijgen van de dagen die ik heb gewerkt, maar tot op heden is het me niet gelukt. ‘Ik krijg ze gewoon niet,’ antwoord ik.
‘Dat is hij verplicht, Patricia,’ zegt mijn boekhouder. Ik knik en probeer de goede man voor de zoveelste keer uit te leggen dat ik er wel elke keer om vráág, maar telkens te horen krijg dat hij het er met zijn boekhouder over zal hebben. En vervolgens hoor ik nooit meer iets. ‘Je zult moeten aandringen. Heb je wel bijgehouden wanneer je precies hebt gewerkt?’ Ik knik en schuif hem het velletje papier toe waarop ik de hele maand netjes heb bijgehouden wanneer ik heb gewerkt en hoeveel ik daarvoor heb betaald. Hij knikt tevreden. ‘Als je morgen gaat werken, dring je nog een keer aan op een gesprek en geef je hem dit overzicht. Als hij vervolgens weer weigert om een bon te maken, neem ik zelf wel contact op met de Belastingdienst, om te vragen hoe we hier een eind aan kunnen maken. Dit kan zo niet langer.’
‘Kan ik een bon krijgen van de dagen die ik de afgelopen maand heb gewerkt?’ vraag ik. Alsof ik iets heel stoms heb gezegd veert mijn huisbaas rechtop. Zijn gezicht voorspelt niet veel goeds. ‘Krijg de pleuris, vrouw. Heb jij nou ook al het licht gezien? Wat hebben jullie toch plotseling allemaal met die bonnetjes!’ Ik blijf hem recht aankijken en vertel hem dat ik niet plotseling het licht heb gezien maar hier al maanden om vraag. Hij kijkt me geërgerd aan. ‘Ik zal mijn boekhouder vragen hoe we dat gaan doen, je hoort nog van me.’ Ik ben dit keer echter niet van plan om te vertrekken, want ik ben het zat om iedere keer met hetzelfde nietszeggende antwoord te worden afgescheept. Elke maand dat ik geen bonnetjes heb kost me geld. Veel geld. Ik dring er nogmaals op aan dat we het vandaag gaan regelen. ‘Ik heb alles bijgehouden,’ zeg ik, en zoek in mijn tas naar het velletje papier dat ik gisteren met mijn boekhouder heb doorgenomen. Omdat hij inmiddels doorheeft dat ik niet van plan ben zomaar te vertrekken, vraagt hij geïrriteerd om hoeveel shifts het gaat. ‘Tweeëntwintig, twaalf dubbele en tien enkele,’ lees ik braaf vanaf mijn blaadje op. ‘In totaal heb ik dus 4200 euro betaald afgelopen maand.’
‘Jaja, laat dat rekenen nou maar aan mij over,’ snauwt hij. ‘Jij bent volgens mij beter in andere dingen.’ Ik heb hem duidelijk kwaad gemaakt. ‘Mevrouwtje snapt toch hopelijk wel dat ik Sinterklaas niet ben en dat ik echt geen bon ga maken voor 22 dagen? Besef jij wel hoeveel geld ik dan aan btw voor jou kan afdragen? Als iedereen dat gaat vragen kan ik de tent sluiten. Als je acht dagen opgeeft, geloven ze je ook wel bij de belastingen en voor jou maakt het toch niet uit. Jij kunt opgeven wat je wilt. Vort.’ Hij maakt een zwaaiend handgebaar richting de deur. ‘En nou werken jij, je hoort het nog wel. Ik krijg vlekken van dit geleuter.’
‘Wedje maken dat jij binnenkort meer gaat betalen óf je kamer kwijt bent?’ zegt Mary als ik haar vertel over de discussie. ‘Je mag nog blij zijn dat je er acht krijgt, zonder meteen te moeten bijbetalen. Toen ik anderhalf jaar geleden wit ging werken kreeg ik doodleuk te horen dat als ik een bon wilde, ik 20 euro zwart per shift moest bijbetalen, zogenaamd om de btw te dekken. Ik heb het maar gedaan, omdat ik mijn stekkie niet kwijt wilde. Je staat met je rug tegen de muur, lieverd. En nou kun jij wel op de barricaden gaan staan en roepen dat het niet eerlijk is wat die klootzak flikt, maar wat heb je daaraan? Of je nou legaal of zwart werkt. Zij beslissen en wij betalen en zo zal het altijd zijn.’
Twee weken later ben ik inderdaad mijn kamer kwijt. Mijn huisbaas vond bij nader inzien dat ik niet zo goed paste bij de rest van de meiden die in zijn huis werkten. Irene kwam niet meer bij van het lachen toen ze hoorde van mijn ontslag. ‘Dat komt ervan als je het baasje tegen de zwakke enkeltjes schopt. Je moet die gasten ook wat meer paaien. Je bent veel te afstandelijk en betweterig. Desnoods help je ze even, als je snapt wat ik bedoel. Het is je brood, kind. Geen kamer, geen klanten, geen munten. Waarom moet jij ook zo nodig om een bon gaan zitten zeuren, doe net als ik en sjoemel gewoon wat meer. Kijk, wij hebben nu eenmaal geen vakbond, althans niet een die het voor ons opneemt als er zich een probleempje aandient. Dan moet je ook geen dingen gaan uitlokken die je je kamer kunnen kosten. Dat zijn nou die ongeschreven regels, schat. Houd je daaraan.’
Ik begreep er niks van. Ik had toch alleen maar gevraagd waar ik recht op had.
Gelukkig kende Irene nog wel een andere kamerverhuurder die op dat moment iets te huur had. Zij had in het verleden bij hem gewerkt en volgens haar was hij beter en menselijker dan de meeste verhuurders. Als je ziek was wilde hij nog wel eens een oogje dichtknijpen. En op je verjaardag kreeg je zelfs een cadeautje. Het enige waar je volgens haar bij hem voor moest oppassen was dat hij zijn pielemuis binnenboord hield als hij de huur kwam ophalen. Iets wat haar kennelijk niet gelukt was. Want de vrouw van de kamerverhuurder was er op een gegeven moment achter gekomen dat haar man niet alleen de huur ontving bij mijn vriendin, maar die vervolgens ook weer bij haar uitgaf. Dat had ze toch liever niet, met het gevolg dat mijn vriendin op zoek moest naar een nieuwe kamer.
Tessa was woest toen ze hoorde dat ik door onze huisbaas mijn kamer uit was gemieterd. ‘Als jij moet gaan, ga ik ook,’ zei ze strijdbaar. Ik was geraakt door haar reactie. Net als Irene was ook zij in de loop der tijd veel voor me gaan betekenen. Op moeilijke momenten was ze er steeds voor me geweest, terwijl ik wist dat zij het zelf bepaald niet gemakkelijk had. Ze was inmiddels drie maanden zwanger en wilde desondanks nog zeker drie maanden doorgaan met dit werk. Deels uit geldgebrek en deels omdat het moest van die bullebak van een vent van haar. Ik kende haar inmiddels goed genoeg om te weten dat het geen zin had te proberen haar op andere gedachten te brengen. Maar stiekem hoopte ik dat ze door haar zwangerschap zo zou veranderen dat ze die vreselijke man van haar eindelijk de rug kon toekeren. En tot die tijd was ik blij dat ze in mijn buurt was, zodat ik er ook voor haar kon zijn op momenten dat zij het moeilijk had.
Bij de kamerverhuurder die Irene me had aanbevolen bleek nog maar één kamer vrij te zijn, en die werd alleen voor de dag én de avond verhuurd. Aangezien ik de laatste maanden toch al vaak dubbele shifts had moeten werken omdat ik er anders financieel niet kwam, stemde ik in. Bovendien beloofde mijn nieuwe huisbaas dat hij, zodra er weer een kamer vrijkwam, die voor Tessa zou reserveren. Tot die tijd zou ze op haar oude stek blijven zitten.
Irene had niets te veel gezegd. De huisbaas bleek stukken vriendelijker en begripvoller te zijn dan mijn vorige. Alleen lag de huurprijs veel hoger. Per week zou mijn nieuwe kamer me 1320 euro kosten, dat was veel duurder dan mijn vorige kamer. Ik rekende snel uit dat als het even tegenzat ik eerst zevenentwintig klanten moest doen voor ik wat voor mezelf zou verdienen. Maar er zat niets anders op. De kamers lagen nu eenmaal niet voor het oprapen sinds de invasie van de buitenlandse meisjes op de Wallen. Die dubbele shifts draaiden en ook nog eens zeven dagen per week beschikbaar waren. Wat toch weer een dagje extra aan inkomsten voor de huisbaas opleverde. Om geen problemen te krijgen over mijn bonnetjes maakte ik nu duidelijke afspraken. Mondeling welteverstaan, want aan contracten deden ze hier niet. Twaalf dagen wit werd het. De rest was zwart. Volgens Irene was ik spekkoper met deze deal.
Hoewel ik veel meer geld kwijt was aan kamerhuur en mijn huisbaas me menselijker behandelde, verschilde de kamer waarin ik mijn werk moest doen niet van de vorige. Sinds ik op de Wallen werkte had ik me al vaak afgevraagd hoe het toch mogelijk was dat de meeste kamers er hier zo belabberd uitzagen. De hokken, want zo noemden wij ze onderling altijd, voldeden aan de overheidseisen: een bed, een stoel, licht en een wasbak met stromend water. Als je geluk had, had je ook een douche en een paar alarmknoppen, dat wel. Al kon je daar beter niet te vaak op drukken, want dan vloog je eruit – of het nu jouw schuld was of niet. Het zou leuk zijn geweest als de gemeente of de Arbodienst eens met ons was komen praten voordat de regels werden bedacht. Dan waren onze kamers zonder twijfel aangenamer, hygiënischer en bovenal veiliger geweest. De bedden waarop wij ons werk doen bijvoorbeeld moeten zijn voorzien van een speciale matras die met een spons afneembaar is. Maar niemand heeft bedacht dat op die matras vervolgens de hele dag één en dezelfde handdoek ligt. Weg effect. Eén handdoek per klant en het probleem zou zijn opgelost.
Ook over ons meubilair is niet altijd even goed nagedacht. De stoelen zijn gammel of ongeschikt om uren op te zitten. Nog zoiets raars is het ontbreken van een keukentje waar je een kop koffie kunt zetten of een boterham kunt eten. Geen overbodige luxe als je soms twaalf uur of meer aan het werk bent. In elk normaal bedrijf is zo’n ruimte verplicht, behalve in ons beroep. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat je in de meeste kamers geen kluisje hebt waar je je zuurverdiende centjes in kunt bewaren. Ik ken collega’s die meermalen zijn beroofd omdat er geen plek was waar ze hun tas, laat staan hun geld, veilig konden opbergen. Maar ja. Je kunt voor een kamer van gemiddeld 120 à 160 euro per shift niet alles verwachten.
Volgens mijn boekhouder was ik ook door mijn nieuwe huisbaas schandelijk afgezet: ik moest geen genoegen nemen met die twaalf dagen. Aan de ene kant begreep ik hem wel, want ik wist best dat ik gewoon het recht had om een bon te krijgen voor alle dagen die ik werkte. Maar aan de andere kant moest hij ook inzien dat ik er gegeven de omstandigheden het hoogst haalbare had uitgehaald. Het was dat of geen kamer. Nu had ik tenminste het probleem opgelost, en dat laatste was niet alleen op financieel terrein hard nodig. Want alhoewel ik me voor de buitenwereld gedroeg als een zorgeloze gelukkige vrijgezelle vrouw, was het tegenovergestelde waar. Mijn gevoel, dat ik al die tijd had weten uit te schakelen, ging me weer parten spelen. En daarmee was de verwarring terug.
Ik wist dat deze terugval te maken had met alle spanningen van de afgelopen tijd en dat daardoor mijn medicijnen niet meer werkten zoals ze zouden moeten werken. Vroeger konden ze de wensen en fantasieën van mijn klanten, die soms mijn voorstellingsvermogen te boven gingen, verdoezelen en bedwelmen. Ze lieten de spanning of ik wel genoeg kon verdienen om aan al mijn verplichtingen te kunnen voldoen vervagen of soms zelfs tijdelijk verdwijnen. En door mijn medicijnen kon ik mijn leugens, die ik steeds vaker nodig had, zonder enig schuldgevoel verkondigen. Maar de laatste tijd lukte dat niet meer. Ik voelde me steeds slechter, schuldiger en overbodiger. Mijn huisarts en psychiater hadden me hier in het verleden al voor gewaarschuwd. Het kwam regelmatig voor dat medicijnen plotseling niet meer werkten als eerst. Dat kon te maken hebben met veranderingen, met spanningen of gewoon omdat mijn lichaam het middel niet meer volledig opnam of omdat het door een veranderd ziektebeeld niet meer genoeg had aan het middel.
Als ik aan het werk was had ik minder last van mijn somberheid en kon ik lachend naar mijn eigen spiegelbeeld kijken alsof het iemand anders betrof. Maar zodra ik thuiskwam was ik naakt en had ik geen dikke lagen make-up meer, of klanten die dingen wilden die ik liever niet deed of schreeuwerige muziek die voor afleiding zorgde. Thuis werd ik weer mezelf. En als mezelf was ik uiterst gevoelig voor prikkels van buitenaf. Ik kon steeds minder verdragen. Geen bezoek, televisie, radio of welk ander geluid dan ook kon ik om mij heen verdragen. Stil moest het zijn. Doodstil. Soms zat ik urenlang onbeweeglijk op een stoel voor me uit te staren, zonder iets te zien of aan iets te denken. Gewoon zitten en staren. Omdat ik dit gedrag herkende en wist waartoe dit kon leiden, haalde ik mijn oude structuurboekje tevoorschijn. In het boekje had ik tijdens mijn laatste depressie samen met mijn psychiater opgeschreven hoe ik mijn dagen kon doorkomen zonder helemaal weg te zakken. Overal stonden tijden bij. Opstaan, douchen, aankleden, ontbijten, televisienieuws volgen, pillen innemen, brood maken voor op het werk, taxi in, taxi uit, kamerhuur betalen, kamer inrichten, werkkleding aan, haar en make-up doen, koffie maken, lonken, lachen, klanten lokken, lachend aan collega’s vragen hoe het met ze is. Héél lief zijn voor mijn klanten. Eten, pillen innemen, nog meer klanten, theedrinken. Nog meer klanten, opruimen, omkleden, taxi in, taxi uit. Douchen, nachtkleding aan. Eten, nieuws op televisie kijken, pillen nemen en naar bed. Dit alles om mezelf weer onder controle te krijgen.