INLEIDING

En een vrouw, die een kindje aan haar boezem drukte, zeide: 'Spreek tot ons over kinderen.' En hij zeide:

'Uw kinderen zijn uw kinderen niet.

Zij zijn de zonen en dochteren van 's levens hunkering naar zichzelf. Zij komen door u, maar zijn niet van u.

En hoewel zij bij u zijn, behoren ze u niet toe'.

Aldus de Libanese schrijver/schilder Kahlil Gibran, in zijn meesterwerkje

'De Profeet'.

'Zonen en dochteren van 's levens hunkering naar zichzelf.' Zij komen voort uit hun eigen eerste incarnatie als mens op aarde. Als belichaming van oorspronkelijke, unieke individualiteit, als mandala's, deeltjes etherisch Scheppend Beginsel, afgesplitst van de Eenheid van Geest.

Reïncarnatie is voor de auteur een weten; geen geloof, maar een gnosis of kennis, zoals de oude Gnostici die aan het begin van het Christendom bezaten. Het is de tegenstelling Aards lichaam/Ziel, en de uiteindelijke, blijvende terugkeer naar het Licht, de Eenheid van Geest, God, de Schepper.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling hier een poging tot missionering te doen. De lezer behoeft dus geen prediking te verwachten. Wel een boodschap. Het oogmerk is slechts aan geïnteresseerden iets ter overdenking te geven.

Alles in dit boek is de vrucht van eigen onderzoek gedurende vele jaren, en van de daaruit verkregen empirische evidentie. Door dit onderzoek is een haast onuitputtelijke research-bron van ongeveer duizend cassettebanden met sessieverslagen ontstaan, waaraan vrijwel alle kennis is ontleend. De hier gebruikte regressie-en progressieregistraties omvatten echter slechts een klein deel, niet meer dan een fractie, van het totale, gearchiveerde geluidsbandenbestand.

Waarom reïncarnatie, waarom wedergeboorte in een lichaam op aarde? Het lijkt onbegrijpelijk dat zovele mensen zich niet afvragen waarom er, ogenschijnlijk, zo'n vreemde willekeur heerst in de levensomstandigheden van onze medemensen, overal op deze wereld. Waarom zou er zo'n

11

onderscheid zijn? En dat maar in één leven.

Waarom heeft de één een luxe, relatief gelukkig leven, en crepeert de ander, komt van honger om? Waarom sterft de één jong, soms heel jong, en wordt de ander oud? Hoe wordt die willekeur bepaald? Willekeur is niet te bepalen. En als er geen willekeur is in de lotsbestemmingen van al die mensen, die maar éénmaal op aarde leven, zonder een persoonlijke voorgeschiedenis, waarom riskeren sommigen van hen dan eeuwige Hel en Verdoemenis? Onder zulke ongelijke omstandigheden. Hoe is dat tevoren geregeld en verantwoord?

Er schijnt iets niet te kloppen, er lijkt iets te ontbreken. Een bepaalde schakel? Zit er een bepaalde logica achter?

Waarom moet de één, vanaf zijn conceptie en geboorte tot aan zijn/ haar dood, meer lijden dan de ander? Welke onredelijkheid steekt hier toch achter, wat bepaalt dit? En wat is de zin van het lijden op aarde, wanneer je als individu maar één aards leven te leven hebt? Kom je met de problemen en de gelukkige omstandigheden die kennelijk bij jou horen, zomaar, bij toeval uit de Kosmos vallen?

Wordt er elk onderdeel van een seconde, bij elke geboortegolf op aarde, een 'wolk' vol lotsbestemmingen willekeurig over die nieuwe levens leeg geschud, redeloos, onder het motto 'God zegene de greep'; wie zo'n willekeurige lotsbestemming 'toevallig' over zich heen krijgt, mag hem houden? Dat zou een nogal ongelijke start zijn!

Het lijkt niet erg waarschijnlijk, en het is gelukkig ook niet zo. Maar waarom staat het grootste deel van onze Westerse wereld daar toch niet bij stil? Het blijft onbegrijpelijk. Wat God doet, is welgedaan, daar gaan wij van uit. Maar wat de mens doet, is dat ook welgedaan? Nee, beslist niet! God is volmaakte Liefde. De mens ook? Of hapert er wat aan? Zijn wij, ergens in de ruimte, oorzakelijk zo verschillend bezig geweest, positief en negatief, dat wij zo'n verschillend éénmalig lot verdienen? Of, alweer, is dat toeval?

Iemand roept: 'Waarom moet mij dat overkomen?' En krijgt geen antwoord. Tenminste, geen redelijk en begrijpelijk, acceptabel antwoord. Waarom is dat? In de tegenwoordige tijd lijkt bijna niemand zich zijn situatie in het menspatroon en mensbeeld bewust te zijn. Hoe past hij/zij daarin? Hoe is het toch allemaal zo gekomen? Je zou willen schreeuwen: 'Word toch eens wakker! Het gaat jullie toch zeker allemaal aan.' Of is het dagelijks bewustzijn, in het hier en nu, zo laag en draaien we in een zo gedachteloze tredmolen rond, dat we niet aan de simpelste vragen over ons lot en onze lotsbestemming toekomen?

Dit zijn allemaal voor de hand liggende vragen. Hoe weinigen zijn zich dat bewust en zoeken het antwoord. Zet dat niet aan het denken? De ongeïnteresseerdheid bij velen en het niet willen stilstaan bij de vraagstelling is verbazingwekkend. 12

Vele vragen en hun antwoorden blijven steken in een variabele mate van geloof, in het aannemen op gezag van een ander; men heeft geen werkelijke kennis. En verder in het diep gewortelde materialisme van deze tijd.

Ik heb getracht vele vragen en hun antwoord te onderzoeken door verkenning in de geest, in een andere dimensie en in een andere bewustzijnstoestand, namelijk het verruimd bewustzijn in de trance-toestand. Zo werd op eerlijke wijze empirische kennis, ervaringskennis,verkregen. Evidentie die dus niet alleen op een geloof berust, maar dat geloof wil onderbouwen tot 'weten'. Dat wil zeggen, evidentie die de leer van Christus, dus niet de religie, die gebaseerd is op Verlossing door de Liefde, wil en kan ondersteunen en verder verduidelijken. Want de mens lijkt van hetgeen Christus hem heeft aangereikt als uitweg, als middel tot blijvende ontsnapping aan de val van het vlees op aarde, nauwelijks iets te hebben begrepen.

Wat te denken van het begrip 'erfzonde'? Een moeilijk begrip. Als IK daar niet werkelijk deel aan heb gehad, daar destijds niet bij ben geweest, als IK die niet persoonlijk bedreven heb, waarom zou IK dan toch de consequenties daarvan moeten dragen? Op te moeten draaien voor de fouten van verre, verre voorvaderen komt mij onredelijk en onlogisch voor. Maar als IK, in rechte lijn, terug kan gaan naar 'die gebeurtenis', in leven vóór leven, dan moet IK wel aanvaarden, IK/Ego ben daar dan zelf geweest, IK heb daar deel aan gehad en IK moet de gevolgen accepteren, IK heb daar, in dat verre verleden, iets in gang gezet en IK ben vanuit een verkeerd uitgangspunt verder gegaan, in leven na leven op aarde, IK heb iets negatiefs en/of positiefs verder opgebouwd en heb heel persoonlijk en uniek fouten gemaakt. Zo werd ik de architect van mijn eigen levens en kom ik steeds mijzelf tegen, iedere dag weer, omdat ik mijn levensomstandigheden zelf heb veroorzaakt. En omdat ik de gevolgen daarvan graag afwijs; geen verantwoordelijkheid daarvoor aanvaard, laat staan wil dragen. Wij mensen wijzen liever met onze vinger naar de ander, als schuldige voor onze slechte levensomstandigheden of problemen. Afschuiven! Dat verlicht onze lasten. Maar de natuurkundige wet 'Actie wekt reactie' moest ons beter leren. Wij gaan zelf, dat wil zeggen persoonlijk, gebukt onder de kosmische wet van 'Oorzaak en Gevolg =

Lotsbestemming', ook wel karma genoemd. Dat is het Sanskriet woord voor

'leeropdracht, werkopdracht'. Dat wij onze eens gemaakte fouten, door lering en erva- ring in opvolgende levens, weer kunnen herstellen, en zo opnieuw in harmonie kunnen komen met de Schepping als geheel en met onze ziel als een deel daarvan, is een bijzondere Genade.

13

Ik wil niet nalaten hier ook nog iets over erfelijkheid op te merken. De visie van de esoterie op de erfelijkheid moet wel een andere zijn dan de thans gangbare exoterische visie (de wetenschappelijke visie dus) daarop. Indien de erfelijkheid bij de mens uitsluitend zou berusten op zuiver biologische factoren, krijgen we een mensbeeld te zien dat volgens de wetten van broeder Mendel c.s. tot stand is gekomen. We komen zo terecht bij de mens als zoogdier, behorend tot de orde van de grote primaten. Maar we zijn meer dan dat. En dat méér, dat wil zeggen Goddelijke geest, zorgt nu precies voor een ander verschijnsel mens op aarde. Kort en goed, de erfelijkheidsleer kan wel voor erwten gelden en wellicht ook voor het dier, maar voor de mens met al zijn gebreken, afwijkingen en problemen gaat die in mijn visie niet op. Op basis van de reïn- carnatiedoctrine is dit niet mogelijk. En wel omdat we uitsluitend van onze eigen, unieke vorig – leven - persoonlijkheden - door hun handel en wandel op aarde ontstane

-levenspatronen kunnen 'erven'. We moeten ons dit voorstellen als een overdracht van patronen die 'ziele - eigen' zijn en die door het centrale Ego in de ziele-eenheid, de monade, worden opgeslagen; vervolgens worden zij deel voor deel aan de nog te reïncarneren persoonlijkheden meegegeven als een nieuw levensplan. Dat is lots- bestemming, karma, zowel positief als negatief. Het daarin bepaalde, planmatige, ruwe levenspatroon bestaat voor een deel uit vroeger veroorzaakte ervaring van voorgaande incarnaties en de gevolgen daarvan. Die moeten 'geharmoniseerd' worden in de te leren levenslessen. Deze gevolgen moeten en zullen plaatsvinden. Dat is een onontkoombare kosmische wet. Het kunnen allerlei geestelijke, karmische en traumatische, en daardoor fysieke, problemen zijn die door de creatieve geest van de voor reïncarnatie aankomende entiteit bij de conceptie, in het embryo in aanleg, op het genetisch materiaal geprojecteerd worden. Hierdoor zal het leven verlopen zoals dat grofweg is uitgestippeld aan Gene Zijde, tussen twee levens in.

Zo ontstaan de meeste technische gebreken en problemen van het lichaam: een karmaprojectie door de geest op het, ook weer in aanleg, normale biologische materiaal. We zouden dat ook een vorm van geplande 'spirituele genetische manipulatie' kunnen noemen. Zonder die 'psychosomatische' invloed van de geest op de genen krijgen we een normaal, gezond mensdier te zien. Het is geest die overheerst en verandert.

Er is nog een ander aspect van de esoterische visie op erfelijkheid. Vanaf de eerste incarnatie op aarde reïncarneert de mens, via een onbekend aantal persoonlijkheden/incarnaties, in rechte lijn vooruit in de aardse tijd, naar zijn tegenwoordige persoonlijkheid in de cyclus van levens binnen zijn eigen ziele - eenheid. Hetzelfde geldt dus voor de ouders, grootouders et cetera van een kind. Die ouders hebben eveneens hun eigen lijn, hun keten van levens, binnen hun eigen, unieke ziele - eenheid. Nakomelingen

14

kunnen derhalve spiritueel niet van hen erven, ook hun kwalen en gebreken niet. Die brengen zij zelf mee. De enige (ver)binding bestaat uit karmische relatiebanden, waarbij zowel ouders als kinderen, nakomelingen, gelijkelijk betrokken zijn.

'Uw kinderen zijn uw kinderen niet. Zij komen door u, maar zijn niet van u.' Ouders zijn een bijzonder soort 'doorgeefluik' voor een op zichzelf staand, uniek, individueel, nieuw leven op aarde. En meer niet. Iedere persoonlijkheid blijft ook uniek en volgt zijn eigen singuliere evolutie, in een voortdurend leer-en groeiproces. Deze persoonlijke ervaringen worden bepaald door het leerplan voor dat nieuwe leven, het positieve en negatieve karma en de dominante vrije wil.

Ook de indrukken en invloeden, zeden en gewoonten, cultuurpatronen, evenals eigenaardigheden en aanwensels, zowel goede als slechte, opgedaan bij de ouders, familie, vrienden en in hun hele omgeving, drukken hun stempel op de persoonlijkheid. Deze laatste factoren kunnen alle meehelpen het karakter verder te vormen en te ontwikkelen. En wel doordat de persoonlijkheid daarvan leert, aanleert en overneemt,

zowel in positieve als in negatieve zin. Maar dat is dan persoonlijke verworvenheid, en dat is nooit meer dan de buitenkant. Van spiritueel genetische factoren kan geen sprake zijn. Een ieder brengt zijn eigen lot, hoe dat er ook uitziet, met zich mee. Ik spreek in dit boek verscheidene malen over het door mijzelf zo genoemde begrip

'continuüm van de geest'. Dit continuüm is de kortste verbinding tussen het dag-of waakbewustzijn en de ziele - eenheid, de monade. Het bestaat uit de volgende fasen: het dag-of waakbewustzijn, het voorbewustzijn, het onderbewustzijn (redelijk autonoom), het bovenbewustzijn/Hoger Zelf en de Ziele - eenheid met het centrale IK/ Ego. Ten slotte wil ik de lezer er nog op wijzen, dat ik zo hier en daar bewust herhalingen gebruik, op plaatsen waar ik bepaalde belangrijke kosmische begrippen, beginselen en wetten extra wil benadrukken en/of verduidelijken.

Pieter Barten

Nijmegen, oktober 1992

15