HET ONGELUKKIGE LEVEN VAN ROSANNA EN EUGENE
Ik vraag Lucie: 'Wat zie je, wat gebeurt er?'
'Het is donker. Ik ben binnen. Er komt iemand aanlopen. Het is een man, maar ik ken hem niet. Ik kan hem ook niet goed zien. Ik zie alleen zijn omtrek. Ik zie een groot raam, onderverdeeld in allemaal kleine raampjes. Ik ben daar. En ik heb een rose jurk aan. Ik ben geen kind meer. Het heeft iets met muziek te maken. Er staat alleen maar een piano in die kamer. Die man blijft daar staan. Hij heeft strikken om zijn kousen. Dat is de dracht van die tijd.
Ik wil piano spelen. Ik wil een stuk laten horen. En ik zit al achter de piano. Een beetje naar de zijkant weggedraaid. Ik ga de Moldau spelen. (Van Smetana, gecomponeerd tussen 1874 en 1879.) Ja, ik weet niet of die ander dat wil horen. Hij is er wel en hij is er niet. Ik zie alleen de rand, de omtrek. En de kousen, de witte kousen. Als ik goed kijk, is hij weg. Dan kan ik niet meer spelen.' 'Roep je hem soms op?'
'Nou komt hij weer. Hij zegt helemaal niks. Hij komt uit de deur. Daar hangen gordijnen met zo'n koord erom.' 'Komt hij uit de geestenwereld?'
20.294
'Door hem heen zie ik niks, en erin zie ik ook de deur niet. Eromheen zie ik hem weer wel, de rand. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik wil ook niet meer spelen, weet niet wat te doen. En hij blijft maar staan ... op een afstand.'
'Zendt hij gedachten uit?'
'Jawel. Hij wil hier zijn, bij mij. Ik kan ook geen gezicht zien. Hij is smal en een beetje lang. Ik ben er niet bang van. Ik ken hem niet... Maar nu weet ik het. Hij is Eugène. Hij blijft maar staan. Ik weet niet eens of hij het mooi vindt, als ik speel. 'Hoe heet je?'
'Rosanna di Locardi. Het is in Luxemburg, aan de grens in het westen. Eigenlijk heet het België. Het is nou veranderd.
Ik heb een rok aan tot aan de grond. En heel kleine, smalle schoentjes met spitse puntjes. Als ik op het pedaal van de piano trap, dan schiet ik er steeds af. Ik zit maar een beetje te zitten, en hij staat daar nog, halfweg tussen de deur en mij, op de loper.'
'Ga eens wat terug in de tijd, naar een gebeurtenis, waarin je die figuur van Eugène kunt plaatsen?'
'Ik ben buiten. En ik zie mijzelf tegen een berg liggen, op het gras. Hooi, als een toren omhoog gezet. Ik heb ook een roze jurk aan. Er komt een witte broek onderuit, met kant afgezet. Toch altijd wit, hè. Daar is nog iemand bij. Een jongen met een plat hoedje op. Een matelot. En een zwart hesje aan, en een witte blouse met wijde lange mouwen. Hij heeft grote tanden. Ik zie het. Ik sta op het weggetje. Maar als ik de tanden zie, ben ik er heel dicht bij. Als ik dichtbij het gezicht kijk, dan komt iedere keer het gezicht van Edo ervoor. Hij heet Eugène.'
'Wie of wat is hij?'
'Hij is een vriend van mij.'
'Rosanna, hou je van hem?'
'Och nee, maar het is wel gezellig als we samen zijn. Hij kriebelt mij met een bloemetje in mijn gezicht. Dat is vervelend, dat moet hij niet doen. Als ik me verveel, loop ik naar buiten. Dan kom ik hem wel tegen. Dan gaan we een eind wandelen, of achter elkaar aan rennen. Ik ben zestien en hij is éénentwintig. Hij komt van verderop, waar kleinere huizen staan. Er staan er ook niet zoveel. Dan moetje het pad aflopen. Ik woon in een groter huis, met grote ramen erin. Waar de piano staat, daar is maar een klein raam. Ik speel niet veel, maar ik kan het wel goed. Ik denk dat mijn ouders welgesteld zijn.' 'Ga eens wat verder vooruit in de tijd?' 'Ik ben weg. Ik ben niet meer in dat huis. Ik ben er niet meer.' 'Ga dan eens naar je sterven.'
'Ik ben in de keuken. Een hele grote keuken. Ik zie het niet, maar ik eet iets dat bedorven is. Iets met vruchten. Het zit in een stenen potje. Er zit een rand langs. Maar als ik uit het midden eet, dan is het nog goed. Ik
20.295
eet uit het midden. Ik ben moe. Er komt iemand binnenlopen. Ik hang slap over de leuning van de stoel. Ik heb de jampot half leeg gegeten. Onderin smaakt het een beetje raar. Toen ben ik gestopt. Maar ik werd moe en ben op de stoel gaan zitten. Ik zie die ander binnenkomen. Een dikke meid, met een strak mutsje op haar hoofd. Dan pakken ze me op en leggen me in een mooi bed met gordijnen. Ik moet wat drinken van een lepeltje.
Oh, wat ben ik moe. Eugène is er niet. Eugène? Ik weet niet wie Eugène is. Maar ik word weer beter, als ik maar kan slapen.' 'Ga weer eens naar Eugène toe, als je beter bent.'
'Ik zit op een hekje. Er staat iemand bij me te praten, met een pijp. Het is een mooie pijp, een rechte. Vader heeft ze altijd met krullen. Hij heet Eugène, en hij is een jaar of achttien, negentien. Het is erg gezellig. We babbelen met elkaar. Hij heeft zware wenkbrauwen en grote, donkere ogen eronder. En hij is heel smal. Ik heb een wijde jurk aan. Ik ben mollig. Ik heb blonde krullen, en oorbellen. Ik ben niet zo groot. Ongeveer zestien jaar. Ik ben gevuld, maar ik heb van die wijde jurken aan. Nou draag ik een hoedje met bloemen erop.'
'Ga eens wat verder in de tijd.'
'Ik krijg het heel warm. Er is vuur! Bij het hooi. Het komt van zijn pijp. Mijn rokken branden ook. Het is buiten. Eugène brandt ook. Buiten. Het hooi staat nog opgestapeld op het veld. Ik loop hard weg. Dan gaat het wel minder worden. Ik loop hard naar huis. Ik zie mijzelf lopen. Bij mij brandt het niet zo erg. Alleen achter een stukje. Ik krijg een andere jurk aan. Ik overleef het.' 'En Eugène?'
'Wij gaan terug om te kijken. Mijn vader, mijn moeder en ik. Eugène ligt er nog. Hij is zwart verbrand. Hij is dood! Eugène is dood. Nou kan ik niet meer met hem lachen. Geen plezier meer met hem hebben. Hij is weg. Hij was zomaar een gezellige vriend. Ik had maar één vriend.' 'Hoe gaat het verder?'
'Ik ga niet meer naar buiten. Ik ben overal in de omgeving met hem geweest. Overal moet ik eraan denken. Ik word ziek. Ik wil naar Eugène. Het was toch fijn om bij hem te zijn. Ik ben nu zestien, zeventien. Ik verlang naar hem. Ik wil naar hem toe. Ik word ziek. Ik lig de hele dag in bed. Ik wil naar Eugène. Nee! Ik wil ook niet beter worden. Ik wil hier weg. Ja. Ik ga weg. Omdat ik nooit meer buiten kom. Ik val gewoon in slaap, verzwakt.'
'Ga naar het moment van je sterven.'
'Er zijn allemaal gezichten boven mijn bed. Allemaal meiden die in ons huis werken. Ze willen me hier houden. Ik wil dat niet. Ik zie Eugène. Ja, heel mooi. Hij heeft nou veel mooiere kleren aan dan de mensen in ons huis. Hij strekt zijn armen uit. Hij wil dat ik kom. En ik kom, ja.'
20.311
'Ga maar naar Gene Zijde. Los van je lichaam, in de geest.'
'Ik ben bij Eugène. Ja. Samen gaan we verder. Edo is ook smal. Eugène is net zo smal. Ja. Eugène is Edo. We gaan samen.
Aan Gene Zijde wil ik voor hem spelen. Dan ga ik terug naar het huis. Daar staat mijn piano toch. En hij heeft me nog nooit horen spelen. Nu wel. Hij kwam nooit binnen. Hij vindt alles mooi van mij, ook dat. Ik zie het niet aan hem. Ik weet het. Dat is toch genoeg. Ik speel Vivaldi. Alles wat ik kan spelen. De Moldau vindt hij het mooiste. Hij is een stukje van mij,van mijn ziel. Alles is hetzelfde. Hij denkt ook hetzelfde. Hij is helemaal identiek. Hij is niet mijn Eugène. Ik ben ook Eugène. Wij vormen een eenheid. Mensen in dat grote huis zien dat niet, vinden dat niet belangrijk. Ik wil altijd bij Eugène blijven. Anders ben ik maar half, demi. Nu weet ik toch waar ik bij hoor.' 'En wat betekent dat voor Lucie en Edo?'
'Nou is Edo ook weggegaan. Hij is bang voor zijn moeder. Hij is ook bang voor mij. Misschien lijk ik op zijn moeder.'
'Wellicht is hij onbewust bang voor herhaling. Door de brand. Dat moet een vreselijk trauma voor hem zijn, onverwerkt.'
'Hij waarschuwt me altijd voor wat er in hem zit. Een stuk van hem waar hij zelf bang voor is. Ik denk wel dat ik het weet. Hij kan heel gemeen zijn, denk ik. Dat geeft toch niets. Dat stukje heeft toch iedereen in zich. Ik weet dingen waarvoor hij bang is dat ik ze zie. Maar ik weet ze. Ik wil er naartoe. Dat kan toch niet. Maar hij zit wel iedere keer hier, in de kamer, met zijn koppie.' Dat zegt Lucie weer. 'In het begin heeft hij me weg willen trekken. Ik weet dat ik nog een stukje met hem af moet maken. Dan hoeft het niet meer, dan heb ik hem niet meer nodig. Dan kan ik mijn eigen weg gaan. Vooruit. Verder!' 'Kijk nog eens aan Gene Zijde.' 'Eugène!' 'En Huub?'
'Och, die is al veel verder, hoger. Hij is bij Lucie weggegaan. Soms kijkt hij om, en als hij losgelaten wordt, gaat hij niet de goede weg terug naar Lucie. Hij wordt goed vastgehouden. En Lucie ook. Maar ik weet niet wie hem vasthoudt. Lucie is niet alleen, nee.' 'Met wie is ze dan?'
'Met Edo. Maar Edo is bang voor zijn moeder. Toch is ze heel lief. Je moet niet bang zijn, zegt ze. Maar hij zit hier met zijn koppie. Edo reageert nooit. Hij stopt de dingen allemaal weg. Hij wil zelf uitmaken, zelf alles uitzoeken. Aan Gene Zijde zijn we lang samen geweest. Tweeling - ziel is toch hetzelfde. Maar je kunt niet steeds bij elkaar zijn en dan weer bij elkaar vandaan moeten gaan. Dat kan toch niet.'
Zij deed als Rosanna aan zelfvernietiging. Die uitdaging is er weer in het tegenwoordige leven als Lucie, dubbel en dwars. De geschiedenis herhaalt
20.297
zich. NU!
Ik zeg haar dan ook: 'Ga in je leven als Lucie onder geen voorwaarde meer in een proces van zelfvernietiging. Want dat is juist de uitdaging voor jou in dit tegenwoordige leven als Lucie. Het is je les die voortvloeit 2% leven als Rosanna. Het is karma. Het probleem wordt opnieuw aangeboden. Los het nu op! Maak niet dezelfde fout.'
20.313
21
Het reïncarnatieproces
Tussen aardse dood en wedergeboorte
Kennis van wat er gebeurt tijdens het reïncarnatieproces kunnen we het beste verkrijgen uit eigen ervaring. Dat wil zeggen, door middel van proefpersonen. De metamorfose die zich voltrekt aan een entiteit in de periode tussen de aardse dood en de wedergeboorte op aarde, tussen twee stoffelijke levens in, vindt plaats in een tijdloze actie. Een actie binnen het continuüm van de geest, waarin de ziele-eenheid een belangrijke rol speelt.
Uit dat zelf ervaren, door de geest in trance, ontstaat empirische evidentie voor de authenticiteit van hetgeen wij doormaken tijdens onze tocht door de Gene Zijde sferen. Dit is het tegengestelde van het zuiver theoretisch, zonder eigen ervaring beschrijven van, soms intuïtief, verkregen kennis van de reïncarnatieprocedure. Ik heb de voorkeur gegeven aan de verslagen van goede proefpersonen, verzameld in de loop van mijn praktijkonderzoek.
Het is binnen het bestek van dit boek niet mogelijk alle informatie uit dat onderzoek hier in extenso en tot in details weer te geven. In het boek als geheel kan de lezer echter veel indrukken opdoen van het wel en wee van de geest in het bestaan aan Gene Zijde.
Dat verblijf aan Gene Zijde was, zoals in de eerste hoofdstukken te lezen is, in eerste instantie nog vrij primitief. In een tijdloze beweging heeft dit 'gebied' zich echter uit pure noodzaak verder ontwikkeld en zich aangepast aan de vergaande veranderingen en het aantal van de daar arriverende entiteiten. Gene Zijde is als het ware mee gegroeid, mee geëvolueerd met de ontstane behoefte aan kosmische Lichtrijken: sferen van zeer verschillende geaardheid en niveaus van spirituele ontwikkeling, en in meerdere universa. Er vond, mede ter bevordering van de unio mystica, de mystieke vereniging van de mens met God, een verdere Goddelijke delegering plaats van diverse specifieke taken aan hogere entiteiten en intelligentsia.
Ook de 'eerste' ziele-eenheid veranderde van karakter en structuur. En wel doordat deze ziele-eenheid of monade, een centraal IK/Ego, een tijdloos generaal plan van actie ontwikkelde, met daarin reeds alle persoonlijkheden die de ziel door ervaring tot haar volledige harmonie en zuiverheid moeten terugbrengen. Incarnaties binnen de aardse tijd en ruimte, in verleden, heden en toekomst. Ze zijn in de ziele-eenheid reeds aanwezig. Allemaal, met hun persoonlijke levensplan en kennis omtrent
21.315
hun komende of voorbije ervaring op het aardse niveau. Ervaringslichamen dus. Alles is. Dus alles is ook reeds bekend. Alleen niet aan de persoonlijkheid op aarde. Kort na de geboorte sluit het onderbewustzijn zich geleidelijk. En het lage bewustzijnsniveau van deze aarde is ons deel.
Symbolisch gezien kunnen we ons de ziele-eenheid als een sinaasappel voorstellen, van buiten perfect glad en gesloten, een eenheid. Binnen in de schil vinden we een aantal partjes. Elk partje vormt een zelfstandig, afgesloten deel van de gehele sinaasappel. Maar ze liggen dicht aaneengesloten tegen elkaar en vormen zo toch de gehele sinaasappel. Ze zijn een deel van het geheel en tegelijk ook het geheel. Ze kunnen los van elkaar, zonder beschadiging, maar ze vormen toch een eenheid. En zo vergaat het ons ook, in onze ziele-eenheid. Daarbinnen dragen we kennis van de ervaring van ons persoonlijke leven én van al onze levens bij elkaar. Ook van die levens die, vanuit de aarde, nog als toekomstig worden gezien.
We trekken de symboliek door. De sinaasappel bezit ook nog een kern, die alle partjes met draden aan elkaar verbindt. Die kern zouden we kunnen zien als het centrale ego, de stuwende verbindingskracht, koel neutraal, niet consumeerbaar. Het geheel wordt samen gehouden door energieën, levensenergieën, en de kracht van de scheppende gedachte van het Zelf.
Op een dinsdagmiddag, eind januari 1991, zit Anna - Maria bij mij in mijn praktijkkamer. Anna - Maria is een vrouw van een jaar of veertig. Ze heeft een probleem, maar de aard daarvan is hier niet van belang. Aan het eind van ons voorgesprek breng ik haar snel in een diepe trance, en naar het vorige leven waarin de oorzaak ligt van haar probleem. Ze heeft kennelijk geen zin om dat vorige leven in te gaan, om het te herbeleven. Ze blijft ergens aan Gene Zijde 'hangen', in de geest. Maar er gebeurt toch iets merkwaardigs.
'Ik ben in de lucht. Alleen,' zegt ze. 'Alles is zwart en er is niemand. Ik ben "niks". Mijn geest zit daar in het donker in de lucht.' Ze moet reïncarneren. 'Maar,' zegt ze,
'ze willen mij niet. Ik heb geen recht om te bestaan. Ik wou wel komen. Maar nee, het was mijn tijd nog niet.' Ik geef haar instructies om verder terug te gaan, door het tussenbestaan terug naar haar leven vóór Anna - Maria.
Dan is ze een Oosters meisje van ongeveer 12 jaar oud. Ze heet Yasmin. Ze heeft todden aan haar lijf en ze loopt op blote voeten. Ouders heeft ze al lang niet meer. Ze woont alleen, in een schamele hut. Ze is arm en alleen.
Anna - Maria ziet deze beelden als een film, maar dan beeld voor beeld stilstaand. Ze is niet werkelijk verbonden met het lichaam van Yasmin. Ze projecteert de beelden vanuit haar eigen geest, afstandelijk.
21.300
'Het meisje staat daar maar,' zegt ze.
Ik vraag Anna -Maria om zich met Yasmin te identificeren, met haar geest in het lichaam van Yasmin te kruipen. Maar dat weert ze duidelijk
af.
'Misschien ben ik dat meisje,' zegt ze. 'Niemand geeft om haar. Ze loopt naar binnen. En ik mag niet mee. Het is wat rommel en zand. Het is er vies. En dat is heel zielig. Ik kijk naar buiten en ik voel eenzaamheid.' 'Hoe hou je jezelf in leven?'
vraag ik.
'Dat hoeft niet, want ik heb vandaag geen honger,' antwoordt ze. Maar dat is een uitvlucht, want Anna -Maria is nog steeds aan Gene Zijde, in de geest, en heeft geen aardse behoeften.
'Het is het buitenleven van een schooier,' gaat ze verder. 'En ze is blij omdat ze weggaat, langs een heel lang zandpad. Dan komt ze bij een stad met veel moskeeën. De stad is leeg.'
En dat komt omdat het zuiver projectie is, vanuit haar zelf. Dan zijn er geen mensen, geen levende wezens te zien.
'Ze staat op een plein,' vertelt Anna -Maria verder. 'Ze is er wel en toch is ze er niet. Ik wil geen Yasmin zijn,' zegt ze dan ineens. 'Waarom niet?'
'Omdat het moet. Ik wil niet geduwd worden. Ik wil me niet met haar verbinden, nee!
Ze leeft niet. Ze staat daar maar. Ze bedelt niet meer. Nee, nou niet meer. Het was een donker leven, donker en bedreigend. Ze werd verkracht, en daarna gaf ze steeds maar toe, uit angst voor geweld. Ze werkte zelfstandig, als poetsvrouw. En ze is oud geworden. Ik denk, wel een jaar of tachtig.' 'Ga eens naar haar sterven?'
'Ze ligt te kijken. Yasmin heeft geen pijn. Ze is gewoon versleten.' Ik zeg: 'Je bent je nu bewust aan Gene Zijde te zijn, in de geest. Yasmin is overleden. De levensdraad is gebroken.' (Verdere instructies volgen.) Dan zegt zij: 'Ik zie wolken en Licht. Reïncarneren is nog ver weg. Ik ben een bol, zo groot als mijn hoofd. Dat ben IK
alleen.' Ze is in de ziele-eenheid. Ze voelt zich alleen, omdat de overige persoonlijkheden als een geheel ervaren worden. Ze is daar een deel van, maar ze voelt zich het geheel.
'Die bol moet door de wolken heen. En dan zie ik een stad. Gele huizen met rode daken,' gaat ze verder. 'Ik moet daar ergens naar binnen, in zo'n huis.'
'Hoe groot ben je nu?'
'Ik ben nog steeds een bol. Maar ze zien me niet. Ik ben nu vóór dat huis. Ik denk dat ik naar binnen moet, maar er is niks open.' 'Je kunt er dwars doorheen,' merk ik op. 'Je bent fijnstoffelijk.' 'Nee!' reageert ze, 'want dat is niet netjes.' 'Ze zien je toch niet,' moedig ik haar aan.
'Nee. Maar zo zie ik het niet. Ik zweef daar rond. Ik ben die fijnstoffe
21.317
ke bol. Ik weet niet wat ik daar moet doen.' 'Hoe voel je je, zo tussen twee aardse levens in?'
'Neutraal,' antwoordt ze. 'Reïncarneren hoeft nog niet. Ik kom alleen maar even kijken. Dat is het huis waarin ik als Anna -Maria geboren word. Nee...' zegt ze met trillende stem, en er volgt een hevige uitbarsting van emotie. 'Ga eens wat verder?'
'Nu is het weer donker,' antwoordt ze. 'In het voorportaal van de reïncarnatie?' 'Ja,'
zegt ze angstig.
'Waarom ben je zo bang om te reïncarneren?'
'Dat komende leven is niet leuk.' (Als Anna -Maria.) 'Daarom wil ik daar niet zijn. Het haalt niets uit,' zegt ze snikkend. 'Ik moet het doen. Ik moet toch!'
'Wat gebeurt er met die bol?' vraag ik geïnteresseerd.
'Die is weg, ergens heen. Die wacht op mij tot ik dat komende leven op aarde achter de rug heb. Ik ben nu klein. Die grote bol, dat was ik ook. Die wacht op mij, gewoon in de lucht.'
'Zijn daar meer levens in?' vraag ik.
'Ja,' antwoordt ze. 'En er zijn daar ook meer bollen die zweven. Elke bol is een leven, een ziel, (ziele-eenheid). Ik ben nu een klein wit bolletje, met wit licht eromheen. Ik ben uit die grote bol gekomen. Dat kleine bolletje gaat er gewoon uit. En na de dood ben ik weer (in) zo'n grote bol. Dan kan niemand mij pakken. Ik en die ziel (ziele-eenheid) zijn dan weer bij elkaar, één geheel, een eenheid.' Er is dan weer een ervaringslichaam aan toegevoegd. 'Hoe maak jij je daar uit los?'
'Gewoon. Ik val naar beneden, rustig. Naar de plaats waar ik mijn nieuwe lichaam moet ingaan, het embryo.'
'Je komt nu bij de conceptie,' instrueer ik haar. 'Wat gebeurt er?' 'Ik moet! Niks aan te doen.' 'Wie heeft dat bepaald?'
'Een Gids. Die wijst ... Hij is streng en onverbiddelijk. Dat leven is niet leuk en ik weet dat.'
'Ga eens wat verder, in de baarmoeder.' (Instructies volgen.) 'Hoe voel jij je dan?'
'Ik voel me neutraal,' antwoordt ze. 'Maar ik leg me erbij neer. Het wordt toch niks, dat leven.'
'Ga eens naar het moment in de baarmoeder dat je de invloed van Yasmin weer voelt opkomen.'
'Dan voel ik me zielig,' zegt ze, na een korte stilte. 'Ik moest aan Yasmin denken.'
'Hoe kwam dat zo?'
'Ik denk, doordat mijn moeder bang is.'
21.318
Er is volledige identificatie met de moeder tijdens de zwangerschap. En zij, Anna- Maria, voelt die angst spontaan. Dat brengt een restimulatie, een opnieuw activeren van de levenservaring van Yasmin in haar teweeg, roept die op. Het is een causale resonantie, een echo uit het verleden.
En ze gaat verder: 'Dat meisje Yasmin komt mij tegemoet in de baarmoeder. Dan hou ik haar vast, want zij is ook bang voor geweld. Ze is toch verkracht.'
'Waar ben jij bang voor?' vraag ik. Maar ze gaat er niet direct op in. 'Daarom hou ik haar juist vast,' antwoordt ze. 'Oh, jullie zijn samen bang.'
'Ja. Misschien doen "ze", de mensen, dan niks, bedreigen ze me niet.' En tot mijn verrassing vervolgt ze: 'Ik ben ook nog steeds met Yasmin samen op het zandpad.'
'En jij bent in de baarmoeder.' Ik begrijp dat ze opnieuw dat leven als Yasmin projecteert, waardoor ze als het ware op twee plaatsen tegelijk is.
'Ja, maar Yasmin komt uit die hut. Daar stond ze weer even, en toen was IK ook haar IK.'
'Heb je geen last van haar?' vraag ik enigszins bezorgd, met even de mogelijkheid van obsessie in gedachten. Duikt hier een schizofrene, gespleten persoonlijkheid op?
'Nee,' zegt ze, 'want daarom hou ik haar vast. Ze is lief. Ze is een vriendin. We delen die angst samen.' 'En hoe gaat het bij de geboorte?'
'We zijn dan met zijn tweeën. Ik denk dat Yasmin binnen, in de baarmoeder, blijft. Ze gaat niet mee.'
'Maar jij hebt intussen wel de invloed van haar probleem,' constateer ik.
'Dat denk ik, ja,' antwoordt Anna -Maria. 'Misschien was ik wel een tweeling, een eeneiige, identieke tweeling. Maar die ander ging niet mee. Dat was Yasmin met de todden aan.'
DE ONDERGANG VAN ATLANTIS. EN DAARNA IN HET TUSSENBESTAAN
Op vrijdagmiddag, 8 februari 1991, niet lang na de voorgaande sessie, komt Leonie voor haar derde regressie naar mij toe. Ze vertoont alle tekenen van het bezit van mediamieke gaven. Ze is een vlotte, opgeruimde jonge vrouw van rond de dertig. Een pittige verschijning, met halflang blond haar. Wel wat driftig, maar toch koel van aard. En iemand die je, wat haar activiteiten betreft, een "Einzelgänger', een "loner", zou kunnen noemen. Ze werkt graag alleen, en op haar eigen manier.
21.303
Maar ze is 'in' voor een goed gesprek en heeft al behoorlijk wat kennis verworven op esoterisch gebied, zodat het mij niet moeilijk valt hierover met haar van gedachten te wisselen. Bovendien is ze vlug van begrip en prettig in de omgang. We hebben afgesproken, dat we een regressie zullen doen naar een vorig leven waarin zij mediamieke gaven bezat, trainde en gebruikte; een leven dat de sterkste invloed heeft op haar leven als Leonie. Daarna zullen we ook nog naar het tussenbestaan gaan, om dat te onderzoeken. Zoals alle mediamieke mensen, gaat zij snel en diep in trance. Ik projecteer de gebruikelijke bescherming van wit licht om haar heen en ik vraag aan onze Meesters en Gidsen om hulp en bescherming. Daarna krijgt ze de instructie om terug te gaan in de tijd, naar het bedoelde vorige leven. Als alle voorbereidingen zijn voltooid, vraag ik haar: 'Wat zie je, wat gebeurt er?'
Onmiddellijk antwoordt ze: 'Ik zie een groot stenen gebouw. Een beetje zandkleurig. En ... ik sta op het dak. Het is een nieuw gebouw. Ze zijn er nog mee bezig. Ze maken grote, schuine pilaren. Een soort open piramide.'
'Grote pilaren. Dat is niet zo verwonderlijk, maar schuin ...?'
'Ja,' zegt ze. 'Het lijkt een soort symbool. Het wordt speciaal voor mij gemaakt.'
'Nu kom jij in het geding. Wie of wat ben jij?'
'Ik heb daar de leiding. Ze noemen me ook wel "Meester". Ik ben een man van ongeveer drieëndertig jaar.'
'Wat is het voor een gebouw dat ze daar voor je neerzetten? Wat voor doel heeft het?'
'Om les te geven,' antwoordt ze. 'Lessen in het ontwikkelen van krachten. Het heeft niets met religie te maken. Niet echt. Ik ben geen priester, nee.'
'Hoe heet je?' Ze zegt: 'Sfova' en spelt het.
'En in welk land is het, Sfova?'
'Atlan ... tica. Atlantis,' zegt ze nu spontaan.
'Sfova, wat voor functie heb jij in die Atlantische maatschappij?'
'Ik werk met spirituele krachten. Voor heel veel doeleinden. Vooral ook beschermende doeleinden. Tegen kwade krachten. Die zijn er ook heel veel.'
'Ja, dat weet ik. Het zijn twee groepen. De volgelingen van Belial tegen de volgelingen van de Ene God. Belial vertegenwoordigt het kwade. Klopt dat?'
'Ja, dat klopt. Het is heel erg, heel erg.' Ze wacht even en vervolgt dan: 'Ik geef ook heel veel raad. Vooral aan de heersers van het land, belangrijke mensen. Maar dat is ook heel rommelig. Die bestuurders wisselen vaak. Ook door veel machtsstrijd. Maar ik weet mezelf in al dat gekonkel goed te handhaven. Ik houd mezelf heel sterk op een afstand. Ik doe wat
21.304
ik kan en voor de rest bekijken ze het maar.'
'Het is Atlantis, zei je. Welk deel van Atlantis is het?'
'Het is zuid-westelijk aan de kust van een groot eiland. Het heet daar Syntinta. Nee, het is niet op een eiland. Het is op het vaste land van At-lantis,' verbetert ze zichzelf.
'Heb je enige indruk hoeveel jaren het is voor de christelijke jaartelling?'
'Jaah? Heel veel jaren.
'Er zijn drie perioden geweest in Atlantis. Dat weetje misschien.' 'Het is de laatste,'
zegt ze onmiddellijk. 'Met heel veel rampen. Ik zie ze aankomen. Ik ben helderziend. Ik kan in de toekomst kijken. En ik kan mensen en dingen afschermen met energievelden.' 'Net zoals ik dat doe met wit licht? Want dat zijn eigenlijk ook energievelden. Het projecteren daarvan,' merk ik op. 'Ja ... ja,' bevestigt ze. 'Dat is ook zo.'
'Wat doe je nog meer? Zijn er ook meerdere mogelijkheden, als je met die gedachtekracht werkt? Want dat is dat werken met energievelden.' 'Ja. Ik kan mensen helpen door ze meer energie te geven. Ik kan ze ook kapot maken.'
'Ja. Elke kracht kun je zowel ten goede als ten kwade gebruiken. Witte en zwarte magie. Het is een bruikbare polariteit,' zeg ik. 'Positief en negatief.'
'Ik doe ook heel veel aan uittreden,' gaat ze verder. 'Waar ga je dan naar toe?'
'Naar een niveau waar je alles heel neutraal kunt bekijken. Voor mezelf dan.'
'En wat is dat "alles"?'
'Goed en kwaad, situaties overzien. Ik heb wel eens, maar heel weinig, mensen kapot gemaakt. Dat was toen ik nog heel jong was.' 'In hoeverre heb je ze kapotgemaakt?'
'Zo, dat ze gewoon vreselijk ziek werden. Maar niet dat ze dood gingen.'
'Waarom deed je dat?' 'Omdat ze me kwetsten.'
'Deed je ook mee aan berichten doorgeven via telepathie? Hoorde je thuis in een keten van "relayeer stations"? Menselijke stations die geheime berichten doorgeven, zo langs de kust,van de één naar de ander.' 'Daar hield ik niet van. Daar ben ik mee gestopt. Maar er is wel zo'n keten. Die is onbetrouwbaar. Een aantal schakels tenminste.' 'Je genas dus ook wel eens mensen. Waarvan genas je ze? Wat waren je mogelijkheden op dat gebied?'
'Vooral als mensen hysterisch waren. Dan schermde ik ze af,' antwoordt ze, 'van alle invloeden eromheen. Van alle andere energieën. En dan haalde ik de slechte energie weg, zodat de mensen weer tot zichzelf kwamen.
21.321
Of ze werden echt gek, of ze werden weer beter. Een van de twee.' 'En als ze echt gek werden, wat deden jullie er dan mee?' 'Nou, dan werden ze opgesloten en we bemoeiden ons er niet meer mee. Dan kunnen we ook niets meer doen.'
'Je bent nu een Meester,' zeg ik. 'Word je ook zo genoemd, zo aangesproken, Sfova?'
'Ja? Ze weten ook niet zo goed wat ze met me aan moeten, omdat ik me nergens in laat passen. Ik wil gewoon mezelf zijn, met mijn eigen mogelijkheden. En ik wil dat iedereen daarvan afblijft.' (Sic!) 'Waarvoor dient dat gebouw eigenlijk, dat voor jou gebouwd wordt?' 'Omdat ze heel graag willen dat ik mensen begeleid die dat soort krachten ook hebben. Maar ik doe dat meer op verzoek van de bestuurders dan vanuit mezelf. Vooral dat afschermen door met energieën te werken. Ik wil ze ook niet alles leren ... of ja, leren? Die gaven hebben ze of die hebben ze niet.'
'De naam Atla, zegt die je iets? Of Alta?'
'Het zegt me wel iets, maar ik vind het niet prettig. De energie die erbij hoort ... ik krijg het ook hier helemaal ... een beetje benauwd. Ik zie alleen dat het twee verschillende personen zijn. Verder weet ik er niets van.'
(Beide namen worden genoemd in een 'reading' van Edgar Gayce, in relatie tot de laatste periode van Atlantis.)
'Je bent drieëndertig jaar, Sfova. Heb je een prettig leven?' Na enig nadenken zegt ze: 'Ja. Ik ben alleen, vrijgezel. Er zijn ook geen vrouwen in mijn leven.'
'Kom je wel eens in een tempel? Speelt religie een rol in je leven?'
'Jaah?' zegt ze peinzend. 'Jawel. Maar ik hou er niet van, ook niet van priesters.'
'Welke godheid wordt daar aanbeden? Is er een naam die in je opwelt?' 'Ik krijg alleen maar de naam Synta door. Maar dat is geen god. Misschien de naam van een Shinto-tempel. Maar ... dat gedoe in die tempel, dat... ik kom er niet graag,' zegt ze tenslotte. 'Je belangrijkste taakje grootste gave,welke is die?' 'Afschermen met energieën is mijn sterkste gave. Daarom heb ik zelf ook zoveel vrijheid. Daarom kan ik mezelf ook handhaven, mezelf afschermen. Ook tegen die priesters, want de meesten mogen me niet.' 'En je helderziendheid. Is die gave sterk? En je treedt ook uit, zei je.' 'Ja. Dan kan ik ook dingen zien.' 'Wat, bijvoorbeeld?'
'De rituelen in de tempels. Dat is eigenlijk allemaal onzin. Ze proberen de mensen ermee in het gareel te houden. Macht over de mensen te verkrijgen. Op zich stelt het helemaal niets voor, maar het heeft wel effect. Als ik ook zie wat ze doen, ja, ze creëren gewoon energieën, door al die rituelen in tempels. Ze vinden het ook belachelijk dat ik een strak vierkant
21.322
gebouw wil voor mezelf. Eenvoudig, zonder tierelantijnen.' 'Vinden die priesters dat?' 'Ja. Eigenlijk iedereen, want het land is rijk.' 'Waar wordt het uit opgebouwd, uit wat voor steen?' 'Nou, het is zandkleurig. En van binnen is het ook heel strak. Alleen de lichtval is werkelijk belangrijk. Ik ben daar "de baas". Daar komt het wel op neer. Ik zwaai de scepter over zes tot tien medewerkers. Dat varieert.'
'Je bent nog jong, hè? En dan al zo ver gevorderd, in zo'n functie. Wat voor een voorgeschiedenis heb jij eigenlijk? Ga eens wat terug in de tijd, in je leven als Sfova. Hoe oud ben je hiermee begonnen, met het gebruiken van deze spirituele krachten?
En hoe ontdekte je die? Was je nog klein, toen dat al begon?'
'Ja, ik was ongeveer zeven jaar, toen ik ontdekte wat voor gaven ik had.' 'Hoe ontdekte je dat? Of waren het je ouders?'
'Nee. Mijn omgeving. Ik vond het zelf heel normaal. Ik dacht dat iedereen het had.'
'Wat waren die gaven toen?'
'Het was helderziendheid, en ik had ook visioenen. Ik zag wat er in mijn omgeving ging gebeuren met mensen. Dat vertelde ik ze. Maar ze vonden het niet normaal, hoewel het bekend was dat het bestond.' 'En wat gebeurde er ten slotte?'
'Ik moest verhuizen. Ik werd ondergebracht bij een oudere man. Die zou mij verder opvoeden.' 'En ging dat goed?'
'Ja. Hij begeleidde mij natuurlijk. Hij creëerde ook heel veel ruimte voor me. Mogelijkheden om mijn gaven spontaan te ontwikkelen, zodat ik mezelf kon zijn en het gewoon kon laten gebeuren. En hij schermde me toch ook wel af. Zo groeiden ik en mijn gaven.' 'Wat was het meest belangwekkende datje in die dagen zag?' 'Ik kon me naar een ander niveau verplaatsen, en van daaruit zag ik de dingen. Dat is toch weer heel anders dan visioenen. Het gebeurde ook bewuster, hè, en neutraler. Ik bedoel, zonder dat je eigen gevoelens meespelen.'
'Wat was dat voor een niveau? Hoe zou je dat willen beschrijven?' 'Het was net alsof ik dan de omgeving heel afstandelijk zag. Je bent er wel, maar toch anders. Het is moeilijk in woorden uit te drukken. Ik zag het anders, en dan kon ik ook mijn gevoelens en emotie uitschakelen. Maar ik ging niet in trance. Hooguit bij de genezing van mensen. Dan ging ik wel eens in trance. Dat had ik geleerd van die oude man.' 'Haal die man eens voor je. Zijn gezicht, zijn uitstraling, zijn hele wezen. Kun je dat?'
'Ja. Zo moeilijk te beschrijven ... Die man is gewoon één brok rust. Maar hij is niet in mijn leven als Leonie.'
21.323
'En als je dan zover bent dat die oude man tegen je zegt: "Nou, ik kan niets meer voor je doen. Voor wat mijn gaven betreft, heb ik je alles geleerd wat er te leren valt." Hoe oud ben je dan?' 'Dan ben ik vijfentwintig.' 'Zo. Dan ben je lang bij hem geweest.' 'Ja. Hij heeft ook heel goed voor me gezorgd.' 'Was er misschien ook een vrouw die het huishouden verzorgde?' 'Ja, er waren verschillende mensen, bedienden.' 'En wat gebeurt er daarna met je?'
'Dan beginnen die bestuurders aan me te trekken. Ze willen dat ik ze help om de afloop van bepaalde activiteiten en gebeurtenissen aan de weet te komen. En ze willen ook dat ik ze bescherm. En ze willen natuurlijk de afloop van hun eigen plannen weten. Vooral dat juist willen ze weten.'
'Wat zijn daar in Atlantis voor belangrijke activiteiten?'
'Wat ik echt zie, dat vertel ik ze niet, want ik weet dat ze dat niet leuk vinden. Of het is zinloos.'
'Wat zie je over de toekomst van Atlantis?'
'Dat alles in elkaar dondert. Ik zie de ondergang van Atlantis. En die is ook niet tegen te houden.'
(Zo gaat ook onze huidige wereld naar de ondergang. En de geschiedenis herhaalt zich.)
'Waar wordt die ondergang door veroorzaakt?'
'Door al die mensen, die krachten en machten in Atlantis zelf. Door tegengestelde krachten. Ze zijn zelf, ja, toch wel zo hoog ontwikkeld, ook technologisch, dat het gewoon hun eigen ondergang wordt. Ze zijn zo verheerlijkt van zichzelf.' 'Nou, en dan ga jij daar aan de slag.' 'Tja, een beetje rotzooien,' zegt hij /zij onverschillig.
'Dan ben je vijfentwintig, Sfova. Waar ga je dan wonen?' 'Ik heb niet echt een vaste woonplaats, totdat ze dat gebouw voor me neerzetten. Ik trek zo maar wat rond.'
'Dat bouwsel op het dak, speciaal voor jou, wat is dat eigenlijk?' 'Dat is om mijzelf op te laden. Het is gebouwd volgens het piramideprincipe. Het is geen echte piramide, natuurlijk.'
'Dat opladen gebeurt ook in de grote piramiden van Atlantis,' voeg ik eraan toe. Evenals in de grote piramide van Cheops, bij Gizeh. Die is trouwens ruim tienduizend jaar voor Christus door de Atlantiërs gebouwd. Volgens Edgar Cayce heeft de bouw honderd jaar geduurd. Het is een wonder van techniek en wiskundige berekening. De piramide was tevens een observatorium Alleen het topje, dat er trouwens niet op hoort, is erdoor Cheops (vierde dynastie) opgebouwd. Hij veronderstelde ten onrechte, dat het enorme bouwsel
21.324
niet voltooid was. Dat ontdekte ik in een van mijn regressies naar die tijd. De grote piramide was ook een baken op aarde voor de uit de interstellaire ruimte terugkerende 'schotels' (vliegtuigen).
'Die piramide is er alleen maar voor mij,' gaat hij/zij verder. 'Ik wil ook dat er niemand anders gebruik van maakt.'
'Is er nog iets bijzonders aan dat ding? Aan dat piramideprincipe? Zit er nog iets in dat energie doorgeeft?' vraag ik, eigenlijk met een speciale bedoeling.
'Nee,' antwoordt hij, in eerste instantie.
'Nee? Geen kristal?' vraag ik verbaasd. 'Een kristal dat de zonnestraling op een bepaalde manier breekt en zo voor energie zorgt.' Daar werd in Atlantis veelvuldig mee gewerkt. 'Is dat er niet? Is het alleen maar de vorm?'
'Het is de vorm, ja, en inderdaad, in het midden is een kristal geplaatst dat overdag enorm schittert en glinstert in de zon. Dat vangt de energieën op.'
'En dan blijf je daar, op een bepaald moment, in dat gebouw wonen. Hoeveel jaren heb je intussen rond gezworven?'
'Van mijn vijfentwintigste tot mijn drieëndertigste. De meeste tijd wel, ja.'
'Wat zie je op straat, tijdens je zwerftochten. Is daar vervoer?' Maar hij zwijgt.
'Ga nu eens naar een heel belangrijke gebeurtenis voor jou, nadat het gebouw betrokken is,' ga ik dan verder.
'Ik sta in een ruimte met een aantal leerlingen. Die hebben enorme ruzie. En het gaat er heel gemeen aan toe. Nou ja, ruzie is ruzie, maar het wordt op een heel gemene manier uitgevochten met spirituele krachten. Ik zie bij sommigen zelfs zwarte krachten. Dit is helemaal fout, denk ik. Dit wil ik niet. En het belangrijkste aspect hiervan is, dat het gewoon heel moeilijk wordt om in groepsverband te werken. Het lijkt wel een soort wedstrijd. Zo van, "kijk, ik kan meer dan jij." Competitie, dat wekt zwarte krachten op.'
'Zijn er in jouw leven verder nog bijzondere mensen?'
'Weinig! Nou? Eigenlijk niemand. Ik ben een eenzame figuur. Maar ik ben wel in aanzien bij de bestuurders van het land.'
'Wat is het meest belangrijke dat je ze ooit voorspeld hebt?' Er valt een stilte.
'Heb je ooit iets gezegd over de ondergang van Atlantis?'
'Nee. Daar heb ik nooit iets over gezegd. Hooguit iets in een grapje, maar ... nooit serieuze uitspraken gedaan.'
'Wat is het belangrijkste datje ze verteld hebt?'
'Meestal over negatieve krachten die andere mensen uitstraalden,' antwoordt Sfova.
'Ze vroegen me dan of ik die wilde uitschakelen. Vooral als
21.309
er iets belangrijks moest gebeuren. Dat het dan door mij afgeschermd werd. En als er beslissingen moesten worden genomen. Maar het is een rumoerige tijd. Er werden veel bestuurders vermoord, in die strijd om de macht. Niet door geweld, maar door krachten van de geest. Zeg maar, dat ze erg ziek werden, of zo. En het was een heel belangrijke taak voor mij om die krachten af te schermen. Want daarom was ik best geliefd bij al die bestuurders. Ze waren allemaal bang voor de dood. En dat werd steeds erger met het verstrijken van de jaren. Angst voor het verliezen van hun positie. Want dat ging meestal samen met de dood.'
'Wat zijn de middelen van vervoer?'
'Ik zie ook vliegende schotels,' zegt Sfova. 'Maar het is ook weer zoverschillend. Het is niet overal zo. De ene kant van Atlantis is heel primitief, als ik dat zo zie, en de andere kant is hoog ontwikkeld.' 'Van het hele continent, bedoel je. Omdat het zo groot is.' 'Ja. Er is ook zoveel verschil in, hoe mensen vervoerd worden. Het lijkt wel door energievelden. Als ik ernaar kijk, is het net een soort schotel. Maar het is in feite gebundelde energie, gebundelde krachten. Het is geen materie.'
'Dus vliegende schotels zijn volgens jou gebundelde energie, gebundelde krachten?'
'Ja!' zegt hij energiek.
'Ik veronderstel dat je weet, dat aan iedere gedachte energie ten grondslag ligt. Zonder energie geen gedachte. De gedachte creëert. Maar de energie die binnen de gedachte aanwezig is en die eigenlijk alle leven is, die kan zich omzetten in materie, en omgekeerd. En zo kun je iets scheppen door gedachtekracht. Iets wat helemaal reëel is. Het hangt er nu maar vanaf naar welke fase van het proces je kijkt, en waarmee.' 'Maar het zijn energieën en het wordt geen materie,' houdt hij staande. 'Het blijft energie. En die energieën worden door speciale groepen op Atlantis gecreëerd. Dus als je zoiets gebruikte als vervoermiddel, dan hoefde je zelf niet die krachten te bezitten om dat te vormen. Om die energieën vorm te geven. Dat kun je dus door andere mensen laten doen. En daarom had je ook, wat ik al zei, dat verschil.' 'Die vormen ontstonden dus eigenlijk door gedachteprojectie,' vat ik Sfova's betoog samen.
Dat is het principe dat aan alle waarneembare vormen ten grondslag ligt. En is wat wij om ons heen zien, droom, verbeelding of werkelijkheid? Een werkelijkheid die wij allen hetzelfde zien, omdat we op dezelfde trillingsfrequentie zijn afgesteld? Die vraag houdt ons al heel lang bezig.
'Er zijn hele groepen mensen daar de hele dag mee bezig,' gaat Sfova verder. 'Met die projecties. En daarin kun je zitten, liggen, staan en noem
21.310
maar op, alles.'
En daarmee laten we dit onderwerp maar rusten. 'Is Atlantis een mooi land?' vraag ik verder.
'Ja, dat is het. En ook heel afwisselend. Hoge bergen, onafzienbare vlakten, enorme groene bossen, prachtige meren en brede rivieren,' zegt Sfova.
'En de steden? Hoe zien die eruit? Je hebt nogal wat rondgezworven.' 'Tja, die zijn ook zo verschillend. Ik vond de steden niet mooi. Ik hield ook niet van die steden, omdat ze zo'n weerspiegeling zijn van alles wat er op dat hele continent gebeurt. Ook omdat er zoveel mensen bij elkaar waren. Ik voelde me eigenlijk niet betrokken bij die samenleving. Ik hield me op een afstand. Ik hield niet van die steden, ik hield niet van die tempels.'
'Hoe gaat het dan verder met je, Sfova? Je wordt ouder.' 'Ja. Ik stop met het lesgeven aan die groepen. In het begin zijn ze daar nogal boos over. En dan probeer ik uit te leggen waarom ik het niet meer zie zitten. En daarover zijn de meningen wel enigszins verdeeld. Want nu krijg ik waar ik al heel lang bang voor was.
In het begin schrokken ze wel even. Ik zei, "als ik hiermee doorga, dan ga ik zwarte krachten creëren." En dan zijn zij best een beetje bang. Maar ze zien op een gegeven moment daar ook weer de voordelen van ... Hé, dat kunnen we toch ook wel gebruiken?' 'Die zwarte krachten?'
'Ja. Als tegenwicht tegen dat omvangrijke zwarte gedoe. Als het ware zwart met zwart bestrijden. Nou en ... daar wens ik me niet mee bezig te houden. Dat is te gevaarlijk.'
'En dan word je ouder en ouder, Sfova. Maak je de ondergang van Atlantis nog mee?'
'Ja, nou, niet de hele ondergang. Maar ik ga wel dood tijdens een ramp.' 'Ga daar eens naar toe.' (Instructies volgen.)
Halverwege zegt ze: 'Ja, ik ben er al. Ik zie mezelf liggen. Ik ben uit mijn lichaam. Gewoon uitgetreden. Ik ben half verpletterd door een deel van een gebouw ... van een tempel, als ik het zo zie. Ik kan nog geen kant op. Ik lig helemaal vastgenageld. Ik leef nog wel.
Er zijn aardbevingen, slagregens. Er gebeurt echt van alles. En wat ik dan doe, is eigenlijk kijken naar wat er gebeurt. Ik zie een geweldige paniek om me heen. En je kunt helemaal niks doen. Ik zit vast, ook al ben ik uit mijn lichaam. Het zilveren koord, de levensdraad, is nog niet gebroken.'
'Heb je pijn?' vraag ik, meelevend. 'Nee, want ik ben uit mijn lichaam.'
'Ja, natuurlijk! Maar wat gebeurt er dan allemaal? Wat kun je daarover vertellen?'
'Nou, het is natuurlijk één grote paniek, één grote chaos. Er zijn hevige
21.327
aardbevingen, slagregens en harde, gierende wind. Het lijkt wel of de aarde aan alle kanten door de natuur wordt afgeranseld. Er raast een zware storm. De lucht ziet pikzwart. Het is echt één en al ellende ... Er vindt een zware catastrofe plaats. Nou, dan lig ik daar, half bedolven. En het enige wat ik weet, is dat ik weer snel in mijn lichaam terug moet, om dood te gaan. Dat is heel belangrijk,' benadrukt hij.
'Ja, dat begrijp ik, want anders is het suïcide, hè?' merk ik op. 'Dat bedoel je toch?'
'Ja. En eh, nou ja, ik ben ook zo nieuwsgierig. En toch, hoe stom het ook klinkt, verbijsterd. Hoewel ik altijd heb geweten dat het zo zou gaan. En op een gegeven moment zie ik een reusachtige vloedgolf aankomen. Dan ga ik als een idioot terug in mijn lichaam, omdat ik weet dat ik anders niet op tijd terug ben om dood te gaan. En het is heel raar. Ook het moment dat ik weer in mijn lichaam ben.' 'En voel je dan pijn?'
'Ja. Ik heb dan net het gevoel van, jeetje, ik ben toch van vlees en bloed. En het is dan ook net alsof ik dat voor het eerst in mijn hele leven besef. Ook door de pijn. Door alles eigenlijk. Maar toch hoofdzakelijk door de pijn, ja.'
'En dan? Is het gauw afgelopen?'
'Jaah! Die vloedgolf komt over me heen. Het gaat zo snel, ik ben zo dood,' zegt hij berustend. Er volgt een doodse stilte.
'Waar sterf je in feite aan?' vraag ik dan.
'Jaah? Aan die vloedgolf. Ik verdrink, verbrand, alles.'
'Verbrand? Hoezo, waardoor?' vraag ik nu verbaasd.
'Het is niet alleen door die vloedgolf. Het is toch gloeiende lava. Het is
...' Dus toch een vulkaanuitbarsting.
'Luister. Je gaat nu door dat sterven van je lichaam heen, naar Gene Zijde. En daar besef je dat je dood bent, dat de levensdraad gebroken is.' (Instructies volgen.) 'Wat kun je erover zeggen?'
'Het is, ja ...? Ik weet dat ik dood ben. Het is anders dan toen ik nog op aarde was en uit mijn lichaam ging. Maar het lijkt wel veel op elkaar. Het is dezelfde astrale sfeer, waarin ik ben. Dat is ook heel verwarrend. Ik herken het en het is toch anders, nog iets verder weg van de aarde. En ook het gevoel is anders.' 'Kun je me vertellen watje ziet?'
'Ik zie die ramp zich voltrekken en ik wil er ook nog steeds naar kijken.'
'Je bent dus nog betrekkelijk dicht bij de aarde.'
'Ja, ja,' zegt hij opgewonden. 'De aarde schudt. Alles is in beweging. Het is gewoon niet te geloven, wat je ziet.' Er valt weer een stilte. Hij moet wel van de ene verbazing in de andere vallen. 'Vertel verder, wat je nog meer ziet of weet.'
21.328
'Het duurt heel lang. En het daagt ook niet. Het is heel erg donker. Op een gegeven moment is er geen levend wezen meer te zien. Alles is verdwenen,' zegt hij, toch een beetje verdwaasd en verbijsterd. 'Heb je nog mensen zien worstelen met het geweld van de natuur?' vraag ik, omdat meerdere mensen mij hun verslag van de ondergang van Atlantis hebben gedaan. Ze zagen in die regressies vele mensen op afschuwelijke wijze om het leven komen, of plotseling opgeslokt worden door de aarde. Anderen weer worstelden langdurig met de dood. 'Ja, maar na één dag leeft er niemand meer,' antwoordt hij. 'Maar dagenlang blijft het nog schudden, trillen, en hoor je gerommel. Er blijven maar uitbarstingen komen. Het is net een bergje, of een hoopje steen, waar je naar kijkt. Dat alleen maar beweegt, en je herkent niets meer. Je herkent geen steden meer, geen bergen meer ... Het aangezicht van de aarde herken je niet meer. Nee! Het is een grote vlakte van lava en stenen. Maar niet overal. Het is heel verschillend.' 'Wat valt je het meeste op bij deze gebeurtenissen?' 'Er vindt een enorme calamiteit plaats. Ja? Hoe moet ik dat nou uitleggen,' verzucht hij. 'Ik zie ... ja ... alles is dood.' Hij mompelt wat in zichzelf, onverstaanbaar. 'Er is één deel dat nog niet helemaal verwoest is. Nou moet ik even denken, dat is het westelijke deel van Atlantis,' zegt hij/zij dan.
'Als je de wereldkaart, in je leven als Leonie, zou bekijken, waar ligt dat westelijke deel dan het dichtst bij?'
'Dat westelijke deel van Atlantis ligt tegen de oostkant van Noord-Amerika aan. Het gekke is, ik zie alles vanuit het oosten.' 'Maar je zweeft daar natuurlijk ergens boven de aarde.' 'Ja. En ik blijf daar in de geest wel heel lang rondhangen.' 'Waarom doe je dat?'
'Ja, het lijkt wel een soort verwerkingsproces. Ik heb me toch wel afstandelijk van de dingen van het leven op aarde gehouden.' 'Hoe was dat leven, als Sfova?' 'Heel alleen! Ja! Heel alleen. Een eenzaam leven.' 'Wat kun je van dat leven zeggen, nu je het achter de rug hebt?' Er volgt een ogenblik van overpeinzing. Dan vraag ik verder: 'Wat was je karmische opdracht in dat leven? Heb je het goed gedaan?'
'Jawel ... alleen ... ja, wat ik niet goed gedaan heb, is ... dat ik me teveel afzonderde, en dat ik toch mijn gevoelsleven en mijn emoties niet heb toegelaten. Heel erg, eigenlijk. En daarom kon ik ook zoveel doen. Maar het is niet leuk. Het geeft geen voldoening.' 'En waar blijf je dan, ten slotte?' 'Ik ga naar het Licht,' zegt hij / zij rustig.
'Doe dat eens. En maak die hele actie aan Gene Zijde tot in details door. Alles wat er gebeurt tussen twee levens. Ga daar doorheen. Waar kom je het eerste bij aan?'
21.313
'Ik kan me heel moeilijk losmaken van die aardse gebeurtenissen.' 'Omdat je daar zo lang boven gehangen hebt?'
'Jaah. En omdat ik toch denk, wat moet ik er mee? Wat een gedoe allemaal. Ook van, eh ... het is niet altijd zo leuk om gebeurtenissen al van tevoren te zien. Misschien dat, als ik ze niet had gezien, ik heel anders geleefd zou hebben. Ja, dingen worden ook ... ja, niet nutteloos, maar ... voor mezelf wel. Dat gevoel heb ik wel, ja,... dat ze nutteloos worden.' 'Dat kan ik heel goed begrijpen. Maar waar kom je nu terecht, daar aan Gene Zijde?'
'Op een gegeven moment word ik door een bepaalde energie weggezogen. Dan is het net alsof ik langs een energiebaan wordt voortgetrokken. En ik onderga dat heel passief. Ik vind het niet leuk dat ik daar weg moet, en ik weet toch dat het moet gebeuren. Dat ik bij die aarde weg moet.
Maar op een gegeven moment is het heel rustig. Veel blauw, groen en geel, ja, veel lichte kleuren, die me heel erg rustig maken. Ik heb ook het gevoel dat ik in het Licht ben. Verbijsterd van ... zo van pff... en langzaam maar zeker trek ik bij.' Weer volgt er een serene stilte. 'Wat doe je dan?' vraag ik verder.
'In eerste instantie niets. Gewoon "Zijn". Zoiets als acclimatiseren, kun je wel zeggen.'
'En als er dan weer actie komt, wat gebeurt er dan?'
'Dan ga ik uit mezelf bewegen. Ik heb ook zoiets van, nou, ik zie het wel.'
'Ga eens wat verder, door dat hele "bardo" heen, zoals de Tibetanen dat noemen. Door dat hele tussenbestaan. Wat gebeurt er dan met je?' 'Ik zie andere wezens in de verte. Ik weet dat ze voor mij komen. Het zijn er Drie. Ze gaan gewoon door met bewegen. Ik heb gedachtecontact met ze. Maar het moet van mij zelf uitgaan. Ze wachten ... Ja. Het zijn zeer belangrijke wezens. Ze hebben een boodschap ... Maar ze zijn erg voorzichtig. En heel langzaam nader ik ze. Ik vind het moeilijk. Ik heb moeite met die Raad van Drie, en ik weet niet waarom. Ik denk dat er een analyse van mijn leven zal plaatsvinden.
Het is niet gemakkelijk voor me. Het contact moet van mijn kant komen. Ik moet het initiatief nemen. En op een of andere manier zie ik daar toch enorm tegen op. Ik moet mij, zeg maar, open stellen. Daar heb ik heel veel moeite mee. Ik aarzel vreselijk,' zegt hij, een beetje benauwd. 'En ik weet dat ik het moet doen. Of ja?
Moet doen?' 'Ja, je moet het doen, want je moet verder.' 'Ik weet niet, het lijkt wel een soort angst.' 'Maar ze zijn toch vriendelijk,' moedig ik hem aan. 'Ja, ze zijn heel vriendelijk zelfs. En ze proberen me op mijn gemak te stellen, me rustig te maken. Ze gaan nu toch zelf beginnen. Wat ze me willen zeggen
21.314
'En? Wat wordt er gezegd?'
'Dat ik wat flexibeler moet zijn. Mijn vorige leven wordt erin betrokken. Ik moet het allemaal wat meer mixen. Niet zo aan één kant gaan staan. Niet zo van, dit is het, en voor de rest ...'Ze maakt haar zin niet af.
'Meer de middenweg kiezen,' vul ik daarom aan. (Dit leerde Boeddha de mensen ook al.) 'Ja, ja...'
'Hoe zien ze eruit, die Drie,' wil ik weten.
'Het zijn onstoffelijke energieën. Je kunt ze niet zo als aardse mensen beschrijven.'
'Maar ze stralen toch wel iets uit.'
'Jawel. Heel veel gezag,' antwoordt hij. 'Ook heel veel liefde en genegenheid. Het is niet echt alsof je op het matje geroepen wordt.' 'En dan wordt er zeker over je toekomstige leven gesproken? Je bent daar in een tijdloos gebied, besef je dat?' 'Ja, dat besef ik wel.'
'Het is een gebied waar je net zo goed vlak voor je leven als Leonie zou kunnen zijn, als direct na dat leven als Sfova in Atlantis,' ga ik verder. 'Daar ligt geen tijdverschil tussen. Begrijp je dat?' 'Jazeker,' bevestigt ze, en ze knikt met haar hoofd. Zo maakte ik in een regressie mee dat iemand, na een leven in circa 1200 n.C, aan Gene Zijde opgevangen werd door haar moeder die pas omstreeks 1500 n.C. op aarde haar leven moest doormaken, als die moeder.
'En de ruimte waarin dit contact met de Raad plaatsvindt, hoe ziet die eruit?'
'Het is een ruimte van hoofdzakelijk geel Licht. Het is geen vertrek. Maar het is in die ruimte heel rustig,' antwoordt hij. 'Er is daar heel veel "energiegevende" energie.' 'En hoe voel jij je daar nu dan, bij die Drie?'
'Ik voel me wel rustig, maar ja, ik prakkiseer me een hoedje, hè,' zegt hij, en daar moet ik toch even om lachen. 'Ik weet dat ze gelijk hebben, maar ik vind het toch bijzonder moeilijk,' voegt hij er nog aan toe. 'Wat vind je moeilijk?' 'Nou, principes loslaten, hè.'
'Hmm, verkeerde dan, verkeerde principes. Ja toch?' is mijn commentaar.
'Ja, nou, gewoon dat hele starre gedoe van mij. Dat starre gedoe houdt meestal ook verband met principes. En dan kunnen ze wel goed zijn op dit moment, maar op een ander moment geldt dat niet meer. En dan kan het inderdaad wel een verkeerd principe worden. Dat is heel moeilijk.'
21.331
'Wat word je nog meer meegedeeld of geadviseerd? Want het is toch een soort raad van advies. Of van analyse, zou ik misschien beter kunnen zeggen. Klopt dat?' 'Ja. Zo is het.'
'Je wordt als het ware geholpen met analyses van vorige levens en van een toekomstig leven,' merk ik op.
'Ja. Ze geven vooral het advies, dat ik echt moet "leven", die bepaalde rem eraf te gooien,' zegt hij /zij, een beetje moeilijk slikkend. 'Is er ook één van die Drie die het belangrijkste is, die eigenlijk het woord doet?'
'Ja,' zegt hij, na enig nadenken over die vraag. 'Mijn faalangst.'
'Je faalangst? Wat is daarmee?' vraag ik verbaasd. Van die angst hoor ik nu pas voor het eerst.
'Dat ik alles wil controleren. En dan vooral mezelf. Dat ik het toch maar goed zal doen,' antwoordt hij. 'Dat is belangrijk.' 'Zijn die onstoffelijke wezens voor jou alle drie gelijk, of is er één bij die als het belangrijkste overkomt, die de leiding heeft?'
vraag ik hem nogmaals.
'Ja, er is er één die het belangrijkste is. Die is ook een beetje strenger. Of strenger?
Die probeert zich op een meer directe manier uit te drukken.' 'Wat gebeurt er in njnstoffelijke zin met jou, in dit hele proces? Hoe zie je jezelf, als je je kunt spiegelen aan andere entiteiten, die daar zijn?' 'Als ik voor die Raad van Drie sta, dan ervaar ik mezelf als heel naakt, heel kwetsbaar,' antwoordt hij. 'Ja, maar heb je ook een vorm, bedoel ik.' 'Een vorm? Ja, een beetje ovaal.' 'En is dat ovaal klein of groot?'
'Met die andere energieën vergeleken, ben ik veel kleiner. Die "Drie" zijn ook veel breder. Ik voel me wel een energie, maar eigenlijk niet in een duidelijke vorm.'
'Ja, jij denkt altijd in energieën. Dat ben je zo gewend. Ik denk datje ten slotte, maar dat is mijn ervaring, niet veel meer wordt dan een klein bolletje, een stip met wat uitstralende energie eromheen. Maar ik weet niet of dat ook jouw ervaring is. Hoe staat het met je ziele-eenheid, waarin alle andere persoonlijkheden aanwezig zijn?
De persoonlijkheden die aan jouw persoonlijkheid vooraf zijn gegaan, en ook degenen die nog zullen volgen? Heb je daar contact mee?' 'Van al die levens?'
vraagt hij nu. 'Ja. Jij bent maar een deel (persoonlijkheid).' 'Ja,' bevestigt hij / zij.
'Je bent een deel van het geheel, en tegelijk ook het geheel. Je kunt in en uit die ziele-eenheid, uit dat geheel, maar je blijft deelgenoot van de ervaring van het geheel. Je kent, binnen die ziele-eenheid, de levenservaring van alle persoonlijkheden die daartoe behoren. En als je nu naar dat ge-
21.316
heel kijkt, wat neem je dan waar?' 'Dat ik aardig aan het knokken ben,' antwoordt hij.
'Ja, maar wat neem je reëel waar, niet spiritueel? Welke vorm heeft die zieleeenheid? Kun je daar een antwoord op geven?' 'Enigszins schotelachtig. Een soort vliegende schotel,' zegt hij, met zijn Atlantische leven nog in zijn geest. 'Een bolvorm,' voegt hij er nog aan toe. 'Een bol met een energie-uitstraling. Dat doet me aan een vliegende schotel denken. Het is een beetje een onrustige toestand,' gaat hij verder.
'Je ziet datje aan het knokken bent, zegje. Hoe bedoel je dat?' 'Ja, voor hoe het verder moet, hè.'
'Want je beseft wel, denk ik, dat het ervaringslichaam van je leven als Sfova niet meer teruggaat naar de aarde. Dat blijft in je ziele-eenheid, is het niet?'
'Ja,' zegt hij, en knikt instemmend.
'Ik suggereer je dat nu, maar je moet me duidelijk zeggen, als het niet zo is.'
'Ja, dat is zo,' bevestigt hij mijn stelling. 'Die vorig-leven-persoonlijk-heid blijft hier. Die neemt overigens wel een belangrijke plaats in,' zegt hij er nadrukkelijk bij.
'Dat vorig leven als Sfova, bedoel je?'
'Ja, dat bedoel ik.'
'Maar hij is toch een deel van het geheel, en tegelijk ook het geheel, de gehele "bol". Daardoor komt dat.' Ik zeg het nog maar eens, voor alle duidelijkheid. 'De integratie in de monade is wellicht ook nog niet helemaal voltooid. Maar uit die bol, of schotelvorm, die jij natuurlijk vanuit Atlantis kent, daar komen toch ook weer de nieuwe '
5
IK KEN uit. Is het niet?'
'Ja. Dat klopt,' antwoordt hij, zonder enig voorbehoud. 'Je bent daar bij de Raad van Drie,' ga ik verder. 'Wat gebeurt er daarna?'
'Dan ga ik naar wat lijkt op een dorp, een soort gemeenschap van energie-wezens. In het begin heb ik het daar heel moeilijk, want ik vind het er veel te druk.'
Hij is nog steeds gewend om als Sfova alleen te zijn. 'Op een gegeven moment besef ik wel van, nou ja, je kunt niet altijd alles ontlopen. En dan heb ik in het begin best wel moeite met contacten met andere entiteiten. Ik zonder me aanvankelijk ook zoveel mogelijk af.' 'Wat is de opvolgende actie die ondernomen wordt? Hoe werkt het ten opzichte van je ziele-eenheid?'
'Ik besef dat ik me nu niet zo goed kan afschermen. Dat het allemaal heel anders is.'
'Sfova, om hem zo nog maar te noemen, is opgegaan in de ziele-eenheid?'
21.333
'Ja,' antwoordt hij. 'En je bent eigenlijk niks meer of minder dan al die andere energie-wezens. Ik ben heel fijnstoffelijk, heel doorzichtig. En daar heb ik het toch best wel moeilijk mee. Iedereen kan zo zien wat en hoe je bent.'
Net als toen we voor het eerst naar de aarde kwamen, als volkomen transparante, heldere geest. Alleen waren we toen nog niet beladen met aardse problemen, karma.
'En als je dan gaat reïncarneren, wat voor een proces volgt er dan? Waar komt die nieuwe persoonlijkheid vandaan?' Die vraag brandt me voor de zoveelste keer op de lippen.
'In ieder geval, ja ... in een andere omgeving,' zegt hij, 'androgyn. Geslachtloos.'
'Wat vindt er plaats ten opzichte van de ziele-eenheid?' 'Dat ik, zeg maar ... keuzes moet maken.' 'Wat zie je gebeuren?'
'Het is net of ik heel veel mogelijkheden te zien krijg. En dan moet ik er één uitkiezen. Ja, dat vind ik heel moeilijk.' Het komt er allemaal ook nogal moeizaam uit.
'Wat zijn die mogelijkheden op zich?' vraag ik dan.
'Eén opvolgend leven kiezen. Het is net of ik al een aantal levens heel globaal te zien krijg. Ja, wat ik kan doen.'
'Heeft het ene leven niet met het andere te maken? Moet je niet een leven kiezen dat met een voorgaand leven, of voorgaande levens, te maken heeft?'
'Ja, ja. Die mogelijkheden hebben in ieder geval te maken met je verleden. Ze zijn op een of andere manier planmatig, karmisch met elkaar verbonden. Oorzaak en gevolg. En dat is vooral kwetsbaarheid. Welke levens ik ook zie ..., ja, ik vind het moeilijk.'
'Het is ook moeilijk, neem ik aan. Maar ze zullen je de weg wel wijzen, denk ik.'
'Ja, maar ze laten me toch even lekker spartelen. Maar dan krijg ik toch hulp van twee entiteiten, zeg maar Gidsen. Ze komen links en rechts van me "staan". En dan word ik ook wat rustiger. Ja, dan overleggen we. Dan zeggen ze ook, het maakt niet uit watje kiest. Waar je voor naar de aarde gaat, dat gebeurt toch. Wat je moet doen, komt toch op je af, onontkoombaar. En dat besef ik ook heel goed.'
'Maar wat voor een proces volgt er dan, binnen de ziele-eenheid?' vraag ik.
'Ja, dan laat ik die boodschap heel goed tot me doordringen, mijn levensplan. Zo van, ja, hoe zal IK dat dan aanpakken.' 'Hoe zal IK,' zegje. 'Het is IK, hè?'
'Ja. IK heb geen naam. En dan komt de vraag, hoe ik zal trachten dat
21.318
levensplan zo goed mogelijk te volbrengen, te doen, te leren 'En wat gebeurt er dan daarbinnen in je ziele-eenheid?' 'Er scheidt zich net een soort bolletje energie af. Rood-oranjekleurig. Heel fel. Het lijkt wel of het wordt afgeschoten. Het bestaat voornamelijk uit energie, levensenergie. Een heel felrood-oranje bolletje energie dat naar dat nieuwe leven op aarde gaat, naar de opvolgende incarnatie. Het lijkt of er een heel groot deel achterblijft. De ziele-eenheid blijft achter, met die Gidsen ernaast.
De nieuwe levensenergie, het nieuwe IK, gaat dan naar de aarde. En dan wordt het ook een hele dubbele toestand. Want al die andere persoonlijkheden in de zieleeenheid enerzijds, en dat nieuwe bolletje energie anderzijds, dat voelt net aan alsof je gesplitst bent. Het hoort wel bij elkaar, maar op het moment dat het "ffft" weggaat, dan is het weer een gescheiden unieke persoonlijkheid. En het is net of de zieleeenheid zit te kijken van, "nou, wat gaat het doen?" En ze hebben natuurlijk ook wel communicatie met elkaar, maar dat is toch op een heel ander niveau. Die zieleeenheid, met zijn vorige en toekomstige levens, is wel rustig en in harmonie. Maar als ik naar dat bolletje kijk, dan is het een beetje onrustig zoekende. Het zoekt het embryo op, bij de conceptie, waar het van fijnstoffelijk, stoffelijk wordt,' besluit hij.
'Ga eens naar het moment, vlak voor de conceptie.' Er volgt een langdurige stilte. Dan zegt hij/zij: 'Het lijkt wel of ik mijn doel gevonden heb.' Het komt er vrolijk lachend uit. 'Daar ben ik naar toe gesuisd. En dan "zit" ik gewoon te wachten op de conceptie, IK ben er eerst, en dan pas vindt de conceptie plaats.' 'En die zie je dan?'
vraag ik.
'Ik zie de conceptie ook in de vorm van energievelden. Ik zie geen mensen, nee. Ik zie energieën.'
'Zie je ook je toekomstige moeder?' probeer ik toch. 'Ja, ja. Ze voelt lief aan.'
'En dan vindt de conceptie plaats?' veronderstel ik. 'Ja. Dan zie ik twee energieën samensmelten. En dan is het net alsof ik er zo, pats boem, midden tussenin ga zitten en al die energie opzuig, me die helemaal eigen maak.'
'Je neemt er bezit van? Een mannelijke en een vrouwelijke energie, bedoel je dat?'
'Ja. En ik zie dat bolletje, dat eerst felrood-oranje was voor de conceptie, nu als heel langzaam oranje-geel wordend, na de conceptie. Bij d( vestiging in het embryo, de vrucht.'
'En hoe voel jij je dan? Want dat embryo gaatje nieuwe lichaam op aarde worden. Hoe voel jij je als dat IK, dat jij bent.'
'Tja, ik voel me vreemd. Het moet wennen.'
'Je weet datje er ook steeds weer even uit kunt gaan.'
'Ja, dat weet ik.'
21.335
Doe je dat ook?' 'Nee! Ik wil wel, hoor.' 'Nou, dat kan toch ook.'
'Ja, maar toch ... Nee, ik blijf maar zitten. Ik voel me veilig in de baarmoeder.'
'Zullen we het hierbij laten? Bij dat veilig voelen.' 'Ja, goed,' antwoordt zij/hij. Einde sessie!
Terwijl ze nog in trance is, praten we samen nog wat door. En ik kan niet nalaten te zeggen: 'Nou, Leonie, dat was een hele ervaring, niet waar?' Ze lacht even, met een klank van diepe voldoening in haar stem, en beaamt het met een volmondig: 'Ja, dat was het zeker.' 'Ik heb daar meer verslagen van, en ik wil iedere keer weer graag het één door het ander bevestigd zien. Dat begrijp je zeker wel. Is er nog iets dat jij wilt vragen of zeggen, iets dat je opgevallen is?' vraag ik haar nog.
'Nou, wat ik wel leuk vond, is dat jij je toch eigenlijk steeds op twee niveaus begeeft. Dat is heel duidelijk geworden,' antwoordt ze. 'Dat is de holistische gedachte, datje meer bent dan de som der delen. De esoterische filosofie, die haaks staat op het exoterisch, wetenschappelijk denken, namelijk dat het geheel gelijk is aan de som der delen,' zeg ik dan.
'Ja, inderdaad, wat hier nu op de stoel zit, dat is maar zo'n heel klein deeltje,' zegt ze, en ze knikt bevestigend met haar hoofd. 'Maar je bent en blijft toch verbonden met je ziele-eenheid. Dat heb je zojuist ervaren,' voeg ik eraan toe. Ik noem die verbondenheid, dat geheel, het continuüm van de geest. Dat hele traject tussen het op aarde existeren en tegelijk ook, aan Gene Zijde, binnen die ziele-eenheid. Je draagt straks de kennis, de ervaring aan het einde van dit nieuwe leven. En tegelijkertijd draag je ook de kennis van dat geheel, met al die vorig-levenpersoonlijkheden, die ervaringslichamen, die met de nog volgende levens in de ziele-eenheid gebundeld zijn, al is dat op aarde dan niet bewust. Een deel van het geheel en tegelijk ook het geheel zijn, dat is nu veel duidelijker geworden. Dat bewijst deze sessie, deze ervaring, weer eens temeer.'
'Ja,' zegt ze. 'Het is ook wel prettig dat ik nu weet, waarom ik af en toe spontaan stukjes van vorige levens zie.'
'Juist!' reageer ik. 'Je slaat de spijker op de kop. Het is er allemaal. Een vorig leven komt bij regressie in trance niet uitje herinnering. Het komt via dat continuüm van de geest door de verbinding met je ziele-eenheid als het ware weer tot leven in het NU.'
'Ja. Dat begrijp ik nu,' zegt ze. 'En als je die verbinding kunt leggen, nou
21.320
ja, dan ervaar je het opnieuw.'
'Ja, want het is tijdloos,' vul ik haar aan.
'Nou weet ik ook waarom het zo gemakkelijk gaat ... jaah!' We moeten er beiden om lachen.
'Het zit in je onderbewustzijn.'
We gebruiken die uitspraak hier op aarde zo vaak, ook in de psychologie. En dat is maar ten dele waar. Het zit in vele gevallen nog veel dieper. Want als wij een regressie doen, dan komt die vorig-leven-persoonlijkheid, dat IK uit de ziele-eenheid, dat deel-ik, weer hier, naar de laatste incarnatie toe. Weliswaar gaat dit bij de één gemakkelijker dan bij de ander, maar in de meeste gevallen komt het wel, door de
'zeef' van onderbewustzijn en voorbewustzijn. Bij een ieder op de door hem/haarzelf toegestane wijze en conform de unieke infrastructuur van de persoon op de stoel.
'Het is geen herinnering ...' begin ik.
'Nee. Het is gewoon een deel van je, klaar!' vult ze mij aan.
'... van je geheel, exact,' maak ik haar zin af. 'Nou, dat is dan duidelijk, hè. Heb jij verder nog iets te zeggen?'
'Ja. Wat ik ook heel interessant vind, is dat ik alles in energieën zie ...' 'Maar dat ben je al vanuit Atlantis gewend. En trouwens, dat is ook zo. Energie is de bron van alle leven.'
'Ja, en dat herken ik dus ook in dit leven, als Leonie,' zegt ze. 'Energieën, daar ben ik ook heel gevoelig voor.'
'De wetenschap zoekt al zo lang en tevergeefs naar wat het leven nou eigenlijk is,'
zeg ik. 'En dat is een vorm van energie die vooralsnog ongrijpbaar is. Die kan zelfs niet in woorden vastgelegd worden. Ja, levensenergie, vitale energie, Goddelijke energie, zo je wilt. Energie, die door de Schepper is afgegeven - daarvan afgesplitst, in ieder geval.' 'Dat is net als op Atlantis,' gaat zij verder. 'Ik noem het maar "al die gecreëerde goden". Die worden door de mensen uit energieën gemaakt.' 'Ja, precies. Het is projectie vanuit de geest. Nou, en dan wordt het werkelijkheid. Het creëren van eigen werkelijkheid. En dat doen wij mensen, in het dagelijks leven, ook nog steeds.' 'Goed. Zullen we het hier bij laten?' 'Ja.'
'Hoe voel jij je nu?'
'Rustig,' antwoordt Leonie. Nu pas haal ik haar uit haar trance. Terug in het waakbewustzijn, in het hier en nu.
21.337