II

De negentiende en de twintigste incarnatie

'Afrikaans'Lemuria. Escalatie van geweld. De terreur van de angst. Koppensnellers.

De laatste twee van een cyclus van twintig levens in de oertijd van een en hetzelfde IK /Ego zullen we nog onderzoeken. De twintigste incarnatie onderzoeken we om bepaalde gevoelsredenen niet in zijn geheel. Deze twintig vorige levens in successie geven, in algemene zin, ook een indruk van de handel en wandel van de mens op aarde door de tijd heen, vanaf 'in den beginne'. Een ieder kan hieruit zelf afleiden wat de effecten zijn op onze huidige samenleving, en ervaren hoe we tot de gang van zaken en onze levensloop in onze tijd zijn gekomen, ons levenslot of lotsbestemming. Er loopt door die twintig incarnaties een duidelijke rode draad van karma en traumata. Eigenlijk zien we dat wat toentertijd in een 'kleine wereld' op kleine schaal plaatsvond, nu in een 'te grote wereld' op te grote schaal nog verder in negatieve zin is geëscaleerd. Er is nog niet veel veranderd sedert die vroege tijden, wel verslechterd. Het is tijd voor bezinning, want er zal 'een andere wereld' komen. En die zal niet zo heel lang op zich laten wachten.

Maandagavond, 25 april 1983

In ieder geval zit mijn proefpersoon weer gereed in de 'regressiestoel' van mijn praktijkkamer. Ze is snel in trance gegleden. Alle voorbereidingen zijn getroffen en de instructie om naar haar negentiende incarnatie op aarde terug te gaan, is gegeven. Voor het laatst in deze cyclus van oertijd incarnaties vraag ik aan mijn regressante: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Waar ben je?'

Er volgt een heel diepe zucht, als aanloop, denk ik. Verder is er nog stilte.

'Ben je op weg, vanuit Gene Zijde, naar het leven datje negentiende incarnatie op aarde zal worden? Of ben je reeds geboren en in een lichaam?' vraag ik. 'Wat komt er op je af?'

'Ja, ik zie wel allemaal groen, maar daar kom ik niet doorheen, lijkt het net.'

(Instructies volgen.) 'Wat ervaar je nu?'

11.156

Ik ben vanuit Gene Zijde onderweg,' antwoordt ze. 'Ik ben nog in de geest. Het is er heel donker. Het lijkt een soort tunnel.' Ze zwijgt. Even later gaat ze verder: 'Ik ben nu in een dorp, of zoiets. Het is een uit de steen gehouwen opening in een grot. En daarvoor is een dakje van takken en bladeren gemaakt. De rotsen zijn van geel-wit zandsteen. En de bodem is van dat heel fijne zandsteenpoeder. Ik ben al enige jaren oud. En we zijn donker van huid, bijna zwart. Ja, negers. Het is anders dan in de voorgaande levens. Veel meer geciviliseerd, lijkt het wel. 'Wat gebeurt er?'

'Het is bij een rivier, en ik zit in een uitgeholde boomstam die als boot moet dienen. En er steken aan weerskanten takken uit met een heleboel zijtakjes eraan. Die doen dienst als peddels. De oevers zijn dicht begroeid, daar waar ik nu ben. En er welft een zwaar dak van bladeren over dat riviertje. Het is niet zo breed. Er staan ook nogal wat mensen daar in het water. Die laten me er langs, en ik ga verder.' Ze pauzeert even en vervolgt dan: 'Het lijkt net alsof er van alles vervoerd wordt langs die rivier, over het water. En dat zal ook wel zo zijn, want ik zie vlotten, gemaakt van een heleboel takken die als matten gevlochten zijn. Die worden langs de rivier stroomafwaarts geduwd door al die mensen die daar staan. Maar wat ik daar met die boot moet?' Ze zwijgt. Ze begint al met het afweren en vertragen van de confrontatie met de komende cruciale gebeurtenissen.

'Ik kom dan bij een waterval, aan de zijkant daarvan. Die waterval is tamelijk hoog. Er storten niet van die enorme hoeveelheden water naar beneden, maar toch wel flink wat.

Er hangt een boom over de zijkant van die waterval heen. En daar hangen allemaal menselijke schedels in. Of dat nou een dreiging is om niet verder te gaan ... of eh ...

.je kunt er moeilijk langs omhoog. En ik moet, denk ik, wel verder gaan. Maar dan moet ik uit het bootje stappen en langs die rots omhoog klimmen over een smal, in de rotsen uitgehouwen, paadje.

Ik ben ook al best oud, hoor. Groot en volwassen. En ik ben weer een vrouw.'

'Wat doe je tenslotte?'

'Nou, ik kom bij een punt waar dat riviertje nog maar heel smal en ondiep is. En dan moet ik verder lopen. Die boot laat ik beneden bij de waterval liggen.'

'Waar ga je naar toe?' Ik besef dat ze nu op een kritiek punt komt. 'Tja?' vraagt ze zichzelf af. Toch, onbewust, enigszins bevreesd. 'Draag je kleding?' vraag ik maar verder. 'Ja, ook alleen een lendendoek.'

'En je dacht dat dit een wat verder gevorderde civilisatie is. In welk opzicht?

Vanwege het bezit van een primitieve boot?'

11.157

'Nee. Het lijkt op bepaalde Afrikaanse stammen, zoals ze nu leven. Ze hebben ook vuur en grote, zware potten van zwart, heel hard materiaal. Misschien zijn ze van gebakken klei. En ook het wonen is beter. Die uitgehakte holen met een afdakje ervoor lijken meer dan het vroeger was. Het is ook echt een nederzetting, waar mensen bij elkaar wonen en bepaalde taken te verrichten hebben, een meer afgebakende taakverdeling.'

'Waar ga je naar toe? Dat paadje bij de waterval helemaal omhoog?' vraag ik argeloos.

'Ik moet iets halen, dat is duidelijk. Een bepaald kruid, iets kleins. Maar het groeit heel hoog op die berg. En alleen daar kun je het vinden. Je moet heel hoog klimmen, vanaf de plaats stroomopwaarts van dat riviertje, want wij wonen ver weg, diep in het dal. En in de gebieden bij de berg, achter de waterval, wonen een aantal zeer vijandige stammen. Het is een heel streng afgebakend territorium. Dus daar kom ik op vijandelijk gebied. En er gaat wel een bepaalde dreiging van uit.' 'Maar het plantje datje daar gaat halen, waar is dat voor? Waarom moet je daarvoor zoveel gevaar riskeren?'

'Het is een geneeskrachtig kruid, een medicijn. Meer iets algemeens, dat goed is voor iedereen. Niet met een magische kracht, of zoiets, maar met een zuivere geneeskracht. Eigenlijk zonder dat er een ziekte hoeft te zijn. Maar een kruid waar mensen erg gevoelig voor zijn. Misschien veroorzaakt het een bepaalde reiniging in het lichaam. Het is wel heel specifiek, want het moet juist dat kruid zijn, dat daar groeit. Nou, en ik ben er verantwoordelijk voor, dat het er komt. Ik loop nu langs de oever van dat riviertje. Ik moet dat kruid gaan halen, dus doe ik dat. Ik klim heel hoog. En op een gegeven moment kom ik bij een open plek. En daar staat het. Het lijkt een beetje op peterselie, maar het is iets geliger en ook wat groter. Nou, daar neem ik wat van mee. Dat trek ik uit de grond met wortel en al. Na enige tijd draag ik een hele bundel planten onder mijn arm en dan ga ik weer naar beneden. En dan zal er wel wat misgaan,' zegt ze, na een doodse stilte. 'Dat gevoel heb ik wel, dat ik van onverwachte zijde besprongen word en dat mijn hoofd naast al die andere hoofden in de boom komt te hangen. Het gebeurt op dat paadje, daar bij die waterval. Daar hingen toch al die schedels. Ik word van achteren aangevallen, als ik naar beneden loop. Daar is een rand, hoger op de rotsen, en daar staan die vijandige mensen van de naburige stam op. Maar ze hebben het heel goed

"getimed". Ze hoeven me alleen maar te bespringen, me daar de rivier in te duwen, en dan stort ik wel omlaag. En dat lukt ook.

Maar het voordeel is, dat onze mensen wel hun kruiden krijgen, want die vallen mee omlaag in het water. En ze drijven op de stroom vanzelf mee naar de plaats waar ze staan. Dat is niet meer zover hier vandaan.' 'En wat gebeurt er met jou?'

11.158

'Ja, ik breek mijn nek. Ik kom recht op mijn hoofd terecht. Die waterval is beneden niet erg diep.'

'Dus dat betekent het einde van jouw leven daar,' constateer ik. 'Je bent alweer aan Gene Zijde. Je hebt je lichaam verlaten. De levensdraad is gebroken en je bent in de geest.' (Instructies volgen.) 'Ik ben daar al weggegaan,' antwoordt ze.

'Dit leven, datje zojuist beëindigd hebt, is dat het direct opvolgende leven?'

'Nou, dat lijkt het wel. Maar ook, ja, alsof het ergens anders was. Ik bedoel, op een heel ander gedeelte van de aardbol. Veel meer naar het westen, en ten zuiden van Afrika. In Lemuria. En in mijn leven hiervoor leefde ik wat dichter in de richting van Australië. Maar nu is het meer op de lengtegraden van Afrika, daaronder, in de Indische Oceaan. Waar toen nog land was.'

'Indien er nog een leven ligt tussen je vorige leven als vrouw bij die vulkanen en dit laatste leven als negroïde kruiden zoekster, ga daar dan heen. Indien er geen vorig leven tussen is geweest, zul je dat onmiddellijk weten. (Instructies volgen.) 'Wat ervaar je nu,waar ben je?' vraag ik. 'Ja, ik zie nu die rots met dat gras erop, uit mijn voorgaande leven.' 'En wat ervaar je nog meer?'

'Huh, ik krijg het ontzettend koud. Dat ervaar ik nu dus.' 'Hoe komt dat? Ga wat vooruit in de tijd naar een direct opvolgende, belangrijke gebeurtenis die met die koude te maken heeft.' 'Ik kijk nu weer door zo'n heel kleine rotsspleet naar buiten,'

zegt ze. 'En daar staat ook weer zo'n donker jongetje. Dat staat daar een beetje verveeld op de stenen te krassen. En er zijn overal hoge rotsen, ook weer van die zandsteen. Daar lopen een heel stel zwarte mensen. Ze zien er een beetje stoffig uit. Onder dat stof zijn ze niet echt zwart, maar meer bruin.'

'Wat gebeurt daar?' vraag ik, en het antwoord is toch wel verrassend. 'Nou, ik loop daar ook rond,' antwoord ze. 'Ja, het is hetzelfde leven’ Als je een heel eind loopt, dan kom je bij een plateau waarop we wonen. Ik kan daar langs de bergen omhoog klimmen, en dan kom je bij een meer. En dat is heel koud. Maar van daaruit kun je met een boot een heel eind langs de rivier varen. Daarna moet je lopend naar die waterval. Dus die levens sluiten wel degelijk op elkaar aan,' bevestigt ze nu. 'Ga eens naar het moment dat je het zo vreselijk koud krijgt. Wat gebeurt er dan?'

'Het lijkt uit de rots te komen. Ik zit er met mijn rug tegenaan. Maar om een of andere reden moetje daar blijven zitten.' 'Wat is de reden daarvan?'

'Je moet gewoon heel stil zitten. Er gebeurt daar iets. Het is in een koepel in de rotsen. Daar moeten de kinderen tegen de kant zitten. En in het midden zijn de mannen iets aan het doen ... Je mag ze niet storen. Het

11.159

kan zijn dat ze gewoon zitten te eten ... maar ...' Verder gaat ze niet. 'Daar krijg je het toch niet koud van?'

'Nou, die rots is hartstikke koud, man,' antwoordt ze, wat kregel.

'Maar wat zijn ze aan het doen?' vraag ik nieuwsgierig.

'Ze hebben een vijand te pakken gekregen. En dan moet je kijken. 'Zijn hoofd moet blijkbaar ergens hangen. Huuh!' Ze griezelt.

'Een marteling?'

'Nee, hij is al dood, maar nou moet zijn kop eraf gehakt worden. Nou ja,' zegt ze met afkeer. 'Gatverderrie, en dan moet je dus gewoon kijken. En je moet daar blijven zitten. Daar krijg ik het koud van. Ja, ze halen alles eruit. Het is een smerige boel. Ze halen die kop leeg, totdat zowat alleen het bot er nog is en dan hangen ze hem op als trofee. Zo van, dat hebben we toch maar onderweg gevangen. Huh! Bah! Het is griezelig. En iedereen moet het meemaken. Om het later ook te kunnen als je volwassen bent. Maar die rots is ook koud, hoor.' 'En dat griezelige gedoe maakte je natuurlijk nog kouder,' zeg ik. 'Ja, nogal,' reageert ze, nog narillend. 'En dan kom ik daarna in de situatie waarin het met mijzelf gebeurt, ja. Je zou bijna zeggen dat het een uitwisseling is. Ieder op zijn beurt.

Ja, ze slachten elkaar op die manier af. En de grenzen van je eigen stamgebied worden met die koppen afgezet. Waar doodskoppen hangen, daar kan de jouwe zo naast. Dat is eigenlijk een teken van, nou, zo gauw je hier binnenstapt, ben je binnen gevaarlijk gebied. Dan kan jouw kop erbij op een paal. Maar dan een eindje verder, zodat er dichterbij weer iemand gewaarschuwd kan worden. Het is duidelijk een gruwelijke afbakening van een territorium, een stamgebied.' (Landen in oorlog!)

'Dat was dan inderdaad je negentiende incarnatie. Dat klopt dus wel,' stel ik vast.

'En we hebben het al ver gebracht. Nu ben je aan Gene Zijde, nadat je in dit laatste leven te pletter bent gevallen, onderaan die waterval, onvrijwillig de dood hebt gevonden met een gebroken nek. In de achttiende incarnatie nam je vrijwillig je eigen leven. Je pleegde suïcide door giftige planten te eten. Al in een eerder leven ben je vrijwillig van een rots gesprongen en maakte je dus ook weer een eind aan je leven door suïcide.' Was dit er één van het cluster van levens dat ze eerst maar moest afwerken voordat er discussie mogelijk was... daarboven?