DE ZESTIENDE INCARNATIE

'Ga er maar heen, naar je leven op aarde, datje zestiende incarnatie zal zijn.'

(Instructies volgen.) 'Nu ben je daar. Kun je mij zeggen watje waarneemt, wat je ervaart?'

'Ja. Ik heb het gevoel dat ik geboren ben, of tenminste, dat ik een lichaam heb. En dat ik bij een moeder ben die zich weinig voor me interesseert. Maar ik ben nog vol goede voornemens. En ja, ik weet nog waarom ik hier ben. Ik leef nog gedeeltelijk in mijn onderbewustzijn, niet alleen maar aards bewust. Mijn onderbewustzijn is gelukkig nog niet afgesloten voor mijn bewustzijn.'

Dat onderbewustzijn, dat in de loop van vele levens zon sterke autonomie zal opbouwen. Met een polariteit waarin het rationele tegenover het emotionele komt te staan. Het groeit uit tot het 'continuüm van de geest'', de verbinding tussen het aardse lage bewustzijn en het bewustzijn van de ziele-een-heid, met alle

'tussenstations'.

'Ik ben een meisje,' gaat ze verder. 'En, ja, ik voel het heel donker om me heen. Maar dat is meer een gevoel dan dat het werkelijkheid is. En ik ben al op de wereld.'

'En als je wat groter wordt?'

'Ik moet nu veel harder werken. Dit leven is ook veel harder dan het leven hiervoor. Ik ben hier niet meer het luxe paard, maar het werkpaard, de arbeider. Ik moet veel en zwaar werk doen. Ik moet veel lopen om het voedsel te gaan halen. Daarvoor moeten verre afstanden worden afgelegd. Want het is een laagvlakte, en die moet je op, vanuit een gebied met bergen en bossen.'

'Heb je het gevoel dat dit leven het gevolg is van het feit dat je zelf een eind aan je leven hebt gemaakt in je veertiende incarnatie en geen natuurlijke dood bent gestorven? En dat dit leven daarvan het karmische gevolg is?'

'Nee, dat niet alleen, denk ik. Ik heb nog steeds niet het gevoel dat het zo schokkend was. Maar misschien is het ... ja, ik weet het ook niet.' Ze is niet zeker van zichzelf en voelt ergens wel dat er iets mis is. 'Je maakte zelf een eind aan je leven. Het was in feite een zelfmoord,' merk ik op.

Niemand mag een eind aan 'Goddelijk leven' maken. De beslissing daarover ligt bij onze Schepper en daar alleen. Moord, zelfmoord en doodstraf zijn daarom duidelijk niet toegestaan. Ze blijven nooit zonder gevolgen. Ook niet voor de beul. Daar heb ik voorbeelden van.

'Ja, maar, zo voelde ik het niet, als zelfmoord. Ik had gewoon het idee,

9-140

dat als ik het nou niet doe, dan gebeurt het over een maand wel.' Maar was dat wel zo zeker?

En het is juist die 'maand' die het hem doet. Ze maakte haar lotsbestemming, haar levensprogramma niet af, en liep te vroeg weg uit haar karma.

'Een soort actieve euthanasie dan,' zeg ik. En de gevolgen daarvan zijn nu wel duidelijk. Alleen nog niet helemaal voor mijn regressante. 'Ik moet nu over die vlakte sjouwen en sjouwen, verre tochten maken om voedsel bij elkaar te garen,' klaagt ze.

'En ik krijg altijd last van mijn voeten. Ik verga dan van de pijn. Er zijn nog twee meisjes bij, die moeten dat ook doen. We zijn vaak dagen onderweg. We moeten ver weg van de stam om dat voedsel te vinden.'

Een stuk onafgemaakt karma uit haar veertiende incarnatie, onafgemaakt lijden dat niet zonder zin was, wordt vermoedelijk opnieuw aangeboden, maar dan in een andere vorm.

Niets gebeurt ooit zonder zin. Alles heeft zijn specifieke betekenis en bedoeling, soms tot het 'bittere' einde. Maar er zit altijd een les in verborgen die vroeg of laat wel begrepen wordt. Dat geldt voor iedereen. Geloven of niet geloven, het zijn onontkoombare kosmische wetten die, over alle religies heen, na zelfanalyse uitgevoerd worden.

De gevolgen van een door ons zelf veroorzaakt levenslot op aarde moeten wij dragen tot er geen aards leven meer in ons is. En wel door aanvaarding van een natuurlijk sterven, op de tijd die daarvoor aan Gene Zijde is bepaald. Wij mensen mogen niet beslissen of beschikken over leven of dood. Die beslissing berust uitsluitend bij God en de hogere uitvoerders van Zijn wetten en geboden. Dus mag er ook geen actieve euthanasie zijn.

'Wat voor voedsel ga je op die vlakte zoeken?'

'Vruchten. Alleen maar bessen. En daar ben ik dagenlang voor onderweg. We hebben heel grote manden bij ons en die moeten vol. Die bessen zijn voor een groot gedeelte voor de gehele stam, tenminste, als we met zijn drieën gaan. En dat moeten we het hele seizoen doen. Het is ook gevaarlijk, maar we krijgen toch geen bescherming. Er zijn dieren die je aanvallen. Slangen, kleine giftige slangen. En op die laagvlakte zijn ook wel grotere dieren, maar die doen je niets. Ze lijken een beetje op grote wilde honden. De nog grotere lijken op zwijnen. Op een gegeven moment, op de terugweg, dan heb ik weer hele pijnlijke voeten van het lopen. En één van die meisjes wordt door zo'n giftige slang gebeten. Ja, daar is gewoon niets meer aan te doen. Ze gaat dood. Dan moeten we met zijn tweeën die drie manden omhoog sjouwen. En als we in de stam terugkomen, krijgen we straf. Volgens hen is het onze schuld dat het meisje is doodgegaan aan die slangenbeet. Als je dat

9.141

goed behandeld had, dan zou dat niet gebeurd zijn, zeggen ze. We hebben de beet wel uitgezogen, maar het hielp gewoon niet. En ze was ook veel te moe. Ze had geen weerstand meer. Maar goed, daar luisteren ze natuurlijk niet naar. We worden afgezonderd en we moeten extra werk doen. We moeten met zijn tweeën die drie manden blijven vullen. En ja, ik word er niet goed van, hoor.' Ze lijkt desperaat. Het klinkt tenminste wanhopig en tegelijk opstandig.

'We hebben weinig keus,' gaat ze verder. 'Maar op een of andere manier is het zo gegroeid dat ik bij een paar vrouwen hoor die als voetveeg gebruikt worden, die altijd de gebeten hond zijn. Ik moet al die rotklussen doen. En er is ook niemand die voor je opkomt. Dus, je sjouwt je wezenloos ... maar wat kun je ertegen doen. Als ik een jaar of acht ben, zoiets, dan moet ik er al op uit. Nou, en als ik een jaar of veertien, vijftien ben, dan ben ik aardig verweerd. Alles doet me pijn. Ik ben oud voor mijn tijd,versleten. Ik ben gewoon kapot.' 'En hoe gaatje leven verder?'

'Nou dan word ik afgedankt en uitgestoten uit de stam. Ze kunnen me niet meer gebruiken. En ik sterf tenslotte aan een maag-of darmstoornis, een voedselvergiftiging, denk ik.'

En dat is het bittere einde van haar zestiende leven op aarde. Het is toch wel een harde levensles geweest.

Maar het is jammer dat haar stamgenoten niet begrepen, dat zij haar moesten helpen bij het verwerken van haar karma, door haar liefdevol tegemoet te treden in plaats van een harde houding aan te nemen. Zelfs in onze tijd wordt dat nog slecht begrepen. Maar al haar ervaringen geven wellicht een beter inzicht in wat Christus ons leerde.

9.142

10

De zeventiende en de achttiende incarnatie

Bij de vulkanen en kratermeren van Lemuria. Een vroege dood. Een geweldige vulkaanuitbarsting. De eerste slaven. Herhaalde suïcide.

We gaan verder met het zeventiende en het achttiende leven van mijn proefpersoon op aarde. Deze levens spelen zich nog altijd af in de oertijd, maar we naderen toch steeds dichter het eerste conglomeraat van culturen, samengevat onder één naam, Lemuria. Lemuria is een grotendeels verloren gegaan continent, dat zich uitstrekte over bijna de gehele Stille Oceaan en het grootste gedeelte van de Indische Oceaan. Dit continent, opgesplitst in enkele grote losse delen en eilanden, dankte haar naam aan de Lemuridae of Lemuren, een familie van halfapen met een spitse snuit, ter grootte van een vos, die daar in grote aantallen voorkwamen. Aan de talloze en hevige uitbarstingen van de vele, vele vulkanen ging Lemuria ten slotte ten onder, dat wil zeggen, het verdween in gedeelten langzaam onder water en zakte naar de oceaanbodem, hele samenlevingen met zich meesleurend.

Maandagavond, 28 maart 1983

We gaan nu met mijn regressante in de geest terug naar twee van haar vorige levens in de prehistorie van Lemuria, toen dit gebied nog volkomen onaangetast was door het geweld van de destructieve natuurkrachten, hoewel de vulkanen toch reeds zeer actief waren. Zij zit in diepe trance verzonken. De voorbereidingen zijn voltooid en de noodzakelijke instructies zijn gegeven. Er heerst even een korte, geladen stilte, voordat ik haar de eerste vraag stel. De vraag waarop zij zit te wachten: 'Wat zie je, wat gebeurt er, waar ben je?'

'Ik zie een heel groot, modderig meer. En daarin zijn mensen aan het baden. Ik ben daar nog niet bij, denk ik.' Ze klinkt nogal gespannen. 'Van waaruit kijkje dan?' vraag ik.

'Van bovenaf,' zegt ze. 'Ik ben nog in de geest. Ik zie wel een zwangere vrouw. Daar ben ik nu heel dicht bij. Ja, ze is in het water. Ik word daar ook vlakbij geboren, aan de oever van dat meer ... en dan blijf ik daar liggen,' zegt ze, een beetje verbaasd.

'De geboorte is heel snel verlopen, en ook heel voorspoedig. Ik lig in het gras. Mijn moeder is weer het water

10.143

in gegaan, denk ik.'

'Kijk eens goed. Je kunt nu nog in en uit dat kleine lichaam.'

'Ja, ik ben er nog niet in. En ... het is wel lekker warm daar.'

'Ben je er nu dan toch wel in, datje die warmte zo goed voelt?'

'Nou, ik ben er heel sterk mee verbonden, maar er niet echt in. Hoe moet ik het zeggen, ik zit er een beetje aan vast.'

'Is de verbinding, in de vorm van het zilveren snoer, al tot stand gekomen?'

'Nee, nog niet,' zegt ze. 'En met de moeder gaat het goed.' 'Hoe denk je over dit leven, dat nu komen gaat?'

'Het is wel goed, denk ik. Ik lig lekker en ik vind het niet erg. Ik ben een jongetje. Gezond en donker. Donker haar en een donkere huid. Geelbruin, maar meer bruin dan geel. En ik ben geboren met een heleboel zwart haar. Op mijn hoofd en op mijn schouders heb ik veel haar, en ook een beetje op mijn buik, mijn armen en benen.'

'Dat kind dat daar ligt, waarin jij je gaat integreren, wat gebeurt daar nu mee?'

Ze snuift alsof ze heel diep zuurstof inademt. 'Die vrouw, mijn moeder in dat leven, komt uit het water. Ze tilt me op en neemt me gewoon mee. Ik ben er nu in. Het voelt lekker warm en dichtbij. Het is beschermd. Ik voel me prettig bij haar. Ik heb het gevoel dat ik nu een fijn, geborgen leven tegemoet ga. Ik voel geen bedreiging. We lopen een heel eind door de bergen en langs rotsen. Het is vrij hoog, nogal rotsachtig. Er zijn allemaal paadjes tussen die rotsen. Zij is niet alleen. Er is nog iemand bij haar. Ik weet niet of het een man of een vrouw is, want ik zie alleen dat pad. Ik kijk niet meer vanuit de geest, vanuit buiten het fysieke lichaam. En daardoor is mijn uitzicht nu beperkter. Ze zijn gaan lopen en misschien lopen ze wel dagen achtereen. Maar ik ga er zo nu en dan uit.' 'Wat zie je op dit moment?'

'Een vlakte. Die rotsen en bergmassieven zijn we gepasseerd. Maar in de verte zie ik weer een bergwand. Het is een vlakte in een dal waar we nu zijn. En die vlakte is heel uitgestrekt.

Nu zie ik een bergplateau, en daar zijn ook enorm steile rotsen. Maar dat plateau is erg mooi groen, vers groen. Het is prachtig gras. Niet zo verdord als in mijn voorgaande levens. En daar in zo'n rotswand is een grote ruimte. En in die grote zaal, zal ik het maar noemen, zijn weer aparte hokjes, kamertjes. Maar het is er nog wel licht. Eigenlijk is het alleen maar bedoeld om er te schuilen. Het is vanaf het plateau op de begane grond. En zo zijn er een aantal gaten waar een heleboel mensen in kunnen. Ik kijk nu vanuit die holen, die openingen in de rotswand, over de grasvlakte naar beneden op die grote vlakte. Die ligt behoorlijk diep en het is er ook heel steil.' 'Hoe zijn jullie naar boven gekomen?'

10.144

'Er zal wel ergens een paadje zijn, denk ik. Ik weet het niet. Ik ben er gewoon.'

'Hoe oud ben je nu? Pas geboren?' 'Nee, want ik kan al wel lopen.' 'Hoe gaat jullie stam gekleed?'

'Met een soort lendendoek van leer. Bruin leer, bruine huid. Het lijkt op een gordel. Ik denk dat de mannen die dragen. Ik zie namelijk alleen maar mannen. Dus ik denk dat ik in een mannengemeenschap ben. De vrouwen zullen wel gescheiden zijn van de mannen. Want ze leven niet echt in paren. De relaties lijken me heel vrijblijvend. En nu niet alleen van de mannen uit, maar ook van de kant van de vrouwen. De man is dan wel de initiatiefnemer als hij iets wil, maar dan kan de vrouw hem weigeren.'

'Ga wat verder vooruit in de tijd, in dat leven, naar een gebeurtenis die voor jou erg belangrijk is.' (Instructies volgen.) 'Wat zie je, wat gebeurt er?'

'Ik zie een hele grote bek met allemaal scherpe tanden.' Ze moet ineens schaterlachen om wat zij zegt of om wat er gebeurt. 'Gatverderrie! Het is duidelijk een beest,' zegt ze nu. En ze walgt toch van het schrikbeeld. 'En hij heeft een platte bek,' gaat ze verder. 'Het lijkt een beetje op een krokodil, maar dan wat hoger op de poten. Tenminste, zo lijkt het mij. Ik zie die wijdopen muil. Die is vreselijk groot. Hij heeft ook schubben. Het is duidelijk een reptiel. Hij heeft ook een grote, verticaal platte staart. Plat aan de zijkanten dus, niet in de breedte. De rug is helemaal vol met van die vieze, grote wratten.' 'Staat er soms ook nog een kam op zijn rug?'

'Nee, het is een bochel,' antwoordt ze. 'Het lijkt zo'n saurus-achtig beest. Maar dan niet zo erg groot.' Even later zegt ze: 'Het lijkt heel donker en ik zie die vreselijke tanden. Ik denk dat ik in een bos ben.' En dan weer: 'Zijn tanden zijn niet zo groot, maar het zijn er heel veel en ze zijn heel scherp. En huuh, ik moet er iets aan doen, hè.' Ze aarzelt kennelijk, probeert tijd te rekken. 'Ja, maar wat gebeurt er met jou?'

vraag ik.

'Dat is duidelijk! Die bek komt op mij af. Allemachtig!' roept ze uit. Nu toch wel zenuwachtig en gespannen. 'Ik vermoed dat ik een jagerstruc moet uithalen. Ik word overvallen door dat beest. Ik bedoel, het is niet zo gepland van, ik ga op jacht en

...'Ze maakt haar zin niet af, duidelijk geschokt.

'Hoe oud ben je dan ongeveer?' vraag ik, om haar iets af te leiden en te kalmeren.

'Zeven, zoiets. Tenminste, wat nu zeven jaar is. Ik heb de indruk dat je daar wat sneller groeit, ook sneller volwassen bent. Ik kan geen juiste leeftijd bepalen.'

'Maar wat gebeurt er dan?' vraag ik nog eens. 'Ben je helemaal alleen?' 'Ja. Er staat gelukkig een heel dikke boom. Dus daar ga ik even achter

10.145

staan. Maar dat helpt natuurlijk niet.' Er valt een geladen stilte. Klaaglijk zegt ze:

'Jaah? Ik weet niet.' En duwt de calamiteit nu van zich af. 'Ga eens langzaam vooruit in de tijd, en laat de gebeurtenis op je afkomen. Wat volgt er dan?' Er volgt een stilte. Een broeierige stilte, vol van onheil.

'Schreeuw je, geef je een gil?' vraag ik.

'Nee, nee, nee-nee! Ik heb een stok en geef hem een klap op zijn bek, op die platte muil van hem. Maar dat is, geloof, ik niet zo slim, want hij wordt nog kwader, nog agressiever. En toen zag ik allemaal van die ribbels in zijn verhemelte. Het is walgelijk. Ook de stank die uit die bek komt. Nou, dan steek ik maar een stok in die open muil. Maar ik heb maar zo'n knullig stokje. Dus dat breekt hij onmiddellijk.' 'En wat doet dat beest dan?' Eerst is er een stilte, en dan gesteun en gekreun.

'Ja, het gaat allemaal heel langzaam en tegelijk heel snel,' zegt ze moeilijk sprekend. Ze slaat weer een vluchtweg in, probeert te ontsnappen. 'Langzaam en heel snel? Wat bedoel je daarmee te zeggen?' 'Ik zie het allemaal heel langzaam ... of, tenminste, ik zie het nu eigenlijk niet meer zo ...' Ze slaat nu helemaal op de vlucht. Best begrijpelijk, overigens.

(Instructies volgen.) 'Het is helder en duidelijk en je weet precies wat er gebeurt,'

zeg ik ten slotte.

ik word gewoon opgehapt!' Eindelijk komt het eruit. Ze gaat er doorheen ...

'Wat een smerig beest. Gatverderrie! Hij hapt precies mijn kop eraf.' 'Zo. Vandaar datje die ribbeltjes van zijn verhemelte zag.' 'Ja!' En ze barst in een verlossende schaterlach uit. 'Nou, spannend hoor. Maar ik ben alweer uit mijn lichaam. Dus nu kan ik zien hoe hij dat rustig zit te verorberen. Wat een smerig beest.'

'Je bent weer aan Gene Zijde, los van je lichaam. De levensdraad is gebroken en je bent in de geest. Je aardse lichaam is niet meer. Hoe oud

wasje?'

'Een jaar of zes, denk ik. Precies weet ik het niet.'

'Je kunt dat beest dat je lichaam staat te verorberen, nu heel goed zien. Hoe zou je het willen noemen. Een krokodil of toch een saurus-ach-tige?'

'Ja, maar dan een kleintje. De rug is, denk ik, zo'n anderhalve meter hoog en de kop komt daar nog bovenuit. Ik bedoel, die kan naar voren en omhoog. En de lengte?

Ja? Een meter of drie, vier, zoiets. Als een normale grote krokodil.'

'Wat zie je daar verder gebeuren? Je hangt er nu boven met je fijnstoffe-lijke lichaam.'

'Nou, hij hapt in één keer mijn kop eraf,' zegt ze nog eens, maar nu heel rustig. 'Echt zo met mijn ogen naar zijn verhemelte toe. En dan vinden

10.146

de mannen me. Ik denk dat hij me niet helemaal opeet. En misschien hebben ze iets vermoed. Dat er iets is misgegaan. Maar ik denk dat ik mee op jacht mocht om het te leren. En dat ik ze niet bij kon houden en wat achter ben geraakt. Ik vond het wel mooi, zo een eindje wandelen en ik was helemaal alleen.'

'Wat zie je als de betekenis van dit korte leven, nu je aan Gene Zijde bent?'

'Het was toch snel afgelopen. En verder was het wel leuk,' antwoordt ze. 'Maar ik denk dat het een beetje te snel ging,' voegt ze eraan toe. 'Waarom was dat, karmisch gezien, nodig? Weetje dat?' 'Ik heb gewoon het gevoel van, nou, leuk voor een keer.' Dus weet ze het nog niet, maak ik uit haar "kinderlijk" antwoord op.

Als gevolg van haar weigering om terug te gaan in een aards lichaam, in wat we zien als haar vijftiende incarnatie, is haar zeventiende leven op aarde maar van korte duur en ze zegt dan ook spijtig: 'Het was snel afgelopen.' Dat korte zeventiende leven is bedoeld als een goede les om een volgende incarnatie niet meer te weigeren. Dit laatste leven leek een goed leven, maar het was 'té snel afgelopen'. Jammer van zon leuk leven. Doch dat is het gevolg van foutief handelen met haar dominante vrije wil. Op een eenmaal aanvaard levensplan terugkomen is niet mogelijk.

'Nog maar wat karma erbij,'zei ze aan Gene Zijde. En zo gebeurde het dan f ook.

'Je maakt je verder los van dat lichaam en de aarde. Je keertje daarvan af,' zeg ik.

'Ik zie dat lichaam niet meer, nee.'

'Was dit je zeventiende incarnatie? Het leven direct na je vorige leven als het meisje dat aan voedselvergiftiging stierf? Volgen die twee levens op elkaar?'

'Ja. Trouwens, je hebt mij naar mijn zeventiende incarnatie gestuurd. Dus dat moet wel zo zijn.'

'Goed. Hoe is het daar aan Gene Zijde? Wat doe je daar op dit moment?'

'Tja, niks ...' Het klinkt een beetje hulpeloos. 'Het is leeg,' zegt ze dan. 'Er is niks. Ook geen binding met de aarde, nergens mee.' 'Ook niet met andere entiteiten, andere geest?' vraag ik verder. 'Nee. Nu niet. Misschien later.' Ze zegt dat met een kleurloze stem, ingeslapen bijna.

'Ga eens naar dat "later" toe ... Je bent er al. Er is geen tijd.' 'Ik denk niet dat ik verder iemand ontmoet. Ik heb het gevoel dat er wel iets is, maar het is net alsof ik er helemaal geen behoefte aan heb.' 'Hoe komt dat dan?' vraag ik verbaasd.

'Ik denk dat het niet hoeft,' zegt ze met vlakke stem. 'Het is een rust-

10.147

punt. Mijn bewustzijn is ook beperkt. Het lijkt een heel neutrale toestand, alsof ik in een soort slaap ben. Dus het is niet licht en het is niet donker. Het is eigenlijk allemaal niks. Heel neutraal, niet verdrietig en niet gelukkig.' Ze is in een tussensfeer.

'En dan, op een bepaald moment komt het gevoel datje weer moet reïncarneren? Of gaat daar eerst nog een analyse aan vooraf?' 'Nee. Ik voel dat het opeens zo is van, daar ga je weer.' 'Je maakt je gereed om naar je achttiende incarnatie te gaan.'

(Instructies volgen.) 'Wat ervaar je nu?'

'Ik zweef gewoon weer boven de aarde. Ik heb daar opnieuw contact mee. En ik ben daar heel snel gekomen.' 'Wat voor een gevoel was dat?'

'Het is een verandering van bewustzijn. Eerst zie je de aarde helemaal niet, en dan, opeens, zie je haar. Het lijkt op een omschakeling. Ik heb het gevoel dat ik ergens doorheen ga. Alsof ik door een "schot" heenga. En ben je aan de andere kant daarvan, dan zie je de aarde weer'.