Evolutie tot oermens
Het blijft een interferentie van het dierlijke, aardse evolutieplan.
Maandagavond, 8 februari 1982
Al ongeveer een jaar eerder hadden mijn proefpersoon en ik een onderzoek gedaan naar de existentie voor haar eerste incarnatie op aarde en de daarop volgende evolutie tot 'oermens', tijdens de eerste vier incarnaties. Het leek mij echter juister de lezer eerst een beeld te geven van de voorafgaande 'Afsplitsing van de zilveren zee van Geest'. Hij krijgt zo een beter inzicht in de materie en kan zich een voorstelling vormen van hoe wij 'In den beginne als Goddelijk Beginsel' op de aarde zijn beland.
De gebruikelijke instructies zijn gegeven en een snelle inductie van de trance is voltooid. Dan leid ik haar ver terug in de aardse tijd.
Wat is in dit verband eigenlijk tijd? Een relatief rekbaar begrip. Een aardse uitvinding van de mens, een systeem, meer niet. Kosmisch gezien bestaan verleden, heden en toekomst helemaal niet. Alles speelt zich af in een tijdloos, eeuwig NU, in eeuwigheid en oneindigheid, buiten tijd en ruimte. Dat maakt het 'teruggaan' dus veel gemakkelijker en duidelijker verklaarbaar, want het is eigenlijk een in het NU
schouwen. Een Zijnstoestand.
'Wat zie je, wat gebeurt er, wat ervaar je?' vraag ik, gewoontegetrouw. Er volgt allereerst een stilte. Dan zegt ze rustig: 'Ik zag een heleboel licht. En nu zie ik de Kosmos. Ik zie allemaal lichtpuntjes. En ik ga op iets af. Dat is een ronde witte nevel. Ik kom dichterbij door een soort tunnel en daar ga ik doorheen. Ik heb het gevoel alleen te zijn, nou ... alleen, niet vervelend.'
'Wat voor een gevoel heb je nog meer?'
'Het NU eigenlijk en het Zijn. En ik voel me prettig. Maar wat is prettig? Gewoon ...'
Ze zucht even en zegt: 'Moeilijk ... Het is een neutraal gevoel van bevrediging, rust en evenwicht. Ik beweeg me heel duidelijk in de richting van die nevel. En door die nevel heen zie ik een bol, een gele bol. Als ik erop afga, lijkt het alsof het donker wordt. Als ik er afstand van neem, zie ik het duidelijker.
Ik denk van: IK ga daarheen. En dan ga ik. Het is gedachte, maar ik heb geen lichaam. Eigenlijk niks, onstoffelijk, geen vorm. Wel kracht! Als ik
2.25
zeg energie, dan verbind ik daar toch een bepaalde substantie aan, maar die is er niet. En mijn gevoel is harmonie. Dus ik heb geen gevoel van 'leuk' of 'niet leuk', het is gewoon helemaal vredig.' 'En wat doe je dan? Naar de aarde gaan?'
'Ik weet niet of dat de aarde is, maar ik ben om die nevel heen. Daar ga ik doorheen, maar elke keer als ik dichtbij die planeet kom, dan heb ik het gevoel of het wat donker is. Ik zie in ieder geval niets. En dan deins ik weer terug. Die nevel bestaat uit damp, uit een soort gassen. Echte nevel, die om een planeet hangt eigenlijk. Een dampkring. En daar ga ik toch doorheen. Dan zie ik weer een bol. De eerste bol die ik zag, was, denk ik, wat je nu de zon noemt. Die gele, gouden bol. Want deze andere bol is heel donker. Die heeft een donker oppervlak, die straalt niet zoveel uit.' 'Heeft die wel een kleur?'
'Als ik het zo bekijk, dan zijn het allemaal kleuren grijs en donkergroen en tinten daartussen. En ik ben er in zoverre dichtbij, dat ik een deel van de bol kan waarnemen. Maar ik heb hem al wel in zijn geheel gezien. Toen was hij voor het grootste gedeelte donker, toen zag je dat groene niet. Ik geloof dat de polen licht zijn, dat die warmte uitstralen. Het lijkt of dat deel van de aarde nog geen korst heeft, maar nog vloeibaar is. Ja. En ik kan nu zien dat hij ook een dampkring heeft. Maar die is nog heel dun.'
'Heb je nu het gevoel met meerdere entiteiten te zijn?' 'Ja. Ik denk wel dat er meer zijn, maar ik heb geen contact met ze. Niet op dit moment. Als ik door die dampkring heenga, krijg ik een drukgevoel, een samenpersen.'
'Merkwaardig is dat, omdat je zou zeggen dat het drukgevoel een zuiver fysieke sensatie is, terwijl je als spirituele entiteit eigenlijk alleen geestelijke impressies zou moeten ontvangen. Hoe verklaar je dat?' 'Nou, het geeft een gevoel van "Ik moet weg! Ik moet weg, hier hoor ik niet!" Misschien een bedrukt gevoel, maar dat is het ook niet. Ik denk toch dat het een bijna fysiek gevoel is,' zegt ze.
'Ik geloof dat ik nu pas goed ontdek, dat ik niet alleen maar geest ben, maar dat het de inwerking is op wat je een bepaalde substantie noemt, waarmee je bekleed bent,'
gaat ze verder. 'Ik was doorzichtig, en nou ben ik grijs. Er is ook wel een vage afbakening. Je zou kunnen zeggen, een heel fijn omhulsel, maar dat is ook niet helemaal juist. Je bent jezelf en dat gaat niet eindig ver.
Ik kan me wel zelfstandig bewegen, door gewoon "te zeggen" in mijzelf: "IK wil dat zien" of " IK wil me bewegen". Dus door gedachtekracht, gedachteprojectie.'
'Is het een prettige ervaring om daar te zijn?'
'Ja, het is heel interessant, zou je haast zeggen. Heel objectief ben ik het allemaal aan het bekijken.'
2.26
'Als je wat je nu ziet, met je geestelijke oog, vergelijkt met het "gebied", waar je vandaan komt, hoe zou je dat dan willen beschrijven?' 'Om eerlijk te zijn, na wat ik allemaal gezien heb, lijkt het me interessanter daar waar ik nu ben dan waar ik vandaan kom. Maar ik moet eerlijk zeggen, hier heb ik nog maar een klein stukje gezien. Ik weet niet hoe ik me in het Licht voelde, maar ik weet wel dat toen ik daar door de Kosmos zweefde, het een "Zijn", een observeren was, heel neutraal allemaal. En dat Licht was niet alleen energie. Dat zou ik ook collectief bewustzijn willen noemen. Collectieve Geest. En daarom ben ik er ook van afgescheiden als een deeltje geest. Maar ik ben nu boven het land.'
Opmerkelijk! Zoals eerder gezegd, ligt er ongeveer een jaar tussen beide re- gressies, maar desondanks komen in deze regressie dezelfde gegevens boven, als een bevestiging van de authenticiteit van hetgeen waargenomen wordt.
'Ik zie een erg ruw landschap. Veel rotsen en ...' Ze stopt plotseling. 'Hé, ik zag kleine zoogdieren. En naarmate ik landinwaarts ga, lijkt het alsof het een stuk minder bewoond is. Er lijken minder dieren te zijn. Wellicht omdat het verder weg is van de drinkplaats. Ik sta nu een stuk dichter bij de aarde. Ik voel me er meer thuis. En ik heb iets met die dieren. Het is meer dan een objectief schouwen. Maar wat meer, weet ik nog niet. Toch wel een gevoel van verbondenheid. Niet dat ik in ze ga, maar een gevoel van verwantschap. Het is meer dan toen ik nog in het water was, maar toch heel erg schouwend en nog heel afstandelijk. Het voelt wel alsof ik daar zelf ook woon, maar dan in een vergeestelijkte vorm, etherisch.'
'En het je bewust zijn van je oorsprong? Schouw je nog alles in het Universum?'
'Ik kan er nog steeds naar teruggaan,' antwoordt ze. 'Maar het is wel zo, dat de behoefte om daar waar ik nu ben weg te gaan minder is. In het begin was het echt zo van "nou wegwezen". Echt een kwestie van, nou ja, tijd kun je niet zeggen, maar wel van heel korte duur 'Ontstaat er een verlangen om daar te blijven?'
'Nee hoor. Dat niet. Maar het is wel de aarde, waar ik nu ben. En ik ga wel verder met exploreren, zoeken, bekijken ... Ik heb de indruk dat, naar aardse jaren gemeten, hier een heel lange tijd overheen gaat. Dat ik dus niet in één aardse dag vanuit het water op het land ben gekomen. Dat is toch een hele evolutie. Maar ik besef de tijd niet. Nogmaals, ik heb daar geen weet van.'
'Ga eens wat verder.'
'Nou dan ben ik weer ergens anders, nog dieper het land in. En het is er weer heel rotsachtig. Ik zie daar een soort kruising tussen een beer en een aap, maar die is heel groot. Die zit daar op een rots. Als die zou staan
2.27
'
dan zou die, nou, ik weet het niet precies, wel ruim een meter of twee zijn.
'Beschrijf het dier eens? Wat voor kleur heeft het?'
'Ik moet bekennen dat ik nog niet veel kleuren zie. Het lijkt voor mij nog een zwart/wit, maar dan met wat nuances daartussenin. Dat beest is groot en fors, en het is zwaar behaard. En zijn kop, hmm, ja ... het is een snuit, met neus, ogen en oren. Maar juist die neus is meer een snuit. En apen hebben meer een neus.'
'Wat puntiger, bedoel je dat?'
'Ja. Maar weer niet zo puntig als van een rat of van een hond. De oren zijn halfrond en vrij groot. Ik vind het zo moeilijk, groot of niet groot. De mond is iets breder dan die snuit, maar wel flink.' 'Staat het dier rechtop?'
'Om te lopen staat het op vier poten, maar het kan zich oprichten op twee poten, net als een beer. Zich oprichten om te kunnen klimmen of om iets uit een boom te halen. De armen en benen zijn, in verhouding tot het lichaam, kort. En dan zijn de armen langer dan de benen. De voeten zijn groot, maar voor het hele beest in verhouding wel normaal. Het heeft ook grote handen. Maar niet zo groot als de voeten.' 'Heeft het dier een geslacht?' 'Ik zou haast zeggen van wel, maar ...'
'Kijk alsjeblieft goed. Heeft het geslachtsdelen, mannelijke of vrouwelijke?'
Er volgt een lange stilte, en ik zeg ten slotte tegen haar: 'Je kunt er vlakbij gaan. Wat neem je dan waar?'
'Aan de achterkant, of onderkant, zit een opening, als een buis. Het lijkt me wel zoiets als een penis, maar verder niets. Het ziet er niet zo uit als bij een normaal mannelijk dier, het is niet hetzelfde. Het is gewoon een afscheidingskanaal en niets meer dan dat,' zegt ze. 'Het is voor een gedeelte inwendig. Wacht even ...'
'Wil je zoveel mogelijk vertellen watje waarneemt, terwijl je kijkt?'
'Ik zie het dier wel, maar uitsluitend wat het allemaal doet. Het drinkt nu bij het water,' antwoordt ze.
'Als het rechtop staat, met de borst naar jou toe gericht, zijn er dan tekenen van borsten met tepels er op? Kortom, is het een zoogdier?' 'Nee! Dat is het niet! De borstpartij, de hele voorkant, is volkomen glad. En ik zie nou nog meer van dergelijke exemplaren.' 'Hoe sta jij daar als etherische entiteit tegenover?' 'Ik vind ze wel leuk, moet ik zeggen. Het is interessant hoe ze alles doen. Ze doen veel, veel meer dan andere dieren. Ze hebben "iets". Het lijkt net alsof ze meer doen dan alleen maar leven. Een soort slimmigheid. Een heleboel dieren eten en drinken alleen, maar ik denk toch dat het verschil heel subtiel is, dat wat ze anders doen. Gevoelsmatig is mijn verhouding tot die dieren zo van "hoe zouden ze dat doen, hoe zouden
2.28
ze dat bedenken". Ik overweeg eigenlijk wel hoe hun bewustzijn is. Bijna van 'hoe zou dat nou zijn om zo te doen?' En dan gebeurt er toch iets bij mijzelf. Ik krijg het gevoel dat daar een lange periode overheen gaat, maar er is toch een bepaald contact en je kunt ze, ik zou haast zeggen, 'sturen', door gedachtekracht.' 'Zijn ze zich bewust van jouw aanwezigheid?'
'Nee! Ik ben ervan overtuigd dat ze dat niet zijn. Maar ik des te meer van hun aanwezigheid. Ik heb nu al een veel sterker bewustzijn ontwikkeld.'
'Ga je dan iets met die dieren doen? Of doe je helemaal niets?' 'Eerst is het een bekijken, een observeren. En, inderdaad, dan stuurgrapjes willen uithalen, zien hoe je ze kunt manipuleren. Vervolgens weer een stapje verder, als dat allemaal blijkt te gelukken. Ik heb het gevoel dat het sturen op een bepaald moment niet meer genoeg is. Je wilt meer. Meerijden eigenlijk, want je ziet het wel. Het is net zoiets als zo'n klein speelgoedautootje met afstandsbediening. Ik wil een keer meedoen. Er groeit een verlangen daarnaar. Ja, gewoon ervaren willen.' 'Heb je daarbij het gevoel datje iets doet dat of positief of negatief is?' 'Ik heb het gevoel dat dit manipuleren niet zonder consequenties is.' Ze lacht ietwat verlegen, als ze dit zegt.
'Dat het niet helemaal is, zoals het hoort. Het is niet juist, want je verstoort toch een bepaalde balans. En je laat die dieren ook dingen doen die ze anders niet zouden doen. Daar kunnen ze afhankelijk van worden, als je het allemaal maar vaak genoeg doet. En ja, dan verstoor je dus inderdaad die natuurlijke ontwikkeling.' 'Dus kort en goed gezegd, je krijgt een verlangen,' constateer ik. 'Ja. het is zoiets van, je bent ermee begonnen en het wordt steeds leuker.'
'Is het voor je gevoel een interessant spel of is het een drang, een begeren?'
'Hmm, ja, Ik denk een combinatie van beiden. Het is begonnen als een spel, maar dat is dat hele daarnaar toe gaan. Go, wat zou het zijn? En dat is op zich natuurlijk helemaal niet verkeerd. Maar je raakt er meer en meer toe aangetrokken.' 'Kun je er niet meer van loskomen?'
'Nou, nu zou het nog wel kunnen, maar het is toch eigenlijk net nog iets te leuk. Het is zonde, zou je zeggen, om ermee te stoppen. Het is té aantrekkelijk.'
'Hoe verloopt dat proces dan?'
'Nou, ik ga dichterbij. En ik ben nu duidelijk niet meer alleen, maar ik heb nog steeds geen contact met de anderen. En die andere dieren worden ook 'bestuurd'. Er zijn dus meerdere entiteiten die hetzelfde doen als ik.'
'En wat doen jullie in wezen? Verander je iets in die dieren?'
'Ja, want ik heb de indruk, dat als je er zo maar in gaat zitten, dat het dan
2.29
helemaal fout gaat,' zegt ze bedachtzaam. 'Ik denk dat het niet zo maar kan. Waarom? Een kwestie van energie misschien. Je moet iets aanpassen. Want dat is het juist dat gebeuren moet. Je moet het zenuwstelsel, de hersenen aanpassen. Ja, ik spreek over de hersenen en ik weet ook niet waarom. Het centrale zenuwstelsel moet worden aangepast. Maar wat precies, zou ik niet weten. Ik denk het op een of andere manier gevoeliger maken.
En ik weet het niet, maar ik zie het. Ik doe eerst een onderzoekje. Chirurg ben ik nou. Ik zie gewoon hoe dat werkt, daar binnen in dat hoofd. Ik zit nu bij de hersenen. Die moeten anders functioneren, of er moet iets bij. En dat doe ik dan door projectie, intuïtief, spontaan. Maar ik ben dan nog wel buiten het dier. Ik ontwikkel bepaalde delen, die erbij moeten of die ontwikkeld moeten worden. En ik zorg dat het wat sneller gaat.'
'Is dat alleen het centrale zenuwstelsel?'
'Ja, dat zie ik nu. Maar ik denk dat, door het centrale zenuwstelsel te veranderen, je natuurlijk alles verandert, het hele organisme. En ik heb duidelijk de kennis daarvoor. Ik weet wat er gedaan moet worden. Het is niet zo maar een beetje geëxperimenteer,' zegt ze, haast verontwaardigd.
'Hoe zit het met het klierstelsel? Hoeft dat niet aangepast te worden?' 'Het wordt allemaal aan elkaar geschakeld door het zenuwstelsel. Dat wordt dus duidelijk de leiding van het hele systeem. Via het zenuwstelsel kan praktisch alles beïnvloed worden.'
'En wat is ten slotte de reactie op die modificaties bij deze dieren? Wat kun je voor veranderingen zien in hun gedrag?'
'Niet zo heel veel. Ik denk dat ze een ander levensritme krijgen. En veranderingen in het voedselpatroon. Het geheel lijkt meer doelgericht. Niet eens zo zeer bewust. Wel wat, en ze zijn nu natuurlijk wel makkelijker bestuurbaar, ze zijn als het ware aan mij en mijn mede-entiteiten onderworpen. Maar het is nog steeds een
"afstandsbediening", gedurende een periode waarin je ze helemaal in je macht hebt. En daar gaat ook het plezier van af. Je wilt steeds verder. Het is inmiddels een drang geworden, en ik ben een beetje vergeten hoe het ergens anders was. Het is een scheppingsspel, eigenlijk. Zo zou ik het wel durven noemen.' 'En waar mondt dat in uit?'
'Op een gegeven moment ga ik erin.' Nu wordt het echt spannend. 'Langs de kop ... tussen de oren,' zegt ze, alsof het niets bijzonders is wat er gebeurt.
'Heeft het iets te maken met het bekende "klepje" boven in het hoofd?' vraag ik.
Dit klepje is namelijk de plaats waarlangs ook ons astrale lichaam kan uittreden uit het fysieke lichaam en naar de 'astrale ruimte' kan gaan. Iets wat
2.30
tot op de huidige dag nog altijd mogelijk is
'Inderdaad,' antwoordt ze. 'En dat gevoel is er nu dus. Dat is heel vreemd. Nu ben ik erin,' zegt ze, toch lichtelijk opgewonden. 'Dat is een sensatie! Dat is te gek! Het is net alsof je voor het eerst achter het stuur in een auto zit en je moet gaan rijden. Zo zitje ook echt.' 'Waar ergens zitje? Kun je dat lokaliseren in het dier?' 'Nou, op het moment 'zit' ik in de hersenen. En dan begin ik letterlijk te sturen. Ja, hoe ik dat nou doe? Gewoon, de macht die je van buitenaf had, die heb je ook van binnen, als je erin zit. En dat is machtig! Ja, dat is schitterend!' Er klinkt enorm enthousiasme in haar stem en ze lacht blij en uitbundig.
'Wat doe je nou het eerste?'
'Ik ga het water in.' Ze grinnikt erbij. 'Het is zo maf, joh, om zo'n beest te zien lopen op twee benen. En om er zelf in te zitten.' 'En het dier loopt nu dus het water in, gestuurd door jou ...' 'Ja, ja, ga je mee ... hup, plons,' schertst ze. 'Dit is helemaal te gek. En het dier kan ook zwemmen, maar het is hier niet zo diep. Dit is heel idioot, maar het is wel leuk! Het is aan de oever van een meer of aan een zeestrand. Maar het is echt heel komisch. Moet je zien! Het is echt alsof je in een auto zit. Zo'n gevoel van "nou hij doet het".' Ze kan haar plezier niet op. 'Het is wel een gevoel ... een enorm, een geweldig gevoel van ... moet je nou toch eens kijken. Schitterend!
Ja, dat is wel te gek!' Ze is laaiend enthousiast.
'En dan, kun je daar ongelimiteerd in blijven?'
'Nee, op een gegeven moment moet je er toch wel even uit. Om je weer op te laden, zal ik maar zeggen.'
Het is duidelijk waarom ze uit de dieren moeten, om weer op te laden. De fijn stoffelijke, etherische entiteiten bezitten zelf maar een geringe hoeveelheid energie die heel snel is opgebruikt. En uit de energie van het grofstoffelijke dierenlichaam kunnen ze nog niet putten. Er is nog geen verbinding met die fysieke energiebron. Er is nog geen volledige integratie van de geest in het lichaam.
'En blijft het dier dan gewoon doorlopen?' vraag ik nieuwsgierig. 'Ja, natuurlijk! Het merkt niks. Alleen, het doet zo raar ... het doet weer normaal.' Haar gelach is niet van de lucht. Het is heel duidelijk een fantastische ervaring.
'En dan ga je eruit om op te laden, zei je. Wat laad je op?' 'Tja, het is een opladen van energie uit de Kosmos. En de bron, waaruit die energie ontspruit, is het Licht!
Het Licht, waar ik vandaan kom. Nou ja, het licht van de zon doet ook wel wat. Maar de echte energie komt van "het Grote Licht". Ik kan me voorstellen dat mensen dat God noemen.'
2-31
'En geschiedt dit allemaal onder een "welwillend oog" van dat Grote Licht?'
'Ja, ach, het is ... ik weet dat het een beetje te ver gaat, maar het wordt kennelijk toegestaan.' Ze beseft nog niet dat ze een onafhankelijke, dominante vrije wil heeft, waarmee dit alles tot stand komt.
Vele mensen vragen: 'Waarom laat God dit of dat toe?' Wel, wij mensen zijn niet als poppen met een draadje met onze Schepper verbonden. Zou dat wel het geval zijn, dan lag alle verantwoordelijkheid voor onze daden en denken bij Hem. Maar wij zijn als Goddelijke Beginsels, overeenkomstig het eigen wezen van die Schepper, vrij gelaten om te doen en te laten wat wij willen, goed of slecht. Wij hebben, als kinderen van God, een dominante vrije wil gekregen, met een scheppend vermogen, om zo zelf ons doen en laten, onze handel en wandel te bepalen. Maar wij moeten daarvan dan ook alle gevolgen aanvaarden. Wij kunnen dus geen verantwoordelijkheid voor onze daden, ons denken en handelen bij onze Schepper deponeren. Kortom, Hij laat ons volkomen vrij. Echter, zoals eerder gezegd, op één voorwaarde: dat de mens uitsluitend aan zichzelf verantwoording schuldig is en blijft, voor alles wat hij doet in leven na leven. En wel volgens Zijn Kosmische wet van oorzaak en gevolg.
Wat hebben we met die vrije wil van onze levens en deze wereld gemaakt? We hoeven maar om ons heen te kijken en we krijgen het antwoord, zichtbaar en hoorbaar! Aldus vormen wij zelf ons levenslot, onze lotsbestemming.
De regressiesessie gaat verder met mijn vraag: 'Is het niet een misbruik maken van de vrije wil?'
'Och,' zegt ze. 'Er wordt niet ingegrepen'
'Oh! Dat is natuurlijk wel iets anders.'
'Nou ja, goed, dat is inderdaad wat anders.'
'Er wordt niet ingegrepen, zegje. Maar je handelt met je goddelijke vrije wil, die je gekregen hebt toen je afgescheiden werd van het Licht, de zilveren zee van Geest.'
'Het was wel de vrije wil. Ik had wel, toen ik daar afgescheiden werd, een heel sterk verantwoordelijkheidsgevoel, dat je nu meer op een ander gebied hebt,' zegt ze.
'Een bepaalde wet draag je met je mee. Een soort geweten zal ik het maar noemen. En dat is wel wat verzwakt,' zegt ze nu heel eerlijk.
'Denk je dan dat je het evolutieplan, van wat je toch denkt de aarde te zijn, hebt verstoord door wat jullie gedaan hebben?' 'Nou, nee ...' zegt ze aarzelend.
'Je hebt ingegrepen, zei je al eerder, in een bepaalde lijn van evolutie van
2.32
die dieren.'
'Ik heb meer de indruk dat het een versnelling is. Het waren ten slotte niet al die dieren. Ik bedoel dus dat het evolutieplan toch door heeft kunnen gaan.'
'Het waren niet al die dieren, zeg je. Je bedoelt daarmee te zeggen dat maar een deel daarvan door geest, door jullie entiteiten werd gewijzigd, aangepast en bestuurd? En dat de anderen als het ware onaangeroerd bleven?'
'Het waren bepaalde groeperingen. Maar niet in één groep zo, dat de één wel en de ander niet werd aangepast. Dat gebeurde dan met de hele groep.'
'En hoe stonden dan die andere, niet aangepaste dieren, tegenover die wel aangepaste?'
'Volgens mij waren er hele gebieden waar het aanpassen wel gebeurde, en gebieden waar dat niet het geval was. Dus zo dat de dieren in die verschillende gebieden niet zo gauw met elkaar in contact kwamen.' 'Zou je die aangepaste dieren al "oermensen" kunnen noemen?' 'Nee!' zegt ze zeer beslist. 'Antropoïde apen eigenlijk nog. En ik zie nu welke kleur ze hebben. Ze zijn donker, roodachtig bruin. Lang behaard, maar niet overdreven lang.'
'Is er al een lange periode verstreken sedert je eerste komst op aarde als druppel?'
'O God, man!' roept ze uit. 'Ik ben al veel en veel verder.' 'Dat had ik al wel vermoed. Daarom zou ik je willen vragen, zijn deze dieren al te onderscheiden in mannelijke en vrouwelijke exemplaren?' Er volgt een lange stilte. Ten slotte zegt ze:
'Vrouwelijke en mannelijke exemplaren. Dat is ook al aangepast.' Ze slaat nu wel een behoorlijk stuk evolutie over.
'Ja, aangepast of geëvolueerd,' zegt ze nog. 'Het zijn nu dus zoogdieren. Er zijn duidelijk tepels op de borst waarneembaar. En bij de vrouwelijke exemplaren zijn de borsten meer ontwikkeld dan bij de mannelijke. Maar ik geloof dat het in periodes gaat. De borsten zijn wat groter als ze een kleintje hebben. Dus dat heeft met de zwangerschap van de vrouwtjes te maken. Dan zwellen de borsten, en na het zogen van het jong trekken ze zich weer terug.'
'En hoe is het nu? Kun je nog steeds in en uit het lichaam?' 'Ja. Dat gaat nog gewoon door.'
'Luister eens, toen je voor de eerste keer in dat dier ging en het dat meer in stuurde, zou je datje eerste incarnatie kunnen noemen?' 'Ik denk het wel.'
'En als je op dit moment in zo'n dier bent, aan je hoeveelste incarnatie ben je dan gekomen?'
'Nou, ik ben er eigenlijk bijna continu.'
'Zijn er dan geen enorm lange perioden tussen die incarnaties in?'
2.33
'Ja, maar, voordat je er één keer in geweest bent en je gaat er voor de tweede keer in, in zo'n dierenlichaam ... ja, ik vind het heel erg moeilijk, die aardse tijd. Over die hele periode duurt het erg lang. En ik kon, helemaal in het begin, ook in twee van die dieren gaan. In elk afzonderlijk natuurlijk.'
'Aha. Dat had ik niet in de gaten. En dat bedoel je dus, en dat maakt je in de war,'
zeg ik, begrijpend dat we beiden in een andere richting dachten.
'Ja, precies,' antwoordt ze.
'Ik bedoel eigenlijk met een totale incarnatie, datje erin gaat en dat leven van het dier doormaakt en dat je dan eruit moet, omdat het dier dood is. En nou wil ik weten hoeveel keren je door die aardse dood bent gegaan en weer in het lichaam van een ander dier bent teruggekomen op aarde.'
'Ja, ja. Zo'n vier keer zal dat gebeurd zijn.'
'Je zei datje geregeld uit die lichamen moest gaan om op te laden. Als je eruit bent, blijf je dan goed waarnemen?' 'Ja, maar niet zo goed als daarvoor.'
'De allereerste keer kon je schitterend waarnemen, maar toen het dier waarin je je gevestigd had, stierf, waar ging je toen naar toe?' 'In eerste instantie bleef ik daar in de buurt van het lichaam, omdat ik het een beetje vreemd vond, wat er gebeurde. Ik bleef er 'hangen' in de geest, als entiteit, om te kijken wat er met dat lichaam gebeurde. Ik ben daar toch wel in de buurt van die aarde gebleven, om te wachten op de volgende incarnatie. Ook samen met andere entiteiten.'
Er is dan doodgewoon nog geen zogenaamd 'Gene Zijde gebied', omdat daaraan tot op dat moment totaal geen behoefte bestond. 'Gene Zijde' werd pas gevormd, nadat de verzamelde, uitgetreden entiteiten, na het intreden van de aardse dood van de dierlijke lichamen, ten slotte toch een plaats van samenkomst, overleg en bezinning nodig hadden. Een soort 'wachtlokaal', van waaruit met een nieuw levensplan vertrokken kon worden, als er een nieuw lichaam beschikbaar kwam dat in relatie stond tot de eerder bewoonde lichamen respectievelijk de groep entiteiten daarin. De duur, in aardse tijd gemeten, die tussen die incarnaties lag, was uiteraard ook afhankelijk van het aanbod van lichamen, dus van het tempo van reproductie. Zo zijn er in onze tijd veel kortere perioden tussen twee levens, omdat het aanbod van lichamen om in te reïncarneren veel en veel groter is. Het is dus gewoon een kwestie van vraag en aanbod, zowel in het begin als in onze tijd, waarin ik al vorige levens uit de Tweede Wereldoorlog in regressies tegenkom, met alle onverwerkte traumata uit die dagen.
Maar ik vraag verder aan de in diepe trance verzonken regressante: 'Was er een bepaalde voorwaarde aan verbonden, voordat je permanent
2.34
in dat volgende lichaam kon gaan?'
Haar antwoord is veelzeggend voor het verdere verloop van de keten van op- volgende mensenlevens op aarde, van de gehele mensheid tot op de huidige dag en nog lang daarna; voor het leven in relatie met de unieke persoonlijkheden onderling. Zij zegt namelijk:
'Er moest ten eerste er één zijn dat vrij was en verder moest het er één zijn in de omgeving van die entiteiten die met mij in de eerste golf waren meegegaan in een lichaam. Dus niet zo dat ik onder vreemden kwam.' (Waren er wellicht al karmische banden ontstaan?) 'Maar ga je dan nog steeds in een volwassen exemplaar of gaat het al zo, datje ...?' Voordat ik uitgesproken ben, geeft zij het antwoord op mijn vraag al.
'Nee. Nu gaat het zo datje bij de geboorte, of kort daarna, in een klein dier gaat. In het baby - oermensje, ja.'
'De eerste keer, nadat je uittrad, had je toen weer eenzelfde uitzicht op de Kosmos en op de aarde als tevoren?'
'Het uitzicht was er nog wel, maar alleen de mogelijkheid om weg te kunnen was moeilijker. Ik weet niet door wie dat opgelegd was. Door mezelf, denk ik, omdat ik me met dat dier verbonden voelde. Ik had mezelf een beetje aan de materie vastgeklonken. En op zich kon dat wel. Ik had toch nog makkelijk weg kunnen zweven.
En bij die derde en vierde incarnatie kon ik er ook nog uit om me opnieuw op te laden. Het dier bleef dan niet meer 'onberoerd' rondlopen. Het was versuft of het ging liggen. Ik heb de indruk dat het meestal ging liggen, maar het kon zich in het begin dan nog wel bewegen. Uiteindelijk wordt het zo, dat het dier gaat liggen tot je er weer in terugkeert.' 'En als je eruit bent, hoe is dan je visie op de Kosmos geworden? Zo bij de derde en vierde incarnatie.'
'Die is er nog steeds. Ik kan nog steeds waarnemen, maar toch een beetje
"matglasachtig". Het wordt al minder gemakkelijk. En dat bewustzijn hou ik dus niet. Dat bedoel ik met minder makkelijk kijken. Lager bewustzijn, gewoon minder. Wat verduisterd bewustzijn,' voegt ze er nog aan toe.
'Als je in een lichaam bent en het is oud en versleten, het gaat sterven, ervaar je dan dat sterven mee? Je kunt er gemakkelijk uit. Dus hoe ervaar je dat dan?'
'Nou, je voelt datje gaat sterven, want het lichaam is gewoon op. Dan ga je liggen en eruit. Dan voel je het sterven van het lichaam zelf niet, tenzij er natuurlijk onverwachts iets gebeurt.'
'Voordat jullie in die dierlijke lichamen gingen, heb je de inwendige structuur aangepast. Maar het dier had een eigen soort intuïtie, driften en instincten, een dierlijke ziel, zal ik het gemakshalve maar noemen.
2. 35
Heeft daarmee toen enige integratie plaats gevonden?' 'Nee. Er is steeds een zekere scheiding gebleven tussen de geestelijke entiteit, de bewoner, en het dier.'
'Maar is er al een bewuste poging gedaan tot volledige integratie van de geest in dat lichaam, zodat het dierlijke gedeelte met dat van de bewonende entiteit is samengesmolten?'
'Ik denk niet dat het een poging is geweest, maar dat het gewoon gebeurd is. Dat is een onbewust evolutieproces geweest. Daar hebben wij geen plan voor ontworpen. Die structuurveranderingen zijn als het ware ongemerkt in elkaar overgegaan. En ten slotte is toch ook de invloed van het dierlijke element sterk gaan wegen bij het hele levenspatroon. Dat heeft gevolgen voor de geest, namelijk nog meer gebondenheid aan het lichaam. En nog lager bewustzijn daardoor. Nog meer gebondenheid aan het dierlijke. En op de lange duur kreeg je het gevoel als het ware gevangen te zitten in het dier. Je kunt op een gegeven moment niet meer naar buiten, niet meer uit het dier. En dat is wel vervelend. Ik had echt het gevoel, het is een val, waar ik ingelopen ben. En nou is het niet leuk meer, maar nou moet ik wel.'
'Dus is het juist datje in de val van het vlees bent gelopen? 'Ja. Zoiets moois is het,'
zegt ze, wat wrang.
Zo is de oermens, en ook de tegenwoordige mens, in wezen een 'lopende dis- crepantie', een lopende tegenstrijdigheid. De oorsprong daarvan vinden we in het voorgaande duidelijk terug. Er is een blijvend innerlijk conflict ontstaan tussen het seksuele en het zuiver spirituele, tussen het dierlijke driftleven en de goddelijke vonk in ons. Dit heeft steeds gezorgd voor seksuele frustraties, schuldgevoelens en problemen van allerlei aard, omdat we van origine overwegend spirituele entiteiten zijn.
En dit zorgt ervoor dat er in ons geweten iets blijft wringen. Er is een zekere mate van frictie, bij de één meer dan bij de ander. Toch blijft het voor de mens zaak een balans, een harmonie te vinden tussen zijn driften en instincten enerzijds en zijn spiritualiteit anderzijds, wil hij gelukkig, open en vrij kunnen leven. Het verdrukken van een gezonde dosis seksualiteit, of het hebben van schuldcomplexen daarover, leidt tot onevenwichtigheid en een ongezond leven in de relatie tussen de beide seksen, en het is ook zinloos. Wat je verdringt, gaat ten slotte dringen. Dat is bijna een axioma in de psychologie. Wij moeten doodeenvoudig aanvaarden, dat gezonde seksualiteit bij een gezond leven hoort. En dat pas op zeer lange termijn en zeer geleidelijk het dierlijke element uit ons zal kunnen verdwijnen en we weer zuiver en alleen spiritueel kunnen voelen, denken en leven. Dit is eveneens een langzame evolutie in tegenovergestelde richting, een geestelijke groei. Het zit diep in ons geworteld, die seksuele drang. We hebben het spelenderwijs in het begin zo gewild, met onze dominante vrije wil. Nu moeten we weer de lange weg terug gaan, naar een blijvende spirituele
2.36
existentie in het licht.
'Zoals je daar nu bent,' vraag ik verder, 'hoeveel keer ben je dan al overleden en opnieuw in een lichaam gegaan. Met andere woorden, aan de hoeveelste incarnatie ben je op dit moment bezig?' 'Dat ik dus vast zit in het dier. Nou, het zijn nog niet zoveel incarnaties. Vijfhiervoor.'
'Hoe is het leven op aarde nu? Wordt er geleefd in gemeenschappen, in stammen of zeer individueel?'
'In gemeenschappen. Een man met een aantal wijfjes. Het is niet echt gebonden, een vrije gemeenschap dus. Maar de sterkste man heeft de meeste wijfjes,' zegt ze lachend. 'Een beetje in die trant.' 'Kun je het een familie noemen?'
'Een kudde met een mannelijke aanvoerder, die dominant is.' 'En met vrouwtjes die aan het mannetje toebehoren, zolang hij sterk genoeg is om ze voor zich te behouden ... met geweld, eigenlijk. Is dat het?' vraag ik. 'Ja,' fluistert ze bijna.
Zo komt tot uitdrukking dat de mens van nature polygaam is, hetgeen zich in alle tijden manifesteert, ondanks de cultuurpatronen die samenlevingen zich zelf hebben opgelegd. Deze cultuurpatronen gaan ten slotte zwaar op de eigen schouders drukken, niet in het minst het monogame patroon. Er is in feite een heel andere wetmatigheid. Een ander patroon. Een kosmische wetmatigheid, die de mensen tot elkaar drijft, ook de mannen en vrouwen. En wel de zelf veroorzaakte lotsbestemming. Toeval bestaat niet, is daarbij volkomen uitgesloten.
'Maar het leven is verder prettig,' zegt ze opgewekt. De gehele regressie is trouwens doortrokken van een zekere mate van vrolijkheid en blijheid. 'Ons voedsel is plantaardig, vruchten, noten en dergelijke. Dat is eigenlijk alles. Er wordt geen vlees gegeten. Het dier is dus nog geen omnivoor, geen alleseter.'
'Nu ben je in je vierde of vijfde incarnatie. Keer je steeds weer terug naar de plaats aan dat meer?'
'Nou, nee, dat meer is er niet meer. Maar ook al was het er, ik denk het niet.'
'Wat kun je nog meer voor opmerkelijks over dit leven zeggen?'
'Nou, dat nu ik er eenmaal ben, ik hetzelfde gevoel heb van "nou, daar zit ik dan", als toen ik me afscheidde of afgescheiden werd van het Licht, de zilveren zee van Geest. Toen ik dat reisje door de ruimte maakte, had ik ook dat gevoel van' 'nou, daar ben ik dan"!
Dus toch al wel gevoel en IK/Ego.
Einde sessie.
2.37
Uit het voorafgaande blijkt dat de volledige integratie van de fijn stoffelijke geest in de grove materie van het dier nog niet is voltooid. Dat wil zeggen dat de entiteit het lichaam nog niet van top tot teen beheerst. Bij de tegenwoordige mens is wel volledige integratie van het gehele lichaam tot stand gekomen. Daarom kan, bij blijvende desintegratie van lichaam en geest, dat wil zeggen de aardse dood ofwel het vertrek van de geest uit het lichaam, dit lichaam niet meer blijven leven. Dit in tegenstelling tot de eerste incarnaties, waaruit de entiteit rustig kon vertrekken, zij het tijdelijk, zonder dat het gedeeltelijk bewoonde dier stierf. In het begin is er dan ook nog geen 'zilveren snoer', geen levensdraad die lichaam en geest volledig bindt. Pas als algehele beheersing van het lichaam tot stand is gebracht, ontstaat ook dat zilveren snoer, dat bij tijdelijke uittreding het lichaam in leven houdt. Het snoer of koord is vezelig en tot een bepaalde limiet uitrekbaar, zodat een tamelijk lange reis in de astrale ruimte mogelijk is. Gaat men echter te ver, dan breekt het koord, waarop onherroepelijk de aardse dood volgt. Tijdens de ondergang van Atlantis zijn velen op die manier voortijdig uit hun lichaam gevlucht, om de verschrikkingen van de ramp te ontlopen. Maar dat is uiteraard zelfdoding, suïcide die, zoals we later zullen ontdekken, altijd verwerpelijk blijft en nare gevolgen kan hebben voor de geest aan Gene Zijde.
2.38
3
Het 'spel' der seksen
Het dier met een borst zonder tepels. Voortplanting. De ontwikkeling van de scheiding der geslachten in mannelijk en vrouwelijk.
Het is duidelijk dat er in de beide voorgaande sessies nog wel enkele belangrijke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Zoals de 'borst zonder tepels', de geheel gladde borst van het als eerste waargenomen dier. Deze wijkt dus af van de dieren die we later te zien krijgen. Dat zijn duidelijk exemplaren van het mannelijke en vrouwelijke geslacht. Zoogdieren dus, bewoond door geestelijke entiteiten. Welk geslacht heeft dat als eerste waargenomen dier? Was het geslachtloos of tweeslachtig? Hoe plant het zich voort? Hoe is de ontwikkeling van de scheiding der geslachten, met andere woorden hoe komen we aan die splitsing in twee verschillende seksen? We besloten te proberen om, in regressie, op deze en ook nog enige andere vragen een antwoord te krijgen.
Maandagavond, 25 april 1983
Alle voorbereidingen zijn voltooid, alle instructies zijn gegeven. De proefpersoon of regressante zit nu in diepe trance in de zwarte armstoel, waarin al zo velen zijn teruggegaan in de aardse tijd. Meestal op zoek naar de oorzaak van hun klachten en problemen, naar de postmortale traumatische, onverwerkte emoties in vorige levens, om die alsnog te kunnen verwerken en zo te genezen, tenminste indien dat is toegestaan of mogelijk is.
Het is stil in huis en het is stil in de praktijkkamer, die in een rustig schemerlicht is gehuld. Ze zit er, als altijd,verwachtingsvol ontspannen bij, de ogen gesloten. De oogleden maken knipperbewegingen, de zogenaamde REM'S, de Rapid Eye Movements, snelle bewegingen, die erop duiden dat de regressante in een staat is, waarin ze heel goed kan visualiseren, kan schouwen of 'zien'. Soms, bij het wegglijden in een heel diepe trance, lijken de REM'S helemaal te verdwijnen. Mijn proefpersoon is bewust in een diepe trance gebracht. En ik open de regressiesessie nu met de gebruikelijke woorden: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Waar ben je en wat ervaar je?' Ze is nu weer in de geest vrij, als spirituele entiteit buiten een lichaam, en ze schouwt van daaruit.
3.43
'Ik zie daar in een bos zo'n dier met een puntsnuit lopen. Het loopt daar, en ...' ze zucht eens diep, 'als ik er dan dichterbij kom, dan zie ik op de onderbuik een langwerpige, ovale plek. Het lijkt een soort eelt. Het is een ander soort huid in ieder geval. En daarop zitten twee ... ja, het lijken net tepels. Eén bovenaan die ovale plek en één onderaan. Daar tussenin zit een overdekt gat. Het is een soort zakje, daarmee zou je het een beetje kunnen vergelijken.
Het is een holte met een "anussluiting" over een rond gat dat enigszins de vorm van een spiraal heeft. Die sluiting is niet rond, maar vormt een overlapping, die aan de buitenkant zit. Het lijkt alsof daar een vorm van bevruchting plaatsvindt.'
'Wat bevrucht wat?' vraag ik, met stijgende verbazing. 'Ja ...?' Ze aarzelt even. 'Het is een vorm van zelfbevruchting. Die twee "tepels" hebben er iets mee te maken. Die tepelvormige uitstulpsels. Wat er uiteindelijk gebeurt ...? Het is alsof je een uitwendige baarmoeder hebt. Dat is dat zakje, die holte. Dat is eigenlijk de laatste fase van het geboren worden of het eruit komen van het jonge dier. En daarachter is ook nog een holte, binnen in de buik. Daarin vindt de eigenlijke bevruchting plaats, inwendig. En die binnenste holte, die tweede van buitenaf, die heeft iets van een blaas met twee leidingen. De ene leiding gaat naar de ene tepel en de andere leiding naar de ander tepel.' 'Wat is het verschil tussen die beide tepels? Of is er een overeenkomst?' 'Nou, ik heb de indruk dat het ook een weg is om verschillende stoffen af te scheiden. En dat het systeem een mengsel is van twee functies. Dat de holte, waarin de bevruchting plaatsvindt, ook een blaas is.' 'Maar de leidingen vanuit die twee tepelvormige uitstulpsels, wat voeren die aan?'
'Nou, het is zo dat de één iets afvoert en de andere iets aanvoert.' Er valt een stilte, waarin ze kennelijk onderzoek moet doen. Ik wacht even en vraag dan: 'Waar ontstaat het mannelijke en waar het vrouwelijke element? Of zijn die hier niet aanwezig?'
'Je bedoelt of er een zaadje en een eitje is? Dat ben ik juist aan het bekijken. Het zijn wel twee stoffen, die bij elkaar moeten komen. En volgens mij zit de ene, die mannelijke stof, in die bovenste tepel. Die bovenste tepel is een klier die door een bepaalde handeling van buitenaf gestimuleerd wordt.' Nu wordt het duidelijk waarom ook het klierstelsel door de geestelijke entiteiten moest worden aangepast. 'Die handeling is gewone druk, wrijving ergens tegenaan. Niet een bewuste druk. Ach, misschien ook wel. Ik weet dat eigenlijk niet precies,' zegt ze. 'In ieder geval, daar komt een bepaalde vloeistof uit en die gaat naar die binnenste holte. En daar is een
... ja ... het lijkt net een "ei zonder schil", maar het is veel te groot voor een eicel. Het is een vliesachtig "iets". Eigenlijk lijkt het net alsof het al een embryo is. Dat wordt daar gevormd. De wand van die holte maakt dat. De onderste tepel vormige uitstulping heeft daar
40
niets mee te maken. Dat is een afvoerkanaal voor de afvalstoffen van dat embryo. Ik denk dat die produktie met slijm en ander afval gepaard gaat. Dan komt de vloeistof van het mannelijke deel uit die bovenste tepel erbij in die holte. Dat is een voorwaarde voor de ontwikkeling van het embryo. Het is zo dat de stof die in die bovenste tepel zit, de wand van de holte stimuleert tot produktie van celletjes, terwijl dat embryovormige beginsel daar al is.'
'Zet dat het embryo aan tot verdere ontwikkeling?' vraag ik. 'Daar zit ik juist naar te kijken, of die wand wel volledig het begin is, of het ontstaan van het embryo in die wand zit. Ik bedoel, dat het wellicht in nog kleinere toestand begint. De wand van die holte waarin het allemaal begint, dat is eigenlijk de binnenkant van een ei. Dus zeg maar, de wand van die binnenste holte zou je als de schil om dat ei kunnen zien. En daar binnenin, in de wand van die diepstliggende, inwendige holte waarin het allemaal begint, is een slijmlaag, die geactiveerd kan worden door de mannelijke vloeistof, die dan daarin naar binnen vloeit. Dat wil dus zeggen dat daar eigenlijk een dubbele wand is.'
'En de activatie, die bevruchtende vloeistof...' begin ik, maar ze valt me in de rede.
'Het zijn eigenlijk twee vloeistoffen die bij elkaar komen en een reactie teweegbrengen. En door die gecombineerde vloeistof wordt de slijmlaag geactiveerd en die gaat zich vervolgens samentrekken tot een embryo. Het lijkt wel of dat embryo dan loslaat. Maar daar zit nog wel een vliesje omheen, als om een mooi pakje.'
'Ah! En als de huid om dat embryo loslaat, die binnenste laag, waar blijft dan dat geheel?'
'Dat blijft in een vlies dat eromheen zit,' verduidelijkt ze. 'Ja, dat begrijp ik. Maar waar zit dat dan weer in, en kan zich dat bewegen?'
'Dat zit nog in die achterliggende, inwendige holte, waar het begonnen is. En het zit ook nog vast. Het wordt op één of andere manier gevoed door die bovenste tepel. Die heeft er nog een binding mee, via die leiding. Je zou het een "oernavelstreng" kunnen noemen. Daardoor komt een stof waardoor de groei gestimuleerd wordt. Nou, en op een gegeven moment laat de vrucht los en dan "valt" dat embryo. Dat wordt als het ware geboren als het nog heel klein is. Een soort kuikentje, lijkt het net. Maar dan "valt" het dus in die buitenste zak.' 'Bijna zoals in de buidel van een kangoeroe?' vraag ik. 'Ja, maar die zak is echt nog wel afgesloten. Nou? Niet helemaal zo goed meer. En dan is het al een zelfstandig diertje. Even kijken hoe het in die zak valt. Ja, de wand van de binnenste holte kan zich openen, maar die is eerst helemaal afgesloten en opent zich naderhand, naar die voorste zak toe.'
41
'En dat jonge diertje, hoe groeit dat? Neemt dat snel in omvang toe?' 'Ja. Dat blijft daar voorlopig in die buitenste zak zitten.' Er volgt weer een lange pauze, dan zegt ze: 'Ik zit te kijken hoe het gevoed wordt. Het is nu los. In het begin zit het nog in het vlies, en het wordt daarmee geboren in de buitenste zak. Het begint ermee dat het vlies breekt.'
'Is er dan nog een of andere verbinding met het lichaam van het volwassen dier?'
'Nee. Alleen is er nog de warmte van die zak.'
'Maar waar komen de voedingsstoffen vandaan om die "foetus" te doen groeien?'
'In het begin toch nog van dat vlies dat eromheen zit. De vloeistof die daarin aanwezig is, heeft een bepaalde voedingswaarde. Net als het vruchtvlees om de pit. Een perzikpit, bijvoorbeeld, daar zit het vruchtvlees omheen als een soort voedingsstof voor de kiem, om maar een heel simpele vergelijking te maken.' 'En hoe ontwikkelt het jong zich verder?'
'Dan breekt het vlies en kan het eruit. Maar het kan ook weer terug.' 'Dus toch het principe van de kangoeroebuidel,' constateer ik. 'Ja, toch,' zegt ze. 'En dan wordt het gevoed door de moeder/vader.' 'En de zak die daar tussen de twee tepelvormige uitstulpsels zit, past die zich aan in grootte?'
'Nee hoor. Die blijft gewoon van een bepaalde grootte. En die is al vrij groot. Zo'n vijftien tot twintig centimeter in doorsnee. En als de foetus daar uitgroeit, dan kan het jong eruit. Dan is de geboorte eigenlijk pas daar. En dan is het jong ook al vrij zelfstandig.' 'Maar als er gevaar dreigt, of als het koud wordt, wat dan?' 'Dan kan het jong er wel weer in, maar die periode is niet zo lang. Daarna wordt het gewoon meegenomen door het moeder-/vaderdier. Het is dan nog heel klein in verhouding tot het volwassen dier. Dat zie ik nu ook. Het is wel een koe van een volwassen dier, moet ik zeggen. En dat jong kun je in één hand houden. Er wordt er ook maar één geboren per zwangerschap. En als dat ene jong er voorgoed uit is, dan kan er pas weer een volgend "opgezet" worden.' 'Kun je ook zeggen hoe lang de draagtijd is?'
'Twee van die jonge dieren per jaar, hooguit.'
'Maar de bevruchting zelf. Hoe wordt die gestimuleerd? Door een bepaalde prikkel?'
'De bovenste tepel wordt hard, doordat die bevruchtende vloeistof daarin gaat uitzetten.'
'Zou je het een erectie kunnen noemen?'
'Jawel, je zou het zo wel kunnen noemen, maar het heeft een andere functie. Het is echt een vulling met vloeistof, een erectie natuurlijk ook, maar dit is een prikkel om erop te gaan duwen. Dat doet pijn. Die tepel is
3.42
gespannen, ja, en dan gaan ze erover wrijven en wordt het hele proces van bevruchting op gang gezet.
Ze wrijven met de hand, maar ook met de buik tegen een boomstam of op de grond liggend, op alle mogelijke manieren. Niet echt bewust met de hand. Er komt helemaal geen bewustzijn aan te pas. Het gebeurt gewoon instinctief. Het is een spontane reactie.' 'Als het kleine dier bijna zelfstandig is, groeit het dan snel?' 'Ja, dat gaat heel snel. En het is meteen al behaard als het eruit is. Het heeft bruin haar, dat nog wel vrij zacht is, maar het wordt wel snel harder, want een volwassen dier heeft borstelig haar.' 'Ga nu eens wat verder vooruit in de evolutie en vertel iets over de ontwikkeling van dat tweeslachtige wezen naar een zuiver gescheiden mannelijk en vrouwelijk wezen. En zie hoe dat proces van die scheiding der geslachten verloopt.'
'Wat hier een vrouw wordt, is wel heel duidelijk, denk ik,' antwoordt ze. 'Die holte aan de buitenkant verdwijnt. En wat ik de lapjes noemde, die dat zakje bedekken, dat worden de schaamlippen. De holte die daarachter ligt, wordt de baarmoeder en de ruimte daartussen, die leiding, dat wordt dan de schede en de baarmoederhals, kortom, de vagina, het complete vrouwelijke geslachtsorgaan.'
'Welke van de beide geslachten ontwikkelt zich als eerste, of geschiedt dat gelijktijdig?'
'Ik heb de indruk dat het allemaal nogal tegelijk gaat. Nou ja, eigenlijk dat de tweeslachtigheid eerst meer naar de buitenkant gaat. Dat de penis groeit - dat proces gaat natuurlijk heel geleidelijk aan - maar dat de bevruchting dan nog steeds van binnenuit plaatsvindt. En dat je dan op een bepaald moment een tweeslachtigheid hebt van "een halve penis" en tegelijkertijd een baarmoeder. Maar het lijkt wel of het allemaal een beetje krimpt. Dat de opening aan de buitenzijde kleiner wordt. Er zich iets samentrekt en dat die bovenste tepel zich vergroot. En dat je dan een tweeslachtig wezen krijgt, dat zowel zichzelf als een ander kan bevruchten. Een soort tussenvorm, waarin alles tweeslachtig is, zowel de mannen als de vrouwen. Zowel de uitwendige als de inwendige organen.' 'Hoe ontstaan dan de teelballen van de man en het scrotum? Ontwikkelt zich dat uit die voorste zak?'
'Die teelballen zijn er in het begin niet. Het begint met de ontwikkeling van de penis en ook dat de zaadvloeistof in de penis aanwezig is. Dat is gewoon een kliertje. Die bovenste tepel is er nog. Daar komt die zaadvloeistof uit. Die tepel is ongeveer twee centimeter in doorsnede. En dan die teelballen. Die komen op een gegeven moment voort uit de baarmoederholte. Het lijkt me trouwens ook heel logisch, dat op een gegeven moment die organen moeten gaan zakken. En dat is een hele ontwikkeling. Dat gebeurt niet allemaal in één keer. Dat kliertje groeit naar buiten. Maar de wand van die zogenaamde baar-
43
moeder krijgt de structuur van dat kliertje, langzaam maar zeker. Dan vormt dat kliertje, samen met de zich samentrekkende baarmoederholte, zo zal ik het maar weer noemen, de teelbal. En die buitenste zak wordt het scrotum. Dan moet de hele zaak zakken. En zo is het geschied.
Maar bij de vrouw was dat anders. Daar is het in aanleg al gemakkelijker, heel eenvoudig. Dat tepelvormige knobbeltje, dat bij de man al is omgevormd, dat blijft bij de vrouw gewoon zitten, maar ik geloof niet dat het verder nog een functie heeft (de clitoris misschien). Die twee leidingen, dat worden de eileiders, en de baarmoeder zakt ook, die komt ook wat lager te liggen. Bij de man worden die leidingen de zaadleiders. Zeker de bovenste. En dat wat later een teelbal zal worden, is daarmee verbonden.
Dit proces komt gelijkelijk op gang. Een aantal van deze dieren worden aangepast in vrouwelijke zin en een gelijk aantal in mannelijke zin. De eerste "golf" gaat gelijk op. En wel, dat ze nog tweeslachtig zijn, als de penis gevormd wordt. Maar misschien zou je kunnen zeggen dat het vrouwelijke begint. Want de structuur van de "baarmoederwand" wordt niet anders. De functie van die holte blijft dezelfde, maar de vorm verandert, zodat ze bevruchtbaar blijft.'
'Kun je nu, vanuit de geest gezien, zeggen hoe dat hele proces op gang is gezet? In een vorige regressiesessie heb je verteld, dat je daar aangekomen bent met een groep andere spirituele entiteiten en een proces van ontwikkeling, een scheppingsproces in feite, begonnen bent, waaruit onder andere het centrale zenuwstelsel en het klierstelsel zijn ontstaan of gemodificeerd. Wordt hier ook van buitenaf door degenen die nog geen lichaam bezitten een scheppende kracht op deze dieren geprojecteerd? Of wat gebeurt daar? Welke invloed, welke kracht zorgt voor die omvorming, die herschepping? Dat proces van de scheiding in mannelijk en vrouwelijk.'
'Het is onder invloed van die verandering, die door gedachteprojectie ook het centrale zenuwstelsel en het klierstelsel aangepast heeft,' antwoordt ze. 'Vooral het klierstelsel, de hormonale mogelijkheden. Die scheiding is een gevolg daarvan. Ik weet alleen niet of het bewust is gebeurd. Het is een gevolg van de aanpassing. Het is daardoor automatisch in werking gezet. Het was niet tegen te houden. Als je het zo "organiseert", dan gebeurt dat. Het is gewoon een logisch gevolg. Maar ik heb het gevoel dat het een beetje door elkaar loopt. Die overgang is dan een periode waarin er geen volkomen "vormgelijkheid" is. Het gaat natuurlijk allemaal heel geleidelijk. Er komt een moment dat de één zich wat sneller ontwikkelt dan de ander. Er is een overbruggingsperiode, waarin een deel van de dieren niet kan reproduceren. Een paar generaties lang. Gewoon omdat het volledige proces afgerond moet worden. Dus die zijn dan geen man en geen vrouw. "Niks" eigenlijk,
44
"hetjes". Ze zijn uiterlijk wel man of vrouw, maar ze kunnen er geslachtelijk niets mee.
Er blijven echter tweeslachtige en die produceren steeds volmaaktere nakomelingen, in de zin van mannelijk en vrouwelijk, zodat die op een bepaald moment wel kunnen reproduceren. En als die op hun beurt gaan reproduceren, voor nakomelingen zorgen, dan gaat de tweeslachtigheid er helemaal uit. Die verdwijnt!'
'Is het juist dat op een bepaald moment, dat wat bij het vrouwelijke de grote schaamlippen zijn, bij het mannelijke tot het scrotum aan elkaar groeit?'
'Ja, dat lijkt me vrij duidelijk. De naad van die aan een groeiing kunnen we tot op de huidige dag nog bij de man zien,' zegt ze met nadruk. 'Die voortplantingsorganen van binnen gaan zakken en, bij een van beide seksen als eerste, ook nog uitwendig worden. En de afsluiting van de oorspronkelijke holte of zak wordt daarvoor gebruikt. Bij de vrouw worden dat dan, zoals gezegd, de grote schaamlippen en wat daar nog meer bij hoort,' vervolgt ze.
'Opent het ontstane gat zich bij de vrouw verder?' vraag ik. 'Nee, integendeel, dat sluit zich juist meer. Het is een vrij groot gat, moet je bedenken. Dat gat wordt kleiner en die schaamlippen worden eromheen geprojecteerd.'
'Kun je nog meer bijzonderheden geven? In deze dieren, is daarin al geest van buitenaf blijvend aanwezig?'
'Ja. Er is al sprake van een eerste incarnatie op het moment dat ze nog uitsluitend tweeslachtig zijn. Het is eigenlijk pas in het begin van de ontwikkeling naar twee geslachten. Bij dat "besturen" kun je nog niet van een eerste incarnatie spreken. Dat is toch nog te vrijblijvend.' 'En tijdens de tweede incarnatie, als je daarheen gaat, heeft zich dan de scheiding der geslachten al voltooid?'
'Nou, dat scheidingsproces is wel aan de gang, maar dan nog niet voltooid. Het is in het laatste stadium van de tweeslachtigheid, plus de duidelijke aanleg voor het man of vrouw zijn bij beiden. Dat wil zeggen, het is al duidelijk of je man of vrouw bent, maar de sporen van de tweeslachtigheid zijn er nog wel. Zoals ik al eerder zei, het is een vorm van man of vrouw zijn, zonder nakomelingen te kunnen krijgen, zonder reproductie mogelijkheid.'
'En in de derde incarnatie, hoe is dan de situatie op geslachtelijk gebied?'
'Dan is die wel voltooid. En nu vindt reproductie slechts op één manier plaats, namelijk door paring. Maar wat ik zojuist nog zag, daar bij de situatie van de dieren op het strand, de allereerste keer, is dat het stimuleren van die tepel, dat kliertje, ook tegen elkaar aan gebeurde. Dus de lijven tegen elkaar wrijven. Met de rug van het ene dier tegen de buik van een ander dier van die tweeslachtige. Ik bedoel, dat was ook een mogelijkheid.
45
Maar goed, bij de derde incarnatie was dat voorbij,was het af.' 'Wat kun je nog meer vertellen over dat wat je in die tussentijd gezien hebt, van deze hele evolutie?'
'Dat ik alles wel heel duidelijk zag. Maar de manier waarop ik het zag, was dat zo'n dier met de voetzolen tegen elkaar ging zitten en zijn knieën naar buiten klapte. Ik zag toen verder niets anders dan de onderbuik. Zoals ik anders dat dier in zijn geheel kon zien, zag ik nu alleen de geslachtsdelen.'
'Je schouwen was daarop duidelijk toegespitst op dat moment.'
'Maar ik denk dat het zo heel duidelijk is,' zegt ze voldaan. 'Ik zie verder niets. Ja, het is heel duidelijk!'
'Een ander punt. Is er iets van ontevredenheid over het zuiver een geestelijke entiteit zijn?'
'Ja. Dat is er ook, anders zou je de drang om in die dieren te gaan niet zo voelen, denk ik. Het is toch een lichaam willen hebben. En je ziet ook dat die dieren contact met elkaar hebben. Dat heb je zelf ook wel, maar het is duidelijk op een andere manier. Ik ben nu maar een hoeveelheid gas. Een heel eind uit elkaar. Een ijl wolkje energie met bewustzijn.' 'Op wat voor manier heb jij contact met de andere daar aanwezige entiteiten?'
'Ik denk dat die dieren een minder direct contact met elkaar hebben.' Ze geeft een ontwijkend antwoord op mijn vraag.
'Maar als je daar samen het plan beraamt om die dieren voor geestelijke bewoning aan te passen, dan besef je, zei je al eens, tegelijkertijd de consequentie daarvan, de gevolgen.' 'Jazeker, dat besef ik ook.'
'Voor de toekomst? Binnen tijd en ruimte, die je ingaat op het aardse vlak? Besef je dan ook al datje onderworpen zult worden aan de mortaliteit van het aardse lichaam, de aardse dood, het aardse lijden?' 'Ja, maar dat is op zich niet zo erg, als je dat bewustzijn maar hebt.'
Gelukkig maar dat de mortaliteit er is, want anders zaten we voor altijd aan de beperkingen van een lichaam vast, zonder ophouden en met alle gevolgen van dien. Er zou ook geen bevrijding van de ziel en geen groei daarvan mogelijk zijn. Geen herstel van de geestelijke groei, na het afglijden in het vlees in de grove materie.
Geen terugkeer naar het Licht en de Liefde. De met onze dominante vrije wil gekozen levensvorm zou ons blijven aankleven tot de vernietiging van de planeet aarde. Geen prettig vooruitzicht. Nee, de dood van het aardse lichaam is dus een tijdelijke uitwijkmogelijkheid. Om de gemaakte vergissing te overdenken en zo mogelijk te herstellen. We zouden het een genade kunnen noemen, om weerde volheid van het zuiver spirituele leven te kunnen proeven, ontdaan van het dierlijke element. De aardse dood maakt een terugkeer naar ons 'thuisland' mogelijk. Een terugkeer naar een pure, smetteloze Liefde, zoals velen die bij mij in regressie hebben
3.46
ervaren; dit is op geluidsband vastgelegd. Hoe we dat 'thuisland-verblijf', dat Gene Zijde, tussen twee levens in doormaken, komt later aan de orde.
'Besef je bij het bewustzijn van die mortaliteit ook niet het vooruitzicht, dat er geweld gebruikt gaat worden, dat er moord en doodslag komt, en daaruit nog weer andere problematische gevolgen?'
'Dat vooruitzicht heb ik niet zo. Ik denk dat ik dat niet zie,' antwoordt ze.
'Probeer dat eens in te voelen, want je hebt de Goddelijke gaven en mogelijkheden om in het NU te schouwen, het tijdloze. En alles te zien wat is en zal zijn.'
'Maar dat zijn dingen, die niet duidelijk zijn,' zegt ze.
'Hoe komt dat?' vraag ik en wacht met spanning het verdere verloop van de kwestie af.
'Omdat het gewoon een ontwikkeling is, die ik nog niet kan zien. Natuurlijk kan ik wel zien dat ik aan die dieren gebonden ben en dat ik dood zal gaan, en weer terugkeer. Maar in wezen alles wat er nu gebeurt. Die verre consequenties overzie ik niet. Of tenminste niet dat alles misgaat.'
'Waarom niet? Dat lijkt vreemd. De komende gebeurtenissen zie je toch, evenals God die ziet, mag ik veronderstellen?" 'Nee, die zie ik niet! Dus waarschijnlijk ben ik toch al te zeer aan de aarde gebonden op dat moment. Doordat ik daar in feite al aanwezig ben. Want uiteindelijk ben ik al afgescheiden en vooral ook afgesneden van die Goddelijke Geest.'
'Dus dan zie je op dat moment nog niet de verre consequentie voor het menselijk geslacht.' Het is meer een voor mezelf vaststellen dan een vraag.
'Ik denk het niet, nee...' zegt ze voorzichtig. Ze denkt het niet. 'Hoe ontstaat dat plan van aanpassing van die dieren. Is dat werkelijk een gezamenlijk plan? Is daarover contact en overleg met de andere geestelijke entiteiten?'
Ik heb die vraag al eerder gesteld, maar daarop nog geen duidelijk antwoord gekregen.
Nu zegt zij: 'Ik denk dat het een kwestie is van inzicht. Dat kan niet anders. Het is de enige mogelijkheid.'
'Hé. Hoe kom je aan dat inzicht? Wil je dat wat nader toelichten? Is dat ook een consequentie van de toestand waarin je nu verkeert?' 'Nee! Maar als je daar in die dieren wilt, dan moet je dat allemaal centraal regelen. Nou, en als je dat wilt, dan moet het wel zo gebeuren.' 'Dus toch bewust een centraal plan,' concludeer ik.
'Maar hoe kwam dat tot stand?'
'Ja, dat gebeurt door gedachteprojecties, door scheppende kracht. En met zijn allen natuurlijk! Gebundelde kracht.'
3.51
'En hoe komen jullie tot een eensluidend, gezamenlijk besluit om dat te doen, die dieren aan te passen? Gebeurt dat eendrachtig? Is bij allen dezelfde prikkel of drang aanwezig?'
'Er zullen er misschien wel een paar zijn, die het er niet mee eens zijn. Ik weet dat niet. In ieder geval de meerderheid wel, anders zou het niet lukken. Het is inderdaad een gezamenlijk project met gebundelde krachten. Als je het individueel zou doen, zouden er waarschijnlijk een heleboel verschillende "figuren" rondlopen.'
Later blijken er dan ook verscheidene bastaardvormen te zijn ontstaan. Zelfs van geestelijke entiteiten die in andere diervormen zijn gegaan. Er ontstonden later mensen met allerlei rudimenten van heel andere diersoorten. Dat is een probleem op zich geweest, dat door de Atlantiërs grotendeels is opgelost.
'En als jullie in die "eerste incarnatie" voor het eerst dat water inlopen, hoe groot is de groep dan in getal?'
'Niet zo veel. Niet honderden. Een twintigtal die erin kunnen. Ja, wat ik zo zie dan. Maar dat is de eerste golf spirituele entiteiten. Er zijn er wellicht wel meer in geweest, want er is ook gewisseld. Je kunt er dan weer uit.'
'Ja, dat weet ik nu, maar wat bedoel je met dat "gewisseld"?' 'Dat je niet alleen zo'n lichaam bezit, maar het deelt met anderen. De één eruit, de ander erin. Een heel ongebonden gemeenschap. Je kunt met een x-aantal entiteiten zijn om een twintigtal lichamen te besturen. Gewoon om de beurt. Uiteraard was dat alleen mogelijk in het allereerste begin. Als je in een latere fase sterker met zo'n lichaam bent verbonden, lukt dat wisselen niet meer.'
'Wat kun je nog meer zeggen over die volledige ontwikkeling en dat totaalplan? Is er nooit een moment van spijt geweest, eraan begonnen te zijn?'
'Nee. Tot nu toe in ieder geval niet. Dit is "het grote", waar iedere entiteit op gewacht heeft. Maar je kunt dan nog altijd ongeschonden terug, in die eerste fase.'
'En als je eruit moet, waar blijf je dan?'
'Ja, dan ben ik ergens anders. Nog wel bij de aarde, maar minder dichtbij, ergens in de ruimte.' 'Ben je daar alleen?'
'Nee, we zijn er met meer. Maar ja, wachtend, totdat je weer een keer kunt gaan. Als er weer een plaats voor je vrij is.' 'Hoe voel je daar, samen met die andere wachtende?' 'Goed. Alleen is het wel duidelijk dat je nu een bepaalde binding hebt met de aarde. En datje niet meer zomaar terug kunt. Het is meer afgescheiden dan voordat we die lichamen ingingen.'
3.48
'Heb je het gevoel dat jullie tevreden zijn met wat je bereikt hebt, daar op het aardse plan?'
'Dat valt wel mee, geloof ik. Niet zo, ja ...? Een beetje... zo van, 'Wow, daar zitten we dan". Ja, dat was het dan. En dat voelt nu een beetje onwennig. Net zoiets als wanneer je het heel druk hebt gehad en nou niks meer te doen hebt. Zoiets van,
"wat moeten we nou? “” We doen niks. Wachten tot het weer een keer verandert. Ja, er is niets meer aan te doen, dat is duidelijk. Je kunt het niet meer ongedaan maken. Ik heb toch het gevoel een deel van mijn vrijheid te hebben ingeleverd. Ja nu wel. Maar als je in een lichaam bent, niet zo.
Dus, daar komen, is heel leuk. Maar hier op de strafbank zitten, is minder leuk.' Dat laatste flapt ze er zo maar spontaan uit. 'Je zegt zo ineens, de strafbank
'Dat is natuurlijk ook in de beginfase. Maar als je eenmaal weer mag deelnemen aan het "spelletje", dan is het wel weer leuk,' zegt ze nogmaals.
'Maar er is geen jubelstemming,' constateer ik meer dan ik het vraag.
'Niet bepaald, nee!'
'Nee? Dat verbaast mij niet.'
'Een anticlimax ...' Ze lacht,wat verlegen met de situatie. 'Je lacht als een boer die kiespijn heeft.'
'Ja. Het is ook zo belachelijk.' Je zou niet zeggen dat ze in diepe trance is, maar dat is ze wel. 'Ik voel gewoon dat ik niet graag wil bekennen, dat het zo zou lopen. Ik wilde niet bekennen dat ik zo stom ben geweest. Maar nu wel.'
'Om in de val van het vlees te lopen?' 'Ja. Ik vind het gewoon knullig.'
'Dat is nog zacht uitgedrukt,' zeg ik ten slotte. Maar er is een weg terug, al is het een lange.
En daarmee eindigt een regressiesessie waarin we vinden waarnaar wc op zoek waren, wat we wilden weten, en waarin we tegelijk een bevestiging krijgen van eerdere ervaringen in de voorgaande regressies.
Het lijkt een spannend verhaal. Maar de fantasie in een verhaal is ook gebaseerd op een bewust of onderbewust weten van ware gebeurtenissen. Ook wat wij fantasie noemen heeft een oorsprong, komt niet zomaar uit het niets vallen. Ze berust op eerdere ervaring, ergens in de tijd. Zelfs de archetypen van Jung, de oerbeelden, zijn gebaseerd op werkelijkheid en hebben echt bestaan in een ver verleden. We vinden ze in de mythologie, in sagen en legenden van vele volkeren en culturen. Zo kwam mijn proefpersoon bijvoorbeeld de éénogige cycloop uit de Griekse mythologie tegen in een experimentele regressie naar het verdronken land van Lemuria, waar al verschillende van mijn regressanten
3.49
ervaringen hebben liggen. De cycloop kwam, bijna zwart gekleurd en twaalf voet lang, ineens uit een oerbos gelopen. Ze schrok werkelijk enorm, toen ze zo plotseling met hem geconfronteerd werd. Fantasie, in de betekenis die men er in het algemeen aan geeft, bestaat voor mij niet. Zij komt niet zomaar, als een opwelling uit een leegte in de geest, beeldend naar boven.
3.50
4
Evolutie of involutie in de vijfde, zesde en zevende incarnatie op aarde
Macht, traumatische dood, karma/lotsbestemming. Tussen twee levens. Een eerste glimp van het Goddelijke Licht na de val in het vlees. Grotbewoners. Holemensen.
Alle voorbereidingen voor de regressie zijn voltooid, alle instructies gegeven. Mijn regressante/proefpersoon zit weer in diepe trance verzonken in de stoel. Het komt heel vaak voor dat mensen mij vragen: 'Ben ik wel in trance?' Meestal gebeurt dit tijdens de regressie, soms ook daarna. De trance - staat is een zuiver geestelijke toestand van verruimd bewustzijn en wordt als zodanig niet in het lichaam gevoeld. In het kort gezegd, de trance brengt geen verandering in de lichamelijke gesteldheid, maar lijkt dus veel op de toestand in het waakbewustzijn. Soms wordt alleen een zekere mate van loomheid gevoeld. Het
waarnemingsvermogen van de geest daarentegen wordt heel sterk verscherpt en verruimd, en dit schept de mogelijkheid om de gebieden van het fijn stoffelijke, de geestelijke wereld, te verkennen. Dit gaat onbelemmerd zolang de regressant of progressant niet door angsten, blokkades en verzet in het onderbewustzijn wordt tegengehouden, dat wil zeggen de confrontatie met komende ervaringen niet aandurft. Ook wat dit betreft is de autonomie van het onderbewustzijn zeer sterk; het is bijna een tweede, onafhankelijke persoonlijkheid. Dat heb ik in de loop van mijn vele praktijkjaren duidelijk kunnen vaststellen.
Iedereen kan in trance gaan, hoewel men een hoge of een lage trancedrempel kan hebben. Slechts een heel klein percentage blokkeert volledig tijdens de tranceinductie. Anderen gaan goed in trance, maar blokkeren bij het begin van de regressie. Naderhand zeggen sommigen dan: 'Ik ben toch hierheen gekomen met de duidelijke wil om terug te gaan naar een vorig leven, waarom lukt het dan niet?'
Ik antwoord daarop: 'Je wilt rationeel wel, maar emotioneel kun je niet, houd je jezelf tegen of word je tegengehouden.'
Enkele mensen die voor het eerst bij mij komen om in trance en regressie te gaan, hebben een onbewuste angst voor het onbekende. Dat is totaal niet nodig. Is men eenmaal goed door de eerste regressie heen, dan staat de deur voor verdere ervaringen wijd open. Dan is die angst voor het onbekende meestal verdwenen en de weg gebaand.
4.51
Iemand kan in een heel diepe trance zijn en toch denken dat hij of zij nog in het waakbewustzijn is, met de ogen gesloten. Pas als hij of zij uit de trance gehaald wordt en de ogen weer moeten openen, volgt de ontdekking hoe ver en hoe diep hij of zij werkelijk in een veranderde -eigenlijk verruimde - bewustzijnstoestand was. Dit geldt gelukkig lang niet voor alle personen. Zeker niet voor mijn proefpersoon, die heel diep en vast, volkomen ontspannen in trance is, maar een enorme helderheid van geest demonstreert.
Maandag, 15 maart 1982
We gaan in deze volgende regressie haar vijfde, zesde en zevende incarnatie op aarde onderzoeken. We volgen haar verder op haar aardse reis, waarbij zeker de vraag zal rijzen of de ontwikkelingen in die opvolgende levens een evolutie, een vooruitgang, of een involutie, een teruggang, veroorzaken, met alle daaruit voortvloeiende gevolgen, de wet van oorzaak en gevolg in aanmerking genomen. Vol verwachting gaan we verder en ik vraag haar: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Wat ervaar je?' 'Ik zie hoog gras en wat bomen,' antwoordt ze kalm. 'Het is heel warm daar. Ik ben ongeveer op gelijke hoogte met de toppen van die bomen. En ik zie een heleboel "apen" gaan. Nou ja, apen ... het zijn toch al meer mensen, behaarde mensen. Ze zijn niet precies zoals apen, dat wil zeggen ze hebben niet van diezelfde lange armen. Ze lopen vrij rechtop het bos in. Maar ze zitten nog wel in bomen. En ik zie daar een heel grote "aap". Ik denk dat het "vader" is. Ja, toch wel meer mens, nou. Die zit daar op zijn gemak in een boom op een tak. Echt zo met twee benen aan één kant. Hij houdt zich met zijn handen vast aan de tak daarboven. Ik zwerf daar nog rond, in de geest. Maar ik zie daar nu zo'n "moederaapmens". Die zit ook in diezelfde boom. Ze zit daar een kind te krijgen. En dat ben ikzelf.
Ik zie dat de vader onder haar zit, om op die manier het kind op te vangen, uit veiligheidsoverwegingen. Het is toch wel de bedoeling dat die baby valt, maar niet op de grond natuurlijk. Hoe bestaat het. De moeder zit erboven. Ze zit op haar hurken in de boom.' 'En wat ervaar jij daarbij?'
'Niks. Ik ben bezig dat te bekijken. Nog buiten het lichaam.'
Later zal dat evolueren tot de aanwezigheid van de geest vóór de conceptie en het in bezit nemen van de bevruchte eicel, het embryo. De geestelijke entiteit die vanuit Gene Zijde komt, van een verblijf tussen twee levens, is niet meer dan een stip met een lichtje eromheen, die zich moeiteloos in het embryo kan vestigen. Een Ik- bewustzijn dat kan expanderen tot elke onvolwassen of volwassen vorm. En dat er ook nu nog in en uit kan om alles rond de
4.52
moeder van buiten het lichaam waar te nemen.
'Ik zie dat die moeder niet zo donker is. Die is lichter en ook minder behaard,' zegt mijn regressante.
Dan is waarschijnlijk al te zien dat het vrouwenlichaam eerder glad en bijna onbehaard zal worden dan het lichaam van de man, dat tot op de huidige dag soms dierlijk, zwaar behaard is gebleven.
Terwijl bijna overal in de natuur het mannetje opvallender, mooier en aantrekkelijker is dan het vrouwtje, is dat bij het menselijke ras precies andersom. Het kan zijn dat de basis van dit fenomeen al in deze vroege tijden ligt. Het attractieve van het vrouwenlichaam werd een 'must'. Trouwens, door alle eeuwen heen hebben kunstenaars zich meester gemaakt van de schoonheid van het vrouwelijk naakt. De man is er steeds weer door in opwinding en vervoering geraakt en dat was en is wellicht niet zonder bedoeling in relatie tot de vermenigvuldiging van de soort.
'Nou, en dan, ... ach gut, wat leuk,' zegt ze, 'zo'n klein ding komt eruit, en de vader houdt het vast. Schitterend!
Nou likt de moeder de baby helemaal schoon. Ik voel het lichaam, of liever gezegd, ik voel de moeder, dat zij het babylichaam schoonmaakt. Jaaah? Ik kan het zien, maar ik weet niet of mijn ogen open zijn. Ik ben me wel bewust dat ik gezoogd word. Het gevoel niet, maar wel dat het gebeurt. Ik ben er toch nog niet helemaal in. Wel al voor een groot gedeelte. En ik heb een geluksgevoel over me. Het voelt veilig. En ten slotte ga ik helemaal in dat kinderlichaam. Ja! Ik ben erin!' roept ze triomfantelijk uit.
We slaan een hele episode over en gaan iets verder vooruit in de tijd. 'Hoe voel je je nu?' vraag ik.
'Gewoon. Goed. Ik ben nu al weer wat ouder. Ik ben een jongen, maar nog een kind van ... ik weet het niet ... onder de tien. De gemeenschap of stam waartoe ik behoor, is redelijk groot. Het zijn er toch zeker wel honderd. De vrouwen zijn royaal in de meerderheid Maar het is niet zo dat er driekwart vrouwen zijn en een kwart mannen. En ik vermaak mij wel in de bomen. Ik klim erin en ik speel een beetje, en we vechten en ... maar de meesten zijn nog bij de moeder. Ja, die vader die ik daar zag, ik weet niet wie dat was. Die is niet zo gehecht aan de moeder. De band is vrij los. Of misschien is hij wel gehecht aan de moeder, maar niet aan mij.' Ze zucht eens. 'Hoe gaatje leven dan verder daar?'
'Je moet leren eten te vinden. Dat is eigenlijk het belangrijkste, als je een jongen bent. Het meest vruchten en knoppen van de bomen.
Ja, en je leert ook vechten om sterk te worden. Je leert vechten met je
4.53
eigen lichaam. Er zijn helemaal geen wapens. Verder is alles zo'n beetje geoorloofd. Vechten met je tanden, bijten dus, en met handen, armen en benen. In het begin is het vechten een spel. Maar indringers worden afgehouden, en ook mannen onder elkaar vechten. Er wordt om de vrouwtjes gevochten. Ja, dat is eigenlijk wel het voornaamste. Mannen onderling, uit rivaliteit. Nou, en dat moetje goed leren.'
'Je had het over indringers. Is er al een bepaald territorium afgebakend?'
'Ja, in zoverre, alleen om de gemeenschap heen. Het is niet een vast gebied. Nee, dat verandert steeds. Ik noem maar wat, bijvoorbeeld een kilometer om de kudde moetje niet komen. Dan word je verdreven.' 'En als je dan wat ouder wordt, hoe gaat het dan met je?' 'Ik heb iets aan mijn voet, of aan mijn hand, aan de linkerhand. Daar voel ik een brandende pijn. Dat is pas gebeurd, met vechten. Het voelt nogal... alsof het iets blijvends is...' 'Dat moet toch een keer genezen.'
'Ja, maar er mist iets. Uuh! Het is een heel raar gevoel, in het midden van mijn hand. Je hebt wel vingers, maar er zitten lange vliezen tussen. Het zijn geen zwemvliezen en de vingers zijn kort. Het zijn ook spieren. En daartussen is iets gescheurd.' 'Waarom heb je gevochten?'
'Ik ben bijna een volwassen man, maar nog niet echt. Ik denk dat het onbezonnenheid is geweest. Meer dat ik een oudere, te sterke man heb uitgedaagd. Misschien is het toch wel om een vrouwtje geweest. Maar die man was sterker dan ik. Ik dacht dat red ik wel. Maar dat redde ik dus niet. Ik ben stevig gebeten. Het ziet er eng uit.'
'Het ging er dus flink hardhandig aan toe, bij tijd en wijle,' constateer ik.
'Ja, maar ze hadden me wel gewaarschuwd dat ik daar niet om moest vechten, omdat die man veel sterker was. Maar ik was eigenwijs.' 'Hoe is het nu met het telepathisch contact? Het met elkaar van gedachten wisselen, zonder ook maar enig geluid uit te stoten.' 'Nou, niet overdag, maar ik heb het gevoel dat ik meer bewustzijn heb buiten mijn lichaam. Je hebt daar 's nachts een bezinningstijd, als je slaapt. Dan kom je tot stilstand en je gaat uit je lichaam. Dan heb je een meer algehele communicatie onderling, door telepathie. Maar ja, zo gauw je na de slaap weer in die aapmens zit, dan weetje niet beter. Dan word je weer tot dat lage dierlijke bewustzijn beperkt.'
Wij laden ons nu nog steeds 's nachts op tijdens de slaap, waarin onze geest iets uit ons lichaam gaat, al is het maar een duizendste millimeter. Dat is mijn vaste overtuiging. Gebeurt dat niet, om welke reden dan ook, dan voelen we ons de volgende dag moe en niet fit. Ook nu nog kan er, tijdens die minimale uittreding in de slaap, contact zijn met een andere geest, op een ander
4.54
niveau. Bijvoorbeeld met onze complementaire tweelingziel. Meestal gebeurt dit onbewust. Er is wel een zekere wederzijdse beïnvloeding, die zowel positief als negatief kan zijn. Elke man heeft een vrouwelijk complement op deze aarde en elke vrouw een mannelijke helft van de ziel. Die oorspronkelijke androgyne ziel, nu het Hoger Zelf werd gesplitst bij de scheiding der geslachten in de begintijd van de mens. Biede ziele delen zijn dus in wezen één. Ik heb dat met een vrouwelijke proefpersoon onderzocht en kwam tot een verrassend en bevestigend resultaat. Zij vond haar mannelijke zielehelft in Duitsland en voelde zich onmiddellijk één met zijn lichaam en geest, voelde zich er helemaal in thuis. Ze wist alles van zijn gevoelsleven en materiële omstandigheden. Ze wist zelfs zijn naam en leeftijd.
'Hoe is je integratie in dat dierlijke lichaam?' ga ik verder. 'En hoe gaat het samen met wat daar van nature in aanwezig is aan instinct, driftleven en een zekere intuïtie?'
'Ik denk dat het spirituele steeds ondergeschikter is geworden aan die instincten. Maar ... dat het wel beter zou zijn als het geestelijke overheerste over het dierlijke.'
'Je weet nog datje erin ging, in die eerste incarnatie. Toen kon je het dier besturen. Hoe is dat nu?'
'Dat is niet meer zo. Het bewustzijn is een stuk minder geworden. Het is nog maar zo weinig. Het is voornamelijk instinct.' 'Frustreert je dat? Geeft het je een gevoel van beperking?' 'Nee. Niet zo. Want als ik in het dier ben dan weet ik niet beter. En als ik er buiten ben, kom ik niet ver van de aarde vandaan, dan ben ik heel dicht in de buurt van de kudde. Je blijft in dat groepje. Je komt niet weg. Maar ik zie dat op het moment niet als een beperking. Ook niet dat niet weten dat het andere er is, dat er nog meer is.'
'Kun je je nog herinneren dat je tijdens die vorige, allereerste incarnaties moest wachten, totdatje weer samen kon reïncarneren met de groep waarmee je de eerste incarnatie had beleefd? En dat het daarom ook zo lang duurde, voordat je kon reïncarneren. Ben je nog steeds met diezelfde groep entiteiten samen op aarde?'
'Ik voel dat het wel zo is, maar niet bewust. Ik denk dat er een reden voor is, dat het zo moet. En ik denk dat er al karmische, lotsbestemmen-de onderlinge banden zijn ontstaan, waaraan niet meer te ontkomen valt. Dit is al het begin van de groepsreïncarnatie. Met het gevolg dat we elkaar in leven na leven blijven tegenkomen. Tot op de huidige dag. Dat is ook logisch.'
'Heb je ook nu, in je vijfde incarnatie, karmisch iets met elkaar van doen?'
'Ja, dat is zeker! Dat moet ook wel.'
'Hoe gaat dat stamleven dan verder? Je bent weer groter geworden. Hoe verloopt dan het leven van alledag?'
4.59
'Nou, je slaapt nog wel in de bomen. En ja, je zoekt eten en je vecht, en je bezit ook een vrouwtje. Zelfs meer dan één ...'
En zo zien we dat het polygame ons van origine in het bloed zit. Met het monogame hebben we het heel vaak moeilijk. Dat toont onze huidige samenleving duidelijk aan. De drang naar het (heimelijk) polygame is er nog steeds. Al het overige is een gebondenheid aan bepaalde cultuurpatronen. Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan. Dat is de realiteit van alledag.
'En hoe geschiedt de paringsdaad? De wijze waarop je gemeenschap hebt?'
'Hetzelfde als nu. Je verovert een vrouwtje, en dat gaat "klaar zitten", dat biedt zich aan. Nou, en dan spring je er bovenop.' 'Ga eens naar zo'n moment datje dat zelf beleeft.' 'Ja, ik voel wel een soort begeerte, seksuele opwinding. Gewoon bevrediging willen krijgen. En die krijg ik ook wel. Maar er komt nog wat meer bij. Een gevoel van ... iets meer dan alleen maar het dierlijke. Het is nog maar weinig. Toch is het er wel. Er zit een geestelijk element achter. Het is wel zo dat die bevrediging op dat moment het belangrijkste is, die overheerst. Maar dat geestelijke element speelt toch ook een rol. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Ik denk dat het vrouwtje vaak heel angstig is voor de paringsdaad. Tijdens de paringsdaad, dat zal wel, maar dat weet ik niet. Er is een gevoel aanwezig dat er iets mist. Het moet eigenlijk niet zo. Maar het is gewoon niet de mogelijkheid hebben om het anders te doen. Ik denk het liefdegevoel, maar dat klinkt bij het dierlijke wat vreemd. Tederheid is er niet. Het zijn toch echt nog dieren, in de omgang met elkaar. En je bent in een overgangsfase.
De tederheid mis je echt, omdat je de mogelijkheid niet kent om die in dat liefdesspel te betrekken. Dus die paringsdaad is een gebeurtenis van korte duur. Maar ik geloof dat iedereen er zich wel van bewust is dat die tederheid mist. En dat het onderling ook wel begrepen wordt. Het vrouwtje neemt het mannetje niet kwalijk, dat hij haar neemt, al is ze soms ook wel bang, door de ruwe wijze waarop hij het doet. Er is toch een soort algemeen weten dat er iets aan ontbreekt. Maar niemand weet goed wat ze er mee aan moeten.
Na de paring is het wel zo dat je, om dat toch een beetje te beleven, een korte tijd bij elkaar blijft. Dan blijf je bijvoorbeeld een nacht. Je loopt in ieder geval niet direct weg.
Is er streling?' vraagt ze zichzelf af. 'In zoverre, je gaat dicht tegen elkaar aan zitten, maar dat aaien gebeurt niet zo heel bewust.' 'Kom je tijdens de paring wel tot een orgasme? En ervaar je dat ook zo?'
'Ja, nou,' zegt mijn vrouwelijke proefpersoon, die in dat leven een man
4.60
is, gedecideerd.
'Is dat iets veranderd, als je het vergelijkt met zoals het nu is?' 'Het enige verschil is, dat het daar meer dierlijk is. Zoals ik al zei, er ontbreekt dat geestelijk beleven aan, het gevoel van liefde. Het kan niet tegelijkertijd, het geestelijke en het dierlijk lichamelijke.'
Daar hebben we het eeuwige innerlijke conflict in de mens, die gespletenheid. Het
'een lopende discrepantie' zijn. Een situatie die, ook tegenwoordig nog, steeds onnodig schuldgevoelens opwekt. Een 'oerschuld', die frictie tussen lichaam en geest. De mens heeft behoefte aan een gezond evenwicht tussen die twee. Nog een lange tijd althans, totdat de spiritualiteit het duidelijk en zonder problemen te veroorzaken, gaat winnen en steeds sterker wordt en blijft, als een harmonie in onze ziele - eenheid.
'Ik denk dat het geestelijke element achteraf komt,' zegt ze, bij wijze van troost. 'Ik heb gewoon de indruk dat de geest nog te ondergeschikt is aan het lichaam. En dat, na de geslachtsdaad, als je dan 's avonds of 's nachts bij elkaar ligt, de geest tijd heeft om het "goed te maken", zo voel ik het. Dat uit zich dan in het dicht tegen elkaar aan gaan liggen, als een vorm van primitieve tederheid. Een magere poging om dat geestelijke element er alsnog in te leggen.'
'De zwangerschap, is die seizoengebonden, is dat ééns per jaar, of is het zo dat een vrouwtje elk moment zwanger kan raken?'
'Nee. Ik zie nou iets van eens per jaar, maar misschien is het wel twee keer. Dat weet ik niet zeker. Eén keer komt op me af, maar het is in ieder geval niet constant. Het gebeurt als het mooi weer is, lente, zomer. Toen ben ik ook geboren, in die boom.'
'Is er al zoiets als de menstruatie bij de vrouw?'
'Nee, die is er niet, maar wel een vruchtbaarheidsperiode. Als man weet je wanneer een vrouwtje het vruchtbaarst is. Dat merk je aan de geur. Ze heeft dan voornamelijk wat afscheiding, en die veroorzaakt die geur.' 'En jij bent nu een volwassen man geworden.'
'Ja. En ik ben sterk behaard, in het bijzonder op de rug. Maar het is al minder dan daarvoor. En zelfs een stuk minder dan in de eerste en tweede incarnatie. Er ligt tussen die incarnaties een heel lange periode. Vooral tussen de vierde en de vijfde. In de incarnatie daarvoor, in de derde, was ik echt nog een "aap". Maar nu begin ik al meer menselijk te worden. Het is moeilijk voor mij die periodes in tijd uit te drukken, maar tussen die vierde en vijfde incarnatie liggen misschien wel tienduizenden jaren.
Ik ben nu ook vrij dominant, mag ik wel zeggen. Maar ik ben niet de leider van de kudde. Ik ben wel goed gehavend, want ik heb regelmatig geprobeerd om dat te worden. Ja, aan mijn rechterhand. En dan begint het ook hier zo te branden.' Ze wijst met haar linkerhand de plek aan,
4.61
vlak bij haar pols. 'Ja, en dat komt door het knokken om de vrouwtjes. En om de macht natuurlijk. Hoe groter de macht, des te meer vrouwtjes en hoe meer keus. Ik ben toch wel een eind omhoog gekomen, maar ik ben nog steeds niet die grootste.'
'Daar heb je nog altijd respect voor. Ga je die uit de weg?' 'Nee! Nee, nee!' roept ze verontwaardigd. 'Is er dan een zekere mate van vriendschap?'
'Nou, vriendschap is een beetje te veel gezegd. Ik hou hem goed in de gaten, zodat ik hem nog eens een keer kan laten vallen, maar ...' ze stopt even en zegt dan bedachtzaam'... beentje lichten. Nou weet ik wel dat hij te sterk voor mij is, dus het zou dan een list moeten zijn waarmee ik hem zou kunnen verslaan. Maar hij is ook slim. En ik ben bijna even slim. Dus dat is mijn enige kans nog.' 'Hoe ver breng je het ten slotte?' vraag ik nieuwsgierig. 'Nou, ik haal het niet. Ik haal dat leiderschap over de kudde niet!' 'Als je nu eens naar de hoogste toppen van de bomen gaat, en je ook tracht te herinneren waar jullie allemaal doorheen getrokken zijn, wil je me dan een beschrijving geven van het landschap?' 'Bos, kaal, droog!' antwoordt ze onmiddellijk. 'En grote vlakten met verdord gras. Wel hoog gras met van die pluimen, een soort pampagras. En daaromheen bomen, bossen. Het is een heel warm land. Veel zon, met veel schaduw onder de bomen. Maar het is geen oerwoud. Er is weinig water in de buurt. Ergens tussen de bomen zijn bronnetjes en beekjes. Maar toch is er weinig water. Het is echt een droog, dor land.'
Haar beschrijving doet me aan Oost-Afrika denken, waarheen de antropoloog Louis Leakey expedities leidde. Hij vond daar schedels van mensapen en overblijfselen van prehistorische mensenrassen. Een dor en droog land.
'Wordt er ergens ook nog in holen gewoond?'
'Nee, gewoon in de bomen. En het meest opmerkelijke van mijn bestaan in die incarnatie is, dat ik me best lekker voel. Ik voel me niet opgesloten, en ik geniet wel van dat primitieve leven. Tenminste, achteraf zie je dan van die vechtpartijen om vrouwtjes te winnen (en weer karma op te lopen). Dat spel met de vrouwtjes is ook wel aantrekkelijk en dat niet alleen. Ook wel macht bezitten. De zaken die ik daarnet al opnoemde. En het zoeken naar voedsel en water natuurlijk. Dat zijn zaken die heel belangrijk zijn.'
'En hoe oud word je ten slotte in die incarnatie, zo ongeveer?' 'Ik sterf van ouderdom. Gewoon op, versleten,' zegt ze vrij emotieloos. 'Nee, er is niks verschrikkelijks gebeurd. Het was een prima leven. En helemaal niet saai. Nee hoor!
Ik denk dat ik zo nogal dierlijk geworden ben. En op het moment dat ik voel dat ik ga sterven, zonder ik me af van de kudde en ik zoek een lekker plekje op. Dat is deze keer niet in, maar
4.58
onder een boom. Nou, dan ga ik liggen en word ik niet meer wakker. Het lichaam is aan het sterven, en dan kun je er gemakkelijk uit. Je maakt het aardse, lichamelijke sterven niet helemaal mee. Het is wel heel duidelijk dat het een aflopende zaak is. Je bent helemaal aan het einde. Het is niet een kwestie van weer wakker worden, dat weet je heel goed. Het is een onomkeerbaar proces.'
'Kun je bij benadering zeggen hoeveel jaren oud je bent geworden, in aardse tijd gemeten, of is dat ook nu weer moeilijk te bepalen?'
'Ik denk heel oud. Ongeveer dertig jaar. En dat is al heel oud. En ik ben er nu uit. Weg uit dat lichaam, en ik weet dat het voorgoed is. Ik hang nog een korte tijd rond de kudde. Dan ga ik weg van de aarde en kom ik op een geestelijk niveau. En dan vraag ik me af: 'Waar ben ik in Godsnaam mee bezig?' Dan denk ik, nou, nou, en dat vond ik nog leuk ook. Ja, zo van, dat is niet best. Maar ik kom niet zo hoog. Ik ben flink ver afgedwaald.
Jaah, en dan denk ik, toch moet ik weer terug. Dat vind ik wel leuk, om weer terug te gaan. Want ik kan het eigenlijk moeilijk verdragen, waar ik nu ben. Ik wil toch weer een lichaam bezitten, want je voelt heel sterk je eigen ongenoegen. En dat voel je niet als je weer in een lichaam bent.' 'Maar de wijze waarop je nu existeert, wat houdt die in?' 'Ik ben gewoon, geen lichaam, niks. Het Licht is onzichtbaar. Je weet dat het er is, maar je kunt het niet zien of voelen. En dat is heel teleurstellend. Dan denk je bij jezelf, nou, daar beneden vond ik het zo leuk, dus moet ik maar weer gauw teruggaan. Maar je moet weer een lange periode wachten, maar tijd is er niet.'
'Onderga je dat echt als een wachtperiode, een duur?' 'Ja, dat toch wel. Het is toch een vorm van bezinning, waar ik me erg tegen verzet. Dat wil ik niet, maar ik denk gewoon, het moet.' 'Wordje daartoe dan gedwongen?'
'Die bezinning? Jazeker, daar word je toe gedwongen. Of liever gezegd, je kunt er niet onderuit. Je voelt dat er een heleboel is, waar je eigenlijk heen moet. En het is heel frustrerend datje er niet bent. Datje hierboven moet wachten, terwijl je weet dat het makkelijker is om naar het vlees te gaan dan naar het Licht. Naar hetzelfde Licht waar je vandaan komt. Die zilveren zee van Geest, die oceaan van Goddelijke Liefde. Maar niemand is er boos. Dat is juist het moeilijke. Als daar nou iemand kwaad werd, dan was het niet zo erg. Maar het is gewoon zo van "ja, kom maar". Maar je moet er wat voor doen, en dat is zo verschrikkelijk veel.' Ze komt niet verder.
'Moet ja daar nog iets doen in de zin van spirituele oefening of lering?' vraag ik.
'Nee. Nou in zoverre die oefening, dat je donders goed in de gaten hebt, dat je op de foute weg zit. En dat je moet zorgen dat je weer in het Licht komt. Terug naar je oorsprong. Voor eeuwig opgenomen in het Licht.'
4.59
'Dus het was duidelijk niet de bedoeling om op aarde in het vlees te gaan,'
concludeer ik nog eens voorzichtig. 'Jawel. Ooit. Bij de eerste incarnatie,' zegt ze.
'Was dat werkelijk de bedoeling? Was dat dan de volvoering van een Goddelijk plan?'
'Het was tegen een bepaald plan ingaan.' Ze zwakt haar eerste antwoord nu toch wat af.
'Maar,' zeg ik, een beetje in de war gebracht, 'het was toch eigenlijk niet de bedoeling, datje in zo'n dierlijk lichaam ging, als spirituele entiteit.' 'Nee! Het was ook geen ramp. Ik weet het niet. Nee, het is niet de bedoeling,' zegt ze nu. 'Het is wel een teleurstelling dat ik het gedaan heb.' 'Maar heb je dan niet het evolutieplan van de aarde, die echt een zuiver stoffelijke, dierlijke bevolking heeft, doorkruist door die dieren aan te passen?'
'We hebben het duidelijk beïnvloed, ja.'
'En was dat tegen het oorspronkelijke plan ...?'
'Ja, tegen vind ik zo'n groot woord. Het was niet echt tegen ...'
'Maar was het dan overeenkomstig de opdracht, toen je afgesplitst werd van die zilveren zee van Geest, dat Licht?'
'Toen had ik geen opdracht, ben ik gewoon gegaan,' zegt ze schouderophalend.
'Toen was ik vrij om te gaan waarheen ik wilde. Ja. Nou, en dat houdt dus ook in, dat ik vrij was om dat te doen op aarde. Met een onafhankelijke dominante vrije wil. Dus kan ik niet zeggen dat ik tegen een plan ben ingegaan.'
'Was dat een positieve of een negatieve actie?'
'Nou, op zich kan dat best positief zijn. Het is wat fout uitgepakt, maar dat hoefde natuurlijk niet.' Ze heeft daarin wel gelijk, maar het lijkt me nu toch dat we om de kern van de zaak heen draaien. 'Wat is dat "foute uitpakken" dan?'
'Dat ik zo helemaal in de materie ben weggezakt. En dat het bewustzijnsniveau zo is verlaagd, dat je nog alleen maar dierlijk kan zijn. En geen weet meer hebt waar je vandaan komt. Het gevoel misschien nog, heel diep weg.'
'En waar je nu bent, aan Gene Zijde, zo zal ik het alvast maar noemen, wachtend op je zesde incarnatie, wachtend om te reïncarneren, is dat geen prettiger situatie, geen prettiger ondervinding dan in het vlees?' 'Nee. Niet! Het is prettiger om in het vlees te zijn. Dat heb ik al eerder gezegd. Daar weet je tenminste niet. Ik verlang werkelijk heel erg weer naar een volgende incarnatie. Ja, om niet geconfronteerd te worden met mezelf.'
Met je Zelf! Later, verder vooruit in de aardse tijd, zal dat precies andersom zijn geworden.
4.60
i 'Is dat zo'n pijnlijke ervaring?'
'Ja, nogal. Een frustrerende ervaring. Je kunt het alleen jezelf kwalijk nemen, want je hebt het alleen jezelf aangedaan. Dus je hebt niemand anders om op te schelden dan alleen jezelf. En dat is ook niet zoveel. Maar er is ook niemand die je een verwijt maakt dat je iets niet goed gedaan hebt.'
Wat je zaait, zul je oogsten, denk ik op dat moment. 'Je kunt niet zeggen: "God, waarom toch?" Je kunt geen verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij Hem deponeren.'
'Nee hoor, helemaal niet,' zegt ze, ogenschijnlijk blijmoedig. 'Het is zo van, nou ja, als je terug wilt komen, dan moetje het zelf doen. Maar je weet het. Dat had je van tevoren ook kunnen bedenken. Het is gewoon een wet, een kosmische wet. Ik bedoel, als je een trap afloopt, en je wilt weer omhoog, dan moetje hem opklimmen. Daar kom je niet "zomaar" weer op. Dat is hetzelfde. Je bent er zelf afgegaan, en dan kun je moeilijk van iemand verlangen dat die jou er weer optilt.' 'Het gebeurt toch wel eens,' zeg ik zacht.
'Ja, maar nu nog niet.' Ze schiet in de lach, tegen wil en dank. 'Het is alleen naar beneden zo'n eind. Nee, nee! Het is mijn eigen schuld. Daar ben ik me heel goed van bewust. Ik ben in de val gelopen. Ik, ja, ik ben ... ja?' Ze weet er niet zo gauw raad mee. 'Een moeilijke zaak misschien, maar toch is hij duidelijk,' zeg ik. 'Jawel, maar het is een nuance - kwestie,' zegt ze nadenkend. 'Ik ben natuurlijk in de val gelopen, maar er zit nog iets meer achter. Datje het heel bewust gedaan hebt. We wisten donders goed wat er zou kunnen gebeuren. Wat de consequenties waren. Het was een vorm van over moedigheid. Maar al die tijd heb ik het geweten. Ik bedoel, al die tijd kon ik nog terug. Tot op het moment zelfs dat ik in een lichaam ging. En toen ik het dier nog als zo'n "autootje" bestuurde, kon ik nog makkelijk terug. Had je nog niks ...' Ze hapert even. 'Jawel, had je toch eigenlijk al teveel gedaan,' realiseert ze zich nu. 'In ieder geval, we zitten vast. We moeten heen of terug.' 'Toch besef je nog wel degelijk de eeuwigheids situatie van jezelf, denk ik.'
'Ja, natuurlijk. Dat besef je nu wel, maar niet als je weer in het vlees zit,' zegt ze nogmaals.
'Het probleem is dus, dat je de verbinding met het Licht hebt afgesneden. De verbinding met daar waar je vandaan bent gekomen, dus waartoe je behoort,' merk ik op.
'Ja, maar je weet heel goed dat het er is,' zegt ze weer. 'Je kunt jezelf niet wijsmaken, dat het niet bestaat, aan deze kant, in het onstoffelijke.' 'En is er een groot verlangen daarnaar, diep in je?' 'Jaah, in zoverre, diep in mij wel, maar het is meer een gevoel van, ik kom er toch nooit, dus laat ik maar terug naar het vlees gaan, dat is makkelijker
4.61
dan naar het Licht. Ja, dat gevoel is er wel, van "Ik kom er toch nooit." Maar we komen wel weer voorgoed terug in het Licht. Al zal het veel tijd en moeite kosten. Een lange weg om nog te gaan. En de keuze is aan ons.
'Ik kom er toch nooit,' zegt ze nog eens wanhopig. 'Het is zo'n gigantische weg. Het zo'n eind weg. Dat is werkelijk ongelooflijk. En het gevoel van het weten dat is erger dan het niet weten.'
'En dan komt het moment dat je weer teruggaat naar de aarde. Dat je gaat reïncarneren naar je zesde incarnatie!
DE ZESDE INCARNATIE. DE GROTBEWONERS, HOLEMENSEN
'Je gaat nu naar je zesde incarnatie.' (Nadere instructies zijn gegeven.) 'Nou wonen we in holen,' is het eerste wat ze zegt. 'Hoe ben je daar gekomen?'
'Tja,' zegt ze lachend, 'daar zoef ik even op af. Ik zat dicht in de buurt en ik had het al zo bekeken. Ik denk, daar moet ik heen. En het is weer met hetzelfde groepje, maar het is wel kleiner geworden. Alleen diegenen waarmee een lotsverbondenheid bestaat. Een beginkarma, opgelopen in de voorgaande incarnaties. Het is een kleinere gemeenschap. Maar ik ben in een grot, in een hol van steen, van harde rots. En ik ben in die grot geboren. Maar bij de geboorte was ik weer niet in die baby. Pas toen IK, dat wil zeggen mijn lichaam, al geboren was, ben ik erin gegaan. En die ouders zijn nu toch al wel wat meer mens geworden. Ze lopen wel naakt en ze zijn ook nog wel behaard. Maar het is niet zo lang en niet zoveel meer. En het onderscheid tussen man en vrouw is iets sterker geworden. Een vrouw is iets kleiner, maar toch ook nog behaard. Alleen het gezicht niet. Minder die grote, vooruitstekende kinnen van die ape koppen. Van die "domme" koppen, wou ik bijna zeggen.
Dat is een stuk evolutie, het leven in die grotten in plaats van in de bomen. Daar is toch iets gebeurd, gedurende al die jaren dat ik niet aan de beurt was om te reïncarneren. Ja, dat is een evolutie van het animale. Maar ook het geestelijke niveau is, volgens mij, wat hoger. Ik kan weer niet zeggen dat het bijzonder hoog is, maar eerst was er praktisch niets. Nou kan ik al zeggen dat het er is, meer niet. En man en vrouw zijn al meer aan elkaar gebonden.
Ik ben in deze incarnatie weer een man. En ik geloof wel dat ik dominant wil zijn. Het is daar heel mooi weer. Die rots is in een gebergte. Krijtrotsen zijn het. Ze zijn niet zo ruw en gruwelijk als die andere. Van binnen zijn ze donker en koel.
4.62
Ja, en er is een wapen! Om iets of iemand neer te slaan. Een soort knuppel met aan het uiteinde een steen eraan vastgebonden. Een stuk rots, iets aangescherpt, maar het is geen bijl. Het is een botte, grote steen aan een stok. Je kunt er iemand mee op zijn kop timmeren en je kunt hem ook wegslingeren. Daar moetje een zekere behendigheid in weten te krijgen. Dat kun je leren. Maar die mannen daar, die zijn sterk. De dierlijke kracht zit er nog in. Ik geloof trouwens dat ze er ook wel eens beesten mee doodslaan, andere dieren. Om als voedsel te dienen, want er wordt nu vlees gegeten.
Ik dacht eerst van niet, maar toen ik die knuppel zo zag zwiepen, toen ging die niet naar een ander mens, maar naar een beest. Die worden rauw gegeten, huuh! Een bloederige massa, met ingewanden en al, ja!' Ze rilt vol afschuw. 'Gatderrie, ja. Maar het schijnt toch wel te smaken. Het zijn niet zulke grote dieren, zie ik. En met die knots wordt trefzeker gegooid.
Ik ben zo'n bonk van een kerel die daar staat te zwaaien met een knots. Het is een gemeenschap in grotten, waarvan er een heleboel bij elkaar in de omgeving liggen. En daar woon je in met toch wel één vaste vrouw. Die vrouw is dan wel vast, maar de man is vrij. En andere mannen mogen ook gebruik van haar maken. Met of zonder toestemming. Maar ik denk toch dat het meer stiekem gebeurt,' zegt ze, na enig nadenken. 'Er is nog geen jaloezie, tenminste niet tussen die vrouwen. Nee, die moeten zich weer braaf aanbieden en blij zijn.
De gemeenschap is onderling minder vredig dan daarvoor, in de vijfde incarnatie. Het leven is ook minder kudde - gericht, meer individueel. Meer eigen macht en zeggenschap hebben. Tussen de vijfde incarnatie en deze zit weer een enorm lange periode. We zijn intussen echt van dier naar mens geëvolueerd. Ik zou me nu dan ook mens willen noemen. Holemensen of holbewoners. De eerste hominiden. We vullen de dag weer met jagen, voedsel zoeken en het verkeer tussen mannen en vrouwen onderling. En er is ook al wat meer onderliggend geestelijk gevoel in het liefdeleven tussen man en vrouw gekomen. Je voelt al iets meer van een geestelijk beleven in de seksuele contacten. Dat wil zeggen, in het algemeen, want ik heb dat niet. Ik wil het niet toelaten. Ik heb de idee dat ik me dan bedreigd voel door de vrouw.' 'Je teveel gebonden gaat voelen?' vraag ik.
'Nee, dat is het niet. Maar dat je, door het toe te laten, toch wel een stuk macht verliest. Dat ze je kan ompraten. Het is er wel. En ik denk dat het er bij iedereen is, want dat moet een ommekeer worden.' 'Jij bent beducht voor dat sterke, haast magnetische "ewig Weibliche", op de man inwerkende,vrouwelijke element.'
'Nee. Niet zozeer het vrouwelijke element. Dat is precies andersom ook zo. Maar als de vrouw gevoel mag uiten, dan krijgt ze medezeggenschap. En dat is niet de bedoeling. Als je meer geestelijk gevoelscontact gaat
4.63
gebruiken, verlies je toch, als man tenminste, een deel van je macht om gewoon elke vrouw te bezitten die je wilt hebben. Want dan hebben zij ook het gevoel te mogen meepraten. Dus ik laat dat gevoel niet zomaar in mij toe. Nee! De mannen niet, maar de vrouwen wel.' 'Krijg je daar wellicht al te maken met wat men in het algemeen zegt: "De vrouw is meer een gevoelsmens en de man is meer op het verstandelijke gericht"?
'Ja, maar dat komt omdat het zo moeilijk is. De man heeft, voor zijn gevoel, op dat moment wat te verliezen, en de vrouw niets meer. Die heeft alleen maar te winnen. Het is dus meer een machtskwestie, maar die wordt uit verstandelijke overweging geboren.
En ik ben sterk in dit leven. Een grote zware man. Het gaat om de voortplanting van de soort, het seksuele leven. Het liefdeleven en vechten. Hier ben ik nu toch wel zeer in aanzien. Nog steeds niet de leider, maar daar heb ik niet zo'n behoefte aan. Ik amuseer me ook weer uitstekend en ik vind het hier heel leuk. Er is een tevredenheid, en toch ook wel gelukkig zijn. En dat is zuiver afhankelijk van wat er gebeurt en van wat ik bezit. Niet van intimiteiten met vrouwen. Niet van wat anderen van me denken of wat voor contacten ik heb. Gewoon het leven hier. Ik hoef me niet te bewijzen. Ik word met ontzag behandeld.
Ik word niet veel meer dan zo'n jaar of dertig, volgens aardse begrippen van tijd.'
'Wat is het allerbelangrijkste in dit leven, in deze zesde incarnatie?' 'Het gevoel van macht over anderen, gerespecteerd te worden. Ja dat is een hele sensatie. En het is ook nog zo, dat je 's nachts weer uit je lichaam gaat. Je hebt tenminste een 'oplaadmechanisme'. Maar je blijft toch verbonden met je lichaam. Je bent er vlakbij, maar nog wel in de ruimte. En je bent je wel bewust dat je jezelf moet opladen, maar niet bewust waarom. En niet vanwaar die energie komt.'
'Als je uit dat lichaam gaat, is er dan voor je gevoel iets merkbaar van het 'zilveren snoer' of koord, waarmee je aan dat lichaam verbonden zou kunnen zijn, of is dat er nog niet?' Het is een voorzichtig gestelde vraag.
'Ja. Er is een snoer, de levensdraad, en daarmee ben je heel duidelijk verbonden, dat wil zeggen lichaam en geest zijn daardoor verbonden. Het snoer gaat in je hoofd, bij je derde oog bij de pijnappelklier, soms ook via je achterhoofd of in de buurt van de plexus solaris, de zonnevlecht.' 'En dan maak je dat leven door zonder verdere bijzondere gebeurtenissen? Of zijn die er wel?'
'Nou, mijn dood is nogal bijzonder. Een paar slimmeriken duwen zo'n ouwe kerel een rots af. En dat ben ik. Die denken, zo, nu zijn wij aan de beurt. Natuurlijk wel slim. Dat had ik ook gedaan. Wel ja, dat zat erin. En wat beogen ze?
Vanzelfsprekend, macht!
4.64
'Wat houdt die macht in feite in?'
'Ach. Iedereen is onderdanig. Ze doen wat je zegt. Je krijgt alles. Jouw wil is wet. Dat is een prettig gevoel.
En dan word ik van een rots geduwd. Nou, blitz,' zegt ze sarcastisch. 'Maar halverwege als ik aan het naar beneden vallen ben, dan ga ik al uit mijn lichaam. Dan denk ik, ja, nou is het wel mooi genoeg. Ik laat het lichaam doodvallen, en ik ben eruit en zweef daar. Eerst ga ik even bij dat lichaam kijken, hoe dat er uitziet. Dat is dus echt weg, en dan ga ik ook.'
Maar het lichaam, het hoofd, is te pletter gevallen en het eerste trauma is ontstaan, onverwerkt, doordat de dood zelf dat onmogelijk maakte. En nu blijft dat trauma 'ont lichaamd' hangen in de geest, de bewoner van dat aardse lichaam, om zich in een volgend leven alsnog ter verwerking te manifesteren.
'Dan ga ik terug naar die nederzetting, naar die holen gemeenschap en ik kijk hoe ze daar reageren. Dan merk ik dat ze mij niet zien. Die twee kerels staan wel een beetje verschrikt te kijken. Er was toch enig risico aan verbonden toen ze me die duw gaven, en ze zijn verbaasd dat het gelukt is. Maar dat duurt niet lang, want ze staan daarna even hard met zijn tweeën te knokken. Dan moeten ze ook weer elkaar overwinnen. Ik bekijk dat nog eens en dan ga ik voorgoed weg. Dan kom ik aan Gene Zijde. En dan zit ik daar weer, zelfde plaats, zelfde omgeving, zelfde gevoel. Maar toch wel wat minder. Ik ben al wat enthousiaster om er toch maar eens iets aan te gaan doen.
Ja, want ik merk nu dat dit ook niet alles is. Dat het niet zo prettig blijft gaan in een leven op aarde. Dat gevoel heb ik nou wel heel sterk. Ik vind het nog wel leuk, maar ik heb ook het gevoel dat het niet helemaal van mij komt. Ik voel Licht dat vlakbij me is, dat op me inwerkt. En dat vind ik toch wel heel prettig.'
Daar is het eigenlijke ontstaan van het Gene-Zijde-gebied, de Lichtsfeer. Ons thuisland, waar uitsluitend oneindige en allesomvattende liefde heerst.
'En ik denk,' zegt ze, 'ja ... ja, dat is het. Dan wordt mij het Licht van dichtbij voelbaar gemaakt en werkt het op mij in. Eigenlijk van "zo was het" of "zo is hef. Een glimp van het Licht. Ja, dan komt er toch een meer bewuste keuze van wat je gaat doen. Dan begin ik al iets van een levensplan te maken. Wat ik nu heb, is inderdaad zoiets van: die aardse macht moet ik eens een keertje niet hebben. Maar juist het tegenovergestelde. Dat denkbeeld komt nu al duidelijk opzetten. Ik denk dat dit het grootste is, dat er in het volgende leven moet gebeuren. Een stuk karma inlossen. Een levensles leren. Nou, dat is eigenlijk het enige plan.'
4.65
Maar haar stemming is nu duidelijk in mineur. Desondanks gaat ze, analyserend, dapper verder. 'Er zijn een heleboel dingen gebeurd in het afgelopen leven.' 'Wat zoal? Kun je dat zeggen?'
Ik ben me plotseling bewust dat het een vrouw, een zij, is die haar leven als man, een %',wikt en weegt. En ook zo diep in die persoonlijkheid en het leven daarvan verzonken is. Een vreemd idee. 'Nou,' antwoordt ze, 'ik heb toch al menige man en vrouw het nodige aangedaan om ze te onderwerpen, en daarbij ook de nodige angst veroorzaakt, geweld gebruikt. Ik bedoel, dat haal je allemaal op je nek. Maar als ik dat niet gedaan had, dan was ik nooit machtig geworden. Dan was ik al vroeg geveld, was IK degene geweest die al direct uitgeschakeld werd. En toch, ik heb het wel gedaan, ervoor gevochten met hand en tand. Het was echt een strijd om het bestaan, letterlijk. Maar het was meer dan dat alleen. Ja, zo primitief is het leven daar nog wel.' En vandaag de dag is het nog precies zo.
'Wel, dan ben je daar aan Gene Zijde dus met je eerste, dieper gaande analyse van jezelf geconfronteerd. De karmische reactie komt duidelijk tevoorschijn. Oorzaak en gevolg.' 'Ja,' beaamt ze toonloos.
DE ZEVENDE INCARNATIE. KARMA EN TRAUMA. 'GOD, WAAROM TOCH?'
'En dan ga je naar je zevende incarnatie toe. Je vertrekt vanuit Gene Zijde.' (Nadere instructies volgen.) 'Nu kun je mij vertellen wat er gebeurt en watje ziet.'
'Ja. Ik zie een heleboel rotsen van boven. Ik kijk erop neer, maar ik kom er niet zo snel dichterbij. Ik blijf wat zweven daar, hoger. Dus ik ga er niet vol enthousiasme in. Maar zo van, nou, het zal me benieuwen. Dit wordt niet het beste leven op aarde. Alhoewel, ik ga toch vol goede moed, met het inzicht, het moet gebeuren.
Ik hang er nog steeds. Ik aarzel, maar ik moet er toch in.'
'Ja. Je moet er zeker in, want het kind gaat geboren worden. En je kunt op een bepaald moment niet langer wachten.'
'Nee. Ik ben nu een vrouwtje, een meisje. Het valt alweer mee,' zegt ze met een cynische klank in haar stem.
'Ja, dat zat erin,' zeg ik. 'Vertel eens wat meer over je eigen verschijning tijdens deze zevende incarnatie?'
'Ik ben nog wel behaard, weinig nog maar. Ik zie er echt als een vrouw uit. Borsten en tepels. Vooral ook duidelijk vrouwelijke geslachtsdelen. Een vrij fors lichaam wel, maar ook al weer minder fors dan in de zesde incarnatie. En er is weer meer bewustzijn dan voorheen. Het zijn nog steeds die holbewoners, maar toch wel een eind verder
4.66
geëvolueerd. De wapens zijn wat beter en er zijn er meer. Maar nog steeds met stenen aan stokken. Een soort bijltjes
'Ik ben geboren als vrouw,' gaat ze verder, 'ik moet nu, volgens mijn karmische opdracht, mijn lotsbestemming, ondergaan wat het betekent om minder macht te bezitten. Hoe dat werkt in de praktijk van mijn leven. Nou, dat betekent veel ellende. Het is weer het gevoelsleven dat de overhand neemt, omdat ik vrouw ben en het gevoel van onrecht toch wel besef. Opstandigheid, bedoel ik, ten opzichte van de mannen. Het wordt nu proberen om onder je verplichtingen uit te komen. Maar dat is bijna niet mogelijk. Gevoelsmatig wil je er onderuit, maar je kunt dat niet eens vertalen in jouw leven daar. Je kunt het ook niet ontgaan. En dan daarbij ben ik een vrij mooi vrouwtje, dus zeer geliefd bij de mannen. Dat is om het extra moeilijk te maken. Je kunt moeilijk een eindje wandelen zonder dat er een man, nou bijna, bovenop je springt. Daar word ik niet goed van. Maar ja ...'
'En de omgeving, waarin je nu woont, hoe is die?'
'Volgens mij is het dezelfde als in het leven hiervoor. Dezelfde plaats, dezelfde witte krijtrotsen. Ook het uitzicht is hetzelfde. En er is nu veel water in de buurt. Het is heel vruchtbare grond en er is veel voedsel. Maar ik ben ook heel bang, en dat ben ik me niet bewust. Ik moet ook veel voedsel zoeken. Deze mensen kunnen heel goed klimmen, maar ik zie het nooit zo zitten om naar beneden te gaan. Ik denk dat het komt doordat ik daar, in mijn voorgaande leven, van die rots ben gestort.'
Het onverwerkte trauma daarvan manifesteert zich nu in hoogtevrees. En ook het karma, het naar beneden moeten, omdat zij als vrouw nu het voedsel, de vruchten, hoog moet gaan plukken.
'Daar heb je het,' zeg ik, 'daar breng je in dit leven het eerste trauma mee.'
'Ik wil wel tegen de rotsen opklimmen om voedsel te zoeken, maar naar beneden gaan vind ik afschuwelijk.'
'Daar ben je onverwerkte emoties tegengekomen,' merk ik op.
'Ja, dat zie je en dat voel je, maar dat is onbewust. Dat weet ik dan niet,' zegt ze.
'Nee, dat is nu overduidelijk. Dat is een onverwerkt trauma, omdat je, pas terwijl je naar beneden viel, de aardse dood tegen kwam, de angst.' 'Maar dat plukken van vruchten, dat zijn dingen die ik moet doen. Daar kom ik niet onderuit. Wel verzin ik allerlei manieren om het naar beneden gaan zo veilig mogelijk te doen. Ik loop echt enorme einden ver om het een beetje minder angstig te maken. Dat is mijn ondergang natuurlijk, want ik blijf daardoor een mooi slank vrouwtje. En nog steeds erg geliefd bij de mannen.'
'En wat zijn je karmische problemen? Wat is je leeropdracht in deze incarnatie?'
4.67
'Ja, nou. Ik moet alles doen en ik ... ach jee, ja, ik krijg kinderen. Dat hoort er ook bij, en daar ben ik toch niet zo gek op. Wel als een soort moederbinding. Maar de bevallingen zijn pijnlijk. Dat vind ik toch allemaal maar niks. En het is een hele zorg, die kinderen. Het is meer het onbewuste besef dat ik het niet moet doen, en toch moet ik het doen. Zo van, doe jij ook eens wat. Maar dat kan gewoon niet. En zo moet ik alles doen. En iedereen vindt maar dat ik dat moet doen. Ze dragen het me op, en ik moet maar aandragen en wegdragen. Ik kan er gewoon niet onderuit. Ik kan niet eens duidelijk maken dat ik dat zo voel. Maar het is ook constant het gevoel dat ik vertrapt word, of "wat denken ze wel?" Ik word aan alle kanten misbruikt. En die kinderen, dat worden er natuurlijk een hele rits. Dus daar word ik ook helemaal gek van. Die moeten allemaal te eten hebben. En ik moet tegen de rotsen opklimmen en maar in de zenuwen zitten, omdat ik weer omlaag moet.' 'Het is zuiver hoogtevrees, denk ik, onverwerkte angst. Ja, want als je naar beneden kijkt, dan krijg je het.'
'Ja, dat is wel zo,' antwoordt ze. 'En als de kinderen wat ouder zijn, probeer ik ze wijs te maken dat ze verplicht zijn mij te helpen, maar ze zijn toch wel slim, want de mannen hoeven dat niet te doen. Die moeten leren vechten. En de meisjes, ja, die moeten wel helpen, maar voor ze dat goed kunnen, zijn ze al aan de man. Hebben ze al een man, die hen opdraagt die dingen te doen. Dus dan hoeven ze niet meer met mij mee te gaan zoeken.'
De macht over anderen, in haar voorgaande, zesde incarnatie, waar zij als een hij zo van genoot, speelt haar nu parten. Dat is duidelijk. Al heel vroeg in de oertijd, aan de wieg van de mensheid, begint de werking van de kosmische wet, dat je door je eigen handel en wandel, je eigen gedachten en daden, de zich tegen jou kerende situaties veroorzaakt, die later van minder prettig tot zeer verschrikkelijk voor je kunnen zijn. Actie wekt reactie, oorzaak en gevolg! Of wat je zaait, dat zul je oogsten. Toch is het feitelijk een genade, want je mag je eens gemaakte fouten weer herstellen. Leren voelen hoe het is wat je anderen aandoet, zodat je dat in het vervolg niet meer zult doen. Een vaak moeilijke weg, die weg van het karma, de door jezelf veroorzaakte lotsbestemming. God is Liefde en Hij is barmhartig. Hij stuurt niemand voor eeuwig een hel in. Zon hel bestaat ook niet, als 'instituut'. Die maken wij zelf, hier op aarde.
Wat al zo heel vroeg in de tijd begon, op simpele wijze, is nog niets verandert. De mens wordt ook nu nog steeds en soms keihard met het door hemzelf en zijn dominante vrije wil veroorzaakte levenslot geconfronteerd. Maar karma kan gelukkig ook positief zijn. Positieve verworvenheden, vorige liefdes en relaties, vinden we ook weer terug in opvolgende, prettige levens.
4.68
'En hoe is het met de voortplanting, in die zin, dat er ...?' Ze onderbreekt me. 'Het was eerst ongeveer één keer per jaar, maar nu is het vrij willekeurig mogelijk om zwanger te worden. Maar niet zomaar ieder moment.
Er zijn meer van die vruchtbaarheidsperioden. En die volgen elkaar sneller op. Ja, die voel je aan, want dan moet je meer op je hoede zijn. Maar ik voel het aankomen dat ik die geur verspreid. Want het is nog steeds door geur dat mannen worden aangetrokken. Dan smeer ik hem, en dan heb je in het bos bloemen en kruiden en van alles dat ruikt. Dan schuif ik met mijn gat over de grond in het bos om een andere geur te krijgen. Maar de ene keer werkt het beter dan de andere keer. Toch werkt het wel aardig effectief. Niet afdoende, nee, dat niet, maar dikwijls wel net lang genoeg om geen kind te krijgen. En ik draag geen kleding of iets van dien aard. We zijn naakt.'
Al heel vroeg in de tijd blijkt er een "anticonceptiemiddel" te zijn. Hoe bestaat het.
'Over hartstocht gesproken, die met dat seksuele contact samengaat, is daar een verandering in gekomen?'
'Ik denk dat het iets minder is geworden. En het geestelijk besef of beleven toch wel iets meer.'
'Zijn er momenten dat je als vrouw naar een man verlangt of is het een voortdurend trachten te ontwijken?'
'Nou, ik heb er wel wat moeite mee,' antwoordt ze. Ik kan er niet zo naar verlangen, want je hebt geen rust. Je krijgt geen tijd om je erop voor te bereiden.'
En daarmee is aan deze regressie een einde gekomen. Maar de zevende incarnatie wordt in een volgende sessie nog voortgezet en verder ervaren. In ieder geval is het duidelijk geworden hoe de mens in zijn huidige leven, in deze tijd, aan zijn problemen is gekomen. Dat hij alleen zichzelf een verwijt kan maken in zijn leven in relatie tot andere mensen. Niemand kan met een beschuldigende vinger wijzen naar een ander. Indien er al een schuldvraag is, tussen mensen onderling, dan ligt die altijd in het midden. En na onderzoek, via regressie naar vorige, oorzakelijke levens, ontdekken we steeds weer... je komt jezelf tegen! Het voorgaande leert ons deze les.
We kunnen het ook anders stellen. Door een onbekend aantal vorige levens heen loopt een rode draad van liefde in relatie tot andere persoonlijkheden, maar ook één van angst, haat, wraak, jaloezie en ijverzucht, van agressie, geweld en marteling en andere negatieve gevoelens en daden jegens anderen. Parallel daaraan loopt nog een andere rode draad door deze vorige levens, namelijk die van onverwerkte emoties, opgedaan in traumata die onopgelost door de aardse dood heen in de geest
4.69
meegingen naar opvolgende levens en daarin kleine of grote problemen veroorzaken, zoals angsten en fobieën, pijnen en andere onverklaarbare, vaak heel merkwaardige, klachten.
Ook het stuklopen van relaties in vorige levens steekt in latere levens weer de kop op, vragend om een oplossing, een harmonisatie. Het gaat soms zelfs zover, dat nog toekomstige levens daarbij al betrokken zijn, weer doordat tijd niet bestaat, dus ook verleden, heden en toekomst niet. Alleen het eeuwige NU. Daarin loopt de tijd weg, buiten tijd en ruimte. 'De geschiedenis herhaalt zich' is dan ook een basisthema in de reïncarnatiedoctrine. Er is de vaak gehoorde vraag naar de zin van leven en lijden. In een dagblad van 18 mei 1990 las ik een commentaar over een boekje van Jos Brink, getiteld 'God, waarom toch?' En ik citeer daaruit: 'Er wordt,' zo vertelde majoor Bosshardt me, 'eigenlijk geen antwoord gegeven op de vraag naar het waarom van het lijden.' In het boekje staan twee gedachten centraal, en ik citeer hier weer: 'Ons lijden is niet de wil van God,' en 'In mensen die met andere mensen hand in hand willen meelopen, zoekt God een oplossing.' Hoe waar zijn deze uitspraken!
Veel mensen stellen God echter verantwoordelijk voor wat er op deze aarde gebeurt, zowel voor het lot der volkeren als voor de mens in zijn persoonlijke relaties. Vaak ook wordt de vraag gesteld: 'Waarom laat Hij dat toe?' Sterker nog,
'Waarom bedeelt Hij de mens met een redeloos, bijna ondraaglijk lot, een ondraaglijk lijden?' Is het redeloos? Nee, niets is zonder zin. Zoals hiervoor al gezegd, we hebben ons levenslot zelf veroorzaakt, in leven, na leven, na leven. Als gevolg van onze handel en wandel, met onze onafhankelijke dominante vrije wil. Het is inderdaad vaak een lijdensweg. God heeft daar in principe niets mee van doen, Hij heeft ons dat lijden niet opgelegd. Maar wel schenkt Hij ons, via strikte kosmische wetten, Zijn genade: de mogelijkheid om terug te keren van onze dwalingen, door ons de kans te bieden om in dit leven of in een opvolgend leven op aarde onze eerder gemaakte fouten te ontmoeten en de liefde voor onze naaste te herstellen. Het was Christus die ons deze boodschap kwam brengen. God zelf is volmaakte liefde. Wij zijn Gods kinderen, van Hem als Goddelijk Beginsel afgesplitst. En als wij die volmaakte liefde voor elkaar weer hebben teruggewonnen, in de strijd met onszelf, kunnen we opnieuw opgaan in Hem, samen met onze medemensen. Tot nu toe hebben wij ons kennelijk niet genoeg naar Hem en Zijn Liefde en Zijn Licht gekeerd. Nogmaals, het leven is een les, vaak een heel moeilijke les. Een steeds terugkerende poging om het verlorene terug te winnen. In het voorgaande is daarover nu al duidelijkheid te vinden.
4-70
5
Laatste gedeelte van de zevende incarnatie. De achtste incarnatie
Het Steentijdperk. Bewustwording. Het eerste groepsplan aan Gene Zijde. Inlossen van karma.
Er zijn nog talloze andere voorbeelden van mensen die bij mij dezelfde ervaringen hebben gehad als die ik hiervoor heb beschreven. Zo vertelt de journaliste Emmy van Overeem - nadat zij bij mij een reeks regressies en progressies heeft gedaan - in een artikel in Elseviers Magazine van 18 april 1981, over haar 'oertijd-ervaring'
het volgende. 'In mijn vijfde regressie kwam ik terecht in mijn allereerste (?) incarnatie, toen mijn geest afdaalde in een wezen op de grens tussen aap en mens. Geloven of niet geloven? Het was in ieder geval spannend en ik voelde me volkomen in de realiteit van dat gebeuren opgenomen. Toen ik diep genoeg in trance was, vroeg Pieter Barten me wat ik zag. Ik vertelde hem dat het was alsof ik vloog, maar dan zonder vliegtuig. Tamelijk snel ging het over groen heen, over wouden en water, en over golf-duinen. Hoogst verwonderd bevond ik me daarna op nog geen tien centimeter van de aarde. Ik was geïncarneerd in een baby die op zijn zij op de grond lag, aan de rand van een bos met grijswitte bomen zonder schors. Mijn moeder kwam naar me toe en voedde me aan haar borst. Ik hield mij aan haar vast met mijn handjes. Ze was begroeid met bruin haar.
Een leven van dertig jaar - dat was al heel oud - ontvouwde zich. Hoe mijn lichaam als levenloos bleef liggen, als ik er af en toe voor een dag en een nacht uitsteeg, om nieuwe energie op te laden. Als ik terug in het lichaam was, kon ik weer recht lopen, primitieve gevoelens uiten, en de anderen bewust in de ogen kijken. Lichaam en geest waren nog niet aan elkaar gewend, instinct en denken botsten. Communiceren ging met kreten; het gevoel was zo onderontwikkeld dat we een baby van een door wilde dieren weggehaalde moeder lieten verhongeren, niet eens beseffend, dat een ander vrouwtje dat kind had kunnen voeden. Duizenden jaren later vond mijn tweede incarnatie plaats in wezens, die nog wel behaard waren, maar bijna altijd rechtop liepen. Ze communiceerden in gebaren en veel gevarieerder kreten.
Als de geest er soms uitging, was het slechts kort, en na een soort explosie;
5.71
je zag wit licht voor je ogen, en dan was je uit je lichaam. Het was curieus om zelf mee te voelen wat het is om af en toe te denken, en dan weer terug te vallen in een instinctmatig, onpersoonlijk bestaan, waarin je toch vaag blijft hunkeren naar bewustzijn.' Ook vertelde Emmy mij eens, dat ze op een keer triest in een boom zat, samen met haar bruinbehaarde partner, treurend omdat er zo weinig bewustzijn was.
Een andere regressant vertelde mij, tijdens een regressiesessie in april 1990, van zijn ervaringen in een vorig leven als oermens, in het kader van een therapeutisch onderzoek naar de oorzaak van zijn krampverschijnselen.
'Ik zie hoge bomen,' vertelt hij, 'en ik voel mezelf door de boomtakken slingeren als een aapachtige. Ik heb het gevoel dat ik in een peilloze diepte val, met een gebroken tak in de hand geklemd. Ik zie allemaal lichtplekken op de grond, en meer hoge bomen dan rotsen. Het is een enorm woest gebied.
Ik bots tegen takken en steen aan. Ik zat in een boom die over een afgrond hangt. En ik val in een enorme diepte. Ik probeer me aan struikgewas, dat tegen de rotswand groeit, vast te grijpen, Maar ik ruk alleen maar meer takken mee in mijn val; ik krijg geen houvast. Ik heb lange armen en ik ben behaard met behoorlijk lange grijsbruine haren.
Er is maar weinig bewustzijn. Maar ik zie mezelf toch bewegen met armen en benen.
Ik val in een geweldige diepte, ik zie in de verte bergranden. Ik kom met een smak op de grond terecht. Het is een zware dreun. Mijn linkervoet het eerst, en dan klap ik met mijn hele lijf op een vrij vlak afhellend stenen plateau. Ik spat uit elkaar. Het is werkelijk een enorme smak, want ik val heel diep.
Ik zweef nu boven mijn lichaam. Ik denk dat ik een man was van zo'n anderhalve tot twee meter lengte.
Terwijl ik val, voel ik de kramp, probeer ik me overal krampachtig aan vast te grijpen.'
Ik zeg hem weer terug te gaan in die overhangende boom, om te onderzoeken waarom en waardoor hij valt.
'Nu zit ik weer in die boom,' zegt hij. 'Ik kijk uit over de bergen, vanuit een boom die hoog boven die afgrond staat, overhellend. Vandaar uit heb ik een prachtig vergezicht. Maar ik heb het gevoel dat ik een zet krijg van mijn broer, want ik zit daar stevig op een tak, samen met mijn vrouwtje. En ik denk dat mijn broer die vrouw wil hebben. Als ik val probeer ik heel snel die tak te grijpen, maar dan mis ik. Dan schamp ik langs de wand van die afgrond.
Ik hoor nog gillen, want er zijn ook nog anderen die daar zitten. Ze bui-
5.76
gen zich naar beneden en zien me vallen. Dan gillen ze hartverscheurend. Ik graai om me heen, tevergeefs. Er is een soort radeloosheid en ook woede in mij, als ik besef wie het gedaan heeft. De kramp is met de angst en ook met de woede verbonden. Haast nog meer met de woede dan met de angst. Langs die wand steekt nog een bult uit, en dan gaat het naar binnen. Ik klap uit elkaar op dat hellende plateau. Ik val op mijn rug, en breek die op een richel van het pad dat verder naar beneden voert, naar een diepe vallei.
Ik val wel verder door, maar dan ben ik al dood en uit mijn lichaam. Als ik aan Gene Zijde kom, zijn er wraakgevoelens in mijn geest, en ook heb ik daarbij een soort krampgevoel dat meegaat. Ik ga omhoog, naar een sfeer van bewegende vormen. Het is er nogal donker, niet zo licht tenminste.'
Het is 'In den beginne'. De bewegende vormen zijn ook overgegane soortgenoten. In een volgend leven in de oertijd ziet hij zichzelf lopen, minder behaard, maar wel met lange armen.
'Een lange dierenhuid hangt om me heen,' vertelt hij. 'Ik ben erg sterk en sta bijna rechtop. Ik loop over een soort pad met een knots in mijn hand. Er is een enorm gekrijs en geschreeuw, en gezwaai met knotsen. En ik blikker met mijn tanden, en steek uit woede mijn kin agressief vooruit. Er ontstaat dan ook een woedend gevecht. En het gaat weer om een vrouw. Nu sla ik die andere man dood. Hij was in dat vorige leven mijn broer die me uit de boom duwde. Die vrouw was van hem, van mijn tegenstander. Als ik op hem toeloop, is er een hevige woede en kramp tegelijk. Als het afgelopen is, ben ik bekaf. Die vrouw keek afwachtend toe. Ik ben een volwassen man, stevig en sterk uitgegroeid, met een soort oerkracht. Zware schouders, krachtig gespierd. En ik loop enigszins voorover, met lange, neerhangende armen en handen. Die vrouw is nu niet zo belangrijk meer. Als ik weer wat ouder ben, dan ben ik een soort stamhoofd. Dat was de oorzaak van de strijd. De macht over die stam. En ik ben de sterkste. En dat recht laat ik gelden. Maar nu zie ik een soort zwarte smurrie, aan het eind van mijn leven. Het lijkt wel as, zwart en modderig. Ik voel me, met al mijn spieren gespannen, boven op die smurrie liggen. Weer kramp. Ik ben uit de stam gestoten. Een nieuw stamhoofd heeft me in elkaar geslagen, omdat ik niet meer de sterkste was. Ik voel nu een soort verlatenheid, eenzaamheid. Een echt menselijk gevoel. Niet meer opgenomen in de stamgemeenschap. Ik ben stervende en ik heb overal wonden.
Ondanks die enorme kracht, word ik steeds zwakker, omdat ik leeg-
5.73
bloed. Dan zie ik ook die zwarte modder. En ik ben dood.
Aan Gene Zijde voel ik al meer Licht. Ik voel dat ik naar het Licht ga. Het is nog niet stralend, maar wel lichter. De kramp is weer in mijn geest meegegaan.
Ook is er een bepaalde spanning. In het Licht is een soort dageraad. Ik zweef een beetje boven de aarde. Die kan ik nog zien, want ik zie groen. Ik kom niet los van de aarde, maar ik zie toch ook wel Licht. Dat is die dageraad!'
In principe kan iedereen naar zijn vorige levens in de oertijd teruggebracht worden en deze levens opnieuw beleven. Wij zijn daar allen geweest. Het is een herbeleven in de geest, in trance, buiten tijd en ruimte. Het wordt mogelijk, omdat alles ís. NU.
Maandag, 19 april 1982
We gaan verder met het laatste gedeelte van de zevende incarnatie van mijn regressante. En net als bij een vervolgverhaal pakken we de draad weer op waar we geëindigd zijn in de voorgaande regressie. Alle voorbereidingen zijn getroffen. Mijn proefpersoon zit in diepe trance in de stoel. Duidelijke instructies zijn gegeven en ik heb een gesloten mantel van zuiver wit licht van liefde als een bescherming om haar heen geprojecteerd. Ook heb ik onze Meesters en Gidsen gevraagd ons te willen beschermen tegen mogelijke negatieve kosmische invloeden en negatieve mentale krachten uit de lagere astrale zones. En ook om ons te willen helpen, opdat deze regressie wederom mag slagen en wij zullen bereiken wat wij met deze sessie willen bereiken.
Dan volgt: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Wat ervaar je?' 'Nou, wat je daarnet zei... het is dat bedoelde leven, de zevende incarnatie,' zegt ze.
'Bij welke gebeurtenis ben je daarin aangekomen?' 'Ik loop daar tegen de rotsen omhoog om eten te halen. En dat doe ik met erg veel tegenzin, dat vind ik niet leuk. Nee, een beetje eng zelfs. Maar ik klim niet zo hoog. Ik stuur allemaal kinderen naar boven en ik blijf zelf een beetje aan de lage kant. Ze zijn jonger dan ik, dus ... ja, ik denk toch wel dat ik dat weloverwogen doe.' 'Waarom gaan jullie eigenlijk die rotswanden op, omhoog?' 'Omdat de beneden wonenden daar voedsel vandaan moeten halen. Het groeit aan de struiken, tegen die berghellingen aan. Het zijn vruchten, bessen en zo. Maar er worden niet alleen maar vruchten gegeten. Ik geloof ook een soort wortels van bepaalde struiken.' 'Ga eens wat verder vooruit in dat leven, totdatje komt aan een moment
5.78
dat heel erg belangrijk voor jou is.'
'Ik ben in die grot waar ik woon,' zegt ze bedachtzaam, 'en ik krijg een kind. Ik ben zwanger, en dat is gewoon. Het is bijna het einde van de zwangerschap. Ik sta op het punt het kind te baren ... Ik zit op mijn hurken. En op een of andere manier op een verhoginkje. Ik denk dat ik met iedere voet op een steen sta. En dan wachten.'
Ze lacht nu, wat verlegen met de situatie.
'Hoe breng je het kind ter wereld? Gaan daar weeën aan vooraf?' 'Ja. Maar goed, dan moet het er vanzelf uitkomen, maar ... er gaat iets mis. In ieder geval, ik weet niet wat...' Ze gaat niet verder. Ze gaat duidelijk op een cruciale gebeurtenis af.
'Nou, ik geloof dat het niet spontaan komt. En ik probeer nu zelf het kind eruit te halen met mijn eigen handen. Maar dat lukt niet zo goed ...'
Ze wil kennelijk niet graag door deze gebeurtenis heen gaan. En dat is te begrijpen.
'In ieder geval, er gebeurt iets,' zegt ze. 'Ik probeer het eruit te halen. En daar ben ik heel lang mee bezig. Er is niemand die mij helpt. Tenminste, in eerste instantie niet. En dan val ik achterover van die stenen af. Dat betekent datje hulp moet hebben. Dan komt er een andere vrouw, en die pakt het hoofdje en trekt dat kind er heel snel uit. Maar allemaal een beetje te snel en te ruw, dus dat gaat helemaal mis. Aaah!'
Ze schreeuwt het uit. 'Getverdemme! Nou, het kind leeft nog, maar ik ben een beetje
... oeh! ...' Ze kreunt. '... Het is smerig ... nou, ze trekt mijn halve ingewanden mee naar buiten. Maar het is een heel smerig gezicht. En een beetje, ik mag wel zeggen een wee gevoel van binnen. Uh!' Ze laat een kreet van afkeer horen.
'In ieder geval, dat overleef ik niet.' Er is vertwijfeling in haar stem, op dit moment.
'Sterf je bij deze bevalling? Op dit ogenblik?'
'Tja, ik weet het niet. Misschien wel, maar ... oh nee, een heel erg rot gevoel. Ik voel het helemaal in mijn buik. Het gaat wel snel in ieder geval. Ik verlies zoveel bloed. En ik raak bewusteloos.' Ze zucht eens heel diep.
Het is duidelijk een ellendige gebeurtenis, maar ook een echt karmisch gevolg, waarbij de oorzaak gezocht moet worden in het feit dat ze in haar vorige leven als dominante man maar lukraak iedere angstige vrouw nam en haar zwanger maakte, zonder ook maar één moment aan de gevolgen daarvan te denken. 'Hoe meer macht, des te meer vrouwtjes!' Zo ging dat. Maar dat neemt niet weg, dat dit een ellendig lot is, al is het zelf veroorzaakt. Iemand met een dergelijk karma moet met liefde benaderd en geholpen worden door zijn of haar medemens. Niet met agressie of geweld. Want in haar leven als man zal ze dat zogenaamde helpende vrouwtje zeker ook als ondergeschikte vrouw gekend hebben. De haat-en wraakgevoelens en de rancune zijn onbewust aanwezig en heel moeilijk te overwinnen. Maar we mo-
5.75
gen geen kwaad met kwaad vergelden. Dat is juist het begin van alle verdere ellende.
'Ben je al uit je lichaam voordat je sterft, of is dat niet het geval?' ga ik maar verder. En dan antwoordt ze wat rustiger: 'Nou, ik denk toch tegelijkertijd. Ja, ik hang nu boven mijn lichaam. Ik ben eruit en weer in de geest. En dan zie ik toch wel het bloed eruit komen. Dus ik bloed dood, dat is duidelijk.'
'Ben je al oud? Ik neem aan van niet, omdat je nog een kind kunt krijgen.'
'Nee. Ik ben op middelbare leeftijd voor vrouwen daar. Ik vind het zo smerig,' gaat ze nog steeds emotioneel verder. 'Bah, dit is gewoon vies!' Ze kan die hardhandige bevalling kennelijk nog steeds niet loslaten. En ze begrijpt ook nog niet, dat de wet van oorzaak en gevolg uitnodigt tot liefde voor de naaste; niet tot haat en vergelding tijdens zo'n gebeurtenis. 'Nou, ik denk dat ik een jaar of vijfentwintig zal zijn geweest. Ik had al een heleboel kinderen gekregen.'
Rond de twaalfde en dertiende eeuw was de gemiddelde leeftijd in Europa ook zo'n dertig jaar. En meisjes trouwden al op twaalf-of dertienjarige leeftijd. Dat wil zeggen, direct nadat ze geslachtsrijp waren, de menstruatie kregen en vrouw werden. Dat was toen heel gewoon. Het leven was maar kort in die dagen, en het sterftecijfer hoog.
'Weet je ook wie de vader van die kinderen is, of zijn er verschillende vaders?'
'Het zijn er zo wel een paar. Ik ben niet echt van één man, maar van een bepaalde groep. Groepsbezit! Ja, en daar moeten de andere mannen van afblijven.'
'Je bent nu uit dat lichaam en weer een zuiver geestelijke entiteit. Hoe was het, nog in dat lichaam, met je bewustzijn?'
'Ja, je bewust zijn datje leeft en je nu ook wel bewust zijn datje dingen leuk vindt of niet leuk. Bepaalde gevoelens hebben, zoals afkeer en minder grote afkeer. Iemand aardig vinden. Maar nog heel primitief, moet ik zeggen.'
'Wat vervulde het meest je gedachten?'
'Overleven!' antwoordt ze prompt. 'De vraag of er wat te eten is, en natuurlijk kinderen krijgen. Maar het seksuele contact betekende niets voor me. Ja, een zwangerschap betekende het, niet meer. Wel een bepaalde soort trots, met de groep mannen waartoe ik behoorde. Dat die bezit van me nam. Maar er was geen prettige lichamelijke prikkel als ik gemeenschap had met een man. Nee, voor mij niet. Ik vond er niet zoveel aan, maar ik weet niet of dat voor ieder vrouwtje gold. Ik spreek alleen voor mijzelf.
5.80
Ik vond het een beetje irritant, maar ik geloof niet dat iedereen dat had. Ik denk toch wel dat het bestond, dat andere vrouwen het prettig vonden. Maar ik zelf vond dat ze maar niet zo vervelend moesten doen, die mannen. Ook heel sterk omdat ik er tegenop zag om zwanger te worden.'
'Waar kom je daar in de geest aan Gene Zijde terecht? En wat ervaar je dan?'
' Verbazing. Dat ik zo laag gezakt ben. Ja!'
'Merkwaardig, in die eerste incarnaties was jij je dat niet zo bewust.' 'Ik verbaas me,'
zegt ze, 'dat ik me daar druk over maak. Het is niet zo dat ik me echt bewust ben, dat ik een heel eind hoger was. Maar aan deze kant besef je datje duidelijk meer ziet, meer weet. En je ziet gewoon wat voor een belachelijk leven je lijdt, daar beneden op aarde. Ja, heel primitief en heel weinig bewust van de dingen. En mijn bewustzijn is nu opeens weer open gebloeid. Dat is weer open voor andere invloeden. Ik weet dat het mijn zevende incarnatie is, maar die levens kan ik niet allemaal overzien. Het vorige leven, als die machtige man, kan ik nog redelijk goed overzien; die zesde incarnatie dus. En die vijfde incarnatie, ik weet dat die er is, maar ik weet niet meer precies wat daarin gebeurde. Nou, en daarvóór wordt het steeds vager. Dus de oorsprong weet ik niet meer.'
'Heb je toch het gevoel daar aan Gene Zijde gelukkig te zijn? Daar waar je nu bent?'
'Ja? Gelukkig? Ik heb wel het gevoel dat het anders moet worden. Een gevoel dat ik aan mezelf moet werken. Ik weet dat ik niet zo onbewust wil leven als in dat laatste leven, daar beneden op aarde.'
En dat heel onbewust leven gebeurt nu nog. Ons waakbewustzijn van alledag is ook nu nog zo laag, dat we ons feiten en gebeurtenissen van minder belang, die kort geleden plaatsvonden, niet meer kunnen herinneren. In de trance - toestand is dat veel en veel beter. Vandaar dat ik de trance een toestand van verruimd bewustzijn blijf noemen.
De slaap is een toestand van vernauwd bewustzijn, waarin het autonome on- derbewustzijn, dat vierentwintig uur per etmaal in actie is, overneemt.
'En dat ik het bewustzijn, dat ik aan deze spirituele kant bezit, naar het vlees wil brengen,' voegt ze aan haar zelfanalyse toe. 'Ja, dat is weer een hele evolutie,' zegt ze, na enig stilzwijgen. 'Het duurt lang. Het is wel mogelijk tot een zekere bewustzijnsverhoging te komen. Maar het is niet mogelijk om hetzelfde niveau van bewustzijn op aarde te bereiken, als hier aan Gene Zijde. Ja, maar ik verlang toch naar een nieuw lichaam.'
Dat zal in latere levens heel sterk veranderen in een hunkering naar het
5.81
Licht en om daar te blijven.
'Gebeuren er nog bijzondere dingen, als je daar aan Gene Zijde bent?' 'Nou, ik heb het gevoel dat ik andere entiteiten ontmoet en daarmee, met die groep, een soort plan maak. Ja, toch hoe je dat bewustzijn moet opvoeren in het vlees. Ik heb het idee, dat als je het met een groep probeert, dat het dan sterker is, meer kans van slagen heeft dan wanneer je dat in je eentje probeert.'
'Het bewustzijn van die zilveren zee van Geest, in hoeverre is dat nu nog aanwezig?'
'Een fractie,' antwoordt ze onmiddellijk. 'Je weet waar je vandaan komt, maar je kunt dat niet meer waarnemen. Maar ik denk dat er toch een bepaalde beïnvloeding is, dat we het in ieder geval blijven weten.' 'Heb je het gevoel daar dicht bij het aardse te zijn?' 'O ja. Ja, heel dichtbij! Je volgt nu helemaal wat er gebeurt op aarde. En ik moet lang wachten totdat ik weer een nieuw lichaam kan betrekken. Het lichaam moet ook weer een bepaalde evolutie doorgemaakt hebben, voordat we ons bewustzijnsplannetje kunnen uitvoeren. Alle condities daarvoor moeten eerst geschapen worden. Maar er zijn ook niet genoeg lichamen.'