DE TWINTIGSTE INCARNATIE
'Ga nu naar je opvolgende leven. Je gaat weer terug naar de aarde, je reïncarneert. Het wordt je twintigste incarnatie op het aardse plan, het leven dat volgt op je dood onderaan die waterval.' (Instructies volgen.) 'Je bent nu op weg naar dat leven of je bent er middenin. In ieder geval kom je daar bij een voor jou belangrijke gebeurtenis. Wat zie je, wat
11.160
gebeurt er, wat ervaar je?'
'Ik kom aansuizen door de ruimte vanuit Gene Zijde. Ik ben nog in de geest. Maar ik ben nog nergens op aarde naar op weg. En ik heb het nog steeds koud.' (Instructies volgen, om de koude te doen verdwijnen.) 'Je gaat naar je twintigste incarnatie. Wat gebeurt er nu?' vraag ik nogmaals.
Ze begint met onderbewust vluchtwegen te zoeken, door verwarrende, caleidoscopische beelden uit latere levens te creëren. Maar ik blijf persisteren op haar twintigste incarnatie, door de instructies duidelijk te herhalen. Er is kennelijk iets heel onprettigs op komst. 'Ben je op weg naar een zwangere vrouw? Of ben je al in een lichaam?' 'Ik heb het gevoel dat ik op de tocht lig. Ik krijg het echt weer vreselijk koud. Maar nu overal. Niet alleen op mijn rug. Het is net alsof het hard waait.
Ik zie een heel erg vochtige rots. Een grote rots van enorm vochtige steen. Daar zitten mensen in ... en het lijkt net alsof ze zwarte doeken dragen. Ze zitten allemaal in rondjes, in halve cirkels. En in een zijkamer zijn allemaal mensen met alleen maar lendendoeken om. Het lijkt wel of die gevangen zitten. En ze zitten ook heel raar. Met hun handen omhoog gebonden tegen de muur. Het zijn mensen met een gele huidskleur. Er hangt een rare, onheilspellende sfeer.
De mensen met die zwarte doeken om, die daar zitten, zijn ook in afwachting van iets. Alsof er een rechter moet komen, die eh ...' Ze stopt abrupt.
'En hoe komt het dat jij het zo koud hebt?' 'Ja, het is daar ook zo vochtig.'
'Waar pas jij ergens in dat geheel?' Er is een voelbare spanning, als ik dat vraag.
'Nou, ik zie mezelf niet. Ik zie alleen dat beeld en die ruimte daar. Nou ... Ik ben niet één van die mannen in zwarte doeken en ook niet één van die gevangenen. Ik ben misschien degene, waarop ze wachten,' zegt ze met enige aarzeling.
'Op wie wordt daar gewacht? Wie is het die daar moet komen?'
'Het lijkt me zo dat ze weer iets met die gevangenen gaan doen.'
'Wat gaan ze met die gevangenen doen?' vraag ik nu dwingend.
'Die worden vermoord. Hun koppen worden er afgehakt. Maar waarom ze dat niet meteen doen, dat weet ik niet. Er zijn wel veertig of vijftig van die kerels in het zwart in die rots aanwezig. Die gaan allemaal kijken hoe hij dat doet.'
'Is er een beul, zoals dat genoemd wordt?' 'Ja,' zegt ze kortaf en ontwijkend. 'Is hijeral?'
'Ja. Dat is er toch ook één in het zwart. Misschien zijn ze wel bedekt met zwarte kleurstof, met een soort zwarte verf ingesmeerd.'
11.161
'Maar waar ben jij toch in dit geheel?'
'Ja, ik zal wel hakken of mijn kop gaat eraf. Eén van de twee.'
'Welke van de twee is het?' dring ik aan. 'Aan welke kant sta jij?'
Ze lacht een beetje zonderling en zegt: 'Ik vermoed dat ik hak, maar uh, alleen, het kan me allemaal ...' zegt ze met zachte stem en ze maakt haar zin niet verder af.
'Jij bent één van die kerels in het zwart,' constateer ik meer dan ik het vraag.
'Nee. Ik hak,' zegt ze ineens met nadruk. 'Volgens mij wel. Dat voel ik, maar ik zie het nou niet.' Ze wil het niet zien, weert het af, en dat is te begrijpen.
'Ik heb het er ook heel koud van,' voegt ze eraan toe. 'Hak jij de koppen eraf?' vraag ik toch nog,verbaasd. 'Ja. Volgens mij wel,' zegt ze nog eens, maar nu heel kalm en ongeëmotioneerd.
'Ik tel van één tot drie. Bij de tel van drie is dit beeld voorgoed van het beeldscherm van je geest verdwenen,' instrueer ik haar. 'Eén, twee, drie!' De stilte die valt, is weldadig. Einde.
En dit was zeker niet het laatste van de levens die ze eerst maar eens moest afwerken. Levens waarover geen discussie nodig was. Alleen een 'dan zie je wel.'
Aan Gene Zijde, wel te verstaan.
Niettemin blijven het voor mijn regressante vorige levens uit lang vervlogen aardse tijden. Levens die inmiddels wel verwerkt zijn en vergeten kunnen worden. Voorbij, in aardse tijd en ruimte vervlogen, weggegleden in de oertijd. De voorafgaande cyclus van twintig incarnaties van één en hetzelfde IK/Ego is een model dat mutatis mutandis (dat wil zeggen met de voor een ander geval nodige veranderingen) van toepassing is op iedere levenscyclus van het verschijnsel mens. Het is een model dat in essentie opgaat voor de handel en wandel van alle persoonlijkheden uit een en dezelfde ziele-eenheid, inclusief de gevolgen daarvan. Deze gevolgen zijn in onze huidige samenleving vergelijkenderwijs maar al te duidelijk om ons heen waarneembaar en herkenbaar.
In de praktijk zal die totale handel en wandel, de levenservaring en de reactie daarop, van persoonlijkheid tot persoonlijkheid zodanig verschillen, dat we al heel gauw persoonlijkheden te zien krijgen met een unieke, eigen infrastructuur, waarvan geen tweede bestaat. We zien dus een model dat in detail zal verschillen van andere modellen, waardoor de ene persoonlijkheid heel positief naar een hoger spiritueel en moreel niveau toe groeit, terwijl de andere persoonlijkheid heel negatief op een lager niveau blijft of verder afzakt. Kortom een fluctuerend groeiproces van
11.162
persoonlijkheden onderling.
Maar voor de beoordeling en de gevolgen daarvan binnen ieder model, gelden in wezen dezelfde maatstaven. Daarom is het naar mijn mening overbodig hier nog één of meer cycli van levens van andere ziele-eenhe-den (IK/Ego's) toe te voegen. De uitkomst daarvan zal, in de kern, steeds weer hetzelfde grondbeginsel laten zien. Dat heb ik in de vele reeksen vorige levens uit mijn praktijk duidelijk kunnen constateren. Alle ervaringen van de elkaar opvolgende persoonlijkheden van de ziele-eenheid zijn bedoeld als lering voor de ziel. Het leven op aarde is een leerschool, een uitdaging. In wezen zijn er geen slechte mensen. Maar er zijn wel mensen die kleine of grote fouten maken, die zij kunnenverbete-ren.
11.172