DE ELFDE INCARNATIE
'Vertel me wat er gebeurt, wat je ziet, wat je ervaart.'
7.102
'Ik ben weer in een oerwoud. In een zeer dicht bebost gebied. En ik word midden in het bos geboren. Zomaar, waar niemand bij is. Ja, mijn moeder natuurlijk,' zegt ze lachend. 'Zomaar, spontaan.' 'Is dit je elfde incarnatie, klopt dat?'
'Ja. Na de vorige. Dit moet dan wel de elfde zijn. En uh, het is best wel leuk. Floep, en ineens ben ik er. Een zeer voorspoedige bevalling. Zij, mijn moeder, zit op een paar stammen van omgevallen bomen. En ik hoepel er zo uit, heel makkelijk. Ik val daar rustig op een bed van planten en bladeren, en wat daar nog meer ligt of groeit. Ik zweef nog om dat babylichaampje heen, maar dat is wel leuk. Het lijkt een soort aapje, helemaal vol met haren.' 'Hé, helemaal behaard?' vraag ik verbaasd.
'Ja. Maar mijn moeder niet. Dat nesthaar zal er wel weer af gaan. Het is zwart haar en het lichaampje heeft een donkere huid. Iets donkerder dan in het voorgaande leven, maar lichter dan van het zwarte ras.' 'En je moeder, hoe ziet die eruit?'
'Ook zwart haar en een donkere huid. Maar die is niet zwart, meer donkerbruin. En het hoofdhaar staat bij haar nu iets wijder uit, want in het vorige leven was het echt haar dat stijl naar beneden viel. Zo vettig tegen het hoofd geplakt. Nou is het toch iets gekruld. Een klein beetje zoals een schapenvacht. Maar een schapenvacht is in van die rolletjes gedraaid, en dat is dit haar niet. Het is wel lang, wel tot ongeveer tussen de schouderbladen. Afhangend haar, in ieder geval.
Ik zweef niet meer om het pasgeboren kind heen. Ik ben er al in. Mijn moeder legt me aan de borst. Dat vind ik prettig, ja lekker. Maar er is nog iets, vlak nadat ik geboren ben. Dichtbij is er ook een rivier. En mijn moeder gaat in de rivier zitten. Lekker afkoelen, denk ik. Maar ik word ook in het water geploft. En dat vind ik toch niet zo prettig. Ik denk dat ik ook gewassen word. Maar dat is me nooit eerder overkomen.'
'Dus dat is ook weer een stapje vooruit,' kom ik ertussen. 'Ja,' zegt ze nadenkend.
'Ze houdt me wel vast, hoor. En het is vrij snel stromend water, zodat het me vanzelf afspoelt. Oh! Ik vind het niet zo prettig, want het water is ijskoud, en ik denk, dat gaat fout. Ik begin flink te schreeuwen, maar goed, daar trekt ze zich niet veel van aan. En ze spoelt zichzelf ook schoon. Het is niet echt wassen met de handen, maar het water langs zich heen laten stromen. Het is heel mooi, helder water, glashelder werkelijk. Het is weer zo'n rotswand die daar loopt, en daar komt die rivier uit. Uit een spleet, en dat gaat heel hard. Beneden vormt dat water een waterval. Het is oerwoud, met hier en daar een stuk steen. Wij zitten boven aan de waterval. We kijken neer op een dal, en in dat dal verandert die waterval in een rivier. En daarboven kun je goed lopen. Er komt maar een dun straaltje water uit de rots. Maar ik zie dat er van meer kanten water uit komt. Overal
7.103
sijpelt er water uit allerlei spleten en gaten. Het is een rotswand die heel ver doorloopt. Maar dit was maar een heel klein beetje water, waarin ik terechtkwam, waardoor je erin kunt zitten.'
'Ga weer eens uit je lichaam en kijk om je heen. Wat zie je dan verder nog aan mensen en verblijfplaatsen?'
'Nou, ik denk dat mijn moeder en ik daar alleen zijn. Er is verder niemand. En we zijn misschien wel verdwaald. Ja, of kwijt. Ik weet het niet. Of misschien zijn we expres achtergebleven. Het is geen normale situatie, maar ze is er niet van in paniek. Ze vindt het allemaal wel goed zo, mijn moeder. Dus we hebben geen huis. Maar het is er lekker, geen koud klimaat. En ook niet echt heet. Dat oerwoud werkt verkoelend.' 'Ga wat verder vooruit in de aardse tijd, in dat leven van je, zodat je daarover kunt vertellen.'
'Mijn moeder en ik waren inderdaad verdwaald. Ik denk dat zij achtergebleven is, vanwege de bevalling. En dat ze de anderen van de stam niet meer kon vinden. Nou lopen we toch achter die groep aan, tenminste, de kant op waarnaar zij zijn verder getrokken. En ze draagt mij nu op haar arm. Dan, op een later moment, ik kan al wat lopen, komen we bij een vreemde stamgemeenschap. Eerst worden we weggejaagd, omdat we daar niet thuishoren. Dan probeert ze het een tweede keer, en wordt weer weggejaagd. Daarna is ze een heleboel vruchten, bessen, wortels en dergelijke aan het plukken gegaan. Daar is ze tijden mee bezig. Dan moet ik ook meehelpen. Die vruchten worden ergens verstopt, maar niet voor lang. Als ze dan nog een keer naar die stam gaat, liggen die vruchten allemaal op bladeren die we geplukt hebben. Het is bedoeld als een vorm van ons inkopen in die stam. De vruchten biedt zij daar aan. Maar het is niet voldoende.'
De hebberige mens moet in zon situatie altijd meer hebben. De moeilijke toestand van de ander uitbuiten. Maar het zal ook wel karma zijn.
'En de vruchten mogen ook niet meer weg worden gehaald,' zegt ze. 'Dus die worden ons afgenomen. En mijn moeder en ik mogen daarna in de stam komen ... Maar dan moet mijn moeder zich seksueel aanbieden. Ze wordt verkracht, lijkt het haast wel. Tenminste, zoals ik dat zie, vind ik dat. Maar het hoort kennelijk tot de gebruiken van de stam. Als een soort initiatie om binnen te komen. En het zijn meerdere mannen die het doen. Ik denk dat ze een kind moet baren van één van die mannen en dat ze dan pas echt bij de stam hoort.
Ze vind het heel erg. Maar ze doet het alleen, omdat we anders onbeschermd zijn in dat oerwoud. Ja, het is toch heel duidelijk dat ik in de gaten heb wat er aan de hand is. Maar ik ben nu wel wat groter, ik loop al.'
'Aan hoeveel mannen moetje moeder zich wel geven?'
7.110
'Ze is helemaal geïsoleerd, totdat ze in verwachting is. Zo lang moet ze die mannen bij zich toelaten. Totdat ze een kind gaat krijgen van welke man dan ook. Daarna leven we in die stam.'
'Wordt ze dan door een bepaalde man aanvaard of is ze toch nog verbonden met meerdere mannen?'
'Nou, ze blijft toch wel enigszins buiten die stam staan. Toch een "buitenbeentje", en ik ook. Ik word meteen van haar gescheiden. Maar het kind van haar, dat in de stam geboren is, niet. Ik word beschouwd als een vreemd kind, en ik word van haar weggehouden, want ik moet alle gewoonten en dergelijke van deze stam leren. Ik mag niet de gewoonten van een andere stam aanleren. En die zou juist mijn moeder me kunnen bijbrengen.' 'Hoe oud ben je nu?'
'Een jaar of vier, vijf. En ik ben een jongen,' voegt ze eraan toe. Ze zucht diep.
'In wat voor verblijven wordt daar geleefd?'
'In hutten. Maar het is weer dezelfde vorm als in het voorgaande leven. Nou niet tegen een rotswand aan, maar in een kring gebouwd. En ze hebben een dichte achterkant. Eerst hadden ze alleen een boogvorm, aan twee kanten open. Ze zijn ook weer gebouwd van datzelfde hout en bladeren. Soms zijn er, als het niet uitkwam, losse takken doorgevlochten. Niet alleen omgebogen kruinen van buigzame bomen dus.' 'Heb je de indruk datje in hetzelfde gebied bent als in je vorige incarnatie?'
'Ja,volgens mij wel. Maar niet in dat heel erg hete gedeelte. Het is er toch nog wel warm, hoor.'
'Je bent een jongen, vertel eens wat meer over de gebruiken van die stam?'
'Het is weer de jacht voor de mannen en de vrouwen zorgen voor het voedsel. Ik zie ook meer vrouwen pottenbakken van rivierklei. Ik zie dat ze daar potten en bakken van maken, ook kookpotten. Er wordt hoofdzakelijk vlees gegeten. De mannen jagen dus, en er is ook weer wat meer voor ze dan in het voorgaande leven. Een soort "oorlogjes" met andere stammen. Bijvoorbeeld, het verdringen van een stam van zijn jachtgebied. Dat gaat weer gepaard met bloedbaden. Een mensenleven telt niet. Tenminste, niet als het voor het "goede doel" is. Maar als er iemand zomaar vermoord wordt, dan is dat toch wel ernstig ... en onaanvaardbaar.'
'Hoe staat het met het bewustzijn? Is dat nog steeds op een laag niveau of is het toch al weer wat meer verruimd?'
'Het is ongeveer hetzelfde als hiervoor, misschien iets meer. Tenminste, de band die ik had met mijn moedertje, dat was toch heel duidelijk genegenheid. En ik voel nu ook heel duidelijk een onrecht, mij aangedaan.' 'In wat voor opzicht? Wat is er gebeurd?'
7.105
'Nou, ik mag niet dezelfde dingen leren als de andere mannen van de stam.'
Ze weten dus nu al heel goed wat discriminatie is. 'Je hebt niet dezelfde rechten?'
vraag ik.
'Ja, volgens hen wel. Maar het komt erop neer, dat ik altijd de laatste moet zijn. En als er niets meer is, dan is dat jammer. Ik word gewoon beknot en achtergesteld.'
'Ga eens wat verder in de aardse tijd, totdat je een volwassen man bent.' (Instructies volgen.) 'En ga nu naar een voor jou belangrijke gebeurtenis. Wat volgt er dan?'
'Ik, uh,' ze lacht. Desondanks zegt ze, 'nou, het is niet zo leuk, nee. Maar ik moet eigenlijk lachen omdat het zo stom is ... Ik vermoord er één!' gooit ze er abrupt uit.
'Een jongen waarmee ik werd opgeleid. Want we moesten gaan jagen en ik had iets groots gedood, een flinke jachtbuit. Ik kreeg een klap op mijn hersens, en toen ging hij er met de buit vandoor.'
'Dat klopt natuurlijk niet,' reageer ik. 'En wat heb je toen gedaan?' 'Niks. Maar hij werd door allemaal geëerd in zijn dorp. Nou, en ik kwam terug met een flinke bult op mijn hoofd en verder niets. Dus hij werd vanaf die dag als man gewaardeerd en ik was mislukt. En dat pikte ik niet. Maar het had geen zin om dat te zeggen want ik zou toch niet worden geloofd. Dat voel je. Dat hoefje niet eens te proberen.' 'En wat deed je vervolgens?'
'Wel, de volgende keer dat we op jacht waren, toen richtte ik mijn speer maar op hem.' Ze gniffelt even. 'Vriendelijk type ben ik, hè. Jeetje. Maar dat was wel zijn einde.'
'Liep dat wel goed af? Heb je soms gezegd dat hij werd aangevallen? Of wat heb je gedaan om dit te verklaren? Wat is daarop gevolgd?' 'Hmm.' Er valt een lange stilte.
'Zijn ze uitgegaan om hem te zoeken?' vraag ik dan. 'Ja...' diepe zucht, 'ik weet niet. Ik heb hem die speer in zijn rug gegooid. Laf hè? Bah!' 'Was hij meteen dood?' 'Hij viel wel voorover ...' 'En je hebt verder niet naar hem omgekeken?'
'Jawel, natuurlijk, ik moest die speer toch terug hebben. Ik heb nog even die speer doorgeduwd, zodat ik zeker wist dat hij dood was. En toen heb ik hem eruit getrokken.'
'Ben je daarna direct naar het dorp teruggegaan of heb je eerst nog verder gejaagd, tot je een prooi gevonden had?'
'Ik weet het niet zo goed,' zegt ze aarzelend. Er is tegenzin in een confrontatie met wat nu gaat volgen, dat is duidelijk. Ze krijgt instructies om er toch doorheen te gaan. En ik vraag verder. 'Wat doe je? Ga je verder met jagen of ga je naar het dorp terug?'
7.106
'Nee, ik ga verder jagen en ik krijg toch iets te pakken. Dan ga ik terug naar het dorp met de jachtbuit...' Maar ik denk dat de eerste versie de juiste is. 'Er is verder niks aan de hand. Alleen mijn moeder weet wat ik gedaan heb. Dat moet ze intuïtief gevoeld hebben, langs telepathische weg. En dat vond ze niet zo goed.' 'Je hebt daar karma opgedaan,' zeg ik rustig tegen haar. 'Tja,' bevestigt ze, er niet zo goed raad mee wetend. 'En niet zo zuinig ook. Maar op één of andere manier is het bekend wat er gebeurd is. Er gebeurt ook nog wel wat met mij, maar ik weet niet precies wat.' De angst in haar houdt de cruciale gebeurtenissen die volgen onbewust tegen.
En ze gaat verder: 'Want de anderen komen er ook langs telepathische weg achter, veronderstel ik. Ja, en ik denk dat het ook wel bekend was dat die andere gast het van mij gepikt had. En ik vermoed dat iedereen aanvoelt dat ik dat gedaan heb!' Ze gooit het er op heftige toon uit. 'En wat gebeurt er dan?'
'Dan prikken ze mij ook in mijn buik. Hetzelfde als in het vorige leven.' Ze is opgewonden en lacht ongecontroleerd. 'Nee? Even kijken ...' Ze probeert tijd te winnen. Er is weerstand.
'Zonder pijn en zonder emotie kun je mij nu rustig vertellen wat ze doen.'
'Nou, de vader van die jongen, ik denk tenminste dat het zijn vader is, die neemt gewoon wraak'
Dat is wel het slechtste wat hij doen kan, want daardoor wordt door hem nog meer karma veroorzaakt, waarvan hij later zelf het gevolg zal ondervinden.
'En doet hij dat waar iedereen bij is?'
'Nee. Dat gebeurt ook buiten het dorp. Dat gebeurt allemaal buiten de gezichtskring van de stam. Op een bepaald moment gaat hij achter mij aan. Dan ben ik aan het jagen ... en dan gebeurt er eigenlijk hetzelfde als ik met zijn zoon gedaan heb.' De geschiedenis herhaalt zich. 'Nou, alleen is die man wat vriendelijker, en hij zegt:
"Draai je maar even om". Hij doet het in ieder geval niet in de rug. En hij geeft me nog de kans om mijn speer naar hem te gooien ...' 'Is het een soort tweegevecht?'
'Nee, dat niet eens. Ik ben zonder meer verloren. Die man is veel sterker en groter dan ik. Ik ben nog jong. Het is vlak voor mijn inwijding tot man. En toen ben ik dus geen man geworden, want die zoon had mij te pakken genomen bij de jacht.'
'Dus je hebt niet eens een meisje bezeten.'
'Nee. Zelfs dat niet,' zegt hij /zij treurig.
'Jammer voor je,' stem ik met haar in.
7.113
'Zonde hè,' zegt ze een beetje spottend. 'En dan krijg ik zo'n speer in mijn maag.'
'Ben je onmiddellijk dood?'
'Nou, hij duwt ... aah jakkes, bah ... hij duwt die speer nog even flink aan, en dan is het wel gebeurd met mij. Au wuh!' Ze rilt even. 'Het is nogal een vieze boel.'
'Wel, je bent overleden en aan Gene Zijde. Je bent door de stervenservaring heengegaan. Dat heb je achter de rug. Je bent nu in de geest en je ziet je lichaam daar beneden liggen. Het was maar een kort leven. Wat kun je erover zeggen?'
'Ik heb de indruk dat ik dat greintje bewustzijn dat ik meer had, totaal verkeerd gebruikt heb. Dat was uiteraard niet de bedoeling, maar dat is gewoon gebeurd. De bedoeling was dus duidelijk dat ik het leerde beter te gebruiken ...'
'Heb je enig idee waar dat leven zich afspeelde? In welk deel van de wereld?'
'Volgens mij is het in een deel van de wereld, dat er nu niet meer is. Ik zit aan LEMURIA te denken. Ja, daar in de Stille Oceaan. Het is verloren gegaan in de zee, gezonken, evenals Atlantis. Ik weet het nu zeker. Het was op een verdwenen continent.'
'Blijf je nu lang daar aan Gene Zijde? Of maak je het plan om weer snel te reïncarneren?'
'Nou nee, ik blijf er voorlopig maar. Ik heb de indruk dat ik zoveel puinhopen heb aangericht in die twee korte periodes, dat ik even tot bezinning moet komen.' En wat is even?
'Hoe doe je dat daar? Dat tot bezinning komen?' 'Bij jezelf trachten te realiseren wat eigenlijk de reden is dat je zo handelt. Gewoon analyseren waarom je bepaalde dingen gedaan hebt. En mijn conclusie is, dat er een zekere mate van jaloezie was, die daar is ontstaan. En ook het gevoel, onrecht aangedaan te worden.' 'Was dat een vorm van meer bewustzijn?' 'Ja, ik denk het wel. Dat was nieuw allemaal.' 'En wat nog meer?'
'Die vader stak mij niet neer uit wraakgevoelens. Het was een wetmatigheid. Dat moest gewoon gebeuren, omdat ik zijn zoon had gedood. Dus dat was heel wat anders dan wat ik deed. Ik deed het uit pure woede, onmacht en jaloezie. Er zat wel een zekere rechtvaardiging in wat ik deed, maar de gevoelens daarachter waren negatief.'
Ik denk toch dat zij hier, ondanks haar juiste zelfanalyse, een verkeerde interpretatie geeft van het gebeurde. Het foutieve 'oog om oog, tand om tand'-principe. Ook die vader mocht geen kwaad met kwaad vergelden. Hij nam onterecht het recht in eigen hand en begreep nog niet dat het ook karma van
7.108
hem en zijn zoon was. Mijn regressante is daar, in die fase van haar ontwikkeling, ook nog niet zover dat ze beseft dat niemand agressie met agressie mag beantwoorden, maar dat we, zoals Christus leerde, de linkerwang moeten toekeren en liefde en vergevingsgezindheid moeten laten prevaleren. Dat is ook de enige manier waarop karma in de zin van de vicieuze cirkel van wraak die weer nieuwe wraak uitlokt, kan worden doorbroken. Maar dit besef komt pas veel later.
'En volgens mij,' gaat ze verder, 'was ook mijn moeder hetzelfde meisje als in het voorgaande leven, in die hut, toen ik seksueel werd ingewijd. Mijn eerste geliefde.'
'Wat analyseerde je verder uit dat leven?'
'Dat ik toch moeite had met het me aanpassen aan een lagere positie, het van veel minder belang zijn in die stam. Karma. Dat was in de andere incarnaties ook wel het geval, maar daarin was ik toch vrij belangrijk. Nou, belangrijk? Dat is een beetje een groot woord,' relativeert ze, 'want de vorige keer leefde ik daar ook niet lang genoeg voor. Maar ik was wel in een positie om belangrijkheid te kunnen halen, terwijl het nu heel duidelijk was dat ik nooit belangrijk zou kunnen worden, wat ik ook presteerde. Ik was in een zeer nederige positie gedwongen. En van daaruit kwam een heleboel agressie opzetten. Er kwam een soort onmacht over me. Zo nodig moeten, maar niet kunnen.' 'Je zei datje moeder uit dit laatste leven je geliefde was in het leven hiervoor. Dat meisje waardoor je werd ingewijd in de liefde. Je herkende haar toen ook al uit een eerder leven. Dus daar is een heel tedere band ontstaan tussen jou en die vrouw Een voorbeeld van positief karma. Is er nog meer uit de analyse van dit laatste leven tevoorschijn gekomen, uit wat daarin allemaal gebeurde? Wantje zegt datje tijd nodig hebt om die levens, die te snel zijn verlopen, te overdenken. Wat is er voor een schakel tussen dit leven, dat je verlaten hebt als die jongeman die eigenlijk niet tot de stam behoorde, en dat leven daarvoor, toen je door een oeros op de horens werd genomen?'
'In dat vorige leven was ik vrolijk en vrij, en in dit afgelopen leven was ik gekneveld. Misschien was het juist wel door mijn vrolijkheid en vrijheid dat ik daar op de horen van dat beest werd genomen. Dat ik te zorgeloos ben geweest. Dat kan best, want alles ging toen zo gemakkelijk. Dit laatste leven is precies het omgekeerde. Een harde levensles.' 'Wat doe je daar dan aan Gene Zijde, in die periode tussen twee levens?'
'Ik probeer een oplossing te vinden voor mijn probleem, niet zo zorgeloos te zijn. En hier zoveel mogelijk op te lossen, hopend dat ik mentaal in een goede conditie zal zijn om het probleem in het komende leven op aarde ook te kunnen oplossen.'
'Je bent je er wel van bewust, daar aan Gene Zijde, datje al datgene wat
7.115
je aan problematiek op het aardse plan ontmoet, ook weer op de aarde opnieuw moet ontmoeten om het daar, en daar alleen, op te lossen?' 'Dat ervaar ik op dit moment,' antwoordt ze.
'Dus tijdens je verblijf aan Gene Zijde valt, wat dat betreft, niet zoveel op te lossen. Er valt wel veel te leren en te begrijpen.' 'Ja, precies. Dat bedoel ik ook,' zegt ze.
'Het hier echt oplossen is natuurlijk niet mogelijk. Maar er is wel hulp bij dat leerproces. Je bent met een groep, en die hulp is niet heel duidelijk aanwezig. Niet zo van, hier ben ik en luister nu maar. Het is een soort richtlijn die op je afkomt.' Ze doelt waarschijnlijk op een universele, allesomvattende, kosmische wet, door de Schepper gegeven.
'Je zei, ik ben met een groep. Zijn die daar allemaal voor lering?' 'Ja. Voor verschillende vormen van problematiek van zeer uiteenlopende aard, en op ieder ’s eigen levens gericht. Ik ken die entiteiten. Ze behoren tot mijn groep. Er zijn er genoeg bij die ik ken vanaf mijn eerste incarnatie. Maar er zijn er ook afgevallen en nieuwe bijgekomen. En die reïncarneren weer min of meer gelijk met mij. Vooral naarmate ze dezelfde ontwikkeling doormaken. In hetzelfde tempo eigenlijk. Wat over het algemeen toch wel gebeurt. Je zou kunnen zeggen dat die kerngroepen bij elkaar blijven.'
'Komt er dan een bepaald moment datje denkt, nu genoeg hier gemediteerd, geanalyseerd en geleerd? Of hoe gaat dat?' 'Op een gegeven moment dan ben je uitgewerkt. Ja, precies, genoeg gedaan. Dan denk je, nou kan het wel.'
'Heb je daar al ontdekt dat je, door die jongen dood te steken, een behoorlijke hoeveelheid karma hebt opgedaan?'
'Ja nou,' zegt ze, 'daar ben ik me heel erg van bewust. En ik overweeg om het op te lossen in het volgende leven. In mijn twaalfde incarnatie' 'Dan komt het moment dat je weer naar de aarde terug moet. Hoe ontdek je dat?' lIk word weggezogen!
'Word je het je eerst nog bewust, dat je terug moet naar de aarde om te reïncarneren?'
'Het feit dat het gaat gebeuren, weet je. Het moment dat het staat te gebeuren, weet je zelf ook. Maar het wordt je niet meegedeeld. Nou, en dan ga ik,' zegt ze eenvoudig. 'Het gaat razendsnel. Je suist door de ruimte, vanuit Gene Zijde naar de aarde en naar de plaats waar je reïncarneert.'
'Waar word je deze keer naar toe gezogen? Waar kom je terecht?' (Instructies volgen.) 'Je komt op de plaats waar je opnieuw geboren wordt. Je twaalfde incarnatie, klopt dat?'
'Ja,' zegt ze zwakjes. 'Ik zie het nu niet meer zo goed. Ik ben ook best wel moe.'
'Kun je nog iets zeggen over dat komende leven, zodat we daar in een
7.116
volgende sessie makkelijk op aan kunnen sluiten?'
'Ja, ik zie weer een dor grasland. Maar verder zie ik niemand. Ook geen moeder daar...'
'Zullen we de sessie dan hier maar beëindigen?'
'Ja,' zegt mijn regressante met een nu duidelijk vermoeide stem. En zo eindigt haar elfde leven op aarde sedert haar komst naar deze planeet, als een volkomen spirituele entiteit, als Goddelijk Beginsel.
Door de handel en wandel van de mens, door telkens iets meer bewustzijn, worden de levens steeds completer, steeds ingewikkelder, in relatie tot de ander en anderen. De voorgaande regressies tonen dat al aan. We zien heel duidelijk hoe gedragspatronen zich daarin geleidelijk aan ontwikkelen tot problemen. Hoe ze ontstaan en opvolgende levens gaan beïnvloeden. Karma en trauma, soms met elkaar verbonden of verweven, soms gescheiden van elkaar. Karma, zowel positief als negatief. Liefde en genegenheid of haat en wraak in vorige levens gaan in evenredigheid mee naar opvolgende levens.
7.111
8
De twaalfde en de dertiende incarnatie
De geschiedenis herhaalt zich. De zin van leven en lijden. De kracht van haat en wraak. Terugval naar eerder gemaakte fouten. Oorzaak en gevolg. Zwaar karma in de dertiende incarnatie.
Origenes, die leefde van ± 185 tot 254 n.C, is wel de grootste van de Griekse denkers op reïncarnatiegebied. Hij is de eerste Christelijke theoloog en hij leerde de pre-existentie van de ziel of geest. En ook de wet van oorzaak en gevolg, die bepalend is voor de opeenvolgende levens en hun lot door verdiensten en fouten in voorgaande levens. Of kortweg: Oorzaak + gevolg = karma, in feite leeropdracht, lotsbestemming. Het doel van die opeenvolgende levens in een aards lichaam is de terugkeer naar de oorspronkelijke perfectie van de ziel, zo stelde hij. Terugkeer naar het Licht, naar de 'zilveren zee van Geest'.
We zetten ons onderzoek naar de oertijd, naar de eerste levens op aarde voort. De eerste levens van één en dezelfde ziele - eenheid of 'monade', zoals Carl G. Jung die noemt. Levens, gestuurd door één en hetzelfde Centrale Ego, het IK, dat in ieder leven het belangrijkste is. Belangrijker dan de aardse naam die aan een aardse persoonlijkheid wordt gegeven. Namen zijn slechts labels die aan zo'n persoonlijkheid worden gehecht om dat IK te kunnen specificeren. Zij die naar Gene Zijde zijn overgegaan, zeggen dan ook steevast en desgevraagd: 'IK heb geen naam.' De som van al die 'IKKEN' van de levens op aarde tezamen is altijd weer één IK/Ego.
Trouwens, in die eerste incarnaties hadden de mensen helemaal geen naam, zoals thans het geval is. Zo'n persoonlijkheid, uniek als hij is, bezet uitsluitend de ervaring van een leven en spreekt ook steeds van IK; we hebben dit al kunnen constateren. Het zijn niet Jan, Piet of Klaas, Truus, Sophie of Anna die reïncarneren, 'IK
reïncarneer steeds.' In de volgende regressie zullen we dit ook weer merken.
Maandagavond, 5 juli 1982
De vaste avond voor ons experimenteel onderzoek. Mijn regressante is weer aanwezig in mijn stille praktijkkamer. We gaan eerst nog eens naar het einde van haar elfde incarnatie en vervolgens naar haar twaalfde IK, terug in de aardse tijd.
8.112
De trance is snel geïnduceerd, verdere instructies zijn gegeven. En ik vraag haar voor de zoveelste keer: 'Wat zie je, wat gebeurt er, wat ervaar je?'
'Ik ben in een bos, in een oerwoud,' antwoordt ze onmiddellijk. 'En ik lig op de grond met zo'n speer. Ik heb een wond in mijn zij, bij een rib. En ik ben dood.' Ze zegt het met trieste stem. Helemaal ingeleefd in de realiteit van de situatie.
'Ik ben uit mijn lichaam en ik kijk er van boven af op neer,' vervolgt ze. 'Dit is het einde van mijn elfde incarnatie.' Zacht en toonloos komt het eruit.
'Ik zweef daar rond en ik ga weg van de aarde, naar boven. Ik kom in een bepaalde zone. Wel een eindje van de aarde af, maar niet zo heel ver. En ik ervaar daar een soort rust. Maar ik heb toch wel een naar gevoel door wat er gebeurd is. Ik vind het raar en ik ben het aan het overdenken.'
'Wist iedereen in het dorp dat hij dat dier niet tijdens de jacht had buitgemaakt, niet zelf had gedood?' vraag ik haar nu.
'Ja!' zegt ze fel. 'Ja, ze wisten het wel. Ze konden het ook weten, laten we het zo stellen. Als ze er moeite voor hadden gedaan, dan hadden ze het geweten.'
'Betreur je het gebeurde nu, terwijl je daar aan Gene Zijde bent?' 'Ja, ik vind het toch jammer en raar dat het zo gegaan is. Datje elkaar daarvoor van het leven berooft. Dat je daar zo'n punt van maakt. Het was natuurlijk ook niet helemaal eerlijk. Of, het was eigenlijk helemaal niet eerlijk. Nee!'
'Heb je op de plaats waar je nu bent daarover contact met andere entiteiten?'
'Op dit moment niet, nee. Maar er komt wel een moment dat ik contact krijg. Als ik het allemaal 'bekeken' en overdacht heb. Als ik het geanalyseerd heb, dan wel.' De zachte, toonloze stem is weer terug. 'Het is een contact met lotgenoten en een contact met die jongen die ik vermoord heb. Ik zit nu net te overdenken of hij rancuneus is. Het is niet echt makkelijk. We weten niet goed hoe we elkaar moeten benaderen. Ergens vinden we het wel belachelijk, maar van de andere kant is het ook niet eerlijk geweest van hem.' Ze blijft maar bezig met haar eigen gevoel van rancune, terwijl de hele sfeer daar liefde en vrede ademt. 'Wend jij je van hem af of hij zich van jou? Of is dat helemaal niet aan de orde?'
'Ik praat vanuit mezelf,' antwoordt ze. 'Ik denk dat het van mij uitgaat.' 'En wat voor een ontwikkeling vindt er, op dat niveau, dan verder plaats?'
'Die is vanzelfsprekend op die moord gericht. Dat is eigenlijk het belangrijkste dat er is gebeurd. Het is wel duidelijk dat ik met die jongen zal reïncarneren.' Het klinkt alsof ze moeilijkheden verwacht.
8.113
'Is dat de uitdaging, bedoel je dat? Om te kijken hoe jij dan reageert en hoe hij op jou reageert?'
'Nee. Ik weet al wel dat het een "wantrouwige toestand" zal worden. Maar in wat voor een situatie die verpakt zal zijn, dat weet ik niet. We zullen elkaar zeker tegenkomen, op een belangrijk moment. Dat is bekend. Verder niet.'
De dominante vrije wil zal dan bepalen wat er gaat gebeuren: een positieve of een negatieve reactie.
'Gebeurt er nog iets van belang, terwijl je daar aan Gene Zijde verblijft?'
'Nee. Ik ben hier ook met andere entiteiten die wachten op het moment van reïncarnatie. Het is een gedachten contact over het daar Zijn. Ook over volgende levens. En dat het niveau waarop ik nu ben, heel duidelijk nog weg is van het Licht.'
'Houdt dat in datje nu eigenlijk liever daar aan Gene Zijde bent dan op de aarde in een lichaam?'
'Ja? Nou, nee ...' Ze aarzelt even.
'Verlang je toch weer naar een lichaam?'
'Ja, in het lichaam is het ook wel leuk, maar dan om verder te komen. Er is weinig dimensie in deze sfeer hier. Dit niveau is gewoon heel, ja, ik zal het maar saai noemen, statisch. En om daar weg te komen, voel je toch wel aan datje daarom terug moet in een lichaam.' 'Bestaat daar het gevoel van, ik moet lang wachten of het gaat snel voordat ik reïncarneer?'
'Een beetje. Het is niet hetzelfde tijdsbegrip als op aarde, maar meer een opeenvolging van actie. Tijd bestaat hier niet. Niet in minuten, uren of dagen uit te drukken. Nee, dat tijdsbesef is er niet. Meer dat er iets komt en verandert.'
Hetzelfde begrip als het Panta Rhei van de oude Griek Hesiodes, ± 7OO v.C. Het
'alles stroomt', alles is steeds in wording, niets is bestendig. Maar tegelijk, alles is. Er gaat van het totaal niets af en er komt niets bij. Er is uitsluitend 'vormverandering'
in vele aspecten van het Zijn.
'Het lijkt alsof alles hier sneller gaat dan op de aarde, als je het in tijd zou kunnen beseffen,' voegt ze er nog aan toe.
'En dan komt onafwendbaar het moment waarop je teruggaat naar de aarde, naar je twaalfde incarnatie. Wordt er gezegd dat het tijd is en je moet gaan?'
'Ja, toch wel. In die groep is een hogere entiteit die dat een beetje leidt. Die zegt het niet tegen mij, maar die leidt het proces door onderlinge besluiten. En dan komt het zo naar je toe, "nu moet ik gaan"!
8.121
Die hogere entiteit is waarschijnlijk een voorloper van de latere Raad van Drie, Vijf of Zeven. Een beoordeling-en adviesraad bij reïncarnatie, die helpt vorige levens te analyseren en het resultaat daarvan in het levensplan voor de komende, nieuwe incarnatie te integreren. Hij doet bijvoorbeeld onderzoek naar karma en nog te verwerken traumata die meegaan. Een nieuwe persoonlijkheid, nog zonder enige levenservaring, komt, behangen met deze 'ballast' uit vorige levens, naar de aarde om te reïncarneren, om te trachten harmonie te scheppen in de ziele - eenheid die geen enkele disharmonie toelaat.
Ik kom daar later nog op terug bij de behandeling van de meer recente existenties tussen twee levens en het reïncarnatieproces.