De tiende en de elfde incarnatie
Seksuele initiatie van de man. Dans en hartstocht, Herkenning uit een vorige incarnatie. Een jaar verdwaald in het oerwoud. Leven bijeen andere stam. Lemuria. Meer bewustzijn op aarde. Afgunst en moord tijdens en na de jacht.
De leer van Christus wijkt in wezen niet zoveel af van de reïncarnatie-filosofie. Uitspraken uit de Bergrede van Christus, zoals:
WAT JE ZAAIT ZUL JE OOGSTEN.
ALS JE OP DE LINKERWANG GESLAGEN WORDT, KEER DAN OOK DE RECHTER TOE.
HEB JE VIJANDEN LIEF, EN JE NAASTEN, ZOALS JEZELF.
WIE NAAR HET ZWAARD GRIJPT, ZAL DOOR HET ZWAARD VERGAAN.
OORDEEL NIET, OPDAT JE NIET GEOORDEELD ZULT WORDEN, WANT ZOALS JE OORDEELT, ZAL
OOK JIJ GEOORDEELD WORDEN, EN DE MAAT DIE JE GEBRUIKT, ZAL OOK VOOR JOU GEBRUIKT
WORDEN.
Zijn verlossingsleer door de Liefde. Liefde als het oplossen van karma, nonagressie. Dat zijn eveneens de grondslagen van de reïncarnatiedoctrine. Er wordt door de mensen wel geregeld naar deze uitspraken geluisterd, maar ze horen ze niet. Er wordt ook geen gehoor aan gegeven in brede kring, in de praktijk van het leven; niet in ons eigen leven en niet in het leven om ons heen. Het is de stem van een roepende in de woestijn. Bekijk de wereld met haar vele, elkaar vijandige religies en denominaties. Zij zaaien eerder verdeeldheid dan dat zij saamhorigheid in de Liefde van God teweeg brengen. Er heerst
onverdraagzaamheid, fanatisme, verdeeldheid en vijandschap onder ons. En dat is uiteraard geen goede zaak, want wij zijn allen Eén, alle mensen zijn van origine gelijk en vallen onder één noemer: Liefde en Vrijheid.
Er heerst oorlog, moord en doodslag, vernietiging en marteling. En na afloop kijken we niet om, maar zeggen onverschillig: 'Gods wil!' Dat is pacteren met het kwade, het slechte in onszelf, onder de dekmantel van
7.101
God. Het is godslastering.
Kijk in de wereld om je heen en je ziet en hoort dat allemaal gebeuren. En zolang we daar gezamenlijk niets of niet genoeg aan doen, zullen we moeten terugkeren naar deze aarde, en harde lessen moeten leren voordat we voorgoed in het Licht, aan Gene Zijde, ons thuisland, mogen en kunnen blijven. Vandaar uit kunnen we verder evolueren in spirituele zin en opnieuw opgaan in Hem, met inlevering van ons IK, maar wel met behoud van de enorme ervaring die we hebben opgedaan tijdens al die levens op aarde en met het besef van ieder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Het onderzoek én de uitkomst daarvan, de empirische evidentie, verkregen in vele regressies, bevestigen dat. Ook de regressies en progressies, weergegeven in dit boek, zijn bedoeld om dat duidelijk te maken.
Maar we gaan verder, naar de tiende incarnatie van mijn proefpersoon/regressante op aarde. Weer terug naar de oertijd en de pogingen van de mensen om een draaglijke samenleving te scheppen. Dat wil zeggen, draaglijk voor ieder lid van die samenleving en in gelijke mate. De lering uit deze eerste levens op aarde is zo duidelijk een graadmeter voor de toestand van de mens van deze tijd, dat je met verbazing vaststelt: 'Ik begrijp nu hoe het zo gelopen is. En niet zweverig of geëxalteerd, maar in het zicht van de volle realiteit. Er is nog niets veranderd in het intermenselijke gedrag en verkeer.'
Maandag, 24 mei 1982
Mijn regressante is weer zeer snel in diepe trance, en verdere instructies zijn gegeven. Ga terug naar het leven dat direct volgt op je negende incarnatie op aarde, enzovoorts. Met de vraag 'Wat zie je, wat gebeurt er en wat ervaar je?'
beginnen we de sessie. Er volgt een hevig kreunen. 'Ik ben gewond,' zegt ze wanhopig. 'Er is iets in mijn buik gestoken ... oh! Hier, onder mijn ribben.' Ze wijst de plaats aan en er is angst in haar stem, volkomen paniek. 'Ben je dodelijk gewond?'
'Ik denk van wel,' zegt ze somber. Ze lijdt ook duidelijk fysieke pijn. 'Luister!'
instrueer ik haar. 'Ga terug in de tijd, in dat leven, naar een gebeurtenis waarna je nog een hele poos te leven hebt voordatje gewond raakt. De pijn is nu weg en je bent jonger geworden, maar wel volwassen. Wat zie je, wat gebeurt er nu?'
Ze zucht een paar keer heel diep. 'Pff! Ik ben een man ..., en ik weet niet of ik een speer in mijn buik heb gehad, of een hoorn van een dier, waardoor ik ben aangevallen. Maar het was wel raak.' Ze kan er zich kennelijk nog niet van losmaken, maar is wel een stuk rustiger. 'Op een hoorn gespietst, bedoel je?'
7.96
'Ja, zoiets, tijdens de jacht. Maar er is ook een tijd van gevechten met andere mensen die daar eveneens jagen, en die ons onze prooi betwisten. Die zitten misschien op ons jachtgebied. Dus daarom kan het best wel een speer zijn.'
'Hoe oud ben je als dit gebeurt?'
'Poeh! Nog jong. Een jaar of achttien, twintig misschien. Ik ben in de kracht van mijn leven.'
'Je bent een heel stuk jonger,' instrueer ik haar. 'Waar ben je nu?' 'We zijn nu op een vlakte,' antwoordt ze, na een korte pauze. 'Maar daar zijn ook bergen omheen. Het is een hoogvlakte denk ik. En we leven letterlijk tegen die bergen en rotsen aan. Daar maken we van dor gras iets wat op tunneltjes lijkt. Een soort poortjes, zeg maar, waar we onder kunnen schuilen, tegen de bergwand aan. Dus niet hoog in de bergen, zoals in het leven hiervoor, maar op dat plateau. En die schuilplaats wordt van lang dor gras in elkaar gevlochten. Het is primitiever dan een hut.' 'Geen hol in de bergen dus?' vraag ik.
'Als zo'n hol er is, wel. Maar die zijn er jammer genoeg vaak niet. En dan maak je zoiets tegen de zon en andere weersinvloeden.' 'Hoe oud ben je nu?'
'Een jaar of twaalf, denk ik. Ja, jonger dan daarstraks in ieder geval. Ik ga al wel mee met de mannen, maar nog niet helemaal als volwaardig jager, meer om te leren.'
'Kijk om je heen en vertel iets meer over het landschap rondom je.' 'Het is er heel vlak en dor, en weinig bomen. Ik weet niet hoe ze heten, maar het zijn geen palmbomen. Ze zijn niet zo hoog en ze hebben een dunne stam met een dunne bast eromheen. Maar er zijn wel veel struiken. Op die vlakte zie ik ook niet zoveel dieren.'
'Waar moetje dan naar toegaan om dieren te vinden?' 'Daarnet, toen ik die verwonding meemaakte, was ik in een dichtbegroeid bos. Het leek haast op een oerwoud, toch wel heel dicht begroeid. Het zijn meest loofbomen. Het is werkelijk een heel groot bos. En ik heb de indruk dat we daar niet altijd zijn, maar dat we trekken. Nomaden dus, die met bepaalde jaargetijden wegtrekken, maar dan wel steeds op dezelfde plek terugkeren. Dus dat we met de koude-en warmteperioden op en neer gaan.
Het is nu anders dan ik daarnet zag. Het is nu heel heet. We zijn ook alweer veel meer mens dan in de voorgaande incarnatie. We zijn donkerder van huidskleur, meer bruin, met heel zwart haar. Je zou kunnen zeggen dat we nu op een ander continent zijn. En kleren dragen we ook niet. We zijn naakt. We hebben alleen een bescherming tegen de zon. Bladeren zijn dat. Ik zie dat de mannen een soort rokjes dragen. Maar waarom? Ook niet altijd,' zegt ze er peinzend achteraan. 'Dat zal ook wel ergens goed voor zijn. En de vrouwen dragen niets, tenzij ook weer tegen de zon.'
7.97
'Ga iets verder vooruit in de tijd, tot er wat gebeurt dat belangrijk voor je is. En wel, als er een wisseling van seizoenen heeft plaatsgevonden.' 'Dan wordt het heel heet op die vlakte. Niet om uit te houden. En ik ben achtergebleven. Ik mocht niet mee vooruit. In groepen trekken we naar een vochtig gebied, naar een soort regenwoud. In ieder geval met een heleboel bomen. Helemaal groen is het daar. En waar we nu nog zijn, is het ontzettend dor en droog. Nou, dan gaan we weg en dan denk ik dat ik toch nog bij de vrouwen ben. Ook een paar oudere mannen gaan mee, want er zijn al een heleboel jonge sterke mannen vooruitgegaan om een plek te zoeken en te verkennen. Ik weet ook eigenlijk niet precies waarvoor, maar de meeste mannen zijn in ieder geval vooruitgegaan. Ik denk toch vanwege de veiligheid. Dat heeft er wel iets mee te maken, want we trekken niet in een lange rij. Maar heel wijd over die vlakte uitgewaaierd trekken we allemaal naar dat bos toe. Heel raar. In de breedte verspreid in een ruitvorm, maar dan met de punt naar voren. Maar zo gauw als we in dat bos zijn, moet die ruitvorm worden opgeheven, moeten we willekeurig door elkaar, maar nog veel meer verspreid, verder lopen. Ik denk dat er verwacht wordt dat er anderen in onze hutten zitten. En dat dit de reden is, waarom we zo voorzichtig te werk gaan.' 'Wil je verder gaan tot je daar aankomt?'
'Dan komen we allemaal van een andere kant die nederzetting binnen. En dan hebben onze mannen die vreemde mensen al verdreven of in de pan gehakt, gedood.'
Daar is het 'oorlogje voeren' dus al aan de gang, en de agressie heeft weer bezit van de samenleving genomen.
'Waarmee zijn ze gedood? Hebben ze wapens?'
'Ja. Speren. En er is een echte slachting aangericht, mag ik wel zeggen. Er wordt geen pardon gegeven. Ik schat dat er zo'n twintig mannen zijn gedood. Vrouwen met hun kinderen rennen al weg. Die gaan er als eersten vandoor. En de mannen, ja, die vechten, en als het ze niet lukt, dan moeten ze weer terug. Er zijn ook mannen van onze stam bij het gevecht gedood. Het blijft natuurlijk niet bij een enkeling.' 'Is er verdriet? Wordt er gerouwd?' vraag ik voorzichtig. 'Nee, er is juist feest,' zegt ze heel enthousiast.
'Maar wordt er dan niet getreurd over diegenen van jullie stam die gesneuveld zijn?'
vraag ik, nogal verbaasd.
'Nee hoor,' zegt ze, 'het was voor een "goed doel". En ze hebben gewonnen, dus er wordt niet getreurd, maar gefeest, want ze hadden het toch heel goed gedaan.' 'Wat doen jullie met de doden?'
'Die worden verbrand op zo'n groot feestvuur, dat er gemaakt is. En rond dat vuur wordt er gedanst met ritmische bewegingen en veel geschreeuw.'
7.98
'Hoe zien die boshutten eruit? Waar zijn die van gemaakt?' 'Van grote, omgebogen bomen. Rechte bomen, waarvan de toppen heel soepel buigen. Daar zijn bogen van gemaakt. Meestal breken die niet kapot, want je hebt van die bomen die groeien in een groepje, dicht bij elkaar. En dan buig je er twee of drie van om en dan heb je zo'n tunnel. De rest bedek je dan met bladeren. Dat is afdoende tegen storm en regen en niet te vergeten, de zon. Maar de zon, dat valt eigenlijk wel mee, daar in dat dicht bebladerde bos.
Er is harde regen, plensbuien, heel erg. Die komt bij stromen neer. Nou, dan stroomt je hut wel regelmatig weg. Maar dat geeft niet, dan maak je weer een andere.'
'Wat vind je het meest opmerkelijke aan deze mensen?' 'Niks! Het zijn echte mensen, en ook heel typisch van die woestelingen. In die andere levens waren ze nog zo bezadigd. Ze zaten wat in hun rotshol en ze waren in het algemeen vredelievender. Maar ze zijn, over het geheel genomen, toch een geweldig stuk vooruitgegaan.' 'Heb je niet het gevoel dat er tussen je incarnatie als die vrouw, boven in die rotsholen in de bergen, en deze incarnatie nog een incarnatie ligt?'
'Nee. Dit is mijn tiende incarnatie. Dat klopt.'
'Maar je bent enorm vooruitgegaan, zeg je. Dan denk ik dat er tussen die twee levens ook een enorm lange periode van evolutie ligt.'
'Dat is ook zo,' antwoordt ze.
'Je bent nu ongeveer twaalf jaar oud, zei je?'
'Nou, nee, al weer wat ouder. Ik ben een jongeman geworden.'
'En hoe is je relatie tot het vrouwelijk geslacht? Voel je je aangetrokken tot de meisjes?'
'Ja en nee. Het is een bepaalde wetmatigheid. Als je kunt jagen, dan ben je een man en mag je ook een vrouw nemen.' Ze moet er zelf om lachen.
'Maar als je dat jagen nou niet kunt, wordt het je dan verboden om een vrouw te bezitten?'
'Ja, maar iedereen kan dat natuurlijk. Tenminste, dat denk ik,' zegt ze met een slimme grijns op haar gezicht. 'Doe jij een poging tot toenadering?'
'Ik weet niet of ik me tot een vrouw aangetrokken voel. Ik heb de indruk dat het een soort toewijzing is door de ouderen. Nou, die vrouw is dan voor mij gereserveerd. Het gebeurt met een stel jongemannen tegelijk. Die hebben tijdens de jacht iets buitgemaakt. En een tijd daarna is er een inwijdingsfeest. Er wordt een heel groot vuur aangelegd en de jachtbuit wordt opgegeten. En dan zijn er weer diezelfde kreten te horen en moet ik met de andere jongemannen om dat vuur dansen, zeg maar rondspringen.' Ze schiet in de lach. 'De volwassen mensen van de stam staan ook kreten te schreeuwen en ons aan te moedigen. In ieder geval raak je
7.99
daardoor helemaal opgewonden, seksueel opgewonden.' 'Wat is het resultaat van die opwinding?'
'Ik moet nou een beetje aan een stijve penis denken. Die meisjes zien ons met een stijve ronddansen, en ik vermoed wel dat die daar op hun beurt weer opgewonden van raken. Die meisjes liggen eigenlijk klaar, lijkt het wel. Die zijn erop voorbereid dat zij zich beschikbaar moeten stellen. Nou, en dan ineens houdt het dansen op en wij gaan op dat moment zo'n hut in, en daar liggen de meisjes te wachten. Ik kom binnen, en ja, ik ga er spontaan bovenop liggen.'
'Gaat er geen enkel gebaar van tederheid of voorspel aan vooraf?' 'Dat is nu niet belangrijk. Je moet gewoon man zijn en je dringt meteen dat meisje binnen, totdat je klaarkomt. Maar ik heb het gevoel dat ik toch wel een bepaald contact heb met die vrouw. Dat het toch wel meer betekent dan alleen maar het stellen van de geslachtsdaad.' 'Maar wat zijn dan de emoties die je doormaakt tijdens de geslachtsgemeenschap met dat meisje?'
'Nou, dit was niet meer dan een kwestie van het te moeten klaarspelen. Jezelf te moeten bewijzen.'
'Het fysieke gebeuren, wat doet dat in je geest, voor het bewustzijn hiervan?'
'Weinig, weinig! Maar al meer dan in het voorgaande leven. Er is toch wel een bepaald gevoel voor die vrouw. Dat gevoel van, je doet het samen. Het is dan toch wel een soort inwijding. Zonder haar had ik het niet kunnen doen. En dat gevoel is er toch wel. Een geestelijke band, door die éénwording. Maar alleen nog heel, heel zwak. Het fysieke gedeelte van die geslachtsgemeenschap voel ik wel heel sterk, als ik tot een orgasme kom. En dat is heel plezierig. Als vrouw betekende het helemaal niets, maar nu, als man, beslist wel.'
'Je bent in die hut met dat meisje samen, je bent als jongeman ingewijd in de liefde, zoals je zei. Wat voor sociaal gevoel heb je nu?'
'Je betekent wat, je bent wat. Ik krijg een trots gevoel van, nu ben ik een man.'
'Blijf je een bepaalde band houden met dat meisje, die jonge vrouw eigenlijk?'
'Jawel. Tenminste, ik heb het gevoel dat ik een band met haar heb en dat er een vage herkenning is, al is het niet sterk bewust natuurlijk. Maar ik voel wel dat er toch een bepaalde band is die in een vorig leven is ontstaan. Een karmische band, hoe dan ook.'
Het is de aanzet tot die bekende vorm van onbewuste herkenning, de plotselinge vonk die overspringt als twee mensen elkaar voor het eerst ergens ontmoeten, ogenschijnlijk toevallig, en spontaan hevig verliefd op elkaar worden. Maar die ook, als het 'uit' raakt, zo'n pijnlijk liefdesverdriet kan veroorzaken. Het is een duidelijke echo uit het verleden, een causale resonantie,
7.100
die het autonome onderbewustzijn onmiddellijk doet reageren in de vorm van, 'Hé, wij kennen elkaar toch al uit een vorig leven?' En die karmische band wordt meteen stevig aangetrokken. Dat maakt verliefd zijn tot zo'n heerlijke sensatie, zo'n onbeschrijflijk gevoel van geluk. Die magnetische, fysieke aantrekkingskracht, die altijd een inleiding, een verlokking is om karma met elkaar verder uit te werken. Want er is ook een geestelijke kant aan die fysieke aantrekkingskracht. Deze kan inderdaad positief zijn, maar helaas soms ook pijnlijk negatief, voortkomend uit oud zeer. Kijk naar de huwelijksproblemen in ons tegenwoordige leven. Ze stammen uit vroeger tijden, uit eerder samenzijn. En de reactie komt al snel, vaak te snel. Woordenstrijd, ruzie, agressie, soms lijfelijk geweld, echtscheiding! Dit betekent dikwijls 'weglopen uit je karma', de uitdaging niet aannemen en ontijdig uit elkaar gaan. Dat onvoltooide karma, je lotsbestemming, krijg je dan in een andere situatie, nog in het tegenwoordige leven of in een volgend leven, weer opnieuw aangeboden om het alsnog op te lossen. Want oplossen en in harmonie brengen zul je het.
'Ik weet niet hoe dat precies werkt, maar ik heb dat gevoel voor haar, en ik hoop dat zij dat ook voor mij heeft,' gaat ze verder. 'Gebeurt er iets als je elkaar in de ogen kijkt?'
'Ja, dat is het juist. Een bepaalde blik tussen elkaar, die wat doet. Dat gebeurde daarnet, bij de inwijding, toen ik bovenop haar lag. Er was op dat moment een gevoel van herkenning, anders kan ik het niet noemen. Er was geen afwijzing in haar ogen. O nee, het was zoiets als "maatjes zijn", vriendschap. Zo van, we doen het samen om iets te bereiken, een gezamenlijk doel. Het was helemaal niet zo dat ik dat maar gewoon bij haar deed. Ze onderging het niet met tegenzin. Dat was bij haar zeker niet het geval. Ik was welkom.'
'Ga wat verder in de aardse tijd, in dat leven. Wat gebeurt er dan voor belangrijks?'
'Nou, er is me maar een kort leven beschoren.' Het klinkt niet zo vrolijk. 'Ik ga op jacht. En dan gaat er dus iets heel erg mis met me. Ik word door een of ander beest op de horens genomen en zo onder mijn ribben geschept. Maar dat overleef ik niet. Daar sterf ik ter plekke aan. Poeh!' En ze zucht een paar keer heel diep.
'Luister! Ga nu door de stervenservaring heen. Je bent uit je lichaam, aan Gene Zijde, in de geest en je kunt vanuit dat perspectief heel kalm en rustig vertellen wat er is gebeurd.' (Instructies volgen.) Dan vraag ik haar: 'Wat is er gebeurd?'
'Ja, ik zie allemaal mensen om me heen staan. En ik zie mezelf liggen. Ik denk nu toch dat het een dier was, dat me op de horens heeft genomen. Een soort "oeros", ik weet het niet precies.' 'Kende je die dieren dan niet, in dat leven daar?'
'Jawel, ze hadden zo'n kromme hoorn, maar niet helemaal rond naar
7.101
binnen gebogen. Ach man, er waren gigantische beesten, hele dikke.' 'Maar hoe groot waren jullie mensen dan?'
'Nou, niet zo erg groot. Gemiddeld één meter vijfenvijftig, schat ik. Maar hij boog even zijn kop omlaag, en hoepla, daar vloog ik door de lucht.'
'Ja. En nu ben je dan overleden, en voel je daar niets meer van. Je bent in de geest. Wat was eigenlijk het belangrijkste van dat leven?'
'Ik vond het wel prettig om wat bewuster te leven,' antwoordt ze.
'En de karmische opdracht die je had, voelde je die al duidelijk daar in dat leven? Ik neem aan dat het iets met die gewelddadige dood te maken had. Toen die oeros je de lucht in zwiepte.'
'Nee. Dat kon je overkomen. Dat was het risico van het leven daar.'
Maar het was wel een traumatische dood. Ongetwijfeld moet dat onverwerkte trauma in een volgend leven weer opduiken, in de vorm van een bepaald probleem of angst. Moeten de onverwerkte emoties alsnog verwerkt worden.
'Nu ben je weer aan Gene Zijde. Wordt er al, in de geest, aan een naamaanduiding voor een lichaam op aarde gedacht?' 'Nee, totaal niet. Geen naam,' zegt ze zeer beslist. 'Luister, ga eens wat verder door op dat spirituele niveau waar je nu bent. Wie of wat ontmoet je daar en wat ervaar je?' 'In eerste instantie ben ik nogal ondersteboven van mijn plotselinge dood. Niet zozeer het plotselinge overlijden van mijn lichaam, als wel de manier waarop. Dat vond ik toch niet zoals het hoorde. En ik vond het maar een "gedoe". Ik heb de indruk dat het een beetje te snel ging, dat leven. Dat ik te vroeg ben dood gegaan, als jongeman, want ik vond het ook wel een erg leuk leven.' 'En? Maak je nieuwe plannen?'
'Ja, maar ik heb wel besloten dat ik snel terug moet. Dat vind ik zelf.' 'En doe je dat ook? Krijg je daar toestemming voor?' Er volgt een stilte van overdenking. Dan zegt ze gedecideerd: 'Ja. Ik denk het wel. Ik ga reïncarneren.'
Maar hoeveel aardse tijd is er dan toch al voorbij gegaan, vraag ik me af.
'Goed, dan ga je vooruit naar je volgende incarnatie op aarde.' (Instructies volgen.) Dan instrueer ik haar: 'Je bent nu op weg naar je elfde incarnatie op het aardse plan. En daar ga je dan!'