DE ACHTSTE INCARNATIE
'Luister! Als het moment is aangebroken dat je moet gaan reïncarneren naar je achtste incarnatie, wat voel je dan?' 'Ik weet het!'
'Heb je overleg gepleegd over wat je gaat doen in dat volgende leven op aarde?
Overleg met jezelf of met andere, hogere entiteiten. Is er nu een plan gemaakt voor jouw eigen leven? Een lotsbestemming?' 'Ja. Het plan dat ik bij die bepaalde moeder moet komen, en dat ik weer in een grot woon.'
'Luister, de tijd is nu aangebroken dat je gaat reïncarneren. Ga naar je achtste incarnatie op aarde. Je vertrekt vanuit Gene Zijde en je gaat in een nieuw lichaam.'
(Instructies volgen.) 'Vertel mij nu wat er gebeurt.' 'Nou, ik ben inderdaad in een grot, een hele grote. Een kille, donkere grot. En daar ligt een vrouw. Ze ligt deze keer, ze hurkt niet. Die vrouw heeft een kindje bij zich. Ja, en dat ben ik. Ik zweef er nog omheen, ik heb het lichaampje nog niet betrokken. Maar het is een jongen.' 'Ga eerst eens in dat kinderlichaam en ga dan wat verder vooruit in de aardse tijd. Wat ervaar je dan?'
'Ik zie opeens door heel andere ogen, mensenogen. Ik zie heel anders, veel vager. En ik heb het gevoel dat ik er weer uit wil. Maar nee, dat kan niet.' Ze spreekt met zachte stem. 'Nee, niet eruit zoals IK het wil. Ik kan
5.78
wel mijn ogen dicht doen. En dan anders kijken, met mijn geestelijke oog.'
Ja, precies zoals nu in de trance, in regressie of progressie, of iedere andere verkenning in de geest. Hier wordt eigenlijk het raadsel van het schouwen in het tijdloze ontsluierd. Het wezen van de trance. Buiten tijd, ruimte en materie.
'Het is helderder als ik er nog uit ben, terwijl ik aankom.' 'Ga dan nog eens terug naar de toestand waarin je nog niet in dat kinder lichaam bent gegaan. Dan ben je weer terug in die grot...' 'Ik ben er al!' roept ze uit.
'Geef nu een beschrijving van wat je daar allemaal ziet. Want je ziet het helder en duidelijk.'
'Het zijn hele grote, holle tunnels. Het is veel dieper in de grotten dan we ooit geleefd hebben. Tenminste veel dieper dan in de vorige incarnatie. Toen waren het gewoon gaten in de rotswanden. Maar nu heb ik de indruk dat dit heel diep in een grot is,ver van de buitenwereld. Een heleboel tunnels. Het lijkt een beetje op druipsteengrotten. Er hangen al heel spitse punten omlaag. Maar het lijkt haast een prachtige marmeren gang, heel mooi glad. Niet kunstmatig, maar zo door de natuur zelf gevormd. Het is er koud en vochtig. Ik zie dat het onderscheid tussen man en vrouw daar al heel duidelijk is. Een vrouw is aan de voorkant veel minder behaard. Ze heeft echt borsten, hangende borsten. Het gezicht is ook al fijner besneden en iets kleiner. Het hoofdhaar is nu net zo lang als bij de man, tot over de schouders. Vergeleken met de vorige incarnatie, is het langer en vies vet. Daardoor krijg je allemaal van die schapen krulletjes. De beharing bij de vrouwelijke geslachtsdelen is ook in verhouding minder.'
'Ga nu eens in het lichaam van dat kindje. Je hebt er de hele tijd omheen gezweefd. Die vrouw ligt daar met haar baby. Je bent er nu in!' 'Ja, en ik voel me prima. Er is warmte en koestering. Mannen hebben nauwelijks aandacht voor zulke kleine kindjes. Mannen hebben nog duidelijk een hoofdrol.
Ik groei op als jongen, en ik word wat groter. Dan ga ik met mijn vader op jacht. Nou, op jacht? Ik mag mee. En dan ga ik voor de allereerste keer de grot uit. Dan zie ik tot mijn grote verbazing licht, het land, de bomen. Als je die grot uitkomt, zie je niet direct zo veel, want er zijn nog andere rotsen voor de uitgang. Maar ja, alleen al licht. Het is natuurlijk wel heel erg fel voor mijn ogen, alhoewel het aan een schaduwkant is. En het is dor buiten. De plantenwereld is droog en gebleekt door de zon. Het is er warm. Het klimaat zou tropisch kunnen zijn. We gaan nog niet direct op weg. Eerst zit ik rustig daar buiten. En dan vertelt mijn vader me alles over wat ik zie. Het gaat met veel gebaren en
5.79
veel geluiden, maar nog niet echt woorden. En hij wijst me op gevaren, op van alles eigenlijk.
Daarna mag ik een paar dagen daar buiten blijven, maar ik mag niet in de zon komen. Een dag duurt gewoon van zonsopgang tot zonsondergang, vanaf het eerste licht, totdat het donker is. En dan, na die paar dagen, mag ik in de zon. Dan zie ik dus voor het eerst echt de zon. Dat vind ik geweldig, een sensatie. Het is alsof je een god ziet. En de zon is ook iets heiligs, iets groots, iets waar we ontzag voor hebben. Dan gaan mijn vader en ik op weg. En later op die tocht zie ik ook nog dieren. Grote, logge beesten. Echt heel groot wild. Ik heb de indruk dat het ergens in Midden-Afrika is. En die beesten lijken het meest op een kruising tussen een olifant en een neushoorn.' Ze moet er onbedaarlijk om lachen. 'Ik geloof niet dat ze bedreigend zijn, want het zijn planten en vruchteneters. Ik zie ze zo'n beetje aan de boombladeren knabbelen. Mijn vader laat me op die tocht alle dieren zien die daar voorkomen. Hij kent overal uitkijkposten op de rotsen. Ik zie eigenlijk allemaal van die grote dieren. En er zijn ook nog varianten op. Een soort neushoorns, zal ik het maar noemen. Die hobbelen daar vreedzaam rond.' 'Is er ook water in de buurt?
Een meer, een rivier of een plas?' 'Ja. In die grot. Daar halen we water uit. Maar er zal wel ergens een rivier lopen. Misschien een ondergrondse rivier, die ergens in de grot bovengronds wordt. Maar die heb ik nog niet gezien. Ik zie nu ook wel kleinere dieren. Iets dat op een antilope lijkt, en diertjes die op ratten en muizen lijken. En slangen zijn daar ook. Giftige! Ook hele grote, heel dikke wurgslangen. En er zijn hagedissen, die zich onder stenen verschuilen. Er zullen ook wel mieren zijn en dat soort kleine insecten.'
'Luister,' zeg ik, 'dan kom je terug van die tocht. Heeft je vader onderweg iets van wild buitgemaakt, dat hij, als vlees, meebrengt naar de grot? Heeft hij dieren doodgeslagen?'
'Nee. Het was geen jacht. Maar wat heet jacht, als je net mee naar buiten mag.'
'Hoe worden dieren nu op de jacht overmeesterd? Weer met een knots of een slinger?'
'Nee, nu is het al anders. Het is een stok, een soort speer, zeg maar, met een scherpe punt, en die is van steen, maar niet zo zwaar als die slinger. En die speer wordt feilloos naar een bepaald doel gegooid, als een werpspies dus.'
'Zijn er nog meer werktuigen van steen?'
'Ja, er is veel waar de vrouwen van alles mee doen. Bijvoorbeeld een soort stamper en een uitgeholde steen. Daarin worden zaden fijngestampt.'
'Dus als ik het goed begrijp, ben je in het Steentijdperk aangekomen.' 'Ja, zo zou je het wel kunnen zeggen.'
5.80
'Ga weer eens wat verder vooruit in de aardse tijd, tot dat je een volwassen man bent. Ga naar een voor jou belangrijke gebeurtenis. Je bent nog een jonge, volwassen man.'
'Ik breng een grote jachtbuit mee naar huis. Een groot beest, misschien wel zo'n jonge kleine 'neushoornachtige',' zegt ze enthousiast. 'Het gedode dier ligt op boomstammetjes. En drie mannen dragen het de grot in. Het is de trots van de stam. En ik ben één van die drie mannen. Ik loop heel trots voorop.'
'Wat beteken jij daar nu in die gemeenschap, als man?'
'Ik geloof dat ik nu veel hoger in aanzien ben gestegen, door dat soort daden. Ik denk dat ik goed ben injagen, een groot jager. En ik heb nu wel wat te vertellen daar. Ja, het is echt weer een mannengemeenschap. Je brengt je jachtbuit mee naar huis en de vrouwen zorgen er verder voor. Je wordt als held binnengehaald, zal ik maar zeggen.'
'Wat is het meest opvallende in dat leven?'
'Nou, je merkt wel dat het gevoelsleven veel verder ontwikkeld is. Het bewustzijn!
Dat was ook het plan voor dit leven. De doelstelling.
'Is er ook vuur?' Dat is een belangrijke aangelegenheid. Letterlijk een brandende vraag.
'Daar zat ik zojuist ook al naar te kijken,' antwoordt ze. 'Ja, er is vuur.' 'Ga maar wat verder vooruit in dat leven. Je bent alweer een heel stuk verder.'
'Ja. Ik ben oud, en ik heb het gevoel dat ik afscheid aan het nemen ben van die gemeenschap. Om te sterven,' zegt ze zacht. 'Ben je een stamhoofd geweest, gedurende dat leven als groot jager?' 'Een stamhoofd niet, maar ik had wel grote invloed. Ik zit daar rustig met de mannen allemaal in een kring. En op een of andere manier vertel ik ze dat ik weg ga. Ik denk dat het heel eenvoudig een kwestie is van, ik ben oud en ik ga een eindje wandelen en ik kom niet meer terug. Dan ga ik liggen om te sterven. En dat breng ik over met gebaren en geluiden.' 'Heb je het gevoel dat je gedachtecontact hebt en overdraagt?' vraag ik daarop.
'Voor een gedeelte wel, ja.' 'En wat vertel je ze dan?'
'Dat ze weten dat het gaat gebeuren, dat ik sterven zal. Dat ik dus wegga en dat er nu een opvolger moet komen in de rangorde van de stam. En die weet ook al dat hij opvolger is. Iedereen weet dat trouwens. Er wordt eigenlijk weinig gedaan of gepraat. Ik heb het ze duidelijk gemaakt, en dan sta ik op en loop weg. En iedereen gaat gewoon door, als of er niets aan de hand is. Ze kletsen gewoon door. Alleen die ander, die opvolger, schuift een eindje op naar de plaats waar ik altijd zat en neemt mijn functie in de rangorde daardoor over.
Ik loop die grotten door, een heel eind erin. Ja, ik weet ook niet zo goed
5.81
hoe ik moet lopen, maar in ieder geval ga ik steeds dieper, steeds verder. Het wordt heel donker en koud. En op een gegeven moment is er een hol in de wand. Een soort doodlopende gang, en daar kruip ik in. Dat is niet echt leuk. Het is koud. Maar dat moet zo, denk ik. Misschien maak je jezelf zo wel dood.'
Het lijkt toch een trieste gebeurtenis, en haar stem is dan ook niet bepaald vrolijk. Integendeel, er klinkt een sterke emotie in door. 'Ga daar maar verder,' zeg ik, 'dan merkje het wel.' Ze zucht diep, heel, heel diep, alsof hij/zij een aanloop neemt. 'Ik ben daarin gekropen, met mijn hoofd vooruit, naar het achterste gedeelte dus,' gaat ze verder. 'Dan ga ik liggen. Het is wel een toestand van verruiming, denk ik. Ik probeer in slaap te vallen en in die slaap dood te gaan. Ik ben oud, en door me aan die kou, dat vocht en die ellende bloot te stellen ... als je dan in slaap bent, het kan ook bewusteloosheid zijn, dan begint het al "breder" te worden, wat je ziet. Een verruiming van de geest, ja. Nou, dan ga ik dood, pijnloos, rustig en vredig.' Zo eindigt hij dat leven, waarin meer bewustwording meekwam. De achtste incarnatie.
'Je hebt nu je lichaam verlaten en je bent aan Gene Zijde. Het zilveren snoer is gebroken en je hebt geen verbinding meer met dat lichaam, maar je kunt het nog wel zien van uit je onstoffelijke geest. Je bent uit dat hol en je kunt me nu vertellen hoe dat stervensproces verlopen is. Heb je dat zelf beïnvloed,vond je datje leven beëindigd moest worden?' 'Ik voelde mijn einde naderen, maar ik denk dat het ook een vorm van traditie is. Zo van, het is nu genoeg geweest. Hier is het einde van mijn leven. Een instinctief gevoel dat het einde nadert, terwijl het uiterlijk niet zichtbaar is. Het is ook intuïtie.'
'Wat kenmerkt dat leven op aarde, die achtste incarnatie?' 'Nou, voor het eerst was er het gevoel dat ik echt in contact was met de stamleden. Het bewustzijn was weer wat verruimd en er was vooral ook meer onderling begrip. Ik voelde meer het samenlevingsverband, meer bewustzijn ten opzichte van anderen. Dat gevoel had ik in eerdere incarnaties helemaal niet.'
'En dan ben je aan Gene Zijde weer op de plaats waar je zult wachten op je negende leven op aarde. Kun je daar al iets belangrijks over vertellen? Blijf je weer dicht bij de aarde?'
'Ja. Het is weer dezelfde plaats. En er is daar nu iets van een herkenning. Van een, ik ben weer terug. Maar het is wel anders. Er is daar ook een evolutie aan de gang. Ik voel iets van blijdschap, een gevoel dat ik daarvoor miste. Dat was meer een soort berusting. Er is nu een gevoel van tevredenheid over wat er in dat afgelopen leven is gebeurd. Een gevoel van "het is gelukt. Er is iets volgens plan verlopen. Een karmische leeropdracht, een herstel van vroeger gemaakte fouten is eindelijk vervuld. En dan ga ik weer verder aan het bouwen van het totale evolutie-
5.82
plan. Om weer meer mogelijkheden mee te kunnen nemen naar mijn volgende incarnatie,' zegt ze rustig.