17

1

De oorsprong van de mens als vrije

entiteit

Afsplitsing van Geest. Het Goddelijk Beginsel.

Al heel lang wilde ik op zoek gaan naar mijn geestelijke oorsprong, naar mijn spirituele ontstaan, mijn wortels. Met andere woorden, ik wilde trachten mij door regressie in het tijdloze een beeld te vormen van mijn Schepper, van God, de Ene, de Eenheid van Geest. Er zijn zoveel verschillende godsbeelden in deze wereld. En ik wilde het mijne vinden en wellicht ook dat van de lezer.

Veel mensen trachten zich een godsbeeld te vormen, vaak geïnspireerd door hun godsdienstige overtuiging. Anderen hebben daar totaal geen behoefte aan of ontkennen het bestaan van één God of meerdere goden.

Wanneer men gelooft in een persoonlijke God of meerdere goden en men zich daarvan zelf een beeld heeft gevormd, zal men dat beeld in de geest blijven meedragen en het spontaan oproepen en voor zich zien op het beeldscherm van zijn of haar geest. Men zal het daardoor ook zo blijven aanschouwen na het verlaten van het aardse lichaam, na het overgaan naar het leven aan Gene Zijde, in het Licht, in ons thuisland. Dit is dus een projectie van de eigen werkelijkheid, door de mens zelf gevormd in zijn eigen scheppende geest, tijdens het verblijf op aarde. Pas als andere, hogere entiteiten of intelligenties hem tot de kosmische werkelijkheid roepen, past hij zich aan bij de aan Gene Zijde heersende algemene werkelijkheid van een bepaald Universum waarin hij terecht is gekomen, en vervolgt hij zijn weg volgens de vaste kosmische wetten.

Het leek mij aanvankelijk een overmoedig voornemen te trachten naar mijn wordingsproces te gaan en mijn Schepper, onbeïnvloed door aardse beelden, te ontmoeten. Maar ik stelde voor mijzelf vast, dat ik bij mijn onderzoek niet zou slagen, indien ik daarvoor geen toestemming zou krijgen van een hogere macht. Met deze gedachte begon ik aan mijn experiment. De praktijk moest uitwijzen welk resultaat ik zou mogen bereiken.

1.15

Maandagavond, 28 februari 1983

De vaste avond voor experimenteel onderzoek. We zijn met zijn tweeën in de rustige praktijkkamer van mijn huis.

De regressante, rechtop in de stoel zittend, is evenals ik zelf een medium. Zij is goed geconditioneerd om in trance te gaan. De trance-inductie verloopt dan ook zeer snel. Ik heb al vele sessies met haar als proefpersoon gedaan en ik heb al veel research verricht.

Ik leg de toppen van de wijs-en middelvingers van mijn beide handen zacht tegen haar slapen, even tastend, zoekend naar de juiste plaats aan weerszijden van haar hoofd. En ik zeg alleen maar de woorden: 'Ontspan je geest en ontspan je lichaam en ga in een diepe trance.' In luttele seconden zit zij, ver voorovergebogen, het hoofd haast op haar knieën, in een toestand van verruimd bewustzijn, in diepe trance. Ik geef haar de gebruikelijke instructies en ik vraag bescherming en bijstand aan onze Meesters en Gidsen, omgeef haar met zuiver wit licht van liefde. Dan volgen de instructies die haar naar de oorsprong van haar existentie als vrije entiteit, als Goddelijk Beginsel moeten brengen. Zullen wij slagen?

Ik wacht even in spanning, zelf in een lichte trance-toestand. Dan vraag ik haar het gebruikelijke: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Wat ervaar je?' Het is langzamerhand bijna een klassiek ritueel geworden. Langzaam komt haar diep gebogen hoofd omhoog, weer in de normale houding, rechtop, zonder dat zij trance-diepte verliest. En dan begint ons 'tweegesprek'.

Met heldere, duidelijke stem zegt ze:

'Ja, ik zie een heel grote zee van zilver. Zo lijkt het net. En daar maak ik deel van uit. Dat is een zee van zuiver Geest, van Licht,van Liefde. Ik ben dus nog niet afgescheiden. Ik ben daar nog een onderdeel van het geheel, binnen het geheel. En ik heb geen individueel bewustzijn. Je bent daar één geheel met alles. Ik voel me volmaakt gelukkig. En ik voel nu een bepaalde stroom. Ik noem het 'IK', maar ik heb eigenlijk nog geen Ego. Er is een bepaalde stroming in die zilveren zee. Het gaat als het ware in een sliert. Die zee is aan de rand niet meer zo heel compact. Op een of andere manier ontstaat er een beweging in, een stroming dus. En die stroming gaat steeds verder en steeds sneller. En doordat hij sneller gaat, wordt die 'sliert zee' dunner, ijler.

Eerst krijg je een heel grote zee en dan een heel brede rivier.' Ze lacht verbaasd.

'Nou, zo wordt die sliert inderdaad steeds ijler. Niet alleen in de breedte dunner, maar ook in de hoogte. Het is niet meer in evenwicht, het is een niet meer te stoppen beweging. Er is geen harmonie meer. 'Het' kan die stroming niet meer terugdraaien. Het is begonnen en doordat die massa, die geest zo ijl wordt, krijg je constant wisselwerkingen

van afstoten en, ja, het lijkt me een soort aantrekken. De wet van de polariteit die al een rol gaat spelen.

Maar de afstotende krachten worden steeds groter, naarmate die Geest ijler wordt. Naarmate de snelheid toeneemt, worden de afstotende krachten sterker. Er is hier een scheppingsproces aan de gang. Een ontstaan. Eigenlijk een afsplitsing van die oorspronkelijke massa, van die zee van Geest. En een afsplitsing naar vele kanten. Nou, en op een gegeven moment krijg je een soort knal en dan ben je 'los'. De laatste fase van die uitstromende, steeds ijler wordende Geest. Die knal gaat niet met geluid gepaard, maar het is een laatste afbreken van 'Iets'. Een soort geestelijke knal. Want dat afbreken moet vrij heftig gebeuren. En dan ben je een ...'

Ze aarzelt even hoe het te noemen. 'Een glittertje. Het is een stukje op zichzelf staand bewustzijn, omkleed met Geest. Maar het heeft een zelfstandige kern. En zo wordt de één na de ander vanuit die ijle 'sliertspitsen' als het ware afgestoten, afgebroken. Maar dat is een heel wijd gebeuren. Dus er komt niet steeds maar één

'glittertje' vrij, nee, het gaat met vele tegelijk. Dat steeds ijler worden, dat gaat alle kanten op. Je krijgt een heleboel zijtakjes. En als het niet meer ijler kan, dan worden de deeltjes bewustzijn afgesplitst. Ze vormen een waaier van afsplitsingen.' 'Die zilveren zee van Geest, hoe zou je die willen noemen?' 'Het ontstaan, het oerbegin. En die afsplitsingen, Goddelijke Beginsels,' zegt ze gedecideerd, 'het begin van het Scheppingsproces, het begin van het ontstaan. Die zee van Geest is wel het sturende, het Al-overheersende van de Kosmos en alles wat daarbij hoort. Ik rustte eerst in die Eenheid. Eén grote massa is het. En nu ben ik los,' zegt ze triomfantelijk. 'Ik zweef daar door de ruimte. Ik ga wel een bepaalde richting op. Ik beweeg me van die massa af.' 'Heb je een belichaming, een vorm?'

'Het is een aantrekking, het bij elkaar houden van energie rond een kern. En die kan wel van vorm veranderen, maar het is niet zo, dat die zich heel ver kan uitspreiden.'

Later zal die energie rond een kern, die geest, op aarde in een menselijk lichaam volledig integreren.

'En er is een polariteit in aanwezig. Atomen!' Er valt een stilte; dan zegt ze achteloos: 'Ik zweef daar gewoon ... rustig.' 'Is er een gedachte in je?' vraag ik.

'Nee. Meer een bewustzijn van verandering. Nou, niet zo duidelijk datje afgezonderd bent, maar dat je een eigen, zelfstandige eenheid vormt. Dat bewustzijn is er. En ik heb de idee dat er een bepaalde beroering in die 'oersoep', in die zee zat, waaruit ik afgestoten ben. Het is een soort veerwerking geweest. Het was een sterk uitstromende

1.21

kracht en daardoor zijn onnoemelijk veel deeltjes, veel entiteiten, afgestoten. En daarna was er een soort terugveren. Op een gegeven moment was de aantrekking groter dan de afstotende kracht en heeft die zee van Geest zich weer gesloten. Ik ben me niet bewust waarom dat is geschied.'

'Waar ben je dan wel van bewust?'

'Nou, dat ik kan zeggen: 'IK ben IK. Ego, omkleed met Geest.' En nu heb ik wel de idee dat ik ergens naar toe getrokken word. Ik ga heel duidelijk een richting op, heb ik het gevoel, terwijl ik het niet echt zie. Zo van die massa weg met een enorm grote snelheid.'

'Wat voor waarnemingsmogelijkheden heb je wel op dit moment?' 'Het is meer een waarnemen, een bewust zijn gewoon, een weten. Want als ik zeg dat ik een grote snelheid maak, dan betekent dat niet dat ik me voel wapperen in de wind. Dan weet ik dat. En het is helemaal donker. Misschien ben ik juist wel heel doelgericht. Dat ik weet waar ik heen moet, onbewust. Maar ik heb geen gedachte.'

'Heb je het gevoel dat je met een groot aantal bent? Of is er een gevoel van alleen zijn?'

'Nou, dat was daarnet ook. Ik probeerde te kijken, waar te nemen of er anderen zijn, maar ik zie ze niet. Overigens, dat is ook weer een gevoel, dat ik niet de enige ben die daarheen getrokken wordt.'

'Dus er is het gevoel dat ze er wel zijn. Bedoel je dat te zeggen?'

'Ja, maar heel ergens anders. Ik bedoel, er kan een heel grote onderlinge afstand zijn, maar hun doel is hetzelfde. Ze gaan in dezelfde richting.'

'Wat voor actie volgt er dan? Verandert er iets?'

'Ik denk het wel. Op een gegeven moment kom ik in een soort tunnel terecht ... met een draaiende beweging ... in een spiraal, in een werveling.'

Wat nu volgt, blijkt een soort gedaanteverwisseling te zijn. Er zijn meerdere Universa in de Kosmos. En het lijkt alsof ze door de begrenzing van het ene Universum in een ander geworpen wordt, via een zandlopervormig door- gangssysteem. Een 'zwart gat', met de bekende 'zuigende' eigenschappen daarvan, waarin een metamorfose, een vormverandering plaatsvindt. Door een centripetaalkracht, een middelpuntzoekende kracht, wordt ze, in een spi- raalbeweging, in een soort trechter gezogen, naar het zeer nauwe gedeelte daarvan. Ze wordt daar doorheen gedrongen en vervolgens door de centrifu- gaalkracht, de middelpuntvliedende kracht, weer wervelend door de tegengestelde trechtervorm in een nieuw Universum geslingerd. Zo wordt ze ons Universum en ons Zonnestelsel binnen gedreven, samen met een oneindig groot aantal entiteiten.

Ze gaat verder: 'Maar ik ga in het donker een gat in. Ja, je moet je dat niet voorstellen alsof je een ruimte ziet, maar iets veel meer. Een extra

1.18

dimensie. Het is meer dan zomaar een tunnel. En die heeft dus een spiraalbeweging. En dan wordt het pikdonker. Tenminste, ik zag de hele tijd die zilveren zee van Geest, en die is er dan niet meer. Dan ga ik door die wervelende duisternis heen.

Het lijkt net alsof ik in een ander heelal terechtkom, heel ruimtelijk en heel onbeperkt. Dat heeft iets ontzettend groots. Onbegrensd. Ja. Terwijl ik nu in zo'n ruimte kom, waar het nog veel en veel donkerder is. Ik word helemaal rondgeslingerd. Het lijkt een gevoel van druk, als ik op een gegeven moment in een versnelling raak. Dan kom ik in een Universum en dat is heel anders. Mijn waarnemingsvermogen is veranderd. Ik kan waarnemen dat ik in een totaal andere omgeving ben. Ik ben nu die tunnel door en het is net of ik in een enorm gat val. Raar, het is daar veel zwarter, maar tegelijkertijd is er veel meer licht. Het lijkt alsof ik nu een heleboel sterren zie, terwijl ze er in dat heelal hiervoor niet waren. Ik kijk inderdaad in een heel andere ruimte, die donkerder, zwarter van kleur is, maar meer sterren heeft. Tenminste, ik noem het maar sterren. Ik heb nu duidelijk het aardse heelal bereikt.'

'Je perceptievermogen in dit Universum, is dat veranderd door die wervelende tocht door die tunnel?'

'Ja, het is anders, want ik kan bijvoorbeeld voelen. Ik weet niet of ik dat zo goed uitdruk, maar ik neem waar dat er meer weerstand is. Het heeft een bepaalde weerstand, dit Universum. Het lijkt net alsof er een wrijving is die groter is dan in het vorige heelal, waar ik uitkwam. Maar ja, ik voel dat niet lijfelijk. Ik heb geen tastzintuigjes of zoiets waarmee ik die druk voel.

Ik heb nog steeds snelheid, maar die is iets minder geworden en ik heb ook de idee dat, na die tunnelgebeurtenis, het doel waar ik heen ga, minder duidelijk is. Je kunt dat vertalen in termen van meer vrijheid van beslissing hebben,' zegt ze opgewonden. 'Ik word minder aangetrokken door ... iets, en ik ben nu ook meer transparant. Het heeft wel iets lichts, maar niet meer zo echt dat zilveren Licht. Het is meer iets doffig geworden.' Ze is nu echt los van het Goddelijke, denk ik. 'Heb je nog een herinnering aan die zilveren oceaan van Licht, de warmte en rust, waaruit je bent voortgekomen?'

'Dat speelt nu niet,' antwoordt ze. 'Maar toen ik daar nog was, in een Zijnstoestand voordat ik afgesplitst werd, had ik een gevoel dat daar een situatie van zuiver Liefde en harmonie was. Ja, het was een volkomen harmonisch bestaan. Een gevoel van een alles omvattende Liefde. Het was meer, maar ... anders, in ieder geval. En nu ben ik transparant en bepaal ik op dit moment min of meer zelf in welke richting ik ga. Maar ik kan geen andere transparante afsplitsingen waarnemen. En ik heb ook niet het gevoel dat ik contact met ze heb.'

'En waar kom je terecht, of waar ga je op af?'

1.19

'Ik zie weer, zoals ik daarnet al zag, dat ik in het water ben. En ik ben ergens op een planeet. Of dat de aarde is, weet ik niet. Maar ik denk van wel. Ik heb de idee dat ik door een 'schil' heen moet, door een weerstand. Die schil, die weerstand, is de dampkring, of hoe je dat ook noemt. Het krachtveld dat om zo'n planeet heen zit. En dan kom ik in het water terecht in de gedaante van een druppel.' 'Je bent een druppel, zegje, en ga je dan op in het water?' 'Nee, nee, nee!

Ik ben en blijf een zelfstandige eenheid,' zegt ze zeer beslist. 'Ja. En er zijn rotsen ... heel ruwe stenen met grillige vormen. Rotsen onder water!'

'Heeft het iets met koraal te maken?'

'Nee! Ze zijn wel begroeid met micro-organismen. Ze lijken kaal, maar er zit wel wat op.

Ik heb een gevoel alsof ik ook afhankelijk ben van die rots, daarmee op een of andere manier verbonden. Ik moet daarbij blijven, en onder water. Het is een zuiver geestelijke verbondenheid met die rots, waarop die kleine organismen allemaal zitten. En dat zijn geen koraaldiertjes. Er is eigenlijk niks. Dat wil zeggen, niet waarneembaar. Maar ik weet dat ze er zijn. Het is een dichte concentratie van een celligen, tegen die rotsen aan. In het water lijkt het me minder. Misschien dat ik daarom ook wel daar ga zitten. Zo van, nou ... dan val ik niet zo op. Het is dus de vraag, zit ik op de rots vanwege de rots zelf of omdat die een celligen er zitten. Ik denk meer dat ik me als zo'n eencellig organisme voel ... maar dat ben ik niet, daar lijk ik alleen maar op door die druppelvorm. Ik denk dat als die diertjes eens in het water zouden gaan bewegen, met zijn allen los van de rots dus, dat ik dat dan ook zou doen. En uiteindelijk kan ik natuurlijk ook het water uit gaan, want ik heb nog steeds een eigen vorm. Maar om een of andere reden ga ik niet heel ver van die rots weg. Nou, en dat is natuurlijk nergens voor nodig, als je dat goed bekijkt.'

'Hoe gaat dat evolutieproces verder?' 'Het lijkt heel statisch, hè.' 'Is er echt gevoel?'

'Er is enig gevoel. Het statische is merkbaar en er is een bepaalde ... ja, drang is een te groot woord, om van dat statische te willen loskomen, tot iets anders, iets actievers.' 'En wat doe je dan?'

'Ik heb me weer losgemaakt van die rots. Ik voel mezelf eerst langs de rots omhoog kruipen, en daarna kom ik vrij in het water terecht.' Ze moet er zelf om lachen. 'Raar, ik heb het gevoel dat ik kruip. En toch is er geen bewegingsapparaat. Ik merk in ieder geval dat er beweging is. Maar het is een heel ander soort beweging dan daarvoor. Ja, echt zoals beestjes doen, en hele kleine stukjes maar.'

1.20

'Maar hoe is je vorm nu, terwijl je daar langs die rots kruipt?'

'Ik ben nog steeds - voor mijn gevoel - die kern met geest eromheen, die afgeplatte druppel.'

Later zal dat een stip of bolletje worden, met een uitstralend lichtje eromheen. Een energielichaam met een aura.

'Waar begeef je nu naar toe?'

'Ik kom op een of andere manier omhoog en dan ben ik een organisme, dat in een plant, in zeewier is. Ik voel me zo heerlijk heen en weer wiegen. Dat zwaait daar zo onder water, het deint... Ik heb als het ware bezit genomen van een wier. Ik ben daarin gaan wonen, gaan leven. Ik heb me daarin geïntegreerd.' 'Hoe heb je dat gedaan?'

'Nou, ik heb me gewoon één gemaakt. Dat beviel me. Dat wier was er en, ja, door eigenlijk mezelf erin te laten zinken, me erin te projecteren. Ik wilde dat, anders was het niet gebeurd. En dan is het zo van "Ik wil dat", dus word ik één met dat wier. Dan kapselt dat me in ... en ... nou, dan dein ik zo heerlijk.' 'Waar ben je in dat wier?'

'Aan de buitenkant. Ik heb het niet helemaal bezet. Nee, een stukje maar. En ik pas me aan het wier aan en aan de beweging die het maakt. Die beweging beviel mij, dus ben ik daarheen gegaan. De beweging van de rots was zo statisch, die beviel me niet. Daarom ging ik iets anders zoeken.'

Het wordt in een later stadium duidelijk dat dit 'zoeken doorgaat totdat ten slotte een wezen wordt gevonden waaruit een 'hominide' kan ontstaan. Een dierlijk wezen, dat aan zekere eisen voldoet, zodat het als uiteindelijke aardse woning van de geestelijke entiteit kan worden aangepast. Een lang en moeizaam scheppingsproces.

'En nou heb ik dat wier gevonden dat me beviel,' gaat ze verder. 'Dus is het niet zo dat ik het wier beïnvloed, maar dat ik een bewoner van het wier word. Het wier zelf zorgt wel dat het voedsel krijgt. Het water zorgt dat het beweegt. Dus het wier heeft niets met mij te maken. Dat hoeft er alleen maar te zijn. Ik heb me er in feite gewoon tegenaan gekleefd.' 'Hoe is dan je verwantschap met het wier? Heb je invloed op het bewustzijn van het wier, voor zover dat een bewustzijn heeft?' 'Nou, het gaat niet dood.'

Ik besluit op deze kwestie niet verder in te gaan en vraag verder. 'Hoe is nu je vorm geworden?'

'Nog steeds zo'n kleine, afgeplatte druppel. Onveranderd eigenlijk.'

'En blijft dat zo of bevalt op een bepaald moment deze toestand je ook

1.22

niet?' Er valt een lange stilte.

'Dit is natuurlijk ook weer een vrij statische toestand,' zegt ze ten slotte nadenkend.

'Dat verandert op een gegeven moment. Dan heb je daar ook weer genoeg van.'

'Wat besluit jouw IK, want je bent toch een IK? Je spreekt ook van IK over jezelf.'

'Jaah ...' Het antwoord komt wat traag, alsof ze er diep over moet nadenken. 'Nou, dan maak ik me los van het wier en dan kom ik op het land. Dus boven water. Dat wil zeggen, ik beweeg me vlak boven het water. Dat is eigenlijk een wonderlijke gewaarwording. Alsof ik niet heb geweten dat daar land is. Dat is een ontdekking voor me. Een openbaring. En dan heb ik de idee dat er ook meer afsplitsingen zijn. Dan heb ik plotseling gezelschap van andere geest.' Helder en duidelijk komt het eruit.

'Je bent daar nu boven land. Heb je nu ook contact met andere afgescheiden beginsels die daar rond zweven?' 'Nee, het is meer het besef dat die er zijn.' 'En wat is dan de volgende actie, de volgende fase?' 'Het is eigenlijk op het land of boven het land ook een 'Zijn', een hele periode, zonder me ergens aan te binden. Wel is er een sterker bewustzijn in me gegroeid, terwijl ik daar boven land zweef. Of ja, een sterker bewustzijn? Het is een ander, ruimer bewustzijn geworden. Een besef van wat er aan de hand is.'

'Heb je in dat bewustzijn nog herinneringen aan je oorsprong? Aan wat wij God zouden noemen. Die zee van Geest en Liefde?' 'Nee, op het moment weinig. Er is wel een soort 'doorgang'. Je kunt die nog wel waarnemen. Het bewustzijn daarvan is er dus nog wel. Maar als iets onwerkelijks eigenlijk. Er is niet meer een echt direct contact. Ik ben echt los nu en op mijzelf aangewezen.'

'En hoe gaat het dan verder? Op de aarde ben je als het ware toch al tijdgebonden, of niet? Binnen tijd en ruimte?' 'Ik ben me totaal niet van tijd bewust,' antwoordt ze.

Hier speelt een fenomeen dat in elke sessie voorkomt. Ongeacht naar welk vorig leven we toegaan, het besef van tijd is er niet. Het ontbreken van tijdsbesef bij dit Goddelijk Beginsel is dus eigenlijk een vanzelfsprekendheid.

'Heb je dan wel het gevoel dat je afstanden aflegt en materie waarneemt? Dat jij je daar bewust van bent?'

'Nou, het is wel iets sterker. Ik heb de idee dat wat er nu gebeurt, een soort verkenningstocht over de aarde is, zonder dat ik me ergens aan bind. Maar ik neem wel duidelijk materie waar. Ik "zie" wel, bijvoorbeeld stenen, ronde keien. Die neem ik waar. Ik zie niet met ogen. Mijn perceptie-

1.22

vermogen is van een geheel andere aard, want ik zit nergens aan vast. Ik kijk met een geestelijk oog, net zoals wanneer je aan Gene Zijde bent, na een leven op aarde, fijnstoffelijk. Buiten tijd en ruimte, in een tussentoe-stand. Maar dat waarnemen is wel heel beperkt. Het is niet zo dat ik alles overzie. Ik zie bomen en rotsen, maar slechts een heel klein plekje. Ik bedoel dat je niet echt rond kunt kijken. Maar dat vermogen breidt zich wel langzaam maar zeker uit. Toch een vorm van groeiend bewustzijn. Eerst zie ik alleen maar ronde steentjes, daar aan de kant van het water, en een beetje zand en rotsen. En dat het heel licht is. En dat is iets dat heel erg prettig en belangrijk is.'

'Wordt je gezichtsveld steeds groter, terwijl je daar rondzwerft boven de aarde?

Eerst zag je maar één steentje. En nu?'

Haar antwoord betekent dat we weer in een nieuwe fase van bewustzijn komen. Want ze zegt: 'Ik zie beestjes die uit het water komen. Ze zijn heel klein. Een soort kikkervisjes. Reptielachtigen.' En ze roept uitbundig: Tk zie rotsen en ook de zon. En een heel wilde begroeiing. Maar nog maar weinig, nog maar een begin. Ik zie geen bomen. Nee! Ik zie rotsplanten. Een soort heel stekelige planten. Cactussen of vetplanten, denk ik.'

'Hoever is je gevoel voor koude en warmte nu ontwikkeld?' 'Dat is er niet! De aanwezigheid van licht is heel prettig, dus dat neem ik wel waar.' Fotoreceptie (lichtwaarneming) is in deze fase van ontwikkeling duidelijk de belangrijkste factor.

'Ga eens vooruit in dat evolutieproces naar een voor jou heel belangrijk moment?

Ben je dan nog steeds zuiver geest, zonder een aards lichaam, in welke vorm ook?'

'Inderdaad.'

'Wat gaat er nu in je om?'

'Het stopt,' zegt ze. 'Er komt niets meer.'

Einde sessie.

Eenmaal weer uit de trance, terug in het waakbewustzijn, keken wij elkaar uiterst verbaasd en verrast aan. We hadden gekregen waarom we vroegen. Het verkregen resultaat stemde ons tot dankbaarheid en tevredenheid.

Eigenlijk is elke afsplitsing van de zilveren zee van Geest een geboorte. Een geboorte van vele kinderen van één vader, van God, de Schepper. En daardoor zijn de kinderen (de mensen) in wezen kleine 'godjes', scheppende entiteiten, los van hun oorsprong, volkomen vrij, met een onafhankelijke dominante vrije wil, wat voor consequenties dat ook mag hebben. Zij kunnen doen en laten wat zij willen. Helaas heeft de verbinding met het dierlijke aardse plan van evolutie, een degeneratie van 'goddelijke hoedanigheden en mogelijkheden' bij de

1.23

mens tot gevolg gehad, en is veel daarvan teruggebracht tot niet meer dan een rudiment. Soms zijn ze volkomen verloren gegaan, maar in aanleg zijn ze, onbewust, blijvend aanwezig.

Het wegzakken in het materialisme en in onverschilligheid is de grootste schuldige aan het verloren gaan van spiritualiteit en de mogelijkheden daarvan in het dagelijks leven van de mens.

Iets anders is dat de formulering van de afstammingsleer volgens Charles Darwin, volgens welke hogere wezens voortgekomen zijn uit lagere vormen, in het voorgaande enige gestalte schijnt te krijgen, zij het in eerste instantie eigenlijk uitsluitend in biologische zin. De mens komt, zoals vele levende wezens op aarde, voort uit het water. En sommige specimina zijn daar vroeg of laat, na een verblijf op het land, ook weer in teruggegaan, nadat daaraan een langzaam proces van aanpassing is voorafgegaan. Voorbeelden hiervan zijn bepaalde zeezoogdieren, zoals de walvissen, dolfijnen en dergelijke van de orde der zoogdieren, die geheel aan het waterleven zijn aangepast.

In de vroege Atlantis - tijd waren er in de oceaan kleine groepen watermensen die zich dicht bij de kust ophielden. Zeemeerminnen en zeemeermannen. Letterlijk, zoals 'de kleine zeemeermin', het bronzen beeld bij de haven van Kopenhagen. Zij hadden een grote drang, een soort heimwee om het land op te gaan, op de rotsen. Telkens weer probeerden zij het. Maar het lukte niet, omdat hun slijmhuid onder de zonnehitte te snel uitdroogde. Daardoor moesten zij, tot hun grote verdriet, dan ook weer vlug terug in het water gaan.

Ik ben deze watermensen tegengekomen tijdens mijn onderzoek van Atlantis, het verloren continent. Zij behoren naar alle waarschijnlijkheid tot de 'archetypen' van Carl Jung.

1.24