DE TWAALFDE INCARNATIE

'Luister! Je voelt je nu gaan vanuit Gene Zijde en je beschrijft helder en duidelijk wat je ziet en wat je ervaart.' (Instructies volgen.) 'Je gaat nu naar de aarde, naar je twaalfde incarnatie.'

'Het is gewoon een omgekeerd proces,' antwoordt ze. 'Ik zonder me eerst af van al de andere entiteiten. En dan ben ik weer helemaal op mezelf aangewezen. Dan schouw ik kort daarna de omgeving waar ik terechtkom.'

'En waar ben je nu, op dit moment?'

'Ik zie een grasvlakte,' antwoordt ze. En dat klopt precies met de ervaring aan het einde van de voorgaande regressiesessie. 'Sappig, mooi groen gras?' vraag ik bewust.

'Nou. Vrij dor.' En dat klopt ook. 'Het is er rotsachtig en toch zijn er ook wel bossen. Het is een woest gebied en ik zweef daarboven rond.' 'Wanneer kom je bij je moeder? Kort na de conceptie of vlak voor de geboorte?'

'Vlak voor de geboorte. Ik heb nu geen lang bestaan in de baarmoeder doorgemaakt. Nee. Of ja, dat was er wel, maar IK was er niet. Ik zie die ouders niet eens. Nee.' (Instructies volgen.) 'Ik zie een groot rond gat. En dan, ja, dan ben ik er.'

Ze lacht, een beetje verbaasd. 'Dat ronde gat is op de weg naar het kindje toe, een soort tunnel. Ik ben eigenlijk door de geboortetunnel erin gegaan. Maar het is geen fysieke tunnel. Gewoon een geleidetunnel, of hoe je het ook noemen wilt. Ik lig daar als een baby’tje naar de lucht te kijken.'

'Ga wat verder vooruit in de aardse tijd, naar een moment waarop je je alles zeer bewust bent, in je lichaam. Wat kun je dan vertellen?'

'Dan sta ik in een grot, in een rots in de bergen. En er is weer een baby geboren. Ik ben een jongetje van een jaar of vier, vijf. En dat baby’tje is die andere jongen, die herken ik al (onbewust) en ik vind het helemaal niet leuk.'

8.115

'Niet leuk. In welk opzicht?'

'Ik vind hem niet aardig. Nee!' valt ze uit. 'En hij mij ook niet. Dat voel ik, en dat baby’tje voelt het ook al. Hij voelt het net zo goed als ik. Zo van, nou, daar zijn we dan. Er is gevoelsmatig meteen iets vijandigs tussen ons tweeën. En dan loop ik weg, want ik kan er niet tegen. Het is ook een vorm van jaloezie, denk ik. Door de verzorging die hij krijgt. Tenminste, hij krijgt borstvoeding. Dus hij hangt heel tevreden bij mijn moeder aan de tepel. En ik niet!' 'Kom je tekort?'

'Ik ben te oud voor borstvoeding en ik vind hem gewoon niet aardig. Ik ga in ieder geval weg en ik ga me heel erg uitsloven in de stam, als een soort compensatie. Ik wil de beste zijn, in alles. En ik doe daar veel moeite voor. Veel meer dan de meesten. Ik breng er ook offers voor. Ik oefen en oefen, ik wil uitblinken.' 'Waarin wil je uitblinken?'

'Ik weet niet. We vormen zo'n groep en we zijn op droge vlakten. En daar is ook een meer, zoiets. Het ligt soms droog en soms ook niet. Het is er veel te heet. En als dat meer volloopt door de seizoenregens, dan komen er altijd een heleboel dieren naar toe om te drinken. Nou, en dan is het dus jagen.

Dat plukken van planten en bessen, dat is ook maar niks. Dat ligt me niet. Als je klein bent moetje dat wel doen, ook als jongen. En we jagen, ja. Vooral door het zetten van vallen. Het zijn een soort "struikelvallen", bouwwerken van gespannen takken. Er zijn ook weivalkuilen, maar die andere dingen zijn veel slimmer bedacht. Die zijn boven de grond. En die takken zijn op een bepaalde manier door elkaar gevlochten. Het is een of andere hefboomwerking. Want als er iets gebeurt, dan is er een spankracht en die komt uit het buigen van veerkrachtige takken. Daaraan verbonden zitten een soort heel losse stroppen, en als daar dan een beest doorheen loopt, dan zwiepen die takken omhoog en dat dier maakt een vreselijke smak. Daarna moet je er heel snel bij zijn met je speer om het te doden. Maar je zit ook vaak in een boom erboven. Dat is veiliger, anders word je verscheurd. Nou, dan moetje heel snel zijn met naar beneden komen. Die dieren zijn heel groot en zwaar. En laag bij de grond, met korte poten. Ze zijn iets anders dan neushoorns, wel iets hoger op de poten, maar ze hebben niet zo'n rare neus met horens. Ze zijn wel vrij breed en de kop is spits. Ze hebben geen vacht, maar een vel met heel kort haar erop. Het zijn echte landdieren en hun vlees is heel smakelijk.' 'Hoe oud ben je nu, terwijl je daarover spreekt?' 'Een jaar of vijftien, zoiets.'

'Kun je iets meer vertellen over de leefwijze van de stam? Waarin wordt er gewoond?'

'In de droge tijd woon je op die vlakte. Maar er zijn geen echte hutten. Je

8.116

hebt daar ook niet zoveel nodig. Er is wel schaduw van de rotsen die daar zijn. En daar leef je eigenlijk. Daar heb je alleen maar een soort afdakje nodig. Er zijn trouwens overal grotten en die bieden voldoende onderdak en beschutting.' 'Draag je kleding?'

'Ja. Als een soort bescherming tegen de insecten, want die zijn er hier heel veel. De oudere mensen, voornamelijk de mannen, dragen de huiden van die grote beesten. Dat is weer een statussymbool. Het is het teken van een goed of groot jager.' 'En de vrouwen, wat dragen die?'

'Die dragen of helemaal niets of soms ook van dat leer, of iets van takken. Die dienen als bescherming tegen lastige insecten.' 'Hebben de vrouwen al een goed figuur?'

'Nou, de borsten zijn vrij plat en hangend. Maar die vrouwen zijn nog wel redelijk zwaar, vrij grof gebouwd. Ze verschillen, wat uiterlijk betreft, niet zoveel van de mannen. Alleen dat ze borsten hebben. En de mannen hebben uiteraard andere geslachtsdelen. Ze hebben een roodbruine huid. Je zou ze als roodhuiden kunnen betitelen, zoals de Indianen wel genoemd worden. Ze zijn heel anders dan de mensen in voorgaande levens.

De vrouwen wonen hoger, tegen de rotsen aan. En de mannen leven op de vlakte. Daar was ik, toen ik zei dat ik wegliep. Toen heb ik me bij de mannen aangesloten. Maar daar was ik eigenlijk veel te jong voor. En om daar te kunnen blijven, moest ik keihard werken. Omdat ik niet langer meer bij die moeder met dat joch wilde blijven.'

'Hoe is de relatie tussen mannen en vrouwen. Ik bedoel het liefdeleven?' 'Dat is er uiteraard wel. Maar dan moetje als man naar die vrouwen toegaan. En dan kies je er gewoon één uit, willekeurig. En als ze zwanger worden dan zijn de kinderen van die moeder,' antwoordt ze. 'Maar veelal weten ze wel van wie ze zwanger zijn, en dus wie de vader is. Er is wel vaak een bepaalde voorkeur, van twee kanten. Maar die is niet van blijvende aard, gedurende het hele leven. Dat wisselt toch wel.' 'Hoe gaat het met jezelf? Je bent nu een jaar of vijftien, zei je. En je bent kennelijk ambitieus. Je probeert in dat leven de beste te zijn. En dan, op welk gebied?'

'Op alle gebied,' zegt ze zonder blikken of blozen. 'Is dat leiding geven, dus macht, jagen en het verwerven van vrouwen?' 'Ja,' bevestigt ze mijn vraag. 'En voor vrouwen, daar ben je op een gegeven moment rijp voor. En het zijn de oudere mannen van de stam die beoordelen of je er rijp voor bent. De Raad der Ouden dus. En daar ga je dan met knikkende knieën,' zegt zij lachend, in haar leven als jongeman. 'Dan ga je naar die voor jou uitgezochte vrouw. Dat is blijkbaar toch wel geregeld. En dat is bij die vrouwen ook zo geregeld, dat er meisjes zijn die de jongemannen ontvangen kunnen. Maar het zijn

8.117

vrouwen die weer wat ouder zijn dan de jongemannen, en daardoor wat meer ervaring hebben. Die wijden de jongens in, als het ware, in de kunst van de lichamelijke liefde.'

'Vertel eens wat ze doen moeten, om het maar heel simpel te zeggen?' 'Ze moeten naar boven, naar die rotsen gaan, en dan weten ze al waar ze heen moeten. Dat is al van tevoren gezegd, dus dat kan niet missen. Je stapt heel stoer naar binnen. Maar je gaat niet direct naar een meisje toe. Je moet eerst ergens gaan zitten. En dan zijn er een stuk of zes vrouwen, die een of andere dans uitvoeren. Dat is weer iets met ritme en in de handen klappen. Dan raak je als jongeman opgewonden. Die vrouwen zijn praktisch naakt.' 'Waarin uit zich die opwinding?'

'Dan krijg ik al een stijve penis,' zegt zij/hij bedachtzaam. 'Dat merk ik nu, ja. En als die dansende vrouwen dat ook merken, of tenminste, als ze dat zien, dan komt er een die zich afscheidt van de groep naar me toe, terwijl de andere vrouwen blijven doorgaan met dansen en in de handen klappen.

En ik zit dan op mijn hurken op de grond en die vrouw komt gewoon over mij heen. Dat gaat dan toch zo, dat ik met mijn stijve penis bij haar naar binnen glij. Dan gaat zij op dat ritme op en neer, terwijl ik stil lig. Het lijkt net alsof ik half zit, en zij zit gehurkt op mij, en ze gaat omhoog en omlaag, op het ritme van die dansende vrouwen. Nou, en op een gegeven moment krijg ik een orgasme en dan is er niks meer te doen.' 'Gaat dat altijd zo?'

'Nee. Dat gaat alleen de eerste keer zo.'

'Hoe gaat het dan verder, in de volgende contacten?'

'Daarna kun je, als je zin hebt, gewoon naar die vrouwen toe gaan.'

'Gaat de wijze van paren steeds op deze zelfde manier?'

'Nee. Dat is alleen die eerste keer zo. En soort inwijding is het. Ik ben dan in een lichte trance-toestand. En deze vrouw was al ontmaagd toen ze bij mij kwam. Deze wel.'

'Bij dat liefdeleven, is daarbij ook al enige bewuste genegenheid aanwezig? Of ontstaan er geen speciale liefdes of vriendschappen?' 'Jawel. Je hebt beslist wel je voorkeur voor bepaalde vrouwen. Ja, en die voorkeur wordt bepaald doordat jij je tot elkaar aangetrokken voelt. Toch wel een band die in vorige levens is ontstaan. Een karmische band dus. Dat gevoel is er wel.

Ik heb de indruk dat ook mijn bewustzijn van de dingen van het leven zelf sterker is geworden. Er is een iets hogere graad van bewustzijn in dit leven, in verhouding tot de voorgaande incarnaties. Dus toch weer meer evolutie, ook op dat gebied.'

'Hoe is het nu met die jongen die je niet luchten of zien kon? Je broer.' 'Die is nu ook gekomen om te leren jagen. Ja, maar hij is een beetje een bangerik. Ik vind hem een nietsnut, gewoon een "ei". En ik ben fors

8.118

gebouwd, een krachtige man. Ik hoor tot een van de betere, wat jagen en ook wel wat invloed betreft.' 'En wat gebeurt er dan verder?'

'Wel, ik moet, als een belangrijke figuur, ook andere mannen opleiden voor de jacht. En dan vinden ze dat ik dat broertje van mij maar eens moet gaan leren jagen. Het is namelijk een eer voor een jager als hij veel andere jagers opleidt, die daarna blijken goed te zijn. En op de leeftijd die ik nu heb, moet ik jagers gaan opleiden. Er wordt mij verteld wie dat zijn. En dat is onder andere die broer van mij. Dus daar moet ik heel vaak het bos mee in.

Nou, dat is echt hopeloos. Ik denk ook wel dat ik hem een beetje intimideer. Ja, hij is gewoon bang. Het is geen flinke kerel.' Ze zucht eens heel diep. 'En hij heeft er een hekel aan,' gaat ze verder. 'Dat is het gevolg. Het één hangt samen met het ander. Hij vindt het maar niks. Ja, en er gebeurt wat. Dat is zeker. Hij wil met dat jagen stoppen. Want als man ben je wel een beetje ondergeschikt aan je leermeester, maar je kunt je ook meer gaan verdiepen in kruiden en speren maken. En in het afvoeren van het vlees, het wild, nadat het eenmaal gedood is. Maar ik wil niet dat hij stopt met jagen, alhoewel het geen succes is. Ik vind het een doffe ellende, want het is voor mij een nederlaag als één van mijn jagers het jagen opgeeft. Jij moet er een succes van maken.' 'Maar wat gebeurt er dan?'

'Ik drijf hem heel erg in het nauw. Hij is bang van mij. Ik ben erg dominant.'

'Hoe drijf je hem in het nauw?'

'Door mijn gezag en door mijn kracht, mijn overwicht op hem te laten gelden. Daardoor moet hij wel doorgaan. Ja, en op een gegeven moment gaat het mis.' Ze zegt het niet bepaald met spijt in haar stem. 'Ik weet dat hij zich door zijn ongeoefendheid blootstelt aan gevaar. Maar ik kan moeilijk met hem naar huis gaan en zeggen van, hij durft niet. Voor mijn gevoel kan dat niet. En het gaat op een gegeven moment behoorlijk fout. Hij doet ook iets heel stoms. Hij knikkert zomaar uit een boom. Maar het is ook wel een beetje moeilijk moet ik zeggen, want de tak waarop hij zit, die zwiept omhoog. Het heeft iets met zo'n val en dat "zwiepgedoe" te maken. Als dat plotseling allemaal gebeurt, dan moetje ontzettend uitkijken datje niet zelf uit de boom valt. Of je moet juist in een andere boom zitten. Maar er is in ieder geval een groot gevaar aan verbonden, aan die manier van dieren vangen. Je moet dan heel snel reageren met het te doden.

Hij valt dan ook uit die boom naar beneden. Ja, en dan gaat het helemaal verkeerd, want dat beest staat op en is in paniek. Het stampt hem plat, totdat hij hartstikke dood is.' 'Stampt hem plat, zei je. Is het dan zo'n zwaar beest?'

8.119

'Ja, dat beest kan niet zo hard sprinten, maar als het in paniek opspringt en het ziet hem vlakbij staan, dan gaat het op die jongen af, duwt hem omver met zijn neus, en stampt hem plat met zijn poten. Het is een heel zwaar beest, hoor. Nou, en ik ben eigenlijk wel blij dat ik van hem af ben.' Ze lacht wat zenuwachtig, terwijl ze dat zegt.

'Maar het is in feite toch jouw verantwoordelijkheid geweest,' reageer ik daarop.

'Ja, maar hij is als jager gesneuveld. Dus dat is toch wel een eervolle dood.'

'Er zit een vuiligheidje achter,' kan ik niet nalaten te zeggen. 'Ja maar,' zegt ze verontschuldigend, 'het was ook wel een "oen". Maar het is niet helemaal netjes, geloof ik,' voegt ze eraan toe. 'En wat dan?' vraag ik. Ik wil er eigenlijk liever maar niet verder op ingaan.

'Dan ga ik terug naar de stam en dan zeg ik dat hij als jager eervol gesneuveld is. En dan is iedereen blij. Of blij? Ja, dat moet wel gebeuren, eens in de zoveel tijd. Maar iedereen is blij dat het zo gegaan is, en dat hij niet als een lafaard gestorven is. Ik denk dat hij het eigenlijk wel wist, omdat hij het al niet wilde.'

'En niemand grijpt daarna in? Ook niet de raad van de oude mannen?' 'Nee. Het is mijn verantwoording. En het is ook zo, dat als hij het echt niet wilde, dan had hij het ook maar moeten zeggen.' 'Hoe gaat het met jou dan verder? Stijg je nog hoger in aanzien of is je honger naar macht en de beste te zijn nu eindelijk gestild?' 'Het wordt wat minder, maar het blijft wel. Ik krijg ook best veel te zeggen in die stam, maar niet als de grote man, de leider. En er gebeurt eigenlijk verder niets. Ik sterf gewoon op mijn oude dag.' 'Je spreekt van je oude dag. Hoe oud ben je dan? Ga daar eens heen.' (Instructies volgen.) 'Ik ben nu echt een oude,versleten man.' 'Wie zorgt er dan voor je?'

'De vrouwen. Die zorgen altijd wel voor je.' Haar stem klinkt zacht en krachteloos.

'Wat is er met je?' vraag ik.

'Oud en versleten,' antwoordt ze. 'Ik kan haast niks meer. Jawel, ik kan nog wel een beetje rondsjouwen. Toch niet echt krom en gebogen.' 'Heb je nog wel aanzien in de stam?'

'Nee, nu niet meer,' zegt ze, zwakjes. 'Tenminste, tot voor kort wel, oud en grijs als ik ben. Nu ben ik een beetje onwijs, geloof ik. Een beetje "kinds". Ik trek me terug. Dat wordt me gevraagd. En dan ga ik sterven. Ik sterf rustig, onder een rotsje, in de schaduw. Daar lig ik op een matje . Ik ben ongeveer dertig jaar, denk ik. En er zit een vrouw bij me. Die zit op haar hurken naast me.' Het spreken gaat nu moeizaam en trager, de

8.120

stem wordt nog krachtelozer.

'Die vrouw weet dat ik doodga,' zegt hij /zij. 'Die moet wachten tot ik dood ben. En dan moet ze het de anderen gaan vertellen. Dat is een vrouw die mij bijzonder dierbaar is. Een van de favorieten, een van mijn lievelingsvrouwen. En dan sterf ik rustig. Dan zie ik mezelf buiten mijn lichaam en kijk ik erop neer,' zegt ze, nauwelijks hoorbaar. 'Wat kun je nu van dat leven zeggen?'

En met weer heldere stem zegt ze: 'Nou. Ik heb een heleboel karma opgedaan'.

'En heb je geen karma opgedaan in dat vorige leven, door die jongen, je broer in dit leven, te vermoorden?'

'Ja, natuurlijk wel. Maar dit is nog wel meer. Ik heb hem weer de dood in gedreven, door niets en niemand te ontzien,' zegt ze, met de nodige zelfkennis.

'Nu ben je aan Gene Zijde. Hoe voel jij je dan?'

'Ja, een beetje stil, beduusd. Want het gebeurt zomaar, hè, allemaal. Het is niet echt zo, datje dat bewust doet. En nou, weer wat erbij. Een stevig karma. Vooral met dat broertje, maar niet met hem alleen. Wat ik nu zie, wat ik denk, is dat ik enorm tekort ben geschoten in dat leven. Dat zie ik, dat voel ik. Ik weet het. Ja, heel erg tekort geschoten. Het is alsof de omhulsels, de toneelkleren zijn afgevallen. De lichamen zijn weggevallen en ik zie dat hele leven alleen nog maar gevoelsmatig. Wat er in wezen is gebeurd.

Het is niet wat ik toen belangrijk vond, dat jagen, maar het jezelf nu naakt zien. Ja, dat is het. Dan zie ik, dan voel ik, wat de motieven zijn geweest voor al mijn handelingen. Dan zie je dus duidelijk dat het niet zo zuiver was.'

'Hoe gaat het verder aan Gene Zijde?'

'Daar ben ik lang. Ja, lang? Nu toch wel langer aan het analyseren, in het bijzonder wat mijn broer betreft. Vooral ook hoe mijn algemene levenshouding was, is zo duidelijk. Maar mijn verhouding tot die broer vind ik toch wel ingewikkeld. Temeer daar hij de hele karmische relatie eigenlijk op gang heeft gezet. Ik voel wel dat het niet klopt, wat ik gedaan heb, maar ik heb ook het gevoel van, ja, maar hij? 'Voel je dat echt als geldend?'

'Nee. Het klinkt toch onredelijk. Voor mezelf klinkt het niet helemaal overtuigend. Terwijl die andere zaken, zoals dat ik een streber was, dat niemand ontzien, daarvan kan ik heel duidelijk zien wat mijn motieven waren en wat ik daar niet had moeten doen. Eigenlijk wat ik fout deed. Die overheersing van mij, die zie ik echt als een tekortkoming, terwijl dat met die broer, daarvan denk ik, ja, nou, het zal wel, maar hij is begonnen. Weet je, dat kan ik maar niet kwijtraken.'

Het blijft toch oorzaak en gevolg. Die broer zal ook zijn les wel moeten leren,

8.121

maar mijn regressante, hij, heeft de zaak laten escaleren door zijn reactie.

'En waar mondt dat tenslotte in uit?' vraag ik verder. 'Komt dat dan tot uitdrukking in je dertiende incarnatie^ In je volgende leven en in de levenspatronen die daarin verschijnen?' 'Ja, dat denk ik wel,' beaamt ze.

Later in de tijd kunnen er nog vele andere opvolgende levens tussen liggen, voordat het karma in een volgend leven aan de orde wordt gesteld.

DE DERTIENDE INCARNATIE

'Luister! Ga nu, vanuit Gene Zijde, vanuit buiten tijd en ruimte, naar je dertiende incarnatie op aarde, binnen tijd en ruimte.' (Instructies volgen.) 'Je gaat nu met alle kennis en analyses, met een nieuw levensplan naar ik mag aannemen, naar je opvolgende leven op aarde. Wat zie je, wat gebeurt er, wat ervaar je?'

'Ik sta boven op een rots, hoog in de bergen,' antwoordt ze. 'Maar het is er niet koud. Het is hier inderdaad wel behoorlijk hoog, als ik zo om mij heen kijk. En dit landschap is ongeveer hetzelfde gedeelte als in het voorgaande leven, alleen wat groener en wat minder warm.' 'Ga eens naar een leeftijd waarin je al in staat bent om duidelijke indrukken op te doen. Ben je pas geboren of zie je, als rondzwervende entiteit, de omgeving daar?'

'Nee hoor, ik ben een vrouw,' zegt ze met een zachte stem, en er valt een stilte.

'Wat wilde je zeggen?' moedig ik haar aan.

'Ik zit daar heel hoog, hè, op die rotsen.' Ze blijft nog op neutraal terrein.

'Hoe oud ben je nu, ongeveer?'

'Even kijken. Pff. Een jaar of tien, zoiets. Maar ik ben niet helemaal goed. Ik denk dat het karma is,' zegt ze, nauwelijks hoorbaar. 'Niet helemaal goed? In wat voor opzicht? Geestelijk of lichamelijk?' 'Ja? Ik weet niet. Alle twee een beetje, denk ik. Maar ik val heel veel. Maar niet uit een boom. En ik ben heel "wiebelig" op mijn benen. Ik heb vaak een soort duizelingen in mijn hoofd. En dan moet ik verzorgd worden. Ik mag ook wel kleine klusjes doen, maar als ik drie stappen op die rotsen heb gezet ... ja, dan val ik heel gauw. Het zijn een soort toevallen, denk ik. En mijn geest is ook niet helemaal helder. Dat voelt als een golfbeweging. Mijn geest is verward, maar daardoor ben ik heel erg eenzaam en verlaten. Want ik mag dan wel bij die stam blijven, maar ik word eigenlijk toch uitgestoten. Ik mag wel in de buurt blijven, en dan

8.122

krijg ik eten en drinken, maar ik hoor er feitelijk niet bij. Ik word wel verzorgd, maar er wordt verder niet naar me omgekeken. Ik probeer er natuurlijk wel de hele tijd bij te komen.

Maar het is erg gevaarlijk voor me, door die toevallen die ik krijg en die duizeligheid, juist daar in dat bergachtige gebied. Het is erg riskant om in dat gebied te lopen. En ik val soms ook wel ernstig.' Het is één en al triestheid, die uit haar stem klinkt. 'Ja, en dat hopen ze natuurlijk ook, dat is logisch. Om van me af te komen.'

'Er is dus geen bewuste poging gedaan om van je af te komen, omdat je onvolmaakt bent naar lichaam en geest?'

'Nee, want ik ben ook niet doodgegaan toen ik geboren werd. Toen was het van buiten niet zo duidelijk te zien.'

'Maar je leven stelt inhoudelijk niets voor, denk ik. Je kunt niets.' 'Nee. Of, jawel, ik kan een beetje rondwandelen, maar taken uitvoeren dat wordt niet toegelaten. Ik leef echt buiten die gemeenschap, echt buiten die cirkel van stamactiviteiten.' 'Hoe voel je je?' vraag ik, in het besef dat ik het wel weet. Ze zucht. En uit die zucht klinkt een heel diepe tragiek. Wat een karma! 'Ja. Toch wel eenzaam en verlaten, buitengesloten. Maar er komt ook een gevoel van agressie in me op Ik bedoel, het is gewoon een soort geldingsdrang. Zo van, verdorie, ik ben er ook nog. Nou, en dan probeer ik op allerlei manieren bij dat kamp te komen, maar ik word steeds verjaagd.' 'Ga dan nu eens naar een voor jou heel belangrijke gebeurtenis in dat leven. Wat gebeurt er dan?'

'Ik zit vanaf zo'n hoge rots te kijken naar de mensen van die stam. Ik zie vrouwen die bezig zijn eten te bereiden. In ieder geval, ik tuimel die rots af, en ik stort naar beneden' 'Wat zijn de gevolgen?'

'Dood! Ik ben dood. Er gebeurt wat ze steeds gehoopt hadden.'

'Wat is het voor een volk, waar je in leefde, in die dertiende incarnatie?'

'Stom,' fluistert ze. 'Maar goed,' zegt ze met een zucht. 'Hetzelfde volk, dezelfde stam als in het vorige leven. Roodhuiden. Maar ze leefden wel wat anders. Mannen en vrouwen leefden gescheiden, maar toch in één kring.

Er was eerst dat hoogteverschil. De vrouwen daar in de hoogte en de mannen beneden op die vlakte. En nu was het in één kring, echt één gemeenschap. Mannen en vrouwen waren dichter tot elkaar gekomen. Het was ook niet zo dat de mannen alleen maar gingen jagen. Er was duidelijk een ruimere taakverdeling.'

'Was er nog steeds de gewoonte, dat een man naar een vrouw toeging voor de liefde, als hij daaraan behoefte had, of was er al een sterkere band nodig tussen een man en een vrouw?'

'Nee. Mannen konden gewoon naar die vrouwen gaan. Maar het was wel meer zo, dat er een voorkeur bestond. Al een soort gebondenheid

8.123

aan die vrouwen. Blijvend. En de taal is steeds meer ontwikkeld. Het communiceren door telepathie is minder geworden.'

En zo eindigt de dertiende incarnatie op aarde van een en hetzelfde IK /Ego. Mijn regressante is moe geworden en de informatiestroom stopt. Het was wederom een leerzame regressiesessie naar dat twaalfde en dertiende leven op aarde.

Het 'wat je zaait, dat zul je oogsten' komt helder en duidelijk uit deze levens tevoorschijn. Door in principe hetzelfde te ondergaan als wat we een ander hebben aangedaan, door dat echt te voelen én te begrijpen, moeten wij leren deze fouten nooit meer te maken, niet in herhaling te vervallen. Dat is wellicht een harde les, zo nu en dan, maar het is een rechtvaardige les. 'Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doe dat ook een ander niet' is een heel oud gezegde.

Wel zullen we diegenen die hun karma zo pijnlijk voelen en ondergaan met liefde tegemoet moeten treden. 'Heb je naaste lief, zoals jezelf' en help hem zijn lot te verlichten. Liefde, in welke vorm dan ook, blijft de sleutel daartoe.

Bij mijn regressante is het duidelijk dat het karma, in relatie tot haar/ zijn broer en stammend uit zijn elfde en twaalfde incarnatie, niet was ingelost en gladgestreken. Hij heeft zijn levensles, in de twaalfde incarnatie, niet goed geleerd. Hij had zijn zwakkere broer met zijn karma zonder rancune tegen zichzelf moeten beschermen, door hem naar huis te brengen voor een andere taak. In plaats daarvan stelde hij zijn eigen 'eer' boven alles en koesterde hij eigenlijk nog diepzittende wraakgevoelens jegens de jongen. Hij had hem niet in het nauw mogen drijven en hem daardoor in gevaar brengen ...

Hij was in het twaalfde leven verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn broer. En nu heeft hij weer mede diens dood veroorzaakt. Dit heeft een opeenhoping, een cumulatie van dezelfde fouten uit twee levens tot gevolg. Dus ook een cumulatie van karma of levensles, die in de dertiende incarnatie als een harde les terugkeerde, door zelf aan den lijve te moeten voelen.

We moeten dus geen haat-en wraakgevoelens meer blijven koesteren. En de geschiedenis herhaalt zich steeds, net zolang als nodig is om te leren geen kwaad met kwaad te vergelden, volgens een vaste onontkoombare kosmische wet.

En toch is het duidelijk een genade dat we deze komende, misschien niet altijd even gemakkelijke, levens mogen leven en eenmaal of meermalen gemaakte fouten in relatie tot anderen mogen herstellen. En dat we niet, mogelijk na maar één leven op aarde te leven, voor eeuwig in een helle-

8.124

vuur geworpen worden en verdoemd zijn. Een God die Liefde is, en God is Liefde, wil en doet zoiets zeker niet. Dat kan en wil ik niet geloven. God's wetten, op basis van de liefde, scheppen steeds weer nieuwe kansen. Christus kwam, naar mijn mening, op aarde om de mensen deze verlossingsleer te brengen. Reïncarnatie. En ik zal dat blijven herhalen.

Hopelijk zijn de voorgaande hoofdstukken voor velen reeds een lucide verklaring voor het ontstaan en de zo grote diversiteit van ons aller levenslot. Een verklaring van het hoe en waarom van leven en lijden op deze aarde. Maar tegelijkertijd een verklaring voor de oorzaak van de vele en grote problemen in onze wereld, of die wereld nu groot of klein is.

Want de vraag blijft velen bezig houden, hoe het nu verder moet... Aan ons is de keuze.

8.125

9

De veertiende, de vijftiende en de zestiende incarnatie

Zelfdoding en aardgebondenheid. Tegenzin om te reïncarneren als vrouw. Aardgebonden zwerven. 'Nou, nog maar wat karma erbij!' Verre tochten over de hete vlakten. 'Ze kunnen me niet meer gebruiken. 'Afgedankt.

Het is reeds eerder vermeld, en het wordt hier bewust herhaald, dat tijdens een doorsnee regressiesessie door de regressant(e) een bewustzijn op twee niveaus van werkelijkheid wordt gehandhaafd. Dat wil zeggen:

a. het bewustzijn van het tegenwoordige leven, binnen tijd en ruimte, en b. overwegend een bewustzijn van het vorige leven, buiten tijd en ruimte.

Besef van tijd is dan ook volledig afwezig tijdens de regressie. Dat handhaven van een bewustzijn op twee niveaus van werkelijkheid heeft grote voordelen. Al tijdens de regressie, in de herbeleving, kunnen de oorzaak in het vorige leven en het gevolg in het tegenwoordige leven herkend worden; dit helpt inzicht te krijgen in de klacht of problematiek, in karma of trauma. Er ontstaat een zekere mate van associatie, terwijl ook bepaalde polariteiten zichtbaar worden. Krijgen we te maken met handhaving van maar één niveau van werkelijkheid, namelijk uitsluitend dat van het vorige leven, dan is er sprake van volledige identificatie, totale vereenzelviging met die vorig -leven-persoonlijkheid. Dat betekent een geval van obsessie. Het individu is bezeten of geobsedeerd door een aardgebonden, eigen vorig-leven-persoon-lijkheid. Deze heeft zich na reïncarnatie van een opvolgende persoonlijkheid van de ziele-eenheid als een stip met een lichtje eromheen in diens aura gevestigd of heeft zich al direct bij de conceptie, in de baarmoeder, naast de bevruchte eicel vastgezet. Sommige obsessors volgen de gereïncarneerde persoonlijkheid zelfs op korte afstand en beïnvloeden hem of haar van daaruit.

Aard verbondenen oefenen overwegend een negatieve invloed uit op de nieuwe gereïncarneerde persoonlijkheid hier op aarde. Deze heeft dan een probleem, of liever gezegd, het probleem van de aard gebondene opgelegd gekregen; het probleem dat de obsessor meenam in de geest en dat zijn aardgebondenheid veroorzaakte.

Zo'n stip met een lichtje eromheen heb ik een 'ervaringslichaam' genoemd,

9-126

de complete levenservaring van één aards leven, gecomprimeerd in een onstoffelijke, geestelijke kern. Deze wordt in stand gehouden door wat energie, die uitstraalt als een kleine aura. De hoeveelheid energie voor de instandhouding van zo'n entiteit is echter zo gering, dat die uitstraling niet meer is dan een bleek, blauwwit licht.

Aardgebondenheid wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een plotselinge, traumatische dood, zoals zelfdoding, suïcide, waardoor aan Gene Zijde, dicht bij de aarde, verwarring en angst ontstaan in de geest van de 'overgegane' entiteit. Het bewustzijn is, als gevolg van de schok, zeer laag en het besef de aardse dood gestorven te zijn, geen stoffelijk lichaam meer te hebben, is meestal volledig afwezig.

Zo'n onbelichaamde entiteit weet niet waarheen te gaan en blijft zwerven of ergens

'hangen', totdat er een opvolgende persoonlijkheid, met eenzelfde IK, van dezelfde ziel dus, in een nieuw lichaam op aarde verschijnt. Hiermee wordt dan vrijwel direct een verbinding aangegaan, zowel binnen als buiten tijd en ruimte. Dit gebeurt heel gemakkelijk, doordat beiden, als 'zender' en 'ontvanger', dezelfde frequentie van de ziele-eenheid hebben. En dit wordt mede veroorzaakt door het onbewust sterke verlangen van de aardgebondene, toch weer een vleselijk lichaam te bezitten. Er blijft een onbewust en voortdurend zoeken daarnaar. Aardgebondenheid kan overigens ook karma aan Gene Zijde zijn. Het probleem daarvan is, dat zo'n entiteit niet geholpen kan worden totdat het karma is ingelost.

Zo'n aardgebonden entiteit kan gedurende vele eeuwen van de ene incarnatie op aarde naar de andere, opvolgende incarnatie gaan. Het vervelende is, dat de energie van de stoffelijke mens moet helpen om de obsessor werkelijk tot expressie te laten komen. Hij heeft daarvoor niet genoeg energie van zichzelf. Voor die betreffende mens is dat dus verknoeide, negatief geconsumeerde energie, hetgeen letterlijk uitputtende gevolgen kan hebben. Overigens is bij de obsessor geen kwade opzet in het spel. Het is meer een onbewuste schreeuw om hulp, een signaal.

Het probleem van obsessie kan zo dwingend zijn, dat degene die dit overkomt, tijdelijk geheel of gedeeltelijk gedomineerd wordt en van persoonlijkheid verandert of wisselt. Hierdoor kan zelfs tijdelijke amnesie, geheugenverlies, optreden. Dat wil zeggen dat de ene persoonlijkheid zich niet kan herinneren wat de andere heeft doorgemaakt of ervaren; er ontstaan dus 'gaten' in het geheugen. Maar dat gebeurt gelukkig slechts in extreme gevallen.

Het verschijnsel obsessie door aardgebondene van de eigen ziele-een-heid, de monade, kan zeer subtiel tot zeer ernstig zijn. Zo subtiel dat de betrokkene de invloed daarvan totaal niet bemerkt. En zo ernstig, dat mensen langdurig in psychiatrische inrichtingen terechtkomen. Naar

9-127

mijn mening en vaste overtuiging zijn dit vormen van schizofrenie, gespletenheid, al is de psychiatrie zich helaas nog niet voldoende bewust van wat dat nu precies inhoudt en wat daarvan de eigenlijke oorzaak is. In veel gevallen waar de reguliere psychoanalyse nu nog vaak jaren over doet, kan vorig-leven-regressie in één middag in trance de diagnose stellen, c.q. bij de oorzaak komen. Ik heb eens een jonge, geobsedeerde vrouw met succes behandeld. Ze had vierentwintig gescheiden persoonlijkheden (multiple separate personalities) bij zich. Het heeft me circa twee jaar, elke veertien dagen één sessie, gekost om ze alle vierentwintig te lokaliseren, hun vorige levens en bijbehorende traumata door te werken én te laten verwerken, om ze vervolgens stuk voor stuk los te maken van mijn gekwelde cliënte en ze omhoog te begeleiden, naar de lichtsferen. Tussentijds werd ook nog het tegenwoordige leven onderzocht op gerestimuleerde, onverwerkte posttraumatische emoties die het hele probleem in beweging hadden gezet. Ik zal deze complexe materie in een volgend hoofdstuk, speciaal aan aardgebondenheid gewijd, nog verder behandelen. Hier volgt ter illustratie een praktijkgeval van een lichte vorm van aardgebondenheid en obsessie of bezetenheid. Dit praktijkgeval heb ik Frans genoemd.

Frans vertelt zijn probleem. Hij zit niet lekker in zijn lichaam. Het is als of hij niet volledig in zijn lichaam geïncarneerd is, alsof er bij Frans geen volledige integratie van 'zijn geest' in zijn lichaam heeft plaatsgevonden. 'Ik zit er maar half in,' zegt hij. Ik vertel hem dat zoiets niet kan. Het kan alleen maar 'een gevoel' zijn. Niet volledig in het lichaam geïncarneerd zijn, zoiets is mogelijk. Bijvoorbeeld bij iemand die uitgetreden is en maar gedeeltelijk in zijn lichaam kan terugkeren. Dit gebeurde in het oude Egypte wel eens bij de priesters of priesteressen die tot een bepaalde graad werden ingewijd en daarvoor zeer zware en moeilijke proeven van bekwaamheid moesten afleggen. Als er iets fout ging bij de terugkeer in het lichaam, na uittreding in de astrale wereld, betekende dat meestal de dood.

De eerste regressie met Frans

Hij gaat in trance en in regressie naar het vorige leven. In de gebeurtenissen daarin ligt de oorzaak van zijn probleem.

Hij komt bij zijn vorige leven als Julius Vergilius, een Romein, vijfendertig jaar oud, in Italië. Julius bezit daar een stuk goede, vruchtbare grond, aan de voet van de vulkaan Stromboli, een eilandje bij Zuid-Italië.

9-128

Hij wandelt daar op een zondag rustig rond. En plotseling vindt er een vulkanische uitbarsting plaats. Hij wordt door een aardverschuiving, een modderlawine, in minder dan geen tijd bedolven en met veel water naar een modderwaterval gedreven.

Hij is al in de geest, vrijwel onmiddellijk dood door verstikking, maar hij ziet toch een paar handen, armen en benen voorbijgaan, vanuit zijn geest, terwijl hij boven het modderwater zweeft en blijft 'hangen'. Hij is totaal verdwaasd door zijn plotselinge en onverwachte traumatische dood, waarvan hij zich niet bewust is en niet bewust blijft. Zo zwerft hij daar onbelichaamd rond, op zoek naar zijn aardse lichaam. En vanuit de aura van Frans, in een tijdloos vacuüm, projecteert zijn aardgebonden geest steeds maar weer, eindeloos, het water, de modder en zijn armen en benen in de modderwaterval. In een voortdurende poging zijn lichaam terug te krijgen, gefixeerd op de plaats van het onheil.

Tijdens de sessie wordt hij zich door mij van zijn aardse dood bewust gemaakt. En door dat besef neemt hij al enige afstand van de aarde. Hij ziet dan een heel rampgebied onder zich verschijnen. Deze aardgebondenheid en het zijn lichaam kwijt zijn, onbewust, plus het zoeken daarnaar, zijn de oorzaak van het gevoel dat Frans heeft dat hij niet volledig in zijn lichaam is geïncarneerd. Frans wordt geobsedeerd, bezeten door Julius Vergilius. Bewustwording en ontkoppeling lossen zijn probleem op Tijdens de tweede regressiesessie blijkt Julius Vergilius zich inderdaad losgemaakt te hebben van de plaats van het ongeluk waarop hij gefixeerd bleef. Zijn bewustzijn is weer terug en hij begrijpt nu wat er gebeurd is. Hij ziet nu grazige weiden en fris groen. Even tevoren nog was er een rustiger beeld van een zandverschuiving en een lichtbruine waterval. Maar daarna ziet hij een helder, smal riviertje. Er stond daar zelfs een man bij een watermolen. Alles is rustig, en Julius, verlost van zijn posttraumatische aardgebondenheid, gaat heel snel en vredig omhoog, naar de Lichtsfeer, naar het gebied van volmaakte liefde. Frans is nu ook zijn probleem kwijt en voelt zich bijzonder goed, volkomen normaal nu. Hij zit thans goed in zijn lichaam, volledig geïntegreerd.

En zo worden vele aardgebonden entiteiten/obsessors in het algemeen losgeweekt van de geobsedeerde persoonlijkheid en omhoog naar het Licht gebracht. Maar er zijn ook moeilijker en hardnekkiger gevallen van obsessie/bezetenheid door een aardgebonden entiteit, waarin je op veel meer weerstand stuit. Er zijn er ook wel die gewoon weigeren weg te gaan, wat je ook doet. Daar kan karma achter schuil gaan, Of je denkt dat ze weg zijn, maar ze komen of vallen na kortere of langere tijd weer terug. En de

9.136

gekwelde geobsedeerde vervalt in recidive. Je kunt dan weer opnieuw beginnen en met taaie volharding het doel trachten te bereiken.

En met deze kennis in gedachten laten we de volgende levens op aarde van mijn regressante,van haar IK, aan ons voorbij trekken.

DE VEERTIENDE INCARNATIE

Maandagavond, 2 augustus 1982

Alles is in gereedheid gebracht. Mijn regressante is in diepe trance, maar in een glasheldere toestand van verruimd bewustzijn. We gaan naar haar veertiende incarnatie op aarde. De instructies zijn gegeven, en ikvraag haar: 'Wat zie je, wat ervaar je?'

'Ik zie een heleboel mensen,' zegt ze. 'Een volk, vele stammen. Eerst zag ik nog een man van heel dichtbij. Het zijn net negers, maar dan niet zo zwart. Meer met een donkergele huidskleur. Boven op hun hoofd hebben ze niet veel haar. Het lijkt net alsof het afgeschoren is. Die man zat een bepaald ritme te slaan op een trom die van een holle boomstam is gemaakt. Het lijkt een beetje op een bongo. Uit de bossen kwamen jongere mannen, gewapend met speren. Ze kwamen op het ritmisch geluid van die trom af, monotoon zingend.

En toen, opeens, zag ik een vrouw zitten met een doek over haar hoofd, haar gezicht was vrij gelaten. Ze was duidelijk van dezelfde stam. Ze zat met gekruiste benen, in een soort lotus-houding. Ze zat onbeweeglijk stil voor zich uit te kijken. Daarna ging ik naar een bos, heel dicht begroeid met naaldbomen. En daar was een waterval. Daar waren ook allemaal mensen van datzelfde ras. Nou, en toen vroeg jij wat er gebeurde ... Dus dat heeft zich al afgespeeld vóórdat je dat vroeg.'

'Wat is daar aan de gang?' vraag ik nu verder. 'En waar ben jij in dat geheel?'

'Ik voelde me eerst heel dicht betrokken bij die man en daarna bij die vrouw.' Ze zwijgt abrupt en fronst haar wenkbrauwen. Als ik haar vraag waarom ze dat doet, zegt ze: 'Er is een uitgehouwen trapje, de grond in. Dat in een spelonk uitgehouwen trapje gaat heel diep en komt bij een ondergronds meertje uit. In een ondergronds gedeelte van een grot. En daar kun je water halen.' 'Wie ben jij daar?'

'Dat moet ik even uitzoeken. Ik zit nu wel in iemands hoofd. Ik denk dat ik nog in de geest ben, want ik zie alles van buitenaf. Dus daaruit maak ik op dat ik nog geboren moet worden. Die vrouw met die doek over haar hoofd is mijn moeder. Daar staat een kind geboren te worden.'

9.130

'Ga iets verder vooruit in de aardse tijd,' instrueer ik haar. 'Ja. Ik ben een meisje,'

zegt ze, niet bepaald juichend. 'En ik ben een jaar of vier oud. En met hetzelfde steil haar. Ik heb een bruingele huid. Ik denk niet dat het een volk is dat nu nog op aarde te vinden is. De lichaamsbouw is van de negers en het steile haar is donker.'

Ik denk dat het bewoners van Lemuria zijn. Een continent dat verzonken is in de Stille Oceaan en in een deel van de Indische Oceaan. De Lemuriërs zijn voorlopers van de Atlantiërs, die ook een gele huid hadden. En Atlantis verdween op haar beurt in de Atlantische Oceaan, enkele nu nog bestaande hoge bergtoppen, als eilanden, uitgezonderd.

'Dat slaan op die "jungle-drums" dat die man deed en de vrouw die daar zat, wat was dat voor een gebeurtenis?' 'Het was een ritueel om te vragen of hij een zoon zou krijgen.' 'Moet ik nou veronderstellen datje een teleurstelling was, als meisje?'

'Ja, voor mijn vader, dat denk ik wel. Je moet een paar zonen hebben in de stam. Zonen, die kunnen jagen. Maar voor mijn moedertje maakt het niets uit. Ze is dol op me en heel gelukkig met zo'n klein meisje.' 'Herken je haar uit voorgaande levens?

Heb je haar al eerder als moeder gehad?'

'Ik weet niet, maar er gaat heel veel rust van haar uit. Ik heb al wel eerder een relatie met haar gehad. Dat is zeker. In één van de vorige levens, een hele tijd geleden, toen was ik haar minnaar. Dat was eigenlijk de eerste keer dat ik me als man bewust werd dat er een band was tussen ons beiden. Dat was de seksuele initiatie als jongeman, waarbij ik die blik van herkenning in haar ogen las. Het was toen dat ik voor het eerst ook iets ervoer van gevoel, bewustzijn.'

'En nu ben je vijfjaar en is zij je moeder. Vertel er eens iets over?' 'We leven vrij afgescheiden van de rest van de stam. Want mijn vader is een of ander belangrijk stamhoofd. Dus ik hoef niet zoveel te doen. Ik voel me gelukkig. En voor die vader ben ik wel een beetje bang, maar hij zal me niks doen. Daarvoor ben ik niet belangrijk genoeg. Van mijn moeder gaat werkelijk een enorme rust uit. En ze doet heel veel samen met andere vrouwen van de stam. Ze is bijzonder leidinggevend en ze organiseert van alles. De vrouwen maken een soort kledingstukken en, niet te vergeten, de matjes die op het hoofd worden gedragen. Zo'n matje had mijn moeder op haar hoofd. Dat is van een gevlochten soort riet. Een recht en langwerpig ding, en dat had ze als een tafelkleedje over haar hoofd liggen. Maar niet iedereen draagt zo'n ding. Zij droeg het toen bij een speciale ceremonie. En je moet wel rustig blijven om het op je hoofd te houden. Het dwingt je om kaarsrecht te lopen of te zitten. En zij was het die in die lotus-houding zat. 'Wat voor kleding dragen die vrouwen?'

9.131

'Ze dragen rokjes. Het bovenlijf is helemaal naakt. En de mannen dragen ook wel rokjes maar bij hen hangen ze in losse reepjes. Bij de vrouwen zitten die reepjes aan elkaar vast. En ze dragen sieraden, dat wil zeggen, kettingen en dergelijke, met stenen en gedroogde vruchten eraan. Dat zijn allemaal bijgeloof-zaken, amuletten, ook met geneeskrachtige werking. Ja. Je moet van alles om je heen hangen om een jongen, een zoon, te krijgen.'

'Hoe groot is dat volk of die stam nu zo ongeveer?' 'Tja, een vijftigtal, zoiets.' Dat aantal valt me eigenlijk tegen. 'Zijn jullie nomaden of woon je blijvend in een dorp?'

'We leven in een dorp en we blijven op één plaats. En daarvan is de plaats waar we water halen, beneden in de grot, een belangrijk onderdeel. Er wordt heel veel gebruik van gemaakt. Voornamelijk voor drinkwater. Het is glashelder, zuiver water.'

'Wordt er ook gebaad?' vraag ik nieuwsgierig.

'Ja. De vrouwen baden onder de grond, in dat meer, en de mannen zo her en der onder de waterval. Die mannen komen nooit onder de grond, omdat de vrouwen daar al het werk doen. Het is echt het domein van de vrouwen. De mannen doen de grote, zware klussen. En daarbij hoort ook het bouwen van grote hutten. Niet zo heel groot van afmeting, maar wel flink stevig van constructie.'

'Waarom is dat? Is het klimaat zo nu en dan hard en stormachtig?' 'Nee. Er zijn geen echt zware stormen. Het is voor bescherming en beschutting.'

'Ga eens verder vooruit in de tijd, naar een voor jou heel belangrijke gebeurtenis.'

'Ik ben nu een meisje van een jaar of tien,' antwoordt ze. 'De mannen hebben rokken aan van allemaal verdorde, gedroogde bladeren. Die dragen ze om hun middel. En ze zijn aan het dansen. Er zijn er een stel die op van die trommen staan te slaan. En daar sta ik naar te kijken. Er ligt iemand op de grond, in het midden van de kring van dansers. Volgens mij is hij dood. Maar ik denk dat ik daar niet naar mag kijken en dat ik dat toch stiekem doe. Zo van, jeetje, wat gebeurt daar nou? Ik sta helemaal alleen te gluren, want ik zie verder niemand. Ze gaan steeds sneller ronddansen in die kring. En het is toch een man die overleden is. Daar doen ze een of ander ritueel voor. Ik heb het gevoel dat dit heel nieuw voor me is, in mijn tien, elf levensjaren.'

'Word je niet bedreigd, terwijl je daar staat te gluren?' 'Nou, het is streng verboden, maar ik denk dat het niet ontdekt wordt. Ik begrijp niet wat er aan de hand is, maar het is heel indrukwekkend.' 'Wat gebeurt er met die dode man?'

'Die wordt op een gegeven moment afgevoerd. Ze gaan met dat lichaam buiten het dorp En dan weet ik niet meer wat er mee gebeurt, want vrouwen

9.132

mogen niet mee.'

'Ben je meer in aanzien als dochter van een opperhoofd?' 'Ja. Meer dan die andere vrouwen. Maar ik moet nu toch hard werken. En voor mij wordt een speciale man uitgekozen die mijn vader moet opvolgen. Want mijn moeder heeft geen zonen gebaard. En hij heeft weliswaar nog kinderen bij andere vrouwen, maar het geluk wilde niet dat hij een zoon kreeg. Daarom heeft hij iemand van de stam uitgekozen. Die wordt zijn opvolger en die moet met mij trouwen. Ja, hij heeft nog wel meer dochters, maar ik ben de eerstgeborene. Ik heb het eerstgeboorterecht, en mijn vader hoort ook een beetje bij de vrouw die mijn moeder is. Zij is zijn hoofdvrouw.'

'Hebben jullie al een eigen naam in dat leven, een persoonlijke naam, waarmee je wordt aangesproken?'

'Er wordt wel gesproken, maar ik hoor niets van een naam. En de communicatie bestaat nu voornamelijk uit het gebruik van taal en door gebaren. Nee. Je hebt geen eigen naam. Iedereen heeft dezelfde naam. Tenminste, ze hebben een roep, waarop je reageert. Maar het zijn er meer die daarop reageren. En dat kan wel eens verwarring geven.' 'Worden er spirituele krachten opgeroepen of toegepast?' 'Ja, met die medicijnen en kruiden. Er is een medicijnman bij de stam. Die bezit van die zaken meer kennis dan de anderen. Voor hem moeten de vrouwen allemaal kruiden gaan zoeken. En hij maakt de kettingen en amuletten. Ook allerlei mengsels voor allerhande kwalen.' 'Ga weer eens wat verder vooruit in de tijd, naar een voor jou belangrijke gebeurtenis. Je wordt wat ouder.'

'Ik ben nog steeds in die stam.' Ze zegt het, in zichzelf gekeerd, peinzend over haar situatie. 'Ja, ik ben een stuk ouder. Volwassen. En ik krijg een kind, want ik zit nu net zoals mijn moeder, in het begin van dit leven. Met gekruiste benen en zo'n matje op mijn hoofd. En er zijn ook weer allerlei mannen die daar staan te dansen. Ze roepen bepaalde "krachten" aan. Het is een ritueel waarin ze vragen om de geboorte van een zoon. Ik denk dat het gebeurt op een tijdstip waarop het zichtbaar is dat ik zwanger ben.'

'Je vader heeft dus blijkbaar een man voor je gekozen. Hoe is je verhouding met die man? Is dat een "vaste" echtgenoot of heb je nog gemeenschap met meerdere mannen?'

'Nee. Het is al wel een vorm van een huwelijk. Ja, voor hem niet, maar voor mij wel. Hij mag meerdere vrouwen bezitten. Toch is hij wel beperkt in zijn keuze, officieel dan. Voor mij is het zuiver een monogame situatie. Maar hij is best heel aardig, hoor. Dus ik heb niet zoveel behoefte aan een andere man. Ik voel ook weer dat ik een band met hem heb uit een vorig leven. Dat leven met die man is erg gelukkig, heel harmonieus. Ik ben best tevreden.

Ik ben nu een jaar of achttien, zoiets. Het is mijn eerste kind. En nu

9.133

wordt diezelfde ceremonie herhaald, zoals destijds ook voor mij, toen ik nog in de buurt van de foetus zweefde, alvorens erin te gaan.' 'Ga naar de geboorte van het kind. Hoe vindt de bevalling plaats?' 'Op mijn hurken zittend. Met andere vrouwen erbij, die helpen. Het is een vlotte bevalling. Het gaat voorspoedig. Het is een jongetje!' Er klinkt blijdschap door in haar stem. 'Grote vreugde! Hij wordt meteen ergens in gewikkeld. Ik mag hem amper zelf zien. Hij wordt op een bepaalde manier warm gehouden. Met een of andere stof van blad omwikkeld, van dat zachte blad. Dan wordt hij naar buiten gedragen door een vrouw, de hut uit. En hij moet meteen aan de mannen getoond worden. Vervolgens wordt hij door het hele dorp gedragen en met gejuich ontvangen.' 'Hoe gaatje leven dan verder?'

'Ik moet nu zelf gaan doen wat mijn moeder deed. De vrouwen gaan leiden en zorgen voor taakverdelingen in de stam. En ik krijg nog meer kinderen. Ik vind het allemaal prachtig, een harmonieus leven.' 'Natuurlijke bedreigingen, zijn die er?'

'Nou, voor de vrouwen eigenlijk niet. Behalve dan als je een keer ziek wordt. Voor de mannen is het zo, dat er bij het jagen wel eens iets mis kan gaan.'

'Wordt het dorp ook niet bedreigd door andere, naburige stammen?' 'Nee, ook niet. Het is een heel vredig en rustig bestaan. Maar het bruist niet van leven. Het leven is voor mij tot nu toe heel gemakkelijk geweest, door dochter te zijn van een stamhoofd. Andere vrouwen hadden het weieens minder gemakkelijk dan ik. Maar ik leef door die bevoorrechte positie in een eigen hut. Die is speciaal voor mij gebouwd met balken van bepaalde bomen en een soort klei of leem, vermengd met takken, gevlochten matten. En nu ben ik de vrouwelijke stamoudste.' 'Ga nu naar een voor jou belangrijke, opvolgende gebeurtenis. Wat komt er dan op je af?'

'Nou, ik ben een oude vrouw. Het leven in mij is een beetje uitgeblust. En ik voel me nogal eenzaam. Mijn man is op een of andere manier om het leven gekomen. Ik ben weduwe en daardoor is onze zoon stamhoofd geworden.'

'Is er een stuk van je status weggevallen?'

'Nee. Ik ben nog altijd de moeder van mijn zoon, het stamhoofd. Maar omdat ik altijd zo'n bijzondere positie heb gehad, kom ik geïsoleerd te staan. En dat geeft het gevoel van, nou, het is wel goed zo. Echt zo van, het hoeft niet meer. Ik ben dan al een jaar of veertig, zoiets. En dan komt mijn dood naderbij.'

'Ga eens naar de dag van je sterven, wat voel je dan?' 'Nou, ik voel dat ik niet meer zo'n zin heb om te leven en ik ben ook niet van veel nut meer in de stam. Dus ik spring maar in een afgronden een rots af. Ik doe het heel bewust, ja, ik wandel er heen. Maar het is niet uit verdriet dat ik het doe. Tenminste, dat gevoel heb ik niet.'

9.141

'Is het een stamgewoonte om dat te doen?' vraag ik verwonderd. 'Nee, niet direct. Maar ik denk niet dat ze het erg vinden.' 'Maar je maakt bewust een eind aan je leven,' constateer ik. En dat had ze beter niet kunnen doen, zoals later ook zal blijken. 'Ja,' zegt ze. 'Voor mij is het klaar. En raar,' fluistert ze er nog achteraan, nauwelijks hoorbaar. 'Is dat niet traumatiserend voor je?'

'Nou, even. Als ik voor die afgrond sta, dan denk ik ... ja?' Ze snuift even, verbaasd over zichzelf. Maar dan is het kwaad al geregistreerd in haar onderbewustzijn en blijft daar hangen.

'Maar, nee,' zegt ze, en zwijgt dan weer. Met een zucht gaat ze verder: 'Ik vind het wel heel raar dat ik het doe.'

'In hoeverre is er een normaal bewustzijn, tijdens deze gebeurtenis?'

'Je denkt dat ik instinctmatig handel...? Nee, dat niet.'

'Er is dus nog wel een behoorlijk bewustzijn aanwezig, vlak voor de sprong?'

'Ja, ik doe dat gewoon ... het is misschien ook wel een bepaald instinct, dat ik "op" ben. En ook dat ik, als ik niet gesprongen was, toch niet zo lang meer had geleefd. Maar het gebeurde impulsief, zo van, vooruit, daar ga ik.'

'Je springt een afgrond in en je valt,' zeg ik. 'En terwijl je valt, wat gebeurt er dan?

Blijf je in je lichaam of ga je er tijdens de val uit? Ga je er pas uit als je lichaam daar beneden te pletter valt en je de aardse dood sterft?'

Er valt even een stilte waarin ze kennelijk moet nadenken. 'Nee,' zegt ze dan. 'Al tijdens het vallen verlaat ik mijn lichaam. Vlak voordat ik te pletter val.' Ze zucht nog eens heel diep, terwijl ze dat zegt. 'Je hebt je lichaam verlaten en je bent nu aan Gene Zijde, in de geest. Dat is heel duidelijk. Je kijkt op dat alles neer vanuit een heel ander, geestelijk perspectief. De levensdraad is gebroken en je bent vrij van de belemmering van je lichaam. Hoe denk je nu over watje gedaan hebt? Is het een opluchting voor je datje dat lichaam zo verlaten hebt?' 'Ja. Het is een bepaald ... koel gevoel. Onverschillig, zoiets.' 'Geen lichaamloos traumatisch gevoel?'

'Nee. Maar wel iets van, ach, dat stomme lichaam, dat hoef ik helemaal niet meer. Ik ben blij dat ik eraf ben. Opluchting, toch wel, ja. Ik heb geen spijt dat ik in die afgrond gesprongen ben en mijn natuurlijke dood niet heb afgewacht. Maar ik merk nu wel, dat ik echt "baalde" aan het einde van dat leven. Ja, dat was gewoon leeg, naar mijn idee. Het stelde niets meer voor.'

'En je bent nu in de geest en je verlaat de aardse invloed en je dringt door in die andere, onstoffelijke realiteit. Wat gebeurt er dan?' 'Ja, daar heerst wel een vorm van rust.'

'Maar je had daar wel een karmische opdracht gekregen voor dat leven.

9.142

Is die opdracht nu duidelijk?'

'Ja. Ik moest wel, zij het op een beetje makkelijker manier, proberen toch die ondergeschiktheid te voelen en te accepteren, als vrouw. Maar voor mijn gevoel ben ik heel passief geweest. En eigenlijk voel ik nu van binnen best weer opstandigheid opkomen. Zo van, het hoeft niet meer voor mij, weet je.'

'Heb je daar aan Gene Zijde een verbinding met andere entiteiten? Gebeurt er iets?'

'In het begin in ieder geval niet,' antwoordt ze. 'En als de actie tijdloos verder gaat?'

'Dan denk ik van wel. Net zoals na het vorige leven op aarde. De analyse van mezelf. En hulp bij het maken van nieuwe plannen. Contact met anderen waarmee ik op aarde geleefd heb of die ik in vorige levens heb gekend. Waarmee ik ervaringen uitwissel.'

'Als je nu naar je volgende incarnatie "toegroeit", zou ik bijna zeggen, voel je dan dat je bezig bent daarvoor een blauwdruk, een plan, te maken, waarbij je eventueel geholpen wordt door hogere entiteiten, meer ontwikkelde geest? Wat voor een proces vindt er plaats?' 'Ik voel dat het een heel sterk groeiproces is in mezelf. Dat ik er zelf achter kom, tenminste voor het grootste gedeelte, wat ik in mijn volgende leven wil doen. Dat doe je zelf, denk ik,' zegt ze.

'Maar heb je ook een indruk van hoe je volgende leven op aarde er zal gaan uitzien? En door wie of wat dat bepaald wordt?' 'De uitvoering daarvan, daar krijg je inderdaad een soort hulp bij. Hoe die uitvoering zal worden ingevuld. Maar je bepaalt zelf voor een groot gedeelte, en ik denk zelfs toch wel voor het merendeel, wat er dan gaat gebeuren. Maar hoe, en wanneer en waar, en de vorm waarin ...?'

'Gaat dat buiten je om?' vraag ik haar nadrukkelijk. 'Nou, niet helemaal,' zegt ze.

'Het gaat niet buiten je om. Je mag weigeren, zal ik maar zeggen.' En daarover heb ik zo mijn twijfels. 'Heeft zo'n weigering nog consequenties?' 'Uh ... nee. Maar je doet het niet gauw.'

'Je doet het ook nu niet gauw, denk ik, en je gaat naar je vijftiende incarnatie op aarde.' Ze laat een diepe zucht horen. 'Maak je daarvoor nu gereed,' zeg ik haar.

DE VIJFTIENDE INCARNATIE

'Je gaat nu onderweg naar je vijftiende incarnatie.' (Instructies volgen.) 'Je weet helder en duidelijk waar en hoe je terechtkomt. Wat zie je, wat gebeurt er, wat ervaar je? Ben je nog in de geest of ben je al in of bij een lichaam?'

'Wacht even, hoor. Het gaat best wel moeizaam,' zegt ze klagend. 'De

9-136

beelden zijn heel vaag.' Ze begint direct al met enige weerstand, onderbewuste afweer van hetgeen er te gebeuren staat. En dat heb ik na de suïcide eigenlijk ook verwacht. 'Is er iets mis met je waarnemingsvermogen?' vraag ik. 'Nee,' is het kort en bondige antwoord. Ze durft de confrontatie met de komende gebeurtenissen nog niet aan. Er zal overredingskracht van mijn kant voor nodig zijn.

'Wat is de oorzaak van die vaagheid?' Stilte ... 'Ga eens iets verdervoor-uit, zodat die vaagheid verdwijnt.' (Instructies volgen.) 'Wat zie je, wat voel je, wat weetje nu?'

Geen antwoord. Er volgt een drukkende stilte. 'Ben je nu in een lichaam of niet?'

vraag ik tenslotte, de stilte doorbrekend.

'Nee. Ik ben nergens! Weer dat wegduwen van komende ervaringen. Ze is verward.

'Ga dan toch in het opvolgende lichaam, waar je ingaat na het leven als de vrouw van het opperhoofd.' (Nieuwe instructies volgen.) 'Wat kun je mij vertellen?' vraag ik dan.

'Ja, ik zie weer bossen,' antwoordt ze nu. 'Maar van heel hoog. Dus ik zal nog wel geen lichaam hebben.' Ze spreekt met heel zachte stem, onzeker.

'Ga naar je lichaam waarin je zult reïncarneren voor je vijftiende verblijf op aarde. Zweef je rond dat lichaam nog in de geest of ben je erin? Heb je de indruk datje nog aan Gene Zijde bent?' vraag ik ten slotte. 'Nee, dat ik er juist uit ben, uit die sfeer. Ik zie wel wat. Maar dan zie ik een jongetje ... dat ...' Ze aarzelt en stopt dan helemaal. Ze probeert doodgewoon een vluchtweg in te slaan.

(Andere instructies volgen.) 'Wat komt er nu op je af?' vraag ik heel rustig. Haar antwoord verbaast me niet.

'Het is donker. Het is net alsof ik in een luchtledig zit! Eindelijk komt het eruit. Daar is dan de gevreesde situatie waarin iemand terecht kan komen na een zelfmoord. En dit is de allereerste keer in deze cyclus van levens op aarde tot nu toe.

'Wat is er met dat leven, dat volgt op het leven waarin je van de rots springt en suïcide pleegt? Dat gebeurde in je veertiende incarnatie. Je gaat nu naar je vijftiende incarnatie.' En ze blijft alleen maar zuchten. Dan vraag ik nog eens: 'Wat ervaar je?' 'Dat ik ergens zweef, maar niet bij een lichaam.'

'Waarom ga je niet in een lichaam? Heb je een tegenzin om dat te doen?'

'Ik heb een heel verdrietig gevoel over me. Ik heb het gevoel dat wat ik moet doen, dat ik dat toch niet kan. Dat het niet zal lukken.' Haar stem

9.137

klinkt heel ongelukkig.

'Wil je proberen dat te verduidelijken? Kun je dat?' En nu komt ze los. 'Pff. Nou, ik moet gewoon leren om mijn kop te buigen. Maar ik kan dat niet op de manier waarop ik dat moet doen. Door vrouw te zijn, de hele tijd, en al die stomme taken. Ja, ik vind dat afschuwelijk!' Fel gooit ze het eruit.

'Is het leven op zich dan afschuwelijk?'

'Nee. Maar dat leven vind ik afschuwelijk,' zegt ze, met de nadruk op "dat". 'Het feit steeds maar vrouw te zijn. Ja? Het feit vrouw te zijn, misschien ik weet ook niet of dat het is.' Moedeloos en bijna wanhopig komt het eruit.

'De inhoud van dat leven?' probeer ik nog eens.

'Nee! Ik heb gewoon het idee dat het toch niet lukt zoals ik het wil.'

'En wat doe je tenslotte? Ga je in dat aardse lichaam of doe je het niet?'

Er volgt een snel en diep ademen, alsof ze een aanloop neemt. Dan zegt ze: 'Ik ga er wel in, maar daarna ga ik er weer uit. Ja, en die ouders, die

...' Ze maakt haar zin niet af.

'Sterft het babytje, doordat jij eruit gaat? Is dat zo?'

'Nee. Iemand anders gaat erin.'

'En jij gaat terug naar Gene Zijde?'

Haar antwoord is verbazingwekkend. 'Nee,' zegt ze, 'ik hang daar wat rond, om te kijken of ik er spijt van heb of niet.'

'Een ander voertuig levert je hetzelfde levensprogramma op, denk ik.'

Ik wil haar waarschuwen, maar het is feitelijk al te laat.

'Ja, ik ... nou, dat hoeft niet,' reageert ze wat aarzelend. 'Als ik een ander neem, dan niet.' Het klinkt zwak en tegen de keer in.

Ik ben het ook niet met haar eens. 'Jawel,' zeg ik, 'je levensopdracht, je karma, moetje uitvoeren.'

'Ach, ja, goed ... ik weet het niet,' zegt ze hulpeloos. 'En wat doe je?'

'Ik blijf bij die andere persoonlijkheid, in de geest. En dan kijk ik hoe zij het doet.'

Mijn regressante beweegt zich nu 'tussen de wal en het schip', letterlijk tussen hemel en aarde. Maar het dichtst bij de aarde, al is het dan aan de andere zijde. Ze is aardgebonden.

'Ja, ik heb het gevoel dat ik toch bij de aarde moet blijven,' gaat ze verder. 'Dat ik niet terug kan. Ik durf dat ook niet. En dan blijf ik maar de hele tijd bij die ander in de buurt hangen, bij die vrouw die ze wordt. Die in mijn plaats is gegaan.' Ze heeft zich in de geest met haar verbonden. 'Hoe lang doe je dat?' vraag ik. 'Volg je die vrouw helemaal, haar hele leven?'

'Nee. Totdat ze, uh ...' Ze aarzelt even, 'door dat proces van mij is heengegaan, totdat echt duidelijk die rol van ondergeschiktheid weer naar boven komt. Dan ga ik weg. Dan denk ik, nou ..., ik zie dat niet zo

9.145

zitten, IK kan het niet.' Met de nadruk op IK. 'En dan ga je weg, zei je. Waar ga je heen?'

'Dan ga ik toch weer naar boven terug, naar Gene Zijde. Ik bedoel, weg van dichtbij de aarde.' Weg van het aardse niveau van Gene Zijde, bedoelt ze.

'En als je daarboven terugkomt?'

Het antwoord is verrassend. 'Nou, dan zie ik dus mijn zelfde probleem! Zo is de ironie van het lot.

'Net zoals ik je al eerder zei, je moet je levensles, je karma, toch afmaken. Word je teruggestuurd met hetzelfde programma, hetzelfde karma, naar een ander lichaam?'

'Ik denk het, ja.' Ze lijkt wat berustender geworden, en zo klinkt het ook.

'Nou, eerst nog een korte rustpauze om bij te komen. Ik moet gewoon zelf weten, dat ik dat moet doen. Maar ik heb daar zo'n ... pff ... zo'n tegenzin in. Ontzettend!

Verschrikkelijk!' 'Maar wat gebeurt er ten slotte?'

'Ja, ten slotte zit ik hier en zal ik wel terug moeten gaan naar de aarde.' Er lijkt geen verzet meer te zijn. Meer een soort berusting. 'Laat het maar gebeuren,' zeg ik haar.

'Ga vooruit in een tijdloze actie en zie wat er gebeurt.' (Instructies volgen.) 'Alles evolueert in de richting die je gaan moet. En je weet welke richting dat is. Waar ben je nu?' 'Ik ben ... ja, ik weet het niet precies, maar ik denk wel dat ik naar een lichaam ga,' zegt ze gelaten, 'Ik ben onderweg. Maar ik ga heel langzaam. Een beetje verkennend en aftastend. Ik heb het gevoel dat ik in een toestand van verdoving ben. Zo van, nou maar niet denken en vooruit maar, doen! Ik heb ook niet meer dat verdrietige gevoel. Alleen maar een gevoel van onverschilligheid.'

'Je weet nu toch hoe dat levenslot eruit ziet, want je hebt die vrouw gevolgd die in jouw plaats is gegaan.' 'Ja, maar ik vind het nog even erg.' 'En zo ziet jouw levensplan, jouw karma, er ook uit.' 'Ja! En hoe dichter ik erbij kom, des te verschrikkelijker ik het vind. Maar ik heb gewoon de instelling van, nou, het moet.'

'Wasje erg opstandig, de vorige keer?'

'Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Maar ik vond het echt heel erg. Het was niet alleen opstandigheid.'

'Werd het je kwalijk genomen aan Gene Zijde, datje niet in dat lichaam gegaan was?'

'Ja,' antwoordt ze kleintjes. 'Nou, zo van, 'nog maar wat karma erbij'. Dus, dan moet het nu maar. Er is geen keuze.'

'En nu kom je werkelijk in dat voertuig. Waar ben je dan, in je zestiende incarnatie?'

9.139