DE ACHTTIENDE INCARNATIE
'En dan kom je bij je achttiende leven op aarde, sedert je afsplitsing als Goddelijk Beginsel van de zilveren zee van Geest, het Licht. Het leven dat direct volgt op de incarnatie waarin je op je zesde levensjaar door een reptiel bent gedood. Waar kom je terecht? Wat zie je, wat gebeurt er?'
'Ik ga door een heel lange tunnel,' antwoordt ze. 'Die lijkt uitgehouwen in de rotsen. En die is heel mooi,' gaat ze enthousiast verder. 'En die tunnel gaat op een gegeven moment over in een soort brug waarboven een dichte nevel hangt. Daar ga ik heen.'
Ze spreekt opeens op een fluistertoon. 'Dat is een fantastisch mooi gezicht. Maar ik weet niet of het een stoffelijke tunnel is, of dat het gewoon iets is dat ik zie en dat niet reëel is. Weet je, het lijken van die tunnels waar ik weleens meer doorheen gegaan ben. Het lijkt eigenlijk heel sterk op de binnenkant van de aarde.' 'Waarheen ben je naar op weg? Is dit een reïncarnatie?' 'Nou, dat weet ik nog niet. Die nevels blijven, als ik verder ga. En die weg gaat over in een spiraal die wel kleiner wordt, maar het lijkt alsof de massa van binnen groter wordt. En die spiraal loopt kegelvormig. Maar dan lijkt het net alsof dat wat daar binnenin zit, juist veel groter wordt, zodat je bijna een diabolovorm krijgt. Twee tegengestelde kegels, met de
"punten" tegen elkaar. De één als een spiraal en de andere als een massa. Een zandlopermodel, maar dan van rotsmateriaal. En die spiraal is van zand. Een paadje om naar boven te lopen. Het is dus aardse realiteit, materie. Maar wat ik nu zie ... In het midden brandt een fakkel, een vuur. En daar staat iemand die bij het vuur moet waken.
10.148
Volgens mij is het een natuurlijk brandend vuur, dat vanzelf blijft branden, omdat het vanuit de aarde gevoed wordt. En het is een mens, die daarbij staat. Nou zie ik het opeens. Oh, schitterend! Nou wordt die rots heel wijd, heel ruim. En daar is een meer binnenin de rots. En daar vlak boven, in die rots, is een opening naar de buitenlucht. Het is een krater van een vulkaan!' roept ze juichend. 'Ja, dat kan. Maar waar komt dat vuur dan vandaan?' 'Uit van dat borrelende spul. Dat zit ook in die rots. Het is in een holle rots allemaal. Het is een vulkaan, waarop je langs een spiralend paadje naar de top kunt lopen. En die daarboven dan blijkbaar ook nog werkt. Maar dat zit in een rots die door het gesteente aan de zijkanten van de top van die vulkaan omhoog is opgebouwd. Zodanig dat het haast een koepel vormt. In ieder geval is daar die rots bij, waarin dat grote meer ligt. En dat is heel mooi. Het water is prachtig donkerblauw, zwart bijna, en waarschijnlijk heel diep. En dan daarboven is die opening naar de lucht, naar buiten.'
'Dus dat meer is grotendeels overdekt,' constateer ik meer dan ik het vraag.
'Ja,' antwoordt ze. 'Maar in de zijkanten van de grot zijn ook weer gaten, zoiets als vensters, waardoor je de rotsen verder daarbuiten kunt zien. Een ingewikkeld systeem van formaties, zou ik zeggen.' 'En wat doe jij daar?'
'Ik weet niet.' Ze haalt haar schouders op. Ik ben nog in de geest.' 'Maar wat zoek je daar?'
'Nou, er stond toch een man bij dat vuur. En ik zag daarnet ook iemand die in dat meer aan het baden was. Het water is niet erg heet. En het licht dringt maar door enkele grote gaten naar binnen. Als je langs een paar rotsblokken kijkt, dan zie je bijzonder grillige vormen. Ook van binnen. Overal van die punten ...' Ze aarzelt even. 'Druipsteen,' zegt ze dan.
'Stalagmieten en stalactieten? Bedoel je dat?'
'Ja, dat soort dingen. Maar als je nou langs een paar van die opstaande stukken druipsteen omhoog klimt, dan kom je in wat net een kamertje lijkt. Ook weer gevormd door rotsen. En dat is echt heel mooi. Maar er zit wel een gat in de grond, dus je moet goed uitkijken waar je loopt.'
Ze is nog steeds zwevend in de geest en kan dus overal gemakkelijk in doordringen, niet gehinderd door hoogte, afstand of materie.
'En daar word ik geboren,' zegt ze en komt zo tot de kern van de zaak.
'Ja, daar is de moeder die mij ter wereld brengt, en nog een vrouw. De geboorte gaat voorspoedig. Ik floep er zo uit, heel gemakkelijk.'
'Ben je een jongen of een meisje?' Ik ben nu zeer benieuwd wat het in dit leven gaat worden.
Ik denk, een meisje,' zegt ze, na een lange pauze. En dan: 'Ja, een meisje. Nou, ik vind het weer heel leuk. Het is best spannend.'
10.149
'Ziet het er niet bedreigend uit?' 'Nee, het is heel mooi.'
'Ga verder vooruit in de tijd, totdat je een beter begrip krijgt van wat daar allemaal is en gebeurt, en wat voor mensen het daar zijn.' (Instructies volgen.) 'Nu kun je het leven in die stam overzien en draag je alle kennis in je over watje daar ervaart. Hoe oud ben je nu?' 'Ik ben zo ongeveer een jaar of tien. En daarbuiten woedt een soort zandstorm. Het stormt werkelijk enorm hard. Of zand? Het lijkt me zand. Geweldig hoge bergen zijn het. Er komt een gigantische hoeveelheid aan, en misschien is het wel as. Want volgens mij komt het door een werkende vulkaan. Boven de berg die ik nu zie, daar is allemaal rook in die nevel. Die man die ik in het begin zag, die bij het vuur stond, keek niet naar de echte krater, de belangrijkste kratermond. Nee, dat vuur kwam uit een "bijkrater", een kleiner gat, dat borrelde. Die man kon dat zo goed in de gaten houden, en uit wat hij zag, afleiden dat de vulkaan ging werken en dat er een eruptie op komst was. Dan waarschuwde hij ons en moesten we snel weg. Iedereen moet ook nu weg, naar een andere rots. Dat is een heel eind lopen natuurlijk. Maar die rots raakt ook helemaal onder de as. En de storm woedt nu in alle hevigheid. Er is een asregen, die eerst omhoog gestuwd wordt, in allemaal dikke wolken, om vervolgens op ons neer te dalen.'
'Hoe is jullie toestand?'
'Nou, een beetje proesterig hè. Het is heel vies en heel droog. Ja, we waren eerst binnen in die rotsen, maar daar was het helemaal niet om uit te houden, want de asstof waait overal doorheen naar binnen. En buiten kun je tenminste ergens met je rug naartoe gaan staan.' 'Met hoevelen zijn jullie daar?'
'Nou? Ik sta daar met een groep van ongeveer twintig vrouwen en wat kinderen. De mannen zijn al een eind verder vooruit. Want op die kinderen moet je steeds wachten, die kunnen niet zo vlug, en er gaan er ook een groot aantal dood, geloof ik.'
'Jullie zijn dus op de vlucht voor die natuurramp, als ik het goed begrijp.'
'Eigenlijk is het nu zo, dat we staan te kijken en ons afvragen wat we moeten doen. Het geweld van de storm heeft ons ingehaald. Het maakt nu toch niet meer uit of we verder lopen of niet. We kunnen er niet meer tegenop tornen. En er zijn al een aantal kinderen gestikt. Het is een ernstig bedreigende situatie. Maar gek, ik voel het niet als beangstigend, die dreiging. Meer zo van, afwachten, misschien neemt het nu wel af. Ja, ik geloof dat het ergste voorbij is. En dat het nu een kwestie is van wachten tot die nevel weer optrekt. Maar ik heb een ontzettend droge mond, en heel erge dorst. En ...ja, iedereen staat daar maar, hulpeloos. De omgeving is haast niet
10.150
meer herkenbaar. Het is gewoon één vieze troep.' 'Is er nog gloeiende lava uitgestroomd?'
'Nee, tenminste niet waar we staan. Maar dat zal daarbinnen wel gebeurd zijn. Bij die rotsen waar we leefden. En die as drijft overal op het water.'
'Op welk water?'
'Van de meren en al de watertjes in de omtrek. En de laag as is zo dik. Ontzettend dik!' Ze maakt geluiden met haar droge mond en slikt een paar keer heel moeilijk.
'En dan gaan we lopen,' gaat ze verder. 'Maar dat is gevaarlijk, want je ziet haast niks. Je kunt dan ook erg gemakkelijk verdwalen of verongelukken. Maar we moeten ergens heen om iets te drinken te vinden.'
'Ga eens wat verder vooruit in de tijd. Een kwartier, een half uur of een paar uur. Hoe ziet het er dan uit?'
'Na een hele tijd lopen wordt het natuurlijk wel wat minder. Maar we lopen nog steeds over de rotsen. En er zijn ongelooflijk veel mensen verzwakt. Je krijgt een soort verstikking, hè, dus je hebt vreselijke dorst en alles blijft plakken in je mond. Je kunt het niet meer wegslikken en er ontstaat zuurstofgebrek. Je krijgt klonten as voor je luchtpijp, denk ik, zoiets. Dus er storten er nogal wat neer. Maar in ieder geval komen we met een paar mensen op weidegrond terecht, in een minder stoffig gedeelte. En daar vinden we water. Het is wel smerig, door die as rommel, maar we drinken het toch maar. Want we hebben zo'n dorst. Alleen het helpt niks, want je krijgt natuurlijk weer al die as binnen. Het helpt wel wat, zolang je blijft drinken, maar als je ophoudt, is het weer net zo erg.' 'Wat doen jullie ten slotte?'
'Voorlopig daar op die weidevlakte blijven,' antwoordt ze. 'En ook is de hele stam uit elkaar gevallen. Ik ben, geloof ik, nog maar met vijf vrouwen en twee kinderen over. En de rest zwerft daar verspreid rond.' 'Het was dus echt redden, wie zich redden kon,' is het enige wat ik weet te zeggen.
'Ja. Je probeert in leven te blijven. Je hoopt vanzelfsprekend dat je die andere mensen nog een keer terugvindt.' 'Waarmee probeer je in leven te blijven?'
'Door te eten wat daar te vinden is. Het is een vlakte en daar staan bloempjes en een bepaald soort lage struikjes. En die eten we. Niet met smaak, maar je moet wel.' 'Hoe is jullie gezondheid nou, na die asregen?'
'Niet zo erg best. Maar nu we daar uit zijn, gaat het toch langzaam beter. Dat water daar stroomt, en op een gegeven moment gaat het ergste stof er wel weer af. We kunnen in ieder geval drinken en weer wat eten. Maar ja, we hebben totaal geen bescherming tegen dieren.' 'Zijn die daar dan?'
10.151
'Ja. We zitten op een vlakte moetje niet vergeten.' 'En door wat voor dieren worden jullie bedreigd?' 'Nou, door van die varkensachtige en door wolven en andere soortgelijke beesten. En natuurlijk ook slangen.' 'Wolven, zei je?'
'Ja? Wolfachtige, die ook in troepen rondzwerven. Dat is dus een van onze problemen. We zoeken wel de bescherming van de rotsen. Maar die zijn daar heel weinig. En we klimmen ook wel in bomen.' 'Is het er koud of warm, daar op die vlakte?' 'Een warm klimaat.'
'En hoe is het met jullie kleding gesteld?'
'Er is wel verschil tussen mannen-en vrouwenkleding. De vrouwen dragen ook een lendendoek, maar die zijn langer en in vier delen. En we hebben nog wel allerlei kettingen om. Sieraden van steen. Allemaal verschillende kleuren.' Ze moet ineens kuchen, spreekt even moeilijk en hakkelend.
'Heb je het gevoel dat die asstof nog in je keel zit?' vraag ik daarom. 'Nee. Ik heb alleen een droge mond,' antwoordt ze, en ze maakt plakkerige geluiden. Zo realistisch ervaart ze de gebeurtenissen in dit leven, in trance.
'Maar op een gegeven moment vinden we op die vlakte een heuveltje,' gaat ze verder. 'In ieder geval een soort hokje, waar we in kunnen kruipen, als schuilplaats. Een heel klein grotje. Er staan een paar struiken voor de ingang, als camouflage. Want die beesten komen 's avonds, als het wat koeler wordt. Maar dan hangen we met zijn allen onze lendendoeken voor de opening van die grot. Dat houdt ze een beetje op afstand, maar het is best eng.
Ze maken een enorme herrie en we kunnen natuurlijk ook niet slapen, want we moeten zitten, anders passen we er niet met zijn allen in. Alleen maar vrouwen en die twee kinderen.'
'Hoe loopt dat af?' vraag ik, nieuwsgierig naar wat er verder gaat gebeuren. 'Ga eens wat verder vooruit, de nacht in.' 'Nou, die beesten pakken ons niet, hoor.'
'Ga eens naar een voor jou en voor jullie allen opvolgende, belangrijke gebeurtenis. Wat doen jullie dan?'
'We trekken verder, naar de bossen. We kunnen toch niet terug naar de krater, want daar ligt die as en andere rotzooi. Daar kun je voorlopig toch niet meer wonen. Dus we trekken de vlakte over, en daar zie ik Er valt een plotselinge stilte. '... hutjes tussen de bomen staan,' gaat ze verder. 'Dakjes van bladeren gemaakt. Andere mensen, daar lijkt het wel op. Ik heb niet het gevoel dat ik er thuis ben. Ik zie alleen een paar kinderen. Maar we worden daar niet geaccepteerd. We moeten weg of verder. Maar we willen daar zelf ook niet blijven, al worden we niet lastig gevallen. En inmiddels zijn we nog maar met zijn drieën of met zijn tweeën
10.152
en één kind. De rest is afgevallen.' 'Hou oud ben je nu ongeveer?'
'Ik ben nu al een jaar of dertien, veertien misschien. Ik word nu als volwassen vrouw beschouwd. En we zijn nog maar met twee vrouwen en een kind.' Ze laat weer een korte, droge kuch horen. Ze heeft kennelijk nog steeds last van haar keel.
'Maar we komen bij een rots,' zegt ze. 'Heel donker is het daar. We gaan erin, maar het is daar veel te donker om erin te wonen. Het is er heel kil en heel ... hugh. En ik vind het oerwoud daar helemaal niet leuk. Het geeft wel een goede beschutting.'
'Blijf je daar?'
'Ja. Maar er gebeurt iets. Er komen op een dag mannen die ons daar vinden. Ze jagen daar. Ze zijn niet van onze eigen stam en ook niet erg vriendelijk. We worden onder dwang meegenomen. Maar ze zijn niet van dezelfde stam als die we al eerder tegenkwamen. Ze doen bedreigend. Misschien bedoelen ze het niet zo, maar ze dwingen ons om mee te gaan. Eigenlijk om opgenomen te worden in hun stam. Ze zien er wel hetzelfde uit als de mensen van onze eigen stam. Ze hebben dezelfde huidskleur, bedoel ik.' 'En wat gebeurt er dan?'
'Dan worden we daar werkvrouwen.' Ze schiet ineens in de lach. 'Een soort slaven?'
vraag ik.
'Ja, je hebt daar vrouwen én werkvrouwen.' Weer moet ze lachen. 'Je kunt het misschien ook wel slaven noemen. Maar we worden niet mishandeld. We worden gewoon genegeerd. Er wordt ons iets opgedragen, en verder wordt er niet naar ons omgekeken.' 'Zijn er ook mannen die op je afkomen?'
'Nee, want daarop rust een soort verbod, omdat we toch van een ander ras zijn. Zo echt van, je hoort er niet bij. Een man zou zich daartoe niet verlagen. Zoiets verschrikkelijks.'
'Wat zijn de verschillen in ras dan?'
'Die zijn niet waarneembaar. Nee,' antwoordt ze.
'En wat voor werk moeten jullie doen?'
'Weer bessen zoeken en sorteren. Met kinderen optrekken en ervoor zorgen. Maar je blijft er toch maar, want het biedt wel een bepaalde bescherming. En het hoort gewoon zo, denk ik,' zegt ze gelaten. 'Ik pas me aan. Ja hoor. Maar op een gegeven moment ga ik dood, omdat ik het niet leuk meer vind.' Het komt er zo plotseling en onverwachts uit. 'Hoe gebeurt dat dan?' vraag ik dan ook verbaasd. 'Nou, ik eet heel weinig, want ik weet dat als ik dood ga, dat dit hier dan voorbij is.'
'Dus je gaat toch wel enorm gebukt onder de situatie. Die is eigenlijk niet zo leefbaar. Anders wil je niet dood, naar ik mag aannemen.'
'Nee. Het is niet bepaald prettig, nee. Ik zorg dat ik minder eet, en je
10.153
kent ook planten waar je ziek van wordt. Giftige planten. Die andere vrouwen weten wel waar je mee bezig bent, maar die doen daar niks tegen. Die doen alsof ze niks merken. Nou, en op een gegeven moment ben ik dood!
Daar heb je het weer. In de veertiende incarnatie springt ze, als weduwe van het stamhoofd, van een rots af, in een afgrond, Dood! Suïcide. De geschiedenis herhaalt zich. Opnieuw is er een situatie geschapen waarin de uitdaging verborgen zit om weer suïcide te plegen, met de bedoeling nu te leren dat juist niet te doen. Maar de levensles is kennelijk niet geleerd en ze doet het toch weer. Ze loopt nogmaals uit haar karma weg, door haar leven niet op de normale wijze en op de juiste tijd te beëindigen. Ze gaat, door deze herhaalde daad van suïcide, op haar tijd dood. En niet op de tijd die daarvoor in haar levensplan staat. Ze grijpt zelf in, en dat zal ongetwijfeld in een opvolgend leven consequenties hebben. De geschiedenis zal zich net zo lang herhalen tot de les geleerd is en ze zichzelf niet meer het leven beneemt.
Er wordt door deze gang van zaken duidelijk, dat niet de ouders verantwoordelijk zijn voor de gevallen van zelfdoding die zich in de tegenwoordige maatschappij helaas nog zoveel voordoen. De psychologie heeft geprobeerd deze last der verantwoordelijkheid wel op de schouders van de ouders en opvoeders te leggen, door aan de zelfdoding een verkeerde opvoeding of benadering in de jeugd van de zelfmoordenaar te verbinden en zo paniek te zaaien. Niets is minder waar. De betrokkene draagt zelf, en hij of zij enkel en alleen, de volle verantwoordelijkheid voor deze daad, die meestal in een eerder leven vol in gang is gezet. En de neiging daartoe komt al bij de geboorte mee.
Hoe triest zoiets ook is, de ouders moeten zich vooral geen schuldgevoelens laten aanpraten. Ze kunnen uitsluitend proberen als hulpverleners op te treden, hoewel ook dat in vele gevallen uitgesloten is, omdat er geen signaal gegeven wordt door de in geestelijke nood verkerende. Ze worden plotseling vooreen voldongen feit gesteld. Helaas!
'Heeft dat gif van die planten geen nare bijwerking?' vraag ik voorzichtig-'Nee,' zegt ze. 'Het is een heel langzaam proces van slaap, waaruit je ten slotte niet meer ontwaakt. Eigenlijk een verlamming, maar er zijn geen krampen. Het is geen nare dood. Nee hoor, heel rustig.' 'Je bent weer aan Gene Zijde. Dit was dan je achttiende incarnatie op aarde,'stel ik vast.
'Klopt,' zegt ze en ze knikt bevestigend.
'Je kijkt nu op dat leven terug vanuit een breder perspectief. Kun je nog iets zeggen over de situatie bij die vulkanen?'
'Dat wonen in de rotsen van vulkanisch gesteente? Ja, het waren heel
10.154
grillige rotsen, met mooie meren erin. Het leek net een paradijsje.'
'Het volk, het type mens daar, als je het zou moeten aanduiden, hoe zou je het dan noemen?'
'Mensen uit India. Maar dan groter, langer van postuur. En geen Chinese trekken, in zoverre ze die soms hebben. En ook wat forser gebouwd.' 'In welke tijd, in het verre verleden, leef je daar? Wat komt er op je af, als je daarover nadenkt?' 'Lemuria! De begintijd van Lemuria.'
'Kun je een indicatie geven van de plaats op het aardoppervlak, waar ergens die vulkanen liggen, waarop je geleefd hebt?' 'Ja. Als je Lemuria ziet liggen in het gebied van de Stille Oceaan, dan loopt dat in het Zuiden uit in een enigszins brede punt. Daar wordt het iets smaller. Nou, zeg maar, in de onderste helft van Lemuria, de kant van Australië op, daar ongeveer. In een rondje in het midden, daar is het.'
'Je hebt weer een aards leven achter de rug, als een jonge vrouw. Of was je eigenlijk al oud?'
'Jawel, ik was toch al wel van middelbare leeftijd. Maar dat is daar misschien vijftien of zestien jaar, zoiets.'
'Hoe voel jij je nu aan Gene Zijde? Weer in diezelfde toestand als hiervoor?'
'Ja, iets blijer, omdat die ellende over is. Het was in het begin heel mooi ... maar ...'
En meer hoeft ze niet te zeggen. Het spreekt duidelijke taal.
'Hoe is je bewustzijn nu?'
'Nog erg bedwelmd.' Ze gaapt en zucht heel diep, terwijl ze dat zegt. 'Maar ja,' gaat ze verder. 'Ik heb de indruk dat ik weer in zo'n cluster van levens zit, dat ik moet afwerken. En dat daarover verder geen discussie is. Zo van, werk dat eerst maar eens af, en dan zie je wel!' 'Ga dan nu naar je opvolgende leven op aarde, je negentiende incarnatie.'
Einde sessie.
10.155