Chiltar's tweede verkenning
Voorspel van een nog grotere ramp? Zilveren bollen verlaten de 'buizenplaneet' op weg naar een zwaar getroffen aarde. Een 'Meester' reïncarneert met tegenzin naar een nieuwe aarde.
Maandagavond, i maart 1982
Ongeveer anderhalf jaar later vervolgen we Chiltar's verkenning vanuit een fijnstoffelijke wereld naar de planeet aarde. Alles is in gereedheid gebracht voor de tweede verkenning van haar geest in trance. We pakken na zo'n lange tijd, en anderhalf jaar is dat zeker wel, de draad gewoon weer op.
Ik geef mijn progressante de laatste instructies. Dan volgt mijn vraag: 'Wat zie je wat gebeurt er?' En probleemloos reageert ze meteen met het weergeven van haar ervaring: 'Ik zit in een holle buis, en van daaruit worden bollen "gelanceerd", zou je haast zeggen. Een soort afschieten, maar dan zonder brandstof, de ruimte in. Ik zit nu ook weer in zo'n bol. En ik moet op mijn beurt wachten tot ik eruit kan. Dat wil zeggen, tot ik gelanceerd word. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen. Het is eigenlijk een heel rustige operatie. Het heeft niets met een aardse krachtbron te maken. Je gaat gewoon.' 'Wat is de aandrijfkracht dan?'
'Een gedachte,' zegt ze zonder aarzelen. 'Gedachtekracht! Maar je kunt niet te dicht op een ander starten. Want het lijkt net alsof je die dan beïnvloedt. Nou, ik denk dat ik er op dit moment ook uitga. En ja, ik zie mezelf weer niet.'
'Kijk goed,' instrueer ik haar. 'Je bent je nu heel sterk bewust van jezelf en je omgeving.'
'Ja, ik word nu gelanceerd. Ik ben in die bol. Hij is zilverkleurig. Hij glinstert tenminste. Maar de aandrijfkracht lijkt groter dan alleen mijn gedachtekracht. Het initiatief, het begin, dat alleen doe je zelf. En daarna is het een kracht die van die planeet uitgaat. Ja, die planeet, zo zal ik hem toch maar noemen, die stuwt en stuurt de bol door een collectief versterkte gedachtekracht langs een vaste baan in de ruimte. Dus door een gebundelde kracht, die geaccumuleerd is. Ik zie aan boord overigens weinig apparatuur. Het is een sober interieur, maar er is wel iets. Om het ding te besturen zijn er een soort knoppen waar je op moet drukken. Ik noem het maar knoppen, maar het zijn eigenlijk panelen met de kleuren groen en rood.'
13.173
'Is zo'n vaartuig goed stabiel?' vraag ik. 'Gaat zo'n bol niet tollen en rollen in de ruimte?'
'O nee, hoor. Die blijft gewoon in de juiste stand.' 'Hoe wordt die stabiliteit bereikt?'
'Door die stuwende kracht vanuit de planeet, die hem moeiteloos in balans houdt. Net zoiets als de aantrekkingskracht van de aarde, is dit een afstotingskracht van de grote "moederbol", die planeet, zal ik maar zeggen. En die houdt hem ook in evenwicht. Die invloed is trouwens zo krachtig dat die de bol ook helemaal bestuurt.'
'Hoe heet je?' Dit vraag ik als een verificatie. 'Chiltar,' zegt ze zonder aarzelen.
'Dus dat is de existentie die we al eerder onderzocht hebben?' 'Inderdaad,'
antwoordt ze. Dat is toch miraculeus! Ander halfjaar later, in wat voor opzicht onderscheidt jouw lichaam zich van een aards lichaam?'
'Om te beginnen, het is niet zichtbaar voor het menselijk oog, behoudens enkele uitzonderingen.' 'Kun jij het zelf waarnemen?' vraag ik nieuwsgierig. 'Ja, maar het voelt niet alsof ik een lichaam heb. Toch heb ik wel iets dat me vorm geeft. Iets fijnstoffelijks. Maar ik zou niet weten hoe ik het moet noemen. Het is niet alleen de kracht of geest. Het is wel iets meer. Ik heb weliswaar een afgebakende vorm, maar het lijkt alsof die vorm ook kan veranderen. Door een soort kneedbaarheid. Net zoals een kunststof zakje vol water bijvoorbeeld. De gestalte heeft wel een inhoud en een omtrek.'
Dit is de mogelijkheid tot het creëren van eigen werkelijkheid. Dus ook van vormverandering en manifestatie. De mogelijkheid die de gehele fïjnstoffelijke wereld kenmerkt. Ook de mens heeft deze scheppende kracht van origine, in zekere mate. Doch deze is in de loop van vele levens op aarde heel sterk gedegenereerd.
'Maar ik heb niet het gevoel dat de vorm vergelijkbaar is met een menselijk lichaam,'
gaat ze verder. 'Ik heb de indruk dat het minder belemmerend is. Je kunt meer met dit lichaam doen, door zijn fijnstoffelijkheid.' is het onderworpen aan bepaalde wetten of noodzaken, bijvoorbeeld zoals op het aardse plan voedsel en vocht tot je nemen?' 'Nou, energie. Maar niet in de vorm van voedsel. Er is een oplaadmogelijkheid, een bepaald systeem waar jij je ook aan bloot moet stellen. Maar het zit niet in die bol. Dat betekent dus dat je heel lang kunt teren op de energie die je opgeladen hebt, uit een soort reusachtige accu waarin die energie is samengebald.'
Ditzelfde principe werd ook op het verloren continent Atlantis toegepast. Alleen
13.174
bestond de reusachtige accu daar uit een enorm groot kristal dat invallende zonnestraling omzette in energie. Alle zich bewegende vormen van vervoer putten uit deze 'centrale' zonder daar een vaste verbinding mee te hebben.
'Wat is je bestemming?' vraag ik haar.
'De aarde.' Het komt er nu zonder enige aarzeling uit.
'Kun je vanuit die vliegende bol iets zien?'
'Ja ... de planeet die ik zojuist verlaten heb.'
'Kun je daar iets over vertellen?'
'Nou, het is een koepel, een hele grote halve bol, lijkt het net. Die ziet er bruin - goud kleurig uit en is in vlakken verdeeld. In die halve bol is een netwerk van dat buizenstelsel. Maar dat is wat ik nu zie, vanuit de ruimte. Aan de onderkant zit ook zo'n halve bol. Het is een hele bol, opgebouwd uit een tunnel-of buizensysteem. Maar alleen in het bovenste topje zijn uitmondingen. Het "onderste topje", daar komen geen buizen uit.'
'Wat is het doel daarvan?' vraag ik met stijgende verbazing.
'Ja, dat is voor het evenwicht. Zoiets als de beide polen van de aarde en de aardas.
En als je nou met zo'n zilveren bol die planeet verlaat, dan vertrekje vanuit die top. Maar denk niet dat het daar vol met bollen ligt. Er is een soort brein, dat bepaalt hoe de hele planeet werkt. Het is een lanceerplaneet, om het zo maar te zeggen. Er wordt wel geleefd. En er zijn ook een aantal entiteiten die daar blijven. Maar het doel van de planeet is om entiteiten, zoals ik, uit te zenden. En niet alleen naar de aarde, maar ook naar andere planeten.
Het is een totaal vergeestelijkt object. Maar je komt daar wel weer terug om naar een ander niveau te gaan. Het is een vorm van reïncarnatie, maar dan minder stoffelijk dan op aarde.'
'Wat bedoel je, in dit verband, met reïncarneren? Is er toch een vorm van sterfelijkheid?'
'Ja. Er is ook een plan dat duidelijk maakt waarom je daarheen gaat.' 'Je kent dat plan natuurlijk. Tenminste, dat neem ik aan.' 'Ja,' zegt ze dan ook, 'ik ga met de anderen naar de aarde toe. En we moeten daar bij een wederopbouw helpen, na allerlei natuurrampen die daar hebben plaatsgevonden.
Maar je moet in ieder geval terug om daar weer van die buizenplaneet af te komen, nadat je op aarde bent geweest. Het is inderdaad een vorm van sterfelijkheid. Nou ja, het is eigenlijk geen sterven, want het proces is veel bewuster. Eigenlijk prettiger dan op aarde, want daar weten een heleboel mensen niet wat er gebeurt als ze dood zijn. Hier, in deze vorm, weetje dat heel duidelijk. Je bent dichter bij de bron, en je komt er weliswaar niet mee in contact, niet direct tenminste, maar je gaat door een
13.175
dun gordijn. Een gebeurtenis die veel minder traumatisch is. Een doorzichtig gordijn is het eigenlijk. Je kunt dat "Andere" wel waarnemen, maar je bent er niet. Terwijl je op aarde het "Andere" niet kunt waarnemen.
Het bewustzijn is hier veel hoger dan op aarde. Iedereen weet waarom hij hier is. En iedereen weet dat het tijdelijk is en wat er gebeurt. En daarom is het ook een planeet waar een volkomen harmonie heerst. We weten alles, ook waarom het is.'
'Weetje ook waarom jij daar bent? Jij, persoonlijk, als Chiltar?' 'Ja. Omdat ik bewust heb gewild om daar naartoe te gaan. Het is geen les, of zo. In het aardse leven heb ik het ook vaak geprobeerd, maar het lukte me nooit. Om de mensen te helpen, zal ik maar zeggen. Wel op kleine schaal, maar niet in wezen. En bepaalde frustratiegevoelens daarvan, die kan ik niet kwijt.
Ik kan nu onbelemmerd trachten te helpen. Het is een positieve vorm van macht die je over de mensen hebt, en waar ze ook niet onderuit kunnen. Maar het is wel goed. Als je zelf ook op aarde bent, dan verslijten ze je voor gek. Dan lopen ze door en ze hoeven zich er niets van aan te trekken. Nu moeten ze wel. En ze weten niet eens dat er iemand is, die ze beïnvloedt.
Het is zuiver een stuk idealisme dat me daarheen drijft. Het interieur en het hele leefklimaat of leefniveau van die planeet is daarop ingesteld. Ik bedoel, die zijn ondergeschikt gemaakt aan de doelstelling. Het streven om al die verschillende projecten uit te voeren. Daar is hij voor ingericht. Het is een reisverblijf. Maar er zijn ook entiteiten die daar langer blijven. Dat zijn een soort projectleiders. Zo zou je ze kunnen noemen,' zegt ze lachend. 'Je zou ze, vanuit een aardse gedachtewereld, misschien ook wel "Meesters" kunnen noemen. Die dus een bepaalde adviserende taak hebben. En wat het verblijf daar zo aangenaam maakt, is eenvoudig de aanwezigheid van de andere entiteiten die om je heen zijn. Die vrede, dat geluk. En de gedachten die je met elkaar uitwisselt. Maar het is heel totaal. Dus de omgeving doet er niet veel toe. Het is zuiver functioneel op de doelstelling gericht. Omdat je toch telkens met een opdracht van daaruit ergens de ruimte ingaat. En voor mij is dat de aarde. Maar je hebt geen fysiek lichaam, dus je hebt ook geen fysieke verlangens. En ik ben zojuist de ruimte ingebracht in zo'n bol. De bol zelf is ook door gedachteprojectie opgebouwd. Het is wel een materie. Het is materie. En die dient ook als bescherming. Hij is toch wel fijnstoffelijk, maar grover dan ikzelf. Je kunt stellen dat het inderdaad klopt, dat gedachte en energie om te zetten zijn in materie, in dingen.' 'Tijdens de eerste verkenning zei je, datje naar de aarde suisde langs een vooraf bepaalde vaste baan. Hoe is die gemarkeerd? Hoe is die gevormd?'
13.176
'Het is geen vorm. Het is een richting, waarin de kracht werkt. Een projectie vanuit de buizen van de planeet, door een stuwende kracht. Ik denk dat ik van tevoren al weet waar ik precies heenga. En dat ik dan ook gewoon ga, vanzelf, spontaan. Ik heb dus een vast doel, dat al bekend is als ik de buizenplaneet verlaat.' 'En wat zie je nu op de aarde?'
'Nou, in eerste instantie valt het wel mee.' Ze zwijgt, maar even later zegt ze: 'Ik zie enorme branden en een heel hoge zee.' 'Je komt daar aansuizen, Chiltar, en je kent de wereldkaart. Je weet hoe de vormen van de continenten zijn op de aardbol. Zie je de vorm van het continent waarop je komt aanvliegen? En herken je het?' 'Nou, volgens mij is het Zuid-Amerika. En nu zie ik dat ook hele lawines van rotsen, puin en zand naar omlaag komen zetten, de bergen af. Grote rotsblokken storten neer. Ze verwoesten hele stadjes en dorpen, en vallen op en tussen het puin. Alles is in beweging. Ik denk dat het aardschokken zijn, aardbevingen. Nou, er wordt ontzettend veel verwoest. Er wordt een heleboel ellende veroorzaakt door oorlogshandelingen, maar de meeste schade wordt veroorzaakt door het verstoren van het milieu. Alles komt in beweging, komt in opstand door een verstoring van het evenwicht. En ik heb de indruk dat alleen op het westelijk halfrond, in ieder geval het halfrond dat van noord naar zuid loopt en waar ook Amerika op ligt, die puinhopen te zien zijn. Ook in Noord-Amerika. Maar aan de kant van Europa is het minder erg. Er gebeurt wel hetzelfde. Er zijn ook overstromingen, aardschokken en de gevolgen daarvan, maar het is een veel zwakkere echo van wat er in Noord-en Zuid-Amerika gebeurt.'
'Zijn de oorlogshandelingen van invloed op de tragische gebeurtenissen?
Secundair.'
'Ja en nee,' antwoordt ze. 'De oorlogshandelingen zijn allemaal het gevolg van de verkeerde instelling, mentaliteit en onwil van de mens. Dat is een onderdeel van de oorzakelijkheid. Ja, dat is heel duidelijk. Het kwaad dat de natuur dwingt tot herstel van het evenwicht. De aarde slaat terug.
Maar ik ga op de aarde doen, wat ik in de vorige verkenning heb verteld. De mensen begeleiden. Trachten ze uit de ontreddering te helpen en bij te sturen. En dat lukt,' zegt ze. 'Het begin is gemaakt.' 'En herstelt alles zich dan weer?' vraag ik.
'Nou? Dat gaat zomaar niet. Maar als de tijd voortschrijdt, dan zijn ze op de goede weg. De mensen beseffen nog niet echt, wat de reden is geweest. Een deel moet wel helemaal opnieuw beginnen. Die begrijpen wel dat ze helemaal terug moeten gaan naar de natuur.' 'Als jij met je bol naar de aarde suist en de ontreddering ziet, welk jaar, in de aardse tijdrekening, is het dan? Kun je dat zien of weten?' 'Nou, ik zie een twee, daar begint het mee. Het is twee...twee...
13.177
zeven...vijf. Maar de laatste twee cijfers zijn niet zo heel zeker. Ik denk dat de eerste twee.. .twee... wel goed zijn.' 'Hoe komt dat jaartal 2275 tot je?'
'Ja ... er komen cijfers aan, en die gaan op een rij staan. Maar ze worden steeds vager. De eerste twee zie ik heel duidelijk. De tweede twee zie ik nu ook wel redelijk duidelijk. De rest gaat dan zo trillen, die wordt niet meer zo goed zichtbaar.' 'En jij hebt je taak daar en je verlaat de bol, of niet?' 'Hmm ... als ik dat allemaal zo waarneem, blijf ik in de bol. En ik laat mijn positieve gedachten van daaruit stralen, projecteren. Jaah ...? Ik denk dat ik niet tegen die atmosfeer kan. Ik geloof dat ik in de bol moet blijven. Want de lucht daar is overal wel heel erg vies. En ook niet zo gezond. Ik bedoel, voor de mensen niet. Maar ik veronderstel dat er met mij ook wel iets zou kunnen gebeuren als ik uit de bol ga. Dat de lucht op een of andere manier mijn omhulsel zou kunnen aantasten, beïnvloeden.'
'Hoe groot is de bol ongeveer, in verhouding tot jezelf?' 'Ongeveer zoals een ruime kamer. En ik ben er alleen in.' is het zo dat, toen jij je laatste incarnatie op aarde achter de rug had, je meteen als Chiltar naar die fijnstoffelijke planeet bent gegaan?'
'Vrij direct,' antwoordt ze. 'Maar ik heb eerst nog een tussenperiode gekend, in de zone die wij Gene Zijde noemen. Ja. Er was nog heel wat te schaven. Samen met mijn Meester en Gidsen. En nu heb ik een opdracht daar vervuld en ga ik terug naar de buizenplaneet. Maar er komen weer anderen voor mij in de plaats. Als ik bij de buizenplaneet terugkom, dan zijn daar de zogenaamde aanzuigbuizen,waar ik tegenaan gekleefd wordt. En dan kan ik de bol verlaten. Maar zo gauw ik in de buis ben, lijkt het dat de bol er niet meer is. Die is van dezelfde fijnstoffelijke materie als de buizen. En als je in zo'n buis bent, dan neemt die de functie van de bol over.' 'Ga eens wat verder naar binnen,' vraag ik haar. 'Kom je dan aan een soort sterfelijkheid? Krijg je dan het gevoel een andere existentievorm te moeten aannemen, een ander persoonlijk IK?'
ik kom terug,' zegt ze. 'En dan kom ik voor een soort tribunaal, heel mooi. Niet vijandig, hoor, of spannend of eng. Nee. Heel vredig en liefdevol. Net zoals dat ook nu nog aan Gene Zijde is, in het Licht. Het zijn de Meesters die daar aanwezig zijn. Ja, zo noem ik ze maar. "Hogere entiteiten". Er volgt daar een bepaalde ceremonie. Het is niet dat je moet vertellen wat je gedaan hebt, want dat weten ze natuurlijk wel. Maar je bent toch "aards" geweest, voel ik nou. Terwijl ik daar was, werkend aan mijn opdracht. Ik moest heel erg vechten tegen het gevoel van medelijden, tegen het met de aarde verbonden raken. Ook tegen de emoties van de mensen. Want ze waren zo begrijpelijk, dat je begint te denken van, hè ... wat zielig. Die gevoelens werkten sterk op me in. Maar
13.178
dat heb ik er dus heel goed afgebracht.'
'Is het dan niet goed om, als je daar bij de aarde bent, in zo'n bol, de emoties van de mensen aan te voelen en te ondergaan?' 'Jawel, je mag die emoties wel voelen, maar het gevaar bestaat datje meegetrokken wordt. En dat je daardoor verkeerde adviezen gaat geven. Dat je het dus verkeerd gaat doen. Je wordt dan gewoon meegesleurd door hun mentaliteit, en het gevaar dreigt dat je dan weer hetzelfde foutieve opbouwt dat er geweest is. Datje teveel aards gaat denken.' 'Maar volgens de Meesters heb jij het er goed afgebracht. En wat gebeurt er dan?'
'Ik kom op de plaats van zo'n ... uh ... Meester. En een van die Meesters verlaat zijn plaats en gaat terug. Dat wil zeggen, die gaat door het "dunne gordijn" heen.' 'En wat houdt dat in?'
'Ja, het gaat eigenlijk om het omhulsel. Je kunt dat het beste vergelijken met een luchtbel onder water die opstijgt naar de oppervlakte. En de lucht gaat er daar uit. Nou, zo verloopt dat proces van teruggaan door het "dunne gordijn" ook. Je projecteert jezelf naar "de rand" van die werkelijkheid, die planeet, en doordat je op die rand bent, gaat daar je fijnstoffelijke lichaam open, en dan ga je eruit. Als een erwt uit een peul. Je ziel verlaat dan dat omhulsel,' zegt Chiltar. 'En wat houdt dat in, je ziel? Wat is dat daar en waar bestaat die uit?' 'In dit leven heb ik wel een IK. Maar het is meer een groeps-ik. De groep die op dit moment op de planeet is, die heeft één IK. En op het moment datje uitje omhulsel gaat...' Ze gaat ineens niet verder.
'Dan krijg jij je persoonlijke IK weer terug?' vraag ik daarom. 'Nee. Dat heb je. Maar dat IK is niet meer zo sterk, door die samensmelting met het IK van die gemeenschap van de planeet ... Ik moet er zelf eerst uitgaan, denk ik. Door dat te ervaren, zal het gemakkelijker zijn om het uit te leggen.'
'Ga dan! Tijd is er niet,' zeg ik. 'Je bent nu zo'n Meester geworden en ik neem aan datje daar een taak krijgt. Wat voor taak is dat?'
'Nou, er is weer zo'n entiteit die daar teruggekomen is met de vervulling van zijn opdrachten om mensen te helpen of iets te doen op een andere planeet. Die hebben van tevoren het plan gekregen om dat te gaan doen, maar als ze ter plaatse komen, dan moet dat ook nog uitgewerkt worden. Nou, en daaraan werk ik dan mee, als adviseur en als Meester. Dat blijf ik doen, ook voor de aarde. En dat is mijn taak.
Ik blijf in de buizenplaneet, zoals jij hem noemt, totdat op een gegeven moment mijn beurt is gekomen om te gaan, omdat het daar voor mij is afgelopen. Ik weet gewoon dat er iemand terugkomt die ook zijn taak heeft volbracht, en dan ben ik degene die uit dat College van Meesters moet vertrekken. Je kunt het een doorschuifsysteem noemen.
Dan volgt er een bepaald proces. Ik neem afscheid van de anderen. Dus
13.179
het is duidelijk een andere wereld, waar ik heenga. En dan zonder ik me af, en door me daarop te concentreren, komt die overgang op een gegeven moment. Dan vindt er een verandering plaats. Ik heb dan toch het gevoel dat ik opstijg en aan de rand kom, waardoor mijn fijnstoffelijke omhulsel opengaat en oplost, zoals ik al eerder vertelde, IK, als entiteit, ga eruit en dan ben ik weer gewoon aan Gene Zijde, zal ik maar zeggen.'
'Dan ben je weer aan Gene Zijde?' roep ik verbaasd uit. 'Aha! Ja! En van daaruit reïncarneer je?'
'Nou? Ik weet niet... ik denk ...' Ze zwijgt, een beetje verbouwereerd. 'Ga daar eens naar toe. Volg die weg eens,' dring ik aan. 'Waar ik heenga? Naar het Licht'
antwoordt ze spontaan. 'Ja. Ik zit nu midden in het Licht. Heerlijk!' Ze is ineens verrukt. 'Aan Gene Zijde, hmm, daar is het zalig.' Ze slaakt een zucht van geluk.
'Ja? Ik ben er bijna, het is het nog niet helemaal,' gaat ze verder. 'Ik geloof dat IK
aan Gene Zijde ook een "hogere entiteit" of Gids word, maar dan van mensen die op aarde zijn overleden. Die existentie hiervoor, op de buizenplaneet, was er een van entiteiten die toch nog een bepaald lichaam hadden. En hier hebben ze geen lichaam. Het zijn gewoon zielen, die wachten op de volgende incarnatie, waarvoor de meesten weer een levensplan maken.'
'En daar ben jij nu ook een soort "Meester", zoals je dat op de buizenplaneet was?'
'Ja, maar alleen is dat nu net nog iets hoger.'
'Heb je het gevoel dat je daar ook, als "Meester", vanuit dat Licht nog terug moet naar de aarde om te reïncarneren?' Het is een beetje een arglistig vraagje.
'Ik weet niet of ik niet hoef, of dat ik geen zin heb, maar ... ik heb het idee dat het nog heel lang niet hoeft.'
'Ga dan eens zover, in een tijdloze actie, totdat er iets gebeurt waardoor je ervaart of dat wel of niet hoeft.' Ik voel me enigszins bezwaard, als ik dat vraag. 'Je bent een soort "Meester". Je bent in het Licht. Maar nog niet in het volmaakte Licht, zei je. Je moet verder evolueren. Wat gebeurt er nu?'
'Ja, ik heb het verschrikkelijke vermoeden dat ik toch nog een keertje terug moet. Maar dat is heel ver weg, dat duurt nog heel lang. Nog duizenden aardse jaren verder.'
'Ga eens naar die reïncarnatie toe, duizenden aardse jaren verder. Tijd en ruimte spelen geen rol, daar waar je nu bent. Ga naar de aarde, als je dat nog een keer moet. Dan kom je binnen tijd en ruimte. Je komt bij het punt dat je gaat reïncarneren, en dan begint die tocht. Is je vermoeden juist?'
'Nou, ik zie een tuin, en daar suis ik op af. Richting aarde. En ik zie daar een vrouw die in verwachting is. Dus dat zal dan mijn moeder wel zijn.
13.180
En het lijkt wel of ze me ziet. Ze kijkt in ieder geval op, alsof ze het voelt. Ik denk dat ze een veel sterker bewustzijn heeft dan de mensen in vroeger tijden. Ze kijkt op, zo van, "hallo!" Maar ik ben nog niet in het embryo gegaan, in haar baarmoeder.'
'Wat kun je dan vertellen over de situatie op aarde en over je levensplan?'
'Nou, die aarde ziet er schitterend uit. Heel mooi. Een vredige sfeer, als ik het zo aanvoel. Het is er totaal veranderd. Het is er nu heel rustig en harmonieus eigenlijk.'
'Zie je ook meer? Is ook jouw bewustzijn verruimd? Komt het wellicht ook daardoor dat je jouw moeder al herkent nog voor je in de baarmoeder bent? Omdat er meer bewustzijn is?' 'Ja, bij die moeder zeker. Dat is wel duidelijk.' 'En hoe ziet jouw levensplan eruit? Wat ga je zoal doen?' 'Ik heb geen flauw idee. Ik ben daar wat gezellig rond die moeder.' 'Welk jaar is het, in aardse tijd uitgedrukt? Je ziet de cijfers van het jaartal voor je. Je weet ze. Misschien worden ze wel weer voor je geschreven.'
'Nou het is niet zo heel veel verder in de tijd, zoals ik gedacht had. Ik zie namelijk een zes... en een één. En dat is vierduizend jaar na dat andere leven. Dat valt me tegen. Een zes en een één aan het begin. Daarna een nul en dan een twee. Het is het jaar 6102.'
'Kun je iets vertellen over het leven daar. Hoe de samenleving zich nu gedraagt.'
'Ik heb de indruk dat het ongeveer eenzelfde technologisch niveau is als waar we gebleven waren, maar dan verantwoord en volkomen gecontroleerd. En er is geen behoeftescheppende markt. Alleen wat nodig is en niet meer. Ook natuurlijke gaven worden niet vervangen door materiële middelen. Hoogstens worden de materiële middelen gemaakt om de natuurlijke gaven beter te kunnen gebruiken en te versterken. Ik bedoel eigenlijk spirituele gaven en de invloeden daarvan op het dagelijks leven.' 'En ben jij gelukkig in dat leven?'
'Ja, maar niet zoals hiervoor, toen ik een hogere entiteit was, in het Licht.' Ze lijkt hevig teleurgesteld.
'Dat kan ik me voorstellen. Het is een afdaling in het vlees. Een neergang in een grofstoffelijk lichaam,' zeg ik, met haar meelevend. 'Ik heb ook niet de indruk dat ik daar zin in had,' zegt ze nu. 'Maar ik moest wel, wilde ik nog hoger in het Licht komen.' 'Wat neem je om je heen waar?'
'Alleen het begin van dit leven, omdat het heerlijk en vredig is. En de sfeer die ik kan proeven. Maar wat er verder allemaal gebeurt ... ja, ik zie niks, ik hoor niks. Ik zie geen andere mensen.' Het klinkt onverschillig en ontevreden, een beetje bitter zelfs.
'Ik heb de indruk dat het komt doordat ik nog niet weet wat ik ga doen in dat leven.'
13.181
'Ga dan verder vooruit in de tijd, tot dat je een volwassen mens bent, dan weetje misschien meer.'
'En dan gebeurt er dus niks,' zegt ze. 'Ik ben nog steeds daar aan het zwerven, buiten het lichaam.' Nu wordt haar verzet pas goed duidelijk. Dat is niet bepaald een positieve instelling en zal haar, karmisch gezien, geen goed doen.
'Dan reïncarneer je nu in die foetus en je groeit op tot een volwassen persoonlijkheid,' instrueer ik haar, met nadruk. 'Je bent geboren.' 'Ik heb nog steeds geen lichaam, maar ik kan je wel vertellen wat ik zie. Ik zie wat mensen. En het is zonnig ...' Verder komt ze niet. 'Mis je het geluk van zo hoog in het Licht te zijn, is dat het?' 'Ik weet niet. Er is een enorme tegenzin. Ik wil gewoon niet.' 'Ga je tenslotte wel in de foetus?' is het enige wat ik nog vragen kan. 'Ik denk het wel ja.'
Het klinkt uitermate somber. 'Ik denk het, anders zou ik daar niet zijn. Het moet, dat weet ik, maar ik wil het niet.' 'Wat doe je? Kun je weigeren? Wil je mij dat vertellen?'
'Nou, wat het is. Ik heb de indruk dat ik uit woede, als ik erin moet, dat ik ... ik de hele boel omver schop. Dat het niet best zal zijn. Ik heb echt het idee dat, als het dan toch moet, dan zal ik er een gigantische puinhoop van maken.'
'Dat is niet verstandig van je, want dan moet je nog een keer terug, met alle nieuwkarma risico's van dien. Meer aardse levens.' 'Ja, maar dat interesseert me niet. Als het toch moet, dan moet het. Ik bedoel, dan moet het altijd, dus dan houdt het toch niet op.' Die bitterheid is niet normaal meer.
'Maar dat kind groeit in de moederschoot. En op een bepaald moment wordt het geboren, na negen maanden. Dan zul je toch een beslissing moeten nemen. Ook al voor het kind. Ga je erin of niet? Of ga je terug naar Gene Zijde, naar het Licht, om te protesteren?' Ik kan er niets aan doen, maar ik moet even lachen.
'Nee, ik kan niet terug,' zegt ze, nu ook halflachend, maar wel een beetje zuur.
'Dus je zit eigenlijk toch voor het blok,' constateer ik. 'Ja, maar als ik er niet in ga, dan kan ik ook niet terug naar Gene Zijde.'
'Dan blijf je zweven en zwerven op dat niveau.'
'Ja,' zegt ze vertwijfeld. 'Dan moet ik, denk ik, net zo lang wachten tot ik wel in een lichaam ga. Ja, wat een opstandigheid. Belachelijk.' 'Vind je het leven in een lichaam in het algemeen niet gelukkig? Zijn je herinneringen daaraan, bewust of onderbewust, niet zo erg positief?' 'Nee, ik denk het.'
'Maar het kan best een heel fantastisch en fijn leven worden,' merk ik op. Ze begint te lachen. 'Jij zou verkoper van levens moeten worden. Dat
13.182
wordt vast je werk.'
'Maar die moeder leeft door zonder te weten dat jij daar woedend rondzweeft, zich van niets bewust. En die is aan het einde van haar zwangerschap gekomen. Die brengt een kind ter wereld. Wat is het, een jongen of een meisje?' vraag ik listig.
'Een jongen,' zegt ze snuffend. 'Ook dat nog.' 'Zo! En wat doe je dan? Ben je erin?'
'Nee. Ik denk wel dat ik erin ga.'
'Dus ben je er met tegenzin ingegaan,' stel ik vast. 'En wat merkt die moeder daarvan?'
'Nou, dat ik knap vervelend ben. Ik jank de hele dag. Ja, ik ben niet de leukste die je je voor kunt stellen. Ik vind er gewoon niets aan, om het maar heel eerlijk te zeggen. Ik zit hier stom te doen met die blokjes bouwen en spelen. En allemaal van die stomme dingen. Dat heb ik al zo ontzettend veel keren gedaan. Ik heb er gewoon geen zin meer in,' moppert ze maar door. 'En je moet toch wat, want zo op je rug liggen, is ook maar niks.'
'Doe nou maar niet meer zo dwars,' adviseer ik haar.
'Ja, dat gebeurt ook wel, maar allemaal wat langzaam.'
'Voor je gevoel,' merk ik op. 'Want het gebeurt natuurlijk in een normaal tempo, zoals bij ieder kind.'
Ze zucht weer eens diep en mompelt iets onverstaanbaars. 'Ja, misschien wel.'
'En dan groei je op,' ga ik verder. 'Je hebt je weerstand toch overwonnen, want je moest wel. Dan word je volwassen.' Eindelijk lijkt het pleit gewonnen. 'Wat is er opmerkelijk aan die maatschappij van het jaar 6102?'
'Dat de samenleving harmonieus is. Dat is het meest opvallende. Ik heb ook de indruk dat er niets te beleven is, maar dat kan aan mijn instelling liggen.'
'Dat komt door jouw recalcitrantie, denk ik. Jouw negatieve instelling. En wat bedoel je met "niets te beleven"?'
'Ja, doordat het hier nu heel harmonieus is, is het ook heel monotoon. Het leven hier is saai. Er gebeurt niets.'
'Maar toen je in het Licht was, als een van de hogere entiteiten daar, was het leven toen minder monotoon? Viel er toen veel meer te beleven?' 'Ja. Dat is heel anders,'
antwoordt ze.
'Allicht, je bent naar een veel lager niveau afgedaald. Je voelde op dat hogere niveau een veel sterkere vorm van harmonie, geluk en liefde. Is het dat, wat je mist?'
'Ja, ik denk het.' Haar stem is nu kleurloos en gelaten. Er komt een gevoel van medelijden met haar bij mij naar boven. 'Toen je naar dit leven op aarde ging, wist je toen of het je laatste leven hier zou worden, je laatste leven van de totale cyclus op het aardse plan?
13.183
Of wist je, want dat kon je weten, of het er meer zouden worden? En als jij je in dit leven zo dwars blijft opstellen, dan bouw je weer een stevig karma op. Ik zeg het je nog maar eens.'
'Ja, dan volgen er nog een heleboel meer,' gooit ze er tussen. 'Maar het is een weerstand die ik gewoon niet kan overwinnen. Dus ik denk dat er weer een flink aantal volgende levens komen. Met zo’n instelling ben ik ook hierheen gegaan. Zo van, nou ja, als het dan moet, dan zal het maar weer flink moeten. Het is echt heel verschrikkelijk.' Ze is nu agressief en lacht tegelijk.
'Heel verschrikkelijk,' herhaal ik. 'Wat versta jij daaronder?' 'Nou, van mezelf. Ik kan er nu om lachen, want ik denk, doe normaal. Het is heel stom, want ik probeer het nu echt, maar dat lukt niet zo gemakkelijk.'
'Zo sterk is die weerstand?' Het is haast niet te geloven, moet ik mijzelf bekennen.
'Ja,' zegt ze. 'Het is heel typisch.' Is dit de fase van de machteloze zelfkritiek, vraag ik mij af.
'Je bent een jongeman, nietwaar. Hoe heet je?'
'Pamda. In ieder geval zijn het twee lettergrepen en zo klinkt het.'
En wat voor werk doe je daar nu, Pamda?'
'Ik ben een soort computerdeskundige.'
Einde sessie.
De volgende maandagse experimentenavond zal ze me vertellen, dat ze drie dagen lang zwaar de pest erin heeft gehad. Door het vooruitzicht om in het jaar 6102, als hogere entiteit, vanuit het Licht, toch weer terug te moeten keren naar de aarde, gekluisterd aan een aards lichaam. Kortom, weer te moeten reïncarneren als een gewoon mens. Met alle aardse ongemakken en problemen.
13.184
14
Chiltar's derde verkenning
'Knowledge is real y nothing but experience' Albert Einstein
Al eerder heeft de aarde in haar bestaan een andere balans moeten zoeken en is de stand van de aardas, dat wil zeggen de hoek die deze maakt ten opzichte van het vlak der ecliptica, gewijzigd. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de beide polen ooit op andere plaatsen op aarde moeten hebben gelegen. En dat moet dan weer gepaard zijn gegaan met plotselinge, enorme en krachtige veranderingen van het aardoppervlak. Daarbij hebben zich grote klimaatwisselingen voorgedaan en zijn koude streken warm geworden en omgekeerd.
Het roodgloeiend hete, bijna vloeibare, zware magma in het binnenste van de aardbol zoekt steeds zelf een stand waarin evenwicht wordt gevonden en waarbij de aardas zijn positie ten opzichte van het denkbeeldige vlak, waarin de planeten van ons zonnestelsel zich bevinden, kan handhaven. Als er nu door de negatieve invloeden van de mens op het milieu, de onderlinge vijandschap en de materiële hebzucht, maar vooral ook door de ondergrondse kernproeven, met name die in het Noordpoolgebied, een onbalans in het magma ontstaat, herhaalt de geschiedenis zich onomkeerbaar.
Die onbalans is bezig te ontstaan; sterker nog, die is er al. De aardas tolt reeds, zoals de geleerden hebben kunnen meten en vaststellen. Dit heeft het effect van een tol die op omvallen staat. Het punt van de Noordpool beschrijft nu nog een relatief kleine cirkel, maar het is niettemin een afwijking van de stabiliteit van de aardas. Als het magma op grote schaal verder in beweging komt en gaat verschuiven en opnieuw evenwicht moet zoeken, door zware nucleaire schokgolven en voortdurende trillingen met een hoge frequentie en kracht, vindt er een ongelooflijke calamiteit plaats. De gehele bovenlaag van de aardkorst, de lithosfeer, komt in beweging en het aangezicht van de aarde zal ingrijpend veranderen. Vele vulkanen komen tegelijkertijd tot uitbarsting en versterken de catastrofe. Honderden meters hoge, alles vernietigende vloedgolven zullen het land overstromen, alles met zich meesleurend. Een apocalyptische nachtmerrie zal werkelijkheid worden. De ondergang, zoals die van Atlantis circa 12.000 jaar geleden, zal zich herhalen met een geweldige 'zondvloed'.
De mens is daarvoor zelf weer verantwoordelijk, heeft het zelf veroorzaakt, zonder nadenken, puur uit eigenbelang, angst en zucht naar
14-185
macht.
En zoals Chiltar het reeds voorzag, gaat het gebeuren. Tenzij...
Woensdagavond, 27 juli 1983
Weer ongeveer één jaar en vijf maanden later gaat dezelfde proefpersoon/progressante voor de derde verkenning van de geest in trance, op weg naar de fijnstoffelijke 'buizenplaneet' en vandaar als Chiltar, in een zilveren bol, naar de ongelukkige, 'omgeploegde' planeet aarde. Tijdens deze verkenning komt Chiltar eigenlijk pas goed tot het besef van de volle omvang van de alles verwoestende catastrofe die de aarde heeft getroffen.
'Wat zie je, wat gebeurt er?' vraag ik haar, nadat alle voorbereidingen zijn voltooid en alle instructies zijn gegeven. En wat er volgt is eigenlijk een negatieve apotheose van Chiltar's eerdere verkenningen, ik zie een bol,' antwoordt ze. 'Het lijkt de aarde. En daarbij lijken heel grote armen te staan. Met een soort straling omsluiten ze de planeet. Het is net een "globe", het is de aarde, die ik zie. Die hangt ergens in een heel grote ruimte.'
'Wat is de bedoeling daarvan?'
'Volgens mij zit ik weer in dat ruimteschip, zo'n vliegende bol, met een open voorkant van een soort glas. Dus daar kun je doorheen kijken. En die armen zijn banen van straling, een soort richtingaanwijzer die aangeeft waar je heen gaat, naar welke planeet. En dit is de baan naar de aarde. Ik beweeg me in die bol naar de aarde, door middel van een automatische besturing. Een soort automatische piloot. Het gaat vanzelf, daarheen. Het is verder een lege bol. Er is wel een stoelvorm in. Tenminste, als je wilt gaan zitten, dan zitje.
Ik zie nu een heel dichte mist, met allemaal kleuren bruin en geel. Ik weet niet of er nog iemand bij me is. Ik zie niets, maar ik voel me niet alleen. Ik zie mezelf ook niet.'
'Probeer eens naar jezelf te kijken? Wat zie je dan?' vraag ik haar. 'Volgens mij heb ik niet echt een vorm. Het zal wel zoiets zijn, maar niet iets met een vaste vorm.'
'Toch neem je de binnenkant van die bol waar. Beweegt die zich door de ruimte?
Weetje dat, zie je dat?'
'Nee, dat vertel ik gewoon, omdat ik naar de aarde ga. Dat weet ik, omdat ik die zie door dat raam. Ik zie de omvang van de aardbol. Voor details ben ik er nog te ver vandaan.' 'Voel je datje grote snelheid hebt?'
'Nou, ik voel helemaal geen snelheid. Ik denk wel dat ik met grote snelheid zal gaan. Snelheid, ja? Dat is geen begrip hier. Het lijkt alsof je stilstaat, maar je komt er wel. Ik zie de aarde steeds dichter naar me toe
14.186
komen.'
'Breng eens verslag uit van alles datje ziet?'
Er volgt een lange stilte. Ten slotte zegt ze: 'Ik zit te kijken. Ja, het lijkt net alsof ik in een krater terechtkom. Een heel diepe "kuil", ook heel breed. En er staan allemaal... ja ... het lijken wel versteende mensjes. Ze bewegen niet meer. Het lijkt me een plotselinge uitbarsting ergens van, of iets dat erop gevallen is. Iets vanuit de aarde of vanuit de lucht. Ja, een bom of zoiets. Het zijn er niet veel, maar er zo rond omheen lijkt het net alsof er allemaal mensen versteend zijn. Niet zomaar stilstaand, maar echt van steen. Onbeweeglijk, in allerlei vreemde houdingen.' 'Wat doe jij daar?'
'In het midden van die krater is een blubbermassa. Het is allemaal heel zanderig, heel geel, stoffig. Die blubber lijkt niet gewoon. Het lijkt een hele dikke brij, maar niet van zand en water. Misschien heeft het wel iets met vuur te maken,' zegt ze peinzend. 'Gesmolten gesteente bijvoorbeeld. Een kern van intense hitte.' 'Gloeit die blubber?'
'Eerst leek het net of de massa in beweging was. Een kolkende draaibe-weging.'
'En wat doe jij?'
'Wacht even, hoor,' zegt ze nu. 'Ik ben in een of andere heel donkere gang.'
'Met die bol waar je in zit?'
'Nee,volgens mij niet.'
'Ben je dan uit de bol gegaan?'
'Dat weet ik nog niet precies. Ik moet even kijken. Ik had eerst de indruk dat ik met de bol in die krater ging, naar beneden, door die blubbermassa heen. Ja, en dan zie ik lange gangen, onder de grond, gangen van steen, of één gang dan, hè. Nou, het is heel raar. Daar komen opeens mensen door aangelopen. En ik snap niet waar die zo plotseling vandaan komen. Ik weet niet of dat ook dezelfde gang is. Ik beweeg me zo snel door alle grove materie heen.'
'Breng er eens wat systeem in,' stel ik haar voor. 'Ben je met een bepaalde opdracht naar de aarde gegaan?'
'Ja, ik denk het wel. Ik heb het gevoel dat er een atoombom is ontploft. Misschien moet ik daar gaan kijken wat de gevolgen zijn, wat er van de omgeving over is. Het is in ieder geval een hevige ontploffing geweest. Het hele land is verwoest, dat is duidelijk. Er staat niks meer. Het is alleen nog maar woestijn. Ik denk dat het in Zuid-Amerika is. En dat is voor een groot gedeelte totaal verwoest. Zeker voor de helft of voor een kwart. Ik kan het niet overzien.'
'Geef eens een beschrijving van watje daar duidelijk ziet?'
'Ja, het is haast allemaal geel zand en stof. En er zijn geen mensen meer. Tenminste, ik zie er bovengronds geen.'
14.187
'Zie je nog wel restanten van een samenleving?'
'Ja, zo her en der zie je een hoop zand die wat hoger uitsteekt, bedolven stadjes en dorpjes, maar er is ook veel dat, als je er tegenaan duwt, volkomen in elkaar zakt, helemaal tot stof verpulvert. Het is allemaal onsamenhangende stof geworden,' zegt ze stil. 'Het zijn de duidelijke tekenen van een atoomexplosie, of zoiets.'
'Wat kom jij daar doen? Ga eens wat verder op je tocht en beschrijf wat je allemaal tegenkomt?'
'Ik ben nu in een landschap met heel veel water. Heel veel riviertjes en beekjes doen eraan denken dat er een overstroming is geweest. Er is in ieder geval ook veel water tussen de gebergten. En alles wat vroeger heel diepe ravijnen waren, staat nu helemaal vol water. Het is echt ongelooflijk. Het stroomt als een bezetene. Het lijkt net alsof het land helemaal wegzakt in het water. Het wordt helemaal overstroomd, verzwolgen, en razendsnel.'
'Waar komt al dat water vandaan?' vraag ik ontsteld. 'Van de zee!' roept ze, vol ontzetting. 'Het is één geweldige overstroming. Heel erg. Een heel hoge vloedgolf. Enorm hoge golven, ongelooflijk! Tientallen en tientallen meters hoog. De gehele zee komt als een geweldige muur van water omhoog en stort zich op het land. En dat zakt!' Haar stem klink schril. 'Niet te geloven, honderden meters! En dan, daar tussen die bergen, zie ik ... die toppen ...' Ze komt er niet uit. 'Maar het water stijgt!
Het stijgt gewoon, het zeewater!' Ze schreeuwt het uit, aan een hevige emotie ten prooi. 'Je wordt er gewoon zeeziek van ... als je dat land zo weg ziet zakken. Het water stijgt en stijgt maar.' 'Is het één vloedgolf?' vraag ik met angstige stem. 'Nee. Het water stroomt niet meer weg. De hoogten van water en land zijn blijvend gewisseld. En er is natuurlijk niets meer. Geen mensen te zien ... Ja, die waren er wel.' 'Zag je die?'
'Ja, rennen! Maar dat hielp natuurlijk niet. Die verdrinken allemaal. Het is een enorme paniek, maar er is niets aan te doen. Verschrikkelijk! Het gaat heel snel. Dat zeewater komt omhoog en slaat met een kolossale klap neer, en weg is alles. En uh, het is een heel raar gezicht,' zegt ze met gedempte stem.
'En ongelooflijk hoog is die zee. Ik zie dat water hoger en hoger komen.'
'En waar ben jij?' vraag ik zacht.
'Ik hang ergens in de lucht, toe te kijken, en ik blijf gebiologeerd dat water volgen.'
is dit nog steeds in Zuid-Amerika?'
ik weet niet waar dit is. Het leek in eerste instantie van wel. Maar het kan ook wel. Ik zou beslist niet weten waar het anders moest zijn. En het is overal heel donker.'
14.188
'Was dat al zo toen je kwam?'
'Nee. Het stormt.' Dat komt er ineens uit. 'Maar ik kon niet verder,' zegt ze dan.
'Wat voor verband bestaat er tussen de storm en de duisternis?' 'Het is heel erg zwaar bewolkt, en de hele sfeer is nogal duister. En die storm is er tegelijk met de zee die omhoog komt. Het is één razernij. Alles komt tegelijk. En dan wordt dat land helemaal overspoeld. De sfeer is gewoon ondraaglijk. Die maakt het ook zo donker. Maar er zal ook wel geen zon meer zijn. Ik zie smerige duisternis, een lucht vol vuil en onheil.'
'Wat doe je dan verder?'
'Nou, dit is een soort observatietocht,' antwoord ze. 'Waar kom je vandaan?'
'Ja? Uit de ruimte, maar ...?' Verder gaat ze niet.
'Waar heb je de bol gelaten waarin je gekomen bent?'
'Ja, die is er gewoon. Ik weet ook niet precies of ik daar nu inzit, of dat die komt als ik hem nodig heb. Ik vind het een heel apart ding, mag ik wel zeggen.'
'Kun je hem laten volgen?'
'Ja. Zo van, nou, die doet gewoon wat ik wil. Het is een bepaalde vorm van omhulsel voor mij.'
'Wat neem je nog allemaal meer waar? Is de gehele aarde totaal verwoest of zie je ook nog delen waar het niet zo erg is?' 'Nou, ik zit te denken dat het aan de andere kant wel meevalt, maar dat zal toch wel niet zo zijn. Azië ...? Heel even kijken.' 'Wat bedoel je? Je mompelt Azië.'
'Ja, daar zie ik niks. Maar dat betekent niet, dat daar niks gebeurd is. Het geweld zal daar ook wel zijn uitwerking niet gemist hebben. Ik zie het allemaal heel afstandelijk. Ik zie van alles gebeuren, maar ik weet helemaal niet waar precies.'
'Ga eens iets vooruit in je hele actie, om te zien wat er dan gebeurt, zodat de hele situatie je wat duidelijker wordt.'
'Er zijn allemaal natuurrampen, dat is duidelijk. Dat is het dus, de gehele aarde staat op zijn kop.'
'Maar waardoor is dat veroorzaakt? Natuurrampen, zegje.' 'Ja!' benadrukt ze.
'Is er geen mensenhand in het spel?'
'Dat is natuurlijk wel het ontstaan van al die natuurrampen. De mens heeft dat veroorzaakt. Het is het gevolg van de inmenging van de mens in de natuur. Dus overal zijn torenhoge vloedgolven en ontzettende overstromingen. En woestijnen van geel zand uit de oceanen, en wat al niet meer. Maar waar en wanneer wat precies gebeurt, dat weet ik ook niet.' 'Onderzoek dat dan eens, want ik denk dat het tot je opdracht behoort. Ga eens zo ver vooruit, totdat dit je allemaal duidelijker wordt. Ben je
14.189
dichter naar de mensen toe gegaan?'
'Het lijkt alsof de aarde helemaal niet meer bewoond is. Ik geloof wel dat er nog mensen zullen zijn, maar dat ik ze niet zie komt doordat het zo'n enorme chaos is. En dat laatste is eigenlijk het enige dat er te zien
is.'
'Komt het wellicht doordatje nog te ver van de aarde verwijderd bent, en je meer het totaal overziet dan gedeelten dichterbij?'
'Ja, misschien wel.'
'Durf je niet dichterbij te gaan?'
ik heb nu het idee dat het niet hoeft. Maar het kan wel. Er is constant beweging van water en land. En het is nog steeds zo donker.' Heb je enig idee waardoor die natuurrampen zijn ontstaan, zo massaal? Wat de mensen precies hebben gedaan?
Als gevolg van wat?' 'Nee. Behalve dan wat er bekend is. Nucleaire toestanden, vervuiling, alles weghalen wat de natuur maar te bieden heeft. Het klimaat veranderen en beïnvloeden, en noem maar op. En dan raakt de hele balans zoek. Er is geen evenwicht meer. En, ja, dan komt er een denderende klap. De natuur, de aarde slaat terug, en dan ... nou, dat weten we nu.' is de aarde getuimeld?' vraag ik bezorgd.
'Ja, het ziet ernaar uit dat de hele aarde zelf aan het schudden is. Dat de aardas heen en weer schudt en aan het tollen raakt. Zo ziet het eruit. Maar dan denk ik daarbij, zo van, "waar ik kijk", zover ik zien kan.' 'Kun je het Himalaya-gebergte zien?' Het hoogste bergmassief op aarde.
'Ja,' zegt ze. 'Dat zakt ook helemaal weg. Het is inderdaad net zo'n schudbeweging, heen en weer, in een ellipsvormige beweging.' Ze zegt het als in gedachten.
'Hele aardplaten verschuiven en veroorzaken nieuwe opeenhopingen van gesteenten. En ik heb het idee dat de zon niet meer schijnt. Ja, hij zal wel schijnen, maar er zit zo'n ontzettende hoeveelheid stof en rotzooi in de lucht, dat er niet zoveel zonlicht meer doorheen komt. Stof en vuil, omhoog geblazen door dat schudden terwijl de aarde ronddraait, en door die ontzettende storm.' 'Zie je nog delen van Europa?'
'Het is niet zo heel duidelijk wat nou Europa is en wat niet. Maar wat ik nu waarneem, zijn niet duidelijk de bekende, markante lijnen daarvan. Ik zie uitgestrekte vlakten met water en puin. Er zijn toch ook nog wel bossen die overeind staan, lijkt het zo nu en dan. Die op een of andere manier toch gespaard zijn gebleven, nog zijn blijven staan, ergens in het midden. Het lijkt Noorwegen, Zweden, daarboven, Lapland, Finland en Rusland. Nou, die hoek daar, die ziet er groen uit.' 'Heb je de indruk dat daar grote veranderingen hebben plaatsgevonden, of niet?'
'Het lijkt vrij ongerept, maar ...? Maar het is gewoon een zootje. Nou,
14.190
en dat duurt zo wel even voort, hè. Voordat het weer gekalmeerd is allemaal ... duurt het vanzelfsprekend wel jaren.' 'Maar wat bedoel je met gekalmeerd?'
'Nou, voordat alle stof in de atmosfeer weer naar beneden gedwarreld is, en alle rivieren weer gaan lopen zoals ze lopen moeten, zij het in heel andere richtingen. Dus dat blijft jaren en jaren aan het veranderen.' 'En is er enig teken van leven te ontdekken?'
'Ik heb de indruk dat er nog wel mensen zijn die onder de grond geleefd hebben, al die tijd. Ik moet aan Atlantiër denken. Die zo voorzichtig aan eens naar boven komen kruipen uit hun ondergrondse huizen als bolvormige decompressiekamers.'
'En al die tijd ben jij daar, en observeert?' 'Ja,' antwoordt ze.
'Ben je zuiver onstoffelijke geest of heb je toch een bepaalde fijnstoffelijke gestalte?'
'Nee, ik ben niet "geest, als in een geest", maar ik heb die bol dus, waar ik inzit. Maar wat ik dan wel ben, is niet waarneembaar voor mensen op aarde.'
'En voor jezelf?'
'Ja. Ik heb het gevoel van wel, maar ik zou niet kunnen zeggen hoe. Wel een bepaalde substantie, fijnstoffelijk, maar ...' Ze aarzelt even. '.. .geen menselijke gestalte,' vul ik aan. 'Nee,' bevestigt ze.
'Heb je wel het volledige perceptievermogen, zoals van een mens, of wellicht nog meer?' 'Nou, ik neem waar.'
'Kun je iets horen? Hoor je het geraas en gedonder van al dat gesteente dat neerstort of in elkaar zakt, de gierende storm en het water dat overal neerkletst?'
'Nou, niet bewust, maar ik kan me daar wel een voorstelling van maken. Ik neem waar,' zegt ze nogmaals. 'Het is gewoon zo, het hoort erbij. Maar ik weet niet of ik het echt hoor. Ik heb geen "oren", denk ik.' 'Ja, maar horen kan ook langs een zuiver spirituele weg,' merk ik op. 'Ja. Dat bedoel ik met waarnemen. Maar voor het echt
"horen" van geluid heb ik geen zintuigen.'
'Niet het geluid van al het geweld waarmee deze grote veranderingen plaatsvinden?' dring ik nog eens aan.
'Nee. Ik denk dat ik het alleen maar zie.'
'Is er nog iets van steden, of restanten daarvan, te ontdekken?'
'Ja, er zijn overal ruïnes. Er zal nog wel wat staan, hoor, maar ik zie het allemaal van zo ver weg.'
'Ga toch eens wat dichter bij de aarde. Of kan dat niet?' 'Ja, ik probeer het de hele tijd. Maar dan zie ik alleen van die zandhopen. En het is een heel trieste situatie voor de mensen die nog over zijn.
14.191
Die moeten weer een totaal nieuw leven beginnen. Dat doen ze dan ook wel.'
'Heb je enig idee, als je daar zo ronddwaalt, en ik neem aan dat je dat doet, hoeveel mensen er van de totale wereldbevolking zijn overgebleven? Een hoeveelste gedeelte, ruw geschat?'
'Nou? Ja? Ik kan wel zeggen, haast niets. Maar dat is natuurlijk heel relatief. Er zijn kleine stammen of groepen van hooguit een paar honderd man, die rondtrekken. Groepen die overal verspreid zijn. Ja, misschien zijn het er wel duizenden. Maar er zijn geen miljarden mensen meer. Het leven op aarde begint, als het ware, weer helemaal opnieuw.' 'Wat treft je het meest van deze hele catastrofe?'
'Een bepaald gevoel van kwaad zijn. Zo van, het is jullie eigen schuld, hè. Stelletje stomme honden! Het is dan wel heel triest en ellendig, maar je ziet al talloze tekenen, waardoor iedereen wist dat het moest gebeuren. Of kon weten dat het ging gebeuren. Nou, en dan gebeurt het dus. En dat geeft een gevoel van, ja, dat het wel heel beroerd is, natuurlijk, maar ...' Ze maakt het niet verder af. Maar ik weet wel wat ze wil zeggen. 'Dat is maar zacht uitgedrukt, als ik het allemaal zo hoor,' reageer ik op haar commentaar. 'Hoe is het aangezicht van de aarde nu?' 'Gewoon chaos, hè.'
is er nog iets te ontdekken van de oude structuur van oceanen en continenten?'
'Nee. Dat is allemaal door elkaar gegooid. Dat is een totaal ander beeld van de wereldlandkaart. Geen mooi Europa of mooi Amerika meer. Dat is allemaal veranderd.' 'En de Noord-en Zuidpool?'
'Volgens mij staan die een beetje scheef. Het noorden is meer naar het oosten gedraaid. En dus het zuiden naar het westen. In die stand.' 'Dus het is toch zo dat de aarde een flinke tuimeling gemaakt heeft,' constateer ik.
'Ja, maar niet iets van negentig graden, hoor. Ik denk dat de aardbol ongeveer vijf en veertig graden gekanteld is. Misschien iets minder. En dan wordt alles vanzelfsprekend anders. Ja, het is een trieste zaak.' 'En blijf jij daar maar?'
'Volgens mij ga ik weer terug naar waar ik vandaan kom. En dat is een soort
"ruimteschip" met allemaal "armen" eraan.' Ze is zich niet erg bewust van haar vorige reizen, op dit moment tenminste. 'Van die "zuig-dingen",' zegt ze nog. 'Heb je een naam?'
'Ja, Chiltar. Dat komt zo op me af. Maar het lijkt gewoon anders dan ... Ik geloof wel dat het dat bestaan is, maar dan een heel ander gedeelte daarvan.'
'Je bedoelt, een heel ander gedeelte van je existentie als Chiltar?'
'Ja,' zegt ze, nu heel rustig. 'Toen zag je ook aan de kusten van Zuid-
14.192
Amerika overal puin liggen.'
'Nou, misschien is het toch wel daarvoor. Ik weet het ook niet.'
'En je komt bij, wat je noemt, een ruimteschip met allemaal van die zuig-monden?'
'Ja. Een soort station met allemaal van die buizen eraan. Die zuigen de bollen aan, langs de straalbanen.' Ze zucht eens diep. Ze lijkt niet in zo'n blijmoedige stemming.
'Nou, ik ga er weer uit. Dan kom ik op dat ruimteschip, en dat is ook weer een wereldje apart. Je zou het "planeet" kunnen noemen, met een beetje goede wil.' 'Is die zo groot?
'Nee. Veel kleiner dan de aarde. Het lijkt erop dat hij helemaal kunstmatig is gemaakt. Maar het kan best een planeet zijn, ik weet het niet. In ieder geval kun je hem niet vanuit de aarde zien.'
'En, informeer nou eens. Is deze verkenningstocht de eerste van de drie, die je tot nu toe gemaakt hebt, of is het de laatste?' 'Ik denk dat het de eerste tocht is. En dat ik dan later terugga, als alles een beetje gekalmeerd is. Volgens mij is het zó.'
'Ben je geschrokken van wat je op aarde gezien hebt? Je leek zo ontredderd.'
'Ja? Geschrokken? Het is bepaald niet leuk, maar ja, het verbaast me gewoon niet. Maar het is wel een gek gezicht.'
'En juist daarom vind ik het zo belangrijk datje er zoveel mogelijk over vertelt.'
'Er valt niet veel meer over te vertellen. Alles staat te schudden. De aarde draait met horten en stoten, slingerend rond zijn as. En die as tolt behoorlijk. Ja, dan kun je je wel voorstellen wat er gebeurt. Alles zakt als een kaartenhuis in elkaar en wordt door elkaar gesmeten. Niets blijft er overeind staan. Het hele vertrouwde beeld van het aardoppervlak verandert volledig. Hier zakt land weg en daar komt nieuw land omhoog. De oceanen smijten ongelooflijke hoeveelheden geel zand op de continenten. De aardschollen botsen en dringen tegen elkaar op, zodat nieuwe bergmassieven ontstaan. Ook nieuwe zeeën en oceanen, en noem maar op. Een volledig nieuw beeld, een andere wereldkaart ontstaat. Alles stort in. En stof omhult de aardbol en blijft in de dampkring hangen. En daardoor is het zo duister. En de mensheid wordt in groten getale uitgeroeid.'
'Heb je enig idee, vanuit je existentie daar, in de bol, wat er met al die zielen gebeurt die overgaan naar Gene Zijde? Draag je daar kennis over? Heb je daar contact mee?'
'Ja. Wel een overzicht. Zo van, nou, die staan al weer te trappelen om terug te keren, om er nu iets beters van te maken. Maar ja, het ontbreekt er aan lichamen.'
'De geschiedenis herhaalt zich,' merk ik op.
14.193
'Ja, daarom,' zegt ze. 'Je moet maar hopen dat ze er iets beters van zullen maken.'
'En dat niet alleen. Bij de eerste incarnaties op aarde ontbrak het ook aan lichamen. Weetje nu volkomen zeker hoe je naam is?' vraag ik voor alle zekerheid nog eens.
'Ja,Chiltar.'
'We hadden trouwens ook aan het begin afgesproken, datje naar de aarde zou gaan in een vroeger stadium. Weetje dat nog?' 'Ja.' Ze knikt.
'Dan kom je daar aan bij "jouw planeet" en ben je vastgezogen aan zo'n buis. Wat doe je dan?' Het blijft stil en ik vraag verder: 'Je zei, ik heb een overzicht van al degenen die staan te trappelen om weer in het vlees te gaan.'
'Maar dat is heel ergens anders,' reageert ze nu. 'Dat is hier niet.' 'Nee. Dat begrijp ik. Maar kon je dat vanuit de buizenplaneet waarnemen?'
'Ik weet niet of ik daar aan Gene Zijde was,' zegt ze terughoudend. 'Ik kon dat zien, toen je het vroeg. Maar van waaruit, ja, dat wist ik niet. Ja, wel in de hoedanigheid van Chiltar. Maar ik heb de idee dat ik op een of andere manier die informatie al had. Maar niet helemaal. We gingen natuurlijk naar de aarde, omdat het bij ons bekend was dat die catastrofe zou plaatsvinden. Maar de informatie was niet in detail bekend. Ik ging erheen om het allemaal van dichtbij mee te maken en om enigszins te peilen hoe de situatie daar zou worden. En ik denk dat naar aanleiding daarvan weer nieuwe plannen gemaakt worden voor de volgende tocht.' 'Ben je de enige die in zo'n vliegende bol deze calamiteit is gaan bekijken?'
'Nee! Ik denk dat er een heleboel daar zijn geweest.' 'En waarom deden jullie dat?'
'Om de situatie in ogenschouw te nemen. Daarna gaan we toch weer terug. Dan is het nuttig om te weten hoe alles erbij ligt, en wat daar precies aan de hand is. Nou, en dat is nu gebeurd.'
'Hoe voel jij je, na dit alles? Of is het begrip gevoel, in je existentie als Chiltar, niet bekend?' 'Jawel, natuurlijk is er gevoel.' 'En het begrip liefde, ken je dat?'
'Ja, maar die liefde is gericht op alles en iedereen. En die bepaalt zich tot veel meer dan alleen de aarde. Bijvoorbeeld tot entiteiten die niet op de aarde zijn, leven op andere planeten en alles wat erbij hoort. In het algemeen, tot een veel groter gedeelte van de kosmos. Ook tot andere planeten van het Zonnestelsel, waartoe de aarde behoort. Maar die heb ik niet bezocht. Alleen nog maar de aarde.'
'Ben je nog pas korte tijd op die planeet, als Chiltar? Of is het begrip tijd niet bekend?'
14.194
'Nee. Tijd is daar niet. En ik denk dat ik daar pas kort ben.' 'En dan? Ga je dan uit voor je volgende tocht?' 'Ja. Voor langere duur.'
'Hoe zie je eruit? Wat voor een gestalte heb je? Kun je die nu beschrijven?'
'Nou, als ik aan mezelf denk als een mens, dan zie ik mezelf als een mens. En als ik mezelf zie als een hond, dan zie ik ook een hond,' antwoordt ze.
'Aha! Je kent dus het fenomeen van het scheppen van je eigen werkelijkheid.'
'Ja. Gewoon door projectie. Als je wilt dat het "zus of zo" is, dan is het "zus of zo".'
'Wat ook aan Gene Zijde mogelijk is, na de aardse dood,' merk ik op. 'En zelfs ook nog op de aarde, als je maar weet hoe je dat moet doen,' voeg ik eraan toe. Plotseling zegt ze: 'Al sinds ik begon met deze derde progressie, zit er een band om mijn hoofd en heb ik een heel sterk gevoel van irritatie, en ook pijn in mijn kop.'
Daarom beëindigen we hier de sessie.
'Stelletje stomme honden!' Zo kwalificeert mijn progressante de mensheid, hevig geïrriteerd. Ik denk dat de wereldcatastrofe en de beelden daarvan haar, als Chiltar onbewust emotioneler hebben aangepakt dan zij zich wil bekennen. En vermoedelijk wierpen nu ook bij haar de vreselijke gebeurtenissen hun schaduw vooruit, toen zij aan deze derde verkenningstocht begon.
Doemdenken? Nee, dit is geen kwestie van doemdenken. Dit is keiharde realiteit. Een onomkeerbare situatie. Natuurlijk blijft positief denken en doen nog steeds een goede zaak. Maar meer voor iedere persoonlijkheid zelf, en zijn of haar situatie in een toekomstig leven, dan voor deze aarde.
Trouwens, ik ben zeker niet de enige onderzoeker die in de eenentwintigste eeuw wereldwijde calamiteiten verwacht. Niet alleen Edgar Cayce, de wereldberoemde Amerikaanse 'profeet in trance', maakt in zijn sessies melding van komende grote wereldrampen. Ook Ruth Montgomery, Jeane Nixon en Dr. Chet B. Snow doen dat. En dan spreek ik nog niet van zieners uit vroegere tijden, zoals Nostradamus. De in 1945 overleden Edgar Cayce voorspelde al in de dertiger en veertiger jaren grote natuurrampen en omwentelingen op aarde in de tweede helft van de twintigste eeuw. Na het jaar 2000 zal er een verschuiving van de polen plaatsvinden, zodat streken waar nu koude of subtropische temperaturen heersen, een meer tropisch klimaat zullen krijgen. Een groot gedeelte van het noorden van Europa zal in een
'oogwenk' met
14.195
ijs overdekt worden. (Mary Ellen Carter, Edgar Cayce on Prophecy.)
In haar boek The World Before schrijft Ruth Montgomery, via 'automatisch schrift' op haar schrijfmachine, gestuurd door haar in 1971 overleden vriend en medium Arthur Ford en zijn gids Lily, eveneens over de verandering van de stand van de aardas. Deze apocalyptische catastrofe zal worden veroorzaakt door natuurkrachten. En de mens zal niet bij machten zijn die krachten tegen te houden. Derhalve moet deze ramp worden beschouwd als een zielreinigend proces.
Aardbevingen, zo schrijft zij, zullen de kust van de Pacific in de komende jaren in gevaar brengen. De San Andreas Fault zal desastreus splijten en laag gelegen land in zee doen verdwijnen. Een gedeelte van Californië zal echter gespaard blijven. Manhattan en enige andere delen van de oostkust, tot aan het noorden van Newfoundland, zullen in tact blijven tot aan het einde van deze eeuw, waarna zij zullen verdwijnen door de verandering van de stand van de aardas. Hetzelfde zal gebeuren met Hawaii, het grootste gedeelte van Japan en enige andere eilanden in de Pacific. Florida zal ook ernstig worden getroffen, maar Egypte zal het overleven, evenals het grootste gedeelte van het gebied rond de Middellandse Zee. Venetië, de koningin van de Adriatische Zee, zal geheel onder water verdwijnen. De Gobi-woestijn zal weer een vruchtbaar en bloeiend gebied worden, met een aangenaam klimaat.
Jeane Dixon, een bekend Amerikaans astrologe en helderziende, voorspelt in haar boek The Call to Glory voor 1999 een Derde Wereldoorlog, waarin de Russen een verraderlijke rol spelen. Zij zullen vanuit de Karpaten een regen van nucleaire wapens, als een holocaust, laten neerdalen op de Amerikaanse kuststeden, zowel in het oosten als in het westen, en ook op de steden van Europa. In het MiddenOosten zal een waar Armageddon losbarsten. Te midden van al dit geweld zullen de hevigste schokgolven de aarde treffen, een langdurige verduistering van zon en maan veroorzakend. Er zal angst zijn voor de overleving van de gehele mensheid ... en niet zonder reden.
Dr. Chet B. Snow is een leerling van de bekende klinisch psychologe, regressietherapeute en schrijfster Dr. Helen Wambach. Toen zij in 1985 overleed, zette hij haar wetenschappelijk, statistisch onderzoek voort en legde de resultaten daarvan vast in het in 1989 verschenen boek Mass Dreams of the Future. In totaal werden ongeveer 2500 proefpersonen onder trance in progressie gebracht, zowel in groepen als individueel. Deze progressies leveren een verbluffende kijk op toekomstige gebeurtenissen op onze planeet in
14.196
de komende 300 jaren.
Slechts vijf tot zeven procent van de proefpersonen beleefden rond het jaar 2100
een leven op aarde. De overige ca. vijf en negentig procent naar de eenentwintigste eeuw gezonden proefpersonen, hadden allemaal de indruk te zweven en zich licht en vrij te voelen. Dat wil zeggen dat zij aan Gene Zijde in de geest zijn en niet in een lichaam op aarde. Zelf ervoer Dr. Snow in 1984, onder leiding van Helen Wambach, een persoonlijke progressie, waarin hij in het jaar 2091 sterft. Na zijn overgang bracht hij verslag uit van wat hij heeft waargenomen. Hij zag een grote blauwgroene bol onder zich zweven en wist dat het de aarde was. Terwijl hij toekeek hoe deze zich langzaam draaide, verscheen de top van de wereld, de Noordelijke IJszee, omgeven door Canada en Siberië. Vervolgens zag hij de aarde grotendeels wit, met een ijskap en door wolken bedekt. Geleidelijk nam de zee een diepblauwe kleur aan en de Siberische landmassa werd groenblauw gevlekt zichtbaar, terwijl de aardbol zich verder draaide. Hij was zich op dat moment bewust dat hij naar de reeds voorspelde verschuiving van de polen keek.
Korte verkenning in de geest, tijdens een nucleaire oorlog Op een middag, om precies te zijn, op vrijdag, 21 augustus 1981, gebeurt er iets merkwaardigs, dat wel vaker voorkomt.
Ik ben bezig met een cliënt, die bij mij in therapie is voor het oplossen van zijn irrationele angst. Hij is in diepe trance en we hebben al een vorig leven onderzocht, waarin de hoofdoorzaak van zijn probleem ligt. Nadat we dit vorige leven
'therapeutisch' hebben afgesloten, geef ik hem een andere instructie, namelijk:
'Indien je nog een leven hebt geleefd, dat we nog niet onderzocht hebben, maar waarin een oorzaak ligt van je irrationele angst in je tegenwoordige leven als x, dan wil ik dat je onderbewustzijn je rechtstreeks door de tijd voert naar dat bedoelde leven en de kerngebeurtenissen daarin.' (Verdere instructies volgen nog.) Spontaan gaat hij in progressie en komt terecht in een toekomstig leven op aarde. Daarmee duidelijk aangevend dat tijd totaal geen rol speelt en dat toekomstige levens ook al de tegenwoordige levens mede kunnen beïnvloeden. En gedurende de vele jaren van mijn praktijk is hij niet de enige die daar blijk van geeft. De vraag rijst of hij dit fragment van een toekomstig leven op aarde visionair ziet of dat hij in de geest is, zonder aards lichaam dus. Vermoedelijk is hij al in de geest, dood, gesneuveld tijdens de oorlog.
Als ik vraag: 'Wat zie je, wat gebeurt er nu?' gaat hij met sombere stem en ogenschijnlijk heel flegmatiek door de progressie heen. 'Ik sta daar in het zand en ik zie opeens een toren,' antwoordt hij. 'Een hele rare toren. Het lijkt wel een van de middeleeuwse Franse kathedralen.
14.207
Maar ... dat kan toch niet,' zegt hij weifelend. 'Ik zie een tropisch landschap en palmbomen, met een stuk geel zand op de voorgrond, en wat begroeiing,' gaat hij verder. 'Op de achtergrond zie ik, in de verte, wat bomen en bossen, en die toren.'
'Ga eens wat verder vooruit naar een voor jou belangrijke gebeurtenis.' 'Ik ben alleen. Die toren is een ruïne. Ik loop nu door het zand, door de woestijn. Het zand is gesmolten.' 'Was het er zo heet?'
'Ja,' zegt hij. 'Maar nu niet meer. Dat is geweest. Ik ben helemaal alleen, en ik loop maar. Ik voel me niet eenzaam. Ik loop zomaar te kijken.'
'Te wandelen?' vraag ik. Maar hij reageert niet op mijn vraag. 'Ik zie een stalen trap, en een stalen cabine, daarboven. Er staat een man in, met een kaal hoofd en een witte jas aan. Ik weet niet of hij mij in de gaten heeft, maar ik blijf onderaan die trap staan. Hij draait zich om en kijkt naar mij. Hij heeft een bril op. Nu pakt hij iets. Hij wil niet dat ik die trap opkom, geloof ik. Die trap leidt naar de cabine, waarin hij staat. Die cabine is een onderdeel van een grote hal. Of een soort hangar, een stalen constructie.'
'Weetje zeker dat het geen voertuig is?'
'Nee, geen voertuig. Het is een gebouw, een loods. Die man pakt iets en hij wijst ermee naar mij. Er schiet wat uit. Het lijkt wel een lichtstraal. Een laserstraal misschien.' 'En wat gebeurt er dan?'
'Die straal gaat vlak langs mij heen en raakt een stalen bint ergens. Die smelt half.'
'Hij wil je duidelijk maken: "tot hier en niet verder".' 'Ja, die indruk had ik ook al.'
'Wat is het belangrijke daarvan in dat leven? En wat gebeurt er verder?' 'Ik ontwijk dat schot.' Maar ik denk dat het raak was en dat het zijn aardse dood betekende. Hij wil of kan zich dat niet bewust maken. 'En daarna?' vraag ik mijn progressant.
'Hij schiet niet meer. En ik ben opeens weer buiten. Het is allemaal zand ... Er staat een gek ding. Het lijkt op een kachelpijp. Nee, een vuurpijl of een raket op rupsbanden. Het ding ziet er goed uit. Maar ik weet dat het stuk is. Ja, het rijdt niet meer. En ik loop er een keer omheen. Er ligt ergens een stuk schotel, van een antenne.' Dan zucht hij diep. 'Weetje waar je bent? Heb je een indruk waar het is?'
'Ik heb de indruk dat het in Noord-Afrika is. Libië of Marokko, daar ergens. Ik weet niet ...'
'In welke tijd is het?' vraag ik nieuwsgierig.
'Nee, dat weet ik niet...' zegt hij, in eerste instantie.
'Wat gebeurt er dan met jou? Wat is er zo belangrijk voor jou, aan deze gebeurtenis?'
14.208
'Nou ja, er is iets gebeurd. Behalve die man die op mij schoot, zijn er niet veel mensen. Ik heb verder nog niemand gezien.' Dat is een veelvuldig voorkomend verschijnsel bij het in de geest 'kijken', na de dood op aarde.
'Ben je eenzaam?' vraag ik verder.
'Nee. Ik ben alleen, maar niet eenzaam. Ik probeer te achterhalen wat er nou eigenlijk aan de hand is.'
'En kom je erachter?'
'Dat weet ik niet,' antwoordt hij.
'Ga dan eens zover vooruit, tot dat je er wel achter komt. Wat is er aan de hand?'
'Oorlog!' zegt hij kort en bondig.
'Tussen wie en wie?' vraag ik daarop.
'Wie niet!' Het komt er nogal droog uit.
'Ja, zeg dat wel, wie niet. Maar in welke tijd is het dan?'
'NA NU!' Weer kortaf.
'In de toekomst?' vraag ik verbaasd, maar hij reageert weer niet op mijn vraag.
'Ik zie de zee ...' antwoordt hij, afwezig. 'Na nu. Hoeveel na nu?' dring ik aan. 'Niet zoveel na nu.' Dat zegt nog niet zoveel. 'Welk jaartal komt er in je op?'
'September 2018.' Dat jaartal is uiteraard onbetrouwbaar, maar geeft wel een indicatie. 'Maar dan is het wel gebeurd,' voegt hij er, met een diepe zucht, aan toe.
'Gebeurd met wat?'
'Met wat ik zag.' Hij blijft kort van stof.
'Gebeurd met wat? Met de wereld?' blijf ik aandringen.
'Dat weet ik niet. Maar waar ik was, daar is het toch altijd al leeg.' En ineens zegt hij: 'Ik zie weer die rare toren. En ook die cabine met die trap. Ik weet niet wat er gebeurt. Het ding ontploft opeens. Die man met die witte jas zat er nog in.'
'Die is dus dood,' zeg ik laconiek.
'Ik denk het wel. Maar ik niet.'
'Wat gebeurt er verder met jou?'
'Niets bijzonders. Ik maak het gewoon mee, vrij neutraal.' En weer volgt er een diepe zucht.
'Ga verder vooruit in de tijd. Kun je beschrijven wat er dan met je gebeurt? Is de wereld verlaten? Je omgeving verlaten?' 'Dat toch wel,' antwoordt mijn progressant.
'Ja, maar ook zonder dat. Die streek is leeg. Het verbaasd me dat die toren daar stond.' 'Loop je daar verloren?' Hij loopt bijna letterlijk met zijn ziel onder zijn arm.
'Het is ... ja ...?' Hij komt er niet uit.
'Blijf je nog lang in leven daar?' Het is een bewuste uitlokking van een
14.209
informatie over de toestand waarin hij existeert.
'Ik voel me goed.' Hij geeft feitelijk geen antwoord op mijn vraag. Hij is al dood, de aardse dood gestorven, maar is zich dat helemaal niet bewust. Waarschijnlijk door het plotselinge karakter van die dood. Dat sneuvelen in die oorlog.
'Waar kom je tenslotte terecht?' vraag ik verder. Maar hij komt voorlopig nergens terecht. Hij blijft daar maar rondzwerven, gefixeerd op de plaats en de manier, waarop hij is overleden, aan de aarde gebonden. 'Ik loop maar wat, tot ik iemand tegenkom,' antwoordt hij op mijn vraag.
'Hoe oud ben je?'
'Vijfendertig jaar.' De leeftijd, waarop hij plotseling sneuvelde. Onverwacht en onbewust. 'Heb je een verdwaasd gevoel over je?' 'Nee,' zegt hij,weer kortaf. 'Ben je op weg naar huis?' informeer ik. 'Nee!' Weer dat korte antwoord. 'Loopje maar wat in het wilde weg?'
'Ja. Om te zien hoe alles erbij ligt.' Dat heb ik iemand al eerder horen zeggen, in andere omstandigheden. 'Je bedoelt, door die oorlog?'
'Vermoedelijk, althans ... Ja, dat idee heb ik toch wel. Maar de streek is te leeg om echt veel gevolgen te zien. Alleen, het glas ... dat glas in het zand?' zegt hij, erg geïntrigeerd en peinzend.
Vermoedelijk heeft daar een atoomontploffing plaatsgevonden. Maar ik vraag:
'Misschien door de hitte van de laserstralen?' 'Nee,' zegt hij, 'het zijn grote plakkaten
...'
'Ja, maar kan dat niet komen, doordat die laserstralen daarop gericht zijn geweest?
En dat zand hebben doen smelten tot glas?' 'Hmm, het is over een te grote oppervlakte.' Voor lasers, wil hij zeggen. 'Ga daarheen waar je ten slotte terechtkomt. Wat zie je dan?' Er volgen heel diepe zuchten. 'Wat zie je dan?' houd ik aan.
'Ik zie een gebouw, en daar lopen twee mannen een ijzeren trap op die langs dat gebouw schuin omhoog gaat.' Daar heb je weer een trap. 'Boven is een soort platform met een deur ... Ze staan stil. Het lijkt wel een foto. Ze lopen niet, ze staan.'
'Laat ze eens gaan lopen. Ze bewegen zich,' instrueer ik hem. 'Het trekt aan je voorbij. Wat zie je dan allemaal gebeuren? Wat betekent dit?' 'Die mensen gaan die deur door, daar boven ...' 'En hoe voel jij je?'
'Neutraal,' antwoordt hij, ogenschijnlijk ongeëmotioneerd. 'Heb je geen honger?'
gaat het korte vraag-en-antwoordspel verder. 'Nee. Wel dorst ...' Een onbelichaamd gevoel, ontstaan door het lange door de woestijn sjouwen, en meegegaan in de geest, door de dood heen
14.210
naar Gene Zijde. 'Ga jij ook die trappen op?' 'Nee.' Verder zwijgen. 'Wat doe je dan?'
'Hmm, ik sta te kijken. Ze zijn naar binnen gegaan. De trap ... die valt eraf ... en die kerels, die zijn al binnen ... gelukkig. Ze kunnen er niet meer uit, denk ik. Het kan haast niet. Ze zijn er net nog overheen gelopen.' Hij zucht eens diep en zegt: 'Ik ga slapen, ik ben moe ...' 'Laat het maar zo,' zeg ik, en er volgt weer een hele diepe zucht.
Het is een onheilspellende situatie. Weggedrukt in de geest. Maar natuurlijk zit hier een diepe angst in verborgen. Een stevig trauma.
14.211
15
Dageraad van een nieuwe wereld
In de 25e eeuw. Rox en de hulp van de Buitenaardsen. Het begrip 'wantrouwen' is alleen in de geest van de mens aanwezig.
Op dinsdagmiddag, 12 juni 1984, komt een goed uitziende vrouw van middelbare leeftijd mijn praktijkkamer binnen. Ze heet Angela en ze komt voor therapie. Ze heeft last van angstdromen en 'putvrees', wat dat ook mag zijn. Ze is nogal nerveus en neerslachtig. Maar als Angela eenmaal rustiger tegenover mij zit, zegt ze: 'Ik herinner mij een droom die ik al als kind had. Die heb ik vaak gedroomd. Hetzelfde beeld kwam steeds weer terug.' De exacte inhoud van die dromen is hier niet van belang. Maar het komt ten slotte neer op de volgende uitspraak van Angela, waarin ze de kern van de droom samenvat: 'Niemand heeft ooit geluisterd. Hoe kun je mensen helpen die niet luisteren willen? Die denken dat ik niks te zeggen heb.'
Na ons voorgesprek breng ik haar diep in trance, en ze zit ogenschijnlijk rustig in de stoel, in afwachting van wat komen gaat. Even later zal blijken dat dit een zeer emotioneel geladen progressie gaat worden. Angela,' zeg ik, 'ga naar een leven, ergens in de aardse tijd, dat een bijna gelijke situatie laat zien als in je droom. Op die droom gebaseerde ware gebeurtenissen. Ga naar de oorzaak van die repeterende droom en de kerngebeurtenissen daarin.' (Nauwkeurige instructies volgen.) Ik gebruik ook nu, wat ik al meer gedaan heb bij droomonderzoek, de essentie van de droom als leidmotief. Als ingang tot de ware oorzaak en betekenis ervan.
Als ik haar vraag: 'Wat zie je, wat gebeurt er, waar ben je?' komt ze spontaan in een toekomstig leven op aarde terecht. Haar antwoord komt snel en vol emotie.
'Ik kijk door een koker naar beneden. Jeetje!' Het klinkt benauwd. 'Ik kijk in een heel diep gat. Ja, jeetje! Het is net alsof ik van verschrikkelijk ver moet komen. Ik heb ook het gevoel dat ik die put weer inga.' Er breekt nu een hevige emotie bij haar los. De tranen lopen over haar wangen. 'En dat wil ik niet!' schreeuwt ze.
'Ga door die putsituatie heen,' instrueer ik haar met aandrang. 'Ga verder in dat leven.'
'Ik zak nog maar steeds dieper,' klaagt ze. 'Ik kom in een soort kuil. Daar sta ik in, met andere mensen. We kunnen er niet uit.' Angela is volkomen in paniek. 'Wat is er gebeurd?'
15.202
'Het lijkt wel een straf, zoiets. Of een zandafgraving. Ik weet het niet,' zegt ze hulpeloos. 'Ik sta erin, en het gat is heel groot. Nee! Nee, nee, het is zand!' Haar stem klinkt nu luid en wanhopig. 'Het is brokkelig, een heel groot rond gat. Het lijkt wel of er een inslag is geweest, waar ik sta. Alsof er een ontzettend iets is ingeslagen.' 'Iets ontploft? Bedoel je dat?'
'Nee. Het is een helemaal gaaf rond gat in de bodem. Het lijkt wel of er een of ander raar vliegtuig is neergekomen en weer opgestegen en zo'n gat heeft gemaakt. Ik ben het, geloof ik, aan het onderzoeken.' Ze is nu weer wat rustiger geworden.
'Ja, we zijn het aan het onderzoeken. Er zijn meer mensen. En we onderzoeken hoe we eruit komen.'
'Ik denk op dezelfde manier als je erin gekomen bent,' merk ik nuchter op.
'Ja, het heeft iets "unheimisch". Ik krijg het helemaal koud. Er is iets gebeurd dat we niet begrijpen, geloof ik. Ik ben een man, een jonge man die iets optekent.'
'Dus je bent bezig met onderzoek,' stel ik vast.
'Ja. Het gat is rond en glad van onderen. Oh Jezus, hoe komen we eruit?' Er is weer lichte paniek. 'Een of andere ladder opklimmen, of zoiets. Er is iets heel geks gebeurd. En dat moeten wij onderzoeken. Een of ander voorwerp is daar geland. Ja, ja. We zoeken naar bepaalde aanwijzingen. Het heeft iets dat we niet begrijpen.' Ze fluistert nu bijna. 'Hoe dat kan, zo'n groot rond gat. En ja, het is diep genoeg om ... ontzettend groot!' roept ze uit.
'Hoe groot?' vraag ik. 'Met wat voor een diameter?'
'Nou, misschien wel honderd meter,' antwoordt ze vol verbazing. 'Daar is iets terechtgekomen en diep in de aarde geslagen.'
'Wat zijn je bevindingen? Wat schrijf je allemaal op?'
'We schrijven de afmetingen van het gat op. En we lopen en we meten en, en ... we voelen ons er heel erg eng bij. Het is griezelig, want we weten niet wat het is.' Er heerst verwarring en angst, en dat is begrijpelijk.
'Kan het instorten?'
'Nee.'
'De wanden?'
'Ja? Het is net alsof er een halve bal is terechtgekomen, en weer is weggegaan.'
Het ding is dus rond aan de onderzijde.
'Nou, ik wil eruit,' gaat ze verder. 'Ik voel me er helemaal niet thuis.' Opeens is ze weer hevig geëmotioneerd en de tranen springen haar in de ogen. De putvrees steekt kennelijk de kop op. 'Verbeeld je dat het weer gebeurt, dan kan ik er niet uit. Oh, aan de rand staat iets. Ja? Iets is er naar beneden gelaten dat niet de rand raakt. Een hoge uitzwaai van een ladder. En zo komen we eruit.' De opluchting is duidelijk merkbaar in haar stem.
15.203
'Hmm, er waren toch niet zoveel mensen, Een stuk of vier. We klimmen er ... gatverderrie ... het is een rot, dun laddertje. En daarlangs klimmen we eruit. Er staan mensen aan de rand en die vragen of we iets gevonden hebben. Maar we hebben helemaal niets gevonden. We hebben gewoon gekeken of we iets konden vinden. Alleen de maten, en die zijn zelfs nog niet accuraat.' 'En was daar niets te zien op de bodem?' 'Nee. Het is een krankzinnig rond gat.' 'En hoe diep ongeveer?'
'Nou,' zegt ze bedachtzaam. 'Ik denk wel een meter of tien. Ja, want het is veel hoger dan een huis.'
'Wat vermoeden jullie, dat daar is gebeurd?'
'Nou, we denken dat er zoiets als een UFO is geland. En het gekke is dat, als je die verhalen vertelt, iedereen je aankijkt of je niet goed snik bent. Maar er is iets geland, ja, dat denken ze. Ja, nou sta ik wel op de kant, maar ik weet verder niks.'
'Jawel, ga eens verder vooruit. Het wordt nog verder uitgezocht. Waar ga je dan naar toe? Naar een kantoorgebouw, of zoiets, waar alles besproken wordt?' Er volgt een stilte, waarin ze de kwestie kennelijk moet overdenken.
'Ja, er lag wel wat. Er waren platte mensen,' fluistert ze, alsof het om een samenzwering gaat. 'Ja, plat. Zo plat als een dubbeltje, en verbrand. Hun kleren waren donker verbrand.
Ja? Moet ik dat nou zeggen? De anderen hebben het misschien niet gezien. Als ik boven kom, en ik zeg het, dan geloven ze me natuurlijk niet. Eerst dacht ik dat het stukken ... nee, ik wist meteen dat het mensen waren.' Ze spreekt nog steeds met diezelfde, langzame fluisterstem. 'Plat, helemaal plat, en verbrand. Wat moet ik daar nou mee? Daarom heb ik het zo koud. Alsof er iets gebeurd is, wat ik niet snap.' 'Het moet wel uit de lucht gekomen zijn met een enorm gewicht.' 'Ja, een eind buiten de stad. Oh, ik heb het zo koud,' klaagt ze. 'Hoe komt dat?' 'Ja? Ik denk dat ik bang ben.' 'Je bent een man, hè?' 'Ja, ik ben een man. Hoezo? 'Voor wie ben je eigenlijk bang, of voor wat?'
'Ik wil weg van die plek. Ik vind het een onheilsplek. Maar verder weet ik niks.' Het klinkt angstig.
'Jawel,' zeg ik, 'ga eens verder vooruit. Wat voor gebeurtenissen ontwikkelen er zich dan?' 'Ik weet het niet,' zegt ze huilerig.
'Wat voor een beroep heb je? Ben je een geleerde, een onderzoeker of een ingenieur?'
'We zijn een samenwerkend team. Maar zonder elkaar iets te zeggen,
15-204
hebben we niet verteld wat we gezien hebben. Iedereen heeft het voor zich gehouden.
En dan gaan we weer terug naar ons gebouw, waar we altijd werken. Van daar zijn we uitgezonden om dat gat te bekijken. We komen terug in dat gebouw en we zitten daar met zijn vieren. Maar ik wil niet beginnen. Ik ga eerst maar eens uit het raam zitten staren. Ten slotte denk ik, dat ik het toch maar moet doen, en ik zeg, 'Heb je gezien wat daar lag?' Ik zeg niet wat ik zelf gezien heb. Ik heb gevraagd of zij ook iets gezien hebben.'
'En? Wat wordt er gezegd?'
'Ja. Zij hebben ook iets gezien. Maar het is zo onwaarschijnlijk en zo gek. Zo, zo, van, alsof je iets opgroef van duizend jaar geleden. Zoiets als een "veenlijk", zo zag het eruit. En we gaan overleggen wat we moeten doen en wat we moeten zeggen. Of dat het misschien wel lijken zijn die uit de grond komen, of dat het mensen zijn die verpletterd zijn? Dus moeten we eerst gaan vragen of er misschien mensen zijn die vermist worden.'
'Wat gebeurt er ten slotte?'
'Het is net alsof ik naar een stad moet waar alles van aluminium is, zoiets. Het lijkt alsof het daar geen gewone gebouwen zijn. Ja, het is erg gek, maar het is of we in een soort raket stappen, en dan naar de stad rijden.'
'Een raket? Door de lucht?'
'Nee. Er is maar één weg. De vorm van het voertuig is die van een raket. En het gaat verschrikkelijk snel. We moeten naar ...'Ze houdt abrupt op.
'We zijn bang dat we volstrekte paniek zaaien,' gaat ze verder. 'Dat dit niet kan, en dat het ook niet mag. Bovendien worden we misschien toch niet geloofd. We doen nu een grote glazen kap over ons heen en we vliegen haast, naar een complex gebouwen die er heel raar uitzien. Raar! Net of alles koepelvormig is, met hier en daar een, een ... het lijkt wel of er een raket met zijn neus omhoog staat. Ja, ja, het lijkt op een ruimtevaartcentrum,' zegt ze nadenkend. 'Alles ziet eruit of niets het raken kan. Of alles erlangs afglijdt. Of stralen en dergelijke er allemaal geen vat op hebben, niets ze pakken kan. Het is er zo glad en rond om te zien, dat het net lijkt alsof, als je er een straal op richt, die erlangs af zal schampen. En alles is van zilverkleurig metaal. Het zal wel aluminium zijn, of zoiets, denk ik. Maar in ieder geval is het die kleur. Hij schittert en blinkt in de zon. En dan rijden we daar naartoe.
Dat raketvormige voertuig is wel op wielen. En het gaat heel hard. Het heeft van die uitlaten aan de achterzijde, net als van een straalmotor. En we zijn zelf ook een beetje raar aangekleed,' merkt ze nu op. 'Wat
15.205
heb ik eigenlijk aan?' vraagt ze zich af. 'Nou, dat weet ik niet,' zegt ze dan, alsof dat onderwerp is afgedaan.
'Kijk eens goed naar jezelf.' Ik wil het wel weten.
'Jeetje,' zegt ze verbaasd en ook een beetje geschrokken. 'We hebben diezelfde bruine jakken aan als die platte mensen in het gat. Dus het zijn er van onszelf. Ja hoor, we hebben dezelfde bruine jakken aan, met laarzen. En heel kort haar, heel kort haar.' Ze zegt het tweemaal, als om het te benadrukken.
'Nou rijden we naar de stad,' gaat ze verder. 'We komen binnen. Hé, het lijkt wel een middeleeuwse stad. Het is alsof hij ommuurd is. Er is een grote ronde poort waar we doorheen gaan, en die sluit zich weer achter ons. Dat gaat automatisch. Maar de bestuurder heeft ergens op gedrukt, en dan gaat de poort open. Ik denk dat die ...'
Ze stopt plotseling. 'Oh, wat is het koud! roept ze uit. 'Het is er werkelijk koud! Wij komen, en het is allemaal zo rechtlijnig daar. Zo technologisch. We gaan weer een ander gebouw binnen. Openslaande deuren gaan open, openslaande deuren gaan dicht. We stappen uit. En wij moeten verslag uitbrengen aan iemand, een oudere man. Die is hetzelfde gekleed als wij. Hij zit achter een soort bureau. En wij vertellen wat wij gezien en gevonden hebben. Hij slaat die informatie ergens in op. En hij praat alleen maar, hij herhaalt, resonerend. Hij praat ergens in, en dat wordt opgeslagen in een toestel, gearchiveerd. Je kunt het terughalen op iets dat op een computer lijkt, zal ik maar zeggen. Wij gaan daarna terug naar huis, en we mogen er niet over praten. Het is geheim.'
'Maar je weet wat er gebeurd is. Je weet het nu. En je kunt mij rustig en tot in de kleinste details vertellen wat je weet. Ik vertel het niet verder, daar in je leven als onderzoeker.'
'Ja,' zegt ze aarzelend. 'Er is iets uit de ruimte geland.'
'Maar zaten daar geen mensen in van jouw volk?'
Er valt even een stilte. Dan zegt ze, volkomen onverwacht: 'De wereld is kaal, met hier en daar zo'n stad. En het lijkt wel alsof ze elkaar nog steeds niet met rust kunnen laten. Elkaar nog steeds bevechten. Als er geen vijandigheid was, dan waren deze mensen niet gedood. Waarom kunnen ze nou toch niet ophouden?'
'Hoe zijn ze dan gedood?'
'Verbrand. Verpletterd en verbrand,' zegt ze misprijzend. 'Hoe is dat gegaan? Hoe kon dat gebeuren?'
'Ze moeten argeloos over het land zijn gegaan. Lopend, in een auto, of in een ander vervoermiddel. En plotseling is dat ding geland, niet achtend of er daar mensen waren of niet. Gewoon er maar bovenop geland. Een enorm groot ding, en dat heeft ze de grond in gedrukt. Het gekke is, dat ik er wel over heb gehoord, maar ik heb ze zelf nog nooit gezien. Dus we moeten aannemen dat het een vijandelijke aanval is geweest. Hoewel we ons dat gewoon helemaal niet meer kunnen voorstellen, want
15-206
we hebben die toestanden al lang achter de rug.
We zijn net goed en wel op weg om de zaken te herstellen. En alles is kaal, moetje denken, alles is kaal!' roept ze uit. 'Het land is een woestijn.' Er is heftige verontwaardiging nu. 'We hebben al zoveel moeite gehad om een paar steden op te bouwen die ongevoelig zijn voor straling. Ja, ja, ongevoelig voor stralen. Daarom zijn ze zo, ja, ja. We zijn ook maar met weinigen. En hier en daar is zo'n stad, verbonden door een paar wegen. Maar wat we hebben, is wel goed, hoor.'
'Technisch goed?' vraag ik.
'Ah ja, voortreffelijk. We hebben alles. Alles chemisch. Moet je je voorstellen, we hoeven niet meer te eten. We krijgen alles in pilvorm. Een pil voor je diner, en een pil voor je en iets eigenaardigs waar we op kauwen moeten. Iets wat het midden houdt tussen wortels en kool. Dat moeten we iedere dag eten voor onze lichaamsconditie. En we zijn stomverbaasd, en eigenlijk doodsbang,' zegt ze met een lage stem. 'Zouden we nou weer datzelfde krijgen als wat we gehad hebben?
Dat kan toch niet.' Er klinkt nu verzet en afkeer door in haar woorden. 'Alles, alles is vernield geweest.' 'Betekende dat oorlog?'
'Ja! We hebben onszelf vernietigd! Er is nergens meer ... leven. En het land is bijna helemaal woestijn. Ik zie nergens een groeiende boom. Wat we hebben, is jong, laag en kort. Maar een boom ... ach ...' Er volgt een bitter lachje. 'Onze kinderen weten niet eens wat een boom is.'
'Wat is er gebeurd, dat deze situatie is ontstaan? Wie vocht tegen wie, en hoe?'
'Nou, dat weet ik niet meer. Dat heb ik alleen maar van horen zeggen.' 'Wat wordt er dan gezegd?'
'Ja, dat de mensen elkaar vernietigd hebben,' zegt ze nog eens. 'Maar dat is generaties geleden. Mijn grootvader heeft helpen bouwen aan deze stad.'
'En daarom is die inslag zo wonderlijk en onverwacht,' constateer ik. 'Ja, je kunt je toch voorstellen. We weten van vroeger wat er gebeurd is, en dat er nauwelijks mensen dat hebben overleefd. En al die angst en al dat vernietigen, dat kan toch niet opnieuw beginnen.' Ze raakt weer geëmotioneerd terwijl ze dit zegt. De terreur van de angst overvalt haar, alleen al bij de gedachte.
'Dat komt terug, denk je. Daar ben je bang voor, en daar krijg je het koud van.' Ik maak Angela, in de persoonlijkheid van daar, attent op haar angstdromen.
'Ja! Ontzettend!' reageert ze. 'Dit kan toch niet. Als er nu wat gebeurt, dan overleven we het zeker niet.' Ze komt nu tot aan de grens van hysterie. Haar stem is hoog en overslaand. 'Want we zijn met veel te weinig mensen. Er zijn, geloof ik, niet meer dan drie of vier steden. En die zijn heus niet zo groot.'
15.207
'Hoe heet je eigenlijk?'
'Hoe heet ik? Ja? Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht. Ik word alleen maar bang.'
'Bang, ja. Ik zal het je straks nog wel eens vragen.' Maar ze gaat er toch verder op in. 'Iets met een R, Ro ... Rox! Roxo ... Roxel?' 'Je hoort nu helder en duidelijk je juiste naam in je klinken, heel nauwkeurig en gedetailleerd,' instrueer ik haar.
'Ik heet Rox.' Ze is er zelf verbaasd over. 'Yes, Rox.' Het Engels zal later blijken een belangrijke taal voor Rox te zijn.
'Iedereen heeft korte namen. Ja,' voegt ze er nog aan toe.
'En hoe heet het land?'
'Ik denk dat het in de buurt ligt van watje nu Egypte zou noemen.'
Het is er koud, zoals Rox eerder vertelde. En dat zou heel goed kunnen, want de beide polen zijn door het kantelen van de aarde een heel eind verschoven. En bepaalde delen van het noordelijke land zijn onder een ijskap komen te liggen en verdwenen. De aarde is verder naar het oosten omgekanteld, met als gevolg dat de koude meer in zuidelijke richting is geschoven.
'Nee, het is niet in de buurt van Egypte. Maar het is tussen Noord-Afrika en ... ja, het is bij Gibraltar. Maar Gibraltar is plat!' roept ze uit. 'Het is ... alles is zand geworden, geel zand. Bijna alles is zand. Zand is onze grootste vijand. Ja ja, zand is onze vijand,' herhaalt ze indringend. 'Alleen rondom de steden zijn we bezig met groen te kweken. We hebben wel hele grote varens.' Net zoals in de begintijd van de mens op aarde. 'Maar oude, grote bomen hebben we niet.'
'Hoe wordt het land door jullie genoemd, Rox?' vraag ik nieuwsgierig. 'Het lijkt wel of het helemaal geen naam heeft,' antwoordt ze. 'Jawel, natuurlijk heeft het gebied een naam. Of is het een gedeelte van een groter gebied dat een naam draagt?' Ze gaat er niet verder op in. 'Het is gek. Het is net of er een paar continenten aan elkaar zijn gesmolten. Maar we zien er wel hetzelfde uit als in mijn leven als Angela. We zijn alleen veel langer.'
Ik moet nu weer sterk denken aan diep uit de aardlaag naar boven gekomen Atlantiërs, tijdens de grote catastrofe. Zij waren zo’n 12.000 jaar geleden ook al een ras met een lange gestalte.
Tijdens de ondergang van hun continent vluchtten enkele groepen met hun vliegende schotels onder het wateroppervlak, onder andere vanuit Yucatan. Ze gingen heel diep de zee in, via speciale sluizen, volgens het duikboot torensysteem naar de door henzelf aangelegde onderaardse kanalen voor goederenvervoer en de grote opslagplaatsen, grote onderaardse hallen, die daarbij hoorden. Alles computergestuurd. Daar hebben zij vele duizenden jaren een speciale beschaving weten te handhaven.
15.208
Wellicht waren het de voorouders van Rox en de Zijnen. Die Atlantiërs moeten in ieder geval ergens gebleven zijn tijdens de wereldramp. En hun vliegende schotels waren bestand tegen hoge waterdruk, terwijl ze ook met gemak de interstellaire ruimte konden binnengaan. Hun technologische mogelijkheden waren onvoorstelbaar. Zelfs voor onze eigen tijd, vol ongekende technische ontwikkelingen, waarvan het einde nog lang niet in zicht is. Atlantiërs reïncarneren ook weer in mensenlichamen óp de aarde, en zij brengen de nog in hun geest aanwezige kennis met zich mee, passend in ons tijdperk. De geschiedenis herhaalt zich, zoals in al onze levens.
'In welk jaar leven jullie nu?' vraag ik aan Rox.
'Hah, het is veel verder dan nu. Ik zie een twee. Een twee? Good Lord. Ik denk ... Jeetje, dat kan helemaal niet,' fluistert ze. 'Jawel, dat kan wel. Ga eens verder. Je ziet een twee.' 'Ik zie nog een twee,' zegt ze verbaasd. Ik geloof dat het 2200 is.'
'2200, en wat nog meer? Welke cijfers staan er dan?' 'Een nul en dan een vier. Die nul kan ook een acht zijn. Dat weet ik niet zeker. Dat kan ik niet zien. Het is het jaar 2204 of 2284.' 'Dat is ook niet zo belangrijk,' zeg ik. 'Luister eens, wat voor calamiteiten hebben er dan allemaal plaatsgevonden? De rampen waardoor het land helemaal tot een zandwoestijn is geworden.' 'Wij, onze voorouders, hebben niet geluisterd naar alle waarschuwingen.' Langzaam worden de woorden geformuleerd. 'Ach. Ze waren wel van goede wil, maar ze hebben niet echt geluisterd. Er waren toch waarschuwingen geweest. Er is een verschrikkelijke oorlog gekomen. Met weinig mensen die overleefden. En die oorlog is nog niet zo lang geleden geweest, lijkt het. Of is het eerst een twee, de nul, en dan een acht en een vier, 2084. Ik weet het niet precies. Anyhow ... we ...' Ze gaat ineens niet verder.
'Het is nog lang goed gegaan. Het is zelfs nog heel lang goed gegaan. En het heeft de twintigste eeuw nog uitgezeten. Daarna is het begonnen. Het werd steeds erger en erger. En toen zijn de bomen vernietigd.' 'De grote vernietiging? In welk jaar is die dan gekomen? Welk jaartal komt er in je op, Rox?'
'Eenentwintig. In eenentwintig was alles plat. In 2100 en nog wat.' De woorden komen nog steeds heel traag uit haar mond, woord voor woord afwegend. 'Toen was alles plat. Wij hebben jaren niets kunnen doen.' 'En waarmee is dat alles plat gemaakt?'
'Jaah? Het ... was ... geen ... atoombom,' antwoordt ze, heel bedachtzaam.
'Geen atoombom?' reageer ik verbaasd.
'Nee!' zegt ze nu heel beslist. 'Het was wel een bom. Maar een bom die alles verschroeide.' Ze zegt het, alsof het eruit getrokken moet worden. 'Maar dat doet een atoombom toch ook,' zeg ik daarop.
15.220
'Jaah ... maar het was een andere.' 'Wat was het dan? Een waterstofbom of een kobaltbom?' 'Het was een bom, die niet zo "spreidde" in de lucht. Hij "spreidde" in de breedte, maar laag over het land. En alles was kapot, alles was kapot! Er waren alleen nog maar stoppels. Als je in een huis stond en je raakte het aan, het was as. As! Stof!' Ze schreeuwt het uit, hevig geëmotioneerd. 'Terwijl het nog heel overeind stond?' Ik huiver bij de gedachte. 'Ja. Het leek alsof het er nog was. Maar je kwam eraan en het viel in elkaar. Ja, dat weet ik niet uit ervaring. Maar dat hebben ze me verteld. En we hebben met alles opnieuw moeten beginnen. Alles opnieuw!' Het is een schreeuw van wanhoop.
'Uit het stof zijn ze gekomen, die mensen, uit het stof! Het was verschrikkelijk. Maar de "troep" zat niet in de lucht. Het was een bom die doodde, verschroeide en verpulverde, maar hij had niet zo'n stralingsuitwerking als een atoombom. Nee, dat was anders. Daar hadden ze ook niks aan, want bij straling, dan kun je het land niet gebruiken. Maar ja, als je alles opnieuw moet opbouwen, kost dat ook verschrikkelijk veel tijd. En we moesten gaan denken over nieuwe materialen. Hout, bijvoorbeeld, was er niet. Maar we hadden veel onder de grond gebouwd.' (Waren er toch Atlantiërs, of niet?) 'En Rox, had het niets met natuurrampen te maken?' wil ik weten. 'Ja, dat kwam erbij!' Het komt heel snel en gedecideerd uit haar mond. 'Dat kwam erbij. Van binnenuit, in de aarde. Het één volgde op het andere, zo was het.'
'En wat is dan de volgorde? Eerst de natuurrampen en dan die verschrikkelijke bom, of andersom?'
'Nee. Eerst de bom. En al dat stiekeme gedoe ondergronds, waar niemand eigenlijk iets tegen kon doen.' 'Niets van wist, misschien?'
'Nee, dat heeft die verschuiving veroorzaakt, zeggen ze nu. Een verschuiving van Afrika.' Ze spreekt weer heel traag en zacht. 'Het is net alsof de Middellandse Zee er niet meer is.'
'Luister Rox, wat bedoel je met dat stiekeme ondergrondse gedoe? Zijn dat...'
Verder kom ik niet.
‘Die bommen,' vult ze me aan. 'Ze zijn voortdurend doorgegaan, hebben mijn grootouders me verteld, met ondergrondse proeven. En niemand wilde eigenlijk luisteren. De onmacht van de redelijkheid. Daar is teveel voor betaald. En nou zitten wij met die kuil. En oh, het idee dat het opnieuw kan beginnen, is gewoon ... Nou zou het gevaar van buitenaf Komen. We hebben eerst ons zelf al de das omgedaan. Nou nog het gevaar van buitenaf...' 'Uit de ruimte?'
Ja! En waar moetje dat zoeken?' gilt ze nu. 'Waar moetje dat zoeken? We zijn blij dat we al iets hebben. Wat valt er hier nou nog te halen? Niks!
15.221
Hmm. En als die lui uit zo'n ding ... ja, die weten toch ook al een heleboel. Moeten ze hier komen om dat beetje dat we net hebben, ook nog te vernietigen? Dat snap ik helemaal niet. Iedereen is eigenlijk in paniek. Hoe dat afmoet lopen, weet ik ook niet. Dat is toch helemaal te gek, hè.' Ze is nu opgewonden, maar haar stem is hard en schril. 'En Rox, wat gebeurt er dan ten slotte? Hoe gaat het verder?' Er volgt een geladen stilte. Dan zegt ze gelaten: 'Dat weet ik niet.' 'Ga eens wat verder vooruit in de tijd, naar de opvolgende belangrijke gebeurtenis. Wat volgt er dan?'
'We sturen een ruimteschip omhoog,' antwoordt ze, tot mijn verrassing. 'With eh, extremely advanced equipment. Yes.' 'Waarom spreek je Engels?' 'We usually do.'
'I see. Spreek nu maar weer Nederlands. En wat is het resultaat van de missie van dat ruimteschip?'
'We try any kind of radio signals. Om op te vangen en op te slaan in onze computer.'
Ze spreekt nu Nederlands met een duidelijk Engels accent. En ze heeft daar de nodige moeite mee.
'Om contact te maken met die andere wezens,' gaat ze verder. 'En wij zenden vredessignalen uit. Nou, daar hebben we wel voor moeten knokken. No hostility, you know.' 'Geen vijandelijkheden?'
'Nee. En we hopen dat die vredessignalen, van die golven, uitwaaieren, zou ik haast zeggen, en daardoor een grotere trefkans hebben, goed ontvangen zullen worden. Dat is het enige dat we kunnen doen, want wij hebben op de aarde wel allerlei moderne apparatuur, maar die is ontwikkeld om onszelf in leven te kunnen houden. We zijn nog niet zover dat we ruimteschepen hebben om andere hemellichamen te bezoeken of, laat staan, kwaad te doen. Dus is dit het enige wat we kunnen. Je hebt er altijd bij, die zeggen van, we moeten eropaf. En dat is nou net wat niet moet. Nee, daar is altijd weer ergens een rotte appel in de mand. Terwijl we toch zo'n lesje geleerd hebben. Maar die mensen krijgen nu geen kans. Nee, die zijn in de minderheid. En die worden wel "behandeld", hoor.'
'Rox, wat heeft dat voor resultaat, dat contact zoeken om vrede te maken?'
'Nou, nog niks,' reageert ze fel. 'Geen contact. En dan krijg je weer hetzelfde. Als er tevergeefs verscheidene keren is uitgezonden, onze vredesboodschap, dan is er altijd weer die groep die wil vechten. We moeten bewapenen, roepen ze. Dat mensen zo dom kunnen zijn. Dat is nou juist wat we niet moeten doen. Ikzelf denk dat er al lang contact met ons is gemaakt, maar dat wij nog geen contact met hen hebben. En dat ze waarschijnlijk peilen wat we doen zullen. Might be a test case. Nee, natuurlijk niet bewapenen.'
15.211
'Want dan vallen ze aan,' gooi ik ertussen.
'Ja. Als je bewapend moet je toch een vijand hebben. En als je niet bewapend, dan is er ook geen vijand. Als je mensen het idee geeft dat er geen vijand is, waarom zul je dan aanvallen? Op de ...' begint ze en gaat verder met: 'To get in touch in the human way. En dat moet doorgezet worden.' Ze raakt er helemaal opgewonden van. 'Ik zal voor de vrede knokken.'
'Rox, heb je invloed?'
'No, not very much, I am afraid. I am a scientist, you see, and my colleagues, we are thinking along similar lines. Ja, mijn collega's denken er hetzelfde over. We hebben uitgesproken dezelfde ideeën. Het zijn mensen met een goed stel hersens. Ze hebben begrepen datje dingen kunt oproepen ... Als wij ons niet bewapenen, hoeft de ander zich ook niet te bewapenen. Dan kun je toch alles krijgen via de weg van onderhandelen. En nou zijn we zover dat we vredesboodschappen uitzenden. Daar trekken we geld voor uit. Of geld? We hebben eigenlijk geen geld.' 'Werkkracht, bedoel je?'
'Yes, we are spending energy. Just plain simple energy. 'Ga eens verder vooruit in de tijd naar een heel belangrijke gebeurtenis.'
'We are approaching.'
Approaching what?' vraag ik nieuwsgierig.
A very peculiar kind of vessel. Yes, we are making contact,' antwoordt ze.
'Op wat voor manier? Via de radio?'
'Ja, eerst radiocontact.' Ze lacht blij. 'It is a kind of miracle.'
'Wat is een soort wonder?'
'Well, we switch on ... They speak the same language. Yes. Isn't that a miracle?'
'What language?'
'Well, English of course.'
'English? Ah!' roep ik verbaasd uit.
And on the screen ... we see a face.'
A human face?' vraag ik, nu zeer nieuwsgierig.
'Yes, a human face. It's not what we have ever been afraid of. Of some kind of a monster. Well, it is not a monster. Het is een mens.' 'En hoe ziet dat voertuig eruit?
Is het een ruimteschip?' 'Ja.Yes.'
'Wat komt het doen?'
'Well, finally we succeeded. Het is op een van onze voertuigen afgegaan, via de radio, en nou maken wij contact door een man buiten boord te zetten. En de man van het andere ruimteschip komt ook buiten boord.'
'In een ruimtepak?'
15.223
'Ja. Zij maken contact. Nou komt een van ons ... oh, jeetje! ... gaat daar aan boord. Nou is het een kwestie van vertrouwen hebben.' Er volgt een hevige emotie en zij barst in tranen uit. 'Ik bid ... ik bid dat hij kan vertrouwen, en dat ook ik wil vertrouwen. En, we wachten in een vreselijke spanning op wat er zal gebeuren, en we houden dat vreemde voertuig in de gaten met alles wat we hebben. Maar ja, de consequentie is, we hebben geen ... no armament ... we moeten afwachten, en er zijn'er meer die bidden.' Het komt er allemaal in één adem uit. De spanning is te snijden.
'Hoe loopt het af?'
'Dat weet ik toch niet. We zitten te bidden.' En weer is er een hevige emotie en tranen. Als ze wat bedaard is, zegt ze: 'Ik kijk door de ramen. Er gaat een luik open, en ze komen er met zijn tweeën uit.' 'Is dat een goed teken?'
'Jaah! By all means! Ze komen naar ons toe, Ze hebben van die "straalmotortjes" op hun rug. Van die stuurdingen. En dan komen ze bij ons naar binnen. Ze hangen heel stil in de lucht, hè. Daar snap je niks van. Hij komt naar binnen. En binnen gaan de sluizen dicht en de helm gaat af. Ik zie een andere man,' zegt ze verbaasd. 'Hij is heel lang, heel smal, heel mager, en wij praten. Hij heeft hetzelfde meegemaakt als wij...' 'Ook op aarde?'
'Dat moet ik eens vragen. 'Was u dan op aarde ... toen dat gebeurde...?' Nee, nee, hij was niet op aarde.' 'Waar was hij dan?'
'Ze hebben het zien gebeuren,' zegt ze peinzend.
'Vanaf buiten de aarde?'
'Ja.'
'Zijn ze gevlucht voor het gebeurde?'
'Nee. Ze komen van een ander melkwegstelsel ... en hebben daar geleefd.' Nu lijkt ze geïntrigeerd. 'Ze hebben geprobeerd contact te maken met ons, maar dat ging helemaal niet.' 'Komen ze oorspronkelijk wel van de aarde, of niet?' 'Hij zegt dat er meerdere "aarde’s" waren. Meerdere "dingen" waar mensen op leefden. En dat het heel arrogant van ons was te veronderstellen dat wij de enige waren in de kosmos. Maar zij hebben het er beter afgebracht dan wij.'
'Hun planeet is niet vernietigd?'
'Nee. Zij zijn verder gegaan met hun ontwikkeling. Daar is ook wel wat gebeurd, maar niet in verhouding tot wat bij ons is gebeurd. Zouden ze meer "hersens" hebben? Ik vraag hem of ze meer hersens hebben. Hij lacht. Ja, dat weet ik niet, zegt hij. Hij weet alleen dat ze gezien hebben, waargenomen hebben, hoe het met ons steeds verder bergafwaarts ging. En ze hebben niet kunnen geloven, wat ze zagen. Maar ze hebben de gang van zaken nauwkeurig in de gaten gehouden. En die landing bij ons, ja,
15.224
dat was heel spijtig.' 'Was het een vergissing?'
'Nee, niet de landing, maar het was heel spijtig dat het gebeurd is. Dat was geen opzet. Wij dachten dat het opzet was. En dat, zeiden zij, zit in je geest ! Dat is negatief denken.'
'Ze kwamen dus per ongeluk op jullie mensen terecht. Op het land, waar de grote kuil was.'
'Dat was een heel groot ruimteschip, en zij dachten dat daar niemand was. Dat is een ongeluk geweest. Zij gaan dat nu ook veranderen, want ze hebben wel landingslichten onderaan, maar het gaat zo snel, en die lichten hebben natuurlijk die kleine menselijke wezens nauwelijks gezien. Waarschijnlijk zijn de onzen gebiologeerd geweest door het imposante gebeuren.'
'En zijn ze weer uit dat gat van tien meter diep opgestegen?' 'Ja. En weggegaan. Ze zijn nauwelijks bang geweest dat wij vijandschap zouden tonen. Zij zijn toch wel bang geweest dat dit een sein zou zijn voor nieuwe vijandelijkheden.'
'Voor een tegenaanval? Zijn ze bang geweest dat dit op de aarde als een nieuwe vijandige daad zou worden opgevat?'
'En daarom hebben ze zich teruggetrokken en zich niet meer laten zien. Wij moesten zelf weer iets opbouwen. Ach, natuurlijk! Als wij nou niet die vredesboodschap uitgezonden hadden, dan hadden zij het misschien verkeerd opgevat. Maar nu wij onbewapend zijn gebleven, en onbewapende ruimtevaartuigen hebben uitgestuurd, met onze vredesboodschap, nou konden ze komen. Er is niets gebeurd. Dus wij hadden toch wel gelijk. Waarom is het goede vaak in de minderheid? De onmacht van het goede. De onmacht dat je mensen kan redden.'
'Toch is dat een stille meerderheid. De macht van het kwade kan een minderheid zijn, maar veel feller en agressiever, veel heftiger,' breng ik in het midden.
'Ja, nou is er toch niks gebeurd,' zegt ze. 'Meestal is het kwade in de minderheid, maar veel sterker.' 'Ja,' antwoordt ze. 'Hij eet zelfs met ons. En hij spreekt Engels.'
'Is hij een belangrijk man?'
'Ik denk het niet. Die houden zich altijd op de achtergrond. No. I guess he's sent us an errand.'
'Hij bracht jullie een boodschap?'
'Ja. En nou kan hij teruggaan. Deze mens heeft vredige ogen.' 'Wat voor een kleur?'
'Blauw. Blue. Hij gaat terug en belooft terug te komen.' Ze spreekt het weer woord voor woord, heel langzaam uit. 'Waar zijn jullie nu ergens?'
'Boven, in de ruimte. Ja, zoveel kunnen we nog niet. We kunnen ergens
15-225
naartoe geschoten worden, maar zoveel verder dat we verre ruimtereizen kunnen maken, zijn we nog niet. We kunnen heen en terug. We moeten eerst de aarde weer bewoonbaar maken. En dat is een heel werk.' Ze moet ervan zuchten. 'Daar zijn we al een paar generaties mee bezig. Maar hij belooft terug te komen met dat grote ruimteschip. En dan kunnen er onderhandelingen op grotere schaal en op hoger niveau plaatsvinden. Hij biedt ons zijn hulp aan.' 'Hulp? Voor de wederopbouw van de aarde?'
'Ja. Zij zijn veel verder in hun ontwikkeling dan wij, en zij kunnen allerlei dingen die wij nog niet kunnen. Oh, that's a generous offer isn't it?' 'Yes, it is.'
'En dan gaat hij terug, en wij ook. Jeetje, nou, we zijn er vreselijk moe van. Vreselijk moe van,' benadrukt ze nog eens. 'Van al die spanningen. En het ongelooflijke van een mens te zien. We hebben altijd gedacht dat er gekke wezens, in ieder geval gekker dan wij, zouden komen ... Dat we die zouden ontmoeten. En het is niet waar, het is niet waar,' roept ze, bijna juichend.
'Ik denk dat wij ten onder zijn gegaan aan onze eigen domheid,' gaat ze verder.
'Domheid leidt veelal tot achteruitgang. Luister Rox. Ga eens verder vooruit in de tijd naar een voor jullie belangrijke gebeurtenis.' 'Hij is geland!'juicht Rox/Angela. 'Die grote, ronde schotel?'
'Ja. Het is een ontzettend ding. Goeie God! Zo'n grote hebben wij nog nooit gezien. Heel wonderlijk, wat wij vroeger in heel moderne auto's hadden, dat heeft hij. Er klapt een stuk uit de wand omhoog. En nou gaan hele groepen mensen erin, om ... hé, die wat mankeren, die gaan er het eerst in.'
'Wat bedoel je met, die wat mankeren?'
'Well, some kind of disease. Die gaan erin, en dat is eigenlijk ook weer een ontzaglijke vertrouwenskwestie. Ze nemen ze mee om te genezen. Hij landt, en dan maken wij kennis, maken wij contact met ze. En dan nodigen ze de zieke mensen uit om mee te gaan en om daar te genezen. Je gaat daar niet meer zomaar dood!
Je gaat dood als je het wilt. Je mag dat zelf bepalen. Hij zegt, dat daar de omstandigheden zo anders zijn dan hier, dat ... eh ... je niet hoeft te lijden.' De wet van Karma is daar wellicht niet van toepassing. 'Er is ook haast geen lijden,' gaat ze verder. 'En daar kan bijna ook overal wat aan gedaan worden, omdat de mensen hun verstand gebruiken. En wat veel belangrijker is, zij vertrouwen op elkaar.'
'Er is geen wantrouwen.'
'Nee. Ik heb gedacht, zou dat de hemel zijn. Maar dat denk ik toch niet.'
'Is hun lichaamsbouw exact dezelfde als die van ons?'
15.226
'Nee. Ze zijn langer en dunner. Die ik gezien heb, zijn allemaal mager. Mager van het goede. Geen overtollig vet.' 'Wijken ze verder in niets af van aardse mensen?'
'Hun gezichten zijn smaller. Net of er, ja, hoe moet ik dat zeggen, een soort nobelheid in hun trekken is gekomen. Een edeler soort dan wij.' Dat heeft ook andere kosmische gevolgen, vanzelfsprekend. 'En wij moeten nu een daad stellen van vertrouwen. Misschien is het ook wel een test case. VERTROUWEN! Ze nodigen zieke mensen uit en die nemen ze mee. Dat is toch een ontzaglijk vertrouwen van onze kant. Omdat je niet weet of je ze terugziet. En wij pleiten daarvoor, voor dat vertrouwen. En de mensen gaan. Je kunt het die zieke mensen niet kwalijk nemen dat ze gaan. Die zoeken vanzelfsprekend alleen "healing", en ze gaan.'
'En op wat langere termijn?' vraag ik.
'Komen ze terug!' zegt ze met nadruk. 'Yes, healed and healthy' 'Magnifiek,' kan ik niet nalaten te zeggen.
'Ja. Zou dat nou toch iets hemels zijn? Of zou het zijn dat we ons "Armageddon" gehad hebben?'
'Ja, dat denk ik wel. En waarom zouden er niet meer bewoonde planeten zijn. Maar voor de planeet aarde en haar bevolking gelden er voorlopig nog bepaalde kosmische wetten, en daar moeten wij ons aan houden.'
'Dus er zou tenslotte toch een vertrouwen zijn, een gefundeerd, gehonoreerd vertrouwen. En we zouden een goede toekomst tegemoet gaan?' 'Ja. Dat zou je wel zeggen, als je dat zo hoort. En hoe gaat het verder met jou? Hoe oud ben je nu, Rox?' 'Nou, ik denk vijfendertig.'
'En als je wat ouder wordt, hoe gaat het dan met je? Gebeuren er opzienbarende dingen?'
'Ik stijg in aanzien. En ik niet alleen. Ook die drie anderen. Wij hebben goede ideeën, en het blijkt dat we wel ontzaglijke risico's nemen door ze uit te dragen. Maar die risico's zijn wel de moeite waard. Ik denk vaak aan de Christus die we meegenomen hebben.' 'Hoe bedoel je, meegenomen hebben?'
'Zijn Wereld en Zijn Woord zijn meegenomen door overlevering, van geslacht op geslacht overgedragen. Ik denk dat nu Zijn Woord waarheid wordt, en dat inderdaad
"wie het zwaard opneemt, door het zwaard zal vergaan."
'Maar dat we nooit de moed hebben gehad om het zwaard te laten zakken,' gaat Rox weer verder. 'Iedereen denkt altijd dat de moed om naar het zwaard te grijpen, de ware held maakt. Maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Ik denk dat mijn kinderen,' ze zwijgt even, en ik ga verder: 'De ware moed is de moed van de "linker en de rechter wang".' 'Ja.' Ze knikt. 'En het "interverkeer" levert ons wat op. Daar mag je natuurlijk
15.227
niet prat op gaan, maar het levert wel wat op. En ik denk dat het toch zo de bedoeling is geweest.'
'Niets in het leven is zonder zin,' antwoord ik.
'Nee ... ik ga dood in vrede ... op een tijdstip dat ik zelf wil.'
'En hoe oud is dat?'
'Nou, dat is behoorlijk oud. Ik denk dat ik zoiets van negentig jaar ben. En mijn kleinkinderen, ik vertel ze alles wat ik heb meegemaakt. Ja, dan zeggen ze wel eens
"Dat hoeft niet, grootvader, want we zien het overal op het beeldscherm staan". Dat is natuurlijk ook wel zo. Maar ik denk dat het beeld alleen niet voldoende is. Dat er ook het gebaar bij hoort. Het gebaar en de blik.
Kijk, dat is natuurlijk een ander gevaar dat ons bedreigt. En dat heb ik al gezegd. Het moet niet allemaal in een machine. Een machine, dat is wel heel best, maar de warmte van het hart kan nooit vervangen worden. Alles wat ik ze vertel, staat opgeslagen. Ze hoeven maar op een knopje te drukken.'
'En het komt op het scherm,' vul ik Rox aan.
'Ja! Dus, waarom zou ik het doen? Maar ik doe het toch, omdat ze anders vervreemden van de mensenhand en het mensenhart.' 'Van de warmte die daarvan uitstraalt,' vul ik nog eens aan. 'Ja,' zegt hij/zij eenvoudig. Het is echt een wijze oude man die hier spreekt.
'Luister eens, welk jaar is het, als je sterft?'
'Ik denk dat het tegen de 2300 aanzit. Ja, dat zal het wel wezen. Ik haal net het jaar 2300 niet. Nou, dat hoeft ook niet. Het is natuurlijk leuk hè.'
'Dus het begon later dan je aanvankelijk dacht, Rox? Of niet?' 'Tweeëntwintig... Dan zal het toch nul,vier geweest zijn. Dan heb ik het toch goed gezien.'
'Dit leven als Rox, in welke relatie staat dat tot je leven als Angela?Weet je dat?'
'Ja. natuurlijk! ./Vu wordt er wel naar me geluisterd!
'Dat is de associatie met Angela. Dat er dus wel naar je geluisterd wordt.'
'Ja. En dat die ideeën goed waren en dat ze ook iets opgeleverd hebben. En datje in eerste instantie, denk ik, naar mensen moet luisteren.'
Ook uit deze spontane progressie is een aspect van de oorzaak van Angela's angstdromen en haar 'putvrees' duidelijk tevoorschijn gekomen. Er zijn in dit verband nog wel enkele aspecten, maar die komen hier nu niet aan de orde. Wel kan ik nog verklaren, dat er in haar probleem al een aanzienlijke verbetering is opgetreden. En weer blijkt een toekomstig leven al invloed te hebben op een tegenwoordig leven. Maar de oplossing van Angela's probleem komt hier op de tweede
15.228
plaats. Het gaat in de eerste plaats om de inhoudelijke kant van haar verslag van haar toekomstige leven als Rox. En daarin spreekt ze duidelijke taal, in relatie tot de voorgaande ervaringen van Chiltar. Deze onafhankelijk van elkaar en op verschillende tijdstippen geregistreerde ervaringen, steunen de authenticiteit van hetgeen er, als geheel, gerapporteerd wordt.
Overigens toont het met Engelse taal doorspekte verslag een subtiele vorm van xenoglossie: het spontaan spreken van een andere taal dan de moedertaal van de progressante in haar leven als Angela. Zij sprak de taal van Rox' leven. En ik had gedurende de gehele progressie de grootste moeite om haar telkens weer te bewegen geen Engels maar Nederlands te spreken. Mijn desbetreffende instructies aan haar, tijdens de sessie gegeven, heb ik hier echter bewust zo veel mogelijk weggelaten.
'Ik denk vaak aan de Christus, die we meegenomen hebben,' zegt Rox. ChristusLiefde is een liefde voor alle mensen. Over alle religies, Kerken en afsplitsingen daarvan heen. Het is een mondiale levensdoelstelling in denken en doen, in de ware betekenis van het woord pantheïsme. Christus-Liefde kent geen religieuze verdeeldheid of apartheid, geen fanatisme of fundamentalisme. Het is geen superieur geloof. Christus-Liefde beveelt geen elkaar vijandige 'hokken of blokken'
aan. Zij is voor iedereen, zonder uitzondering en zonder voorkeur. Christus heeft, naar mijn mening, niet één uitverkoren Kerk gesticht. Laat staan één die duizendvoudig is verdeeld in 'kerken' en sekten, zoals in onze tijd, waarin grote verwarring heerst. En alleen om het absurde verschil in interpretatie van 'het Woord'.
Christus kwam voor het Joodse volk. De Joden verwierpen hem echter als hun Verlosser. Ook toen al door angst voor verlies van macht over het volk en gezichtsverlies. Maar zijn leer en boodschap van Liefde en Genade zijn zuiver, en duidelijk voor de gehele mensheid bedoeld, in kosmisch verband. Open, vrij en zonder overheersing van de een over de ander.
Christus-Liefde is niet slechts voorbehouden aan één, zichzelf verheffende Kerk, wier fanatieke bedienaren in bijna 2000 jaar al zo'n 20 miljoen slachtoffers hebben veroorzaakt en elkaar, in kampen verdeeld, nog steeds te vuur en te zwaard bevechten.
Christus' gedachten en leringen zijn inderdaad kosmisch bedoeld, dat wil zeggen over de dood heen reikend naar Gene Zijde. Ze zijn universeel, om in zo breed mogelijke kring in praktijk te worden gebracht, zonder gezeur over de interpretatie of betekenis van een tekst. Wat Christus leert is glashelder en slechts voor één uitleg vatbaar: eenheid en gelijkheid in het denken en doen van de mensen, in liefde voor elkaar, zonder onderscheid of vijandschap.
15.229
Christus-Liefde kent geen na-ijver, is eenvoudig en voor een ieder aanvaardbaar. Geen 'mijn geloof is beter dan het jouwe, jij ongelovige.' Christus-Liefde is heel simpel in jezelf, als individu, in de praktijk van alledag. Als je die Liefde mist, ben je arm van geest, denk ik. De Christus-Liefde, als Genade, hangt ook nauw samen met de Universele reïncarnatiedoctrine, die elke verdeling in verschillend denkende groepen als onnodig beschouwt, maar niet verwerpt. Reïncarnatie reikt over alle levensbeschouwingen heen. En of we het accepteren of niet accepteren, de ziel wordt toch onderworpen aan het reïncarnatieproces. Volgens Edgar Cayce, de beroemde Amerikaanse profeet in trance die een bijzonder contact onderhield met een hoge intelligentie aan Gene Zijde, was zelfs de ziel van Jezus van Nazareth onderworpen aan reïncarnatie. 'Hij, onze Heer,' zegt Cayce, 'was de eerste onder degenen die de mortaliteit aannamen.' Cayce noemt de vorige levens op aarde van Jezus, waarbij hij de Christus beschouwt als eerste persoonlijkheid uit de eerste golf entiteiten die bij de komst van de mens op aarde in het vlees zijn gegaan. Hij, Cayce, noemt Hem Adam, gezien zijn diep religieuze Christelijke afkomst. Als andere, opvolgende incarnaties noemt hij Enoch, Melchisedek, koning van Salem (Jeruzalem) en priester van de Allerhoogste God, Joseph, Joshua, Jeshua en ten slotte Jezus.
In de voorgaande progressies hebben we een desastreuze neergang en een voorzichtige en moeilijke opgang van onze geruïneerde aarde en haar overgebleven bewoners kunnen volgen. Maar het blijft er gelukkig niet zo somber uitzien, al duurt het ontwaken in het Licht nog geruime tijd. De wereld van Rox en de zijnen komt tot nieuwe bloei en breidt zich uit. Dit fenomeen is ook op andere plaatsen op aarde te zien, zodat er langzamerhand weer een aaneengesloten wereldbevolking ontstaat, die een uitstekende communicatie en een positief gevoel van eenheid bezit. Er is veel geleerd. We zijn met schade en schande wijzer geworden. Na een lang regeneratieproces van de aarde en het weer helder en schoon worden van de atmosfeer, verrijst langzamerhand uit het puin een mozaïek van nieuwe steden, vruchtbare agrarische gebieden en boomrijke bossen. Maar daar is dan ook een aantal eeuwen overheen gegaan. Opgestaan uit het bijna niets meer, ziet de mondiale bevolking er vrolijker en beter uit dan ooit tevoren. Er is een andere, positievere mentaliteit ontstaan. En het is goed om dit boekdeel hiermee af te sluiten.
15.230