DEEL III
Ervaringen van de geest in trance tussen dood en
wedergeboorte/therapie.
15.231
16
Jessica's doodsangst, pijn en suïcidale
neiging
1943-1945. Overleven in de concentratiekampen Ravensbrück en Auschwitz. Liefde voelen aan Gene Zijde. Onwil om te reïncarneren.
De regressies naar vorige levens in de hoofdstukken van dit deel III zijn in feite therapeutische behandelingen. Ze zijn hier echter niet direct bedoeld als voorbeelden van een dergelijke behandeling. Zij willen eerder de lezer kennis laten maken met de inhoudelijke kant van de weergegeven levens en de ervaringen van de regressanten daarin. Ervaringen op aarde en daarna aan Gene Zijde, als een onstoffelijke geest of entiteit. De polariteit van het Zijn in het warme, liefdevolle Licht aan Gene Zijde enerzijds en de sombere existentie op aarde anderzijds, komt iedere keer weer voelbaar tot uitdrukking. De entiteit die, vanuit een lagere Lichtsfeer, nog eens teruggaat naar het 'aardse Gene Zijde', soms om verlangend maar tevergeefs weer een lichaam te zoeken, ervaart die sfeer als
'aardedonker',verwarrend en koud.
Er zijn vele mensen die een begrijpelijke angst voor de dood hebben. Maar dat komt meestal door onwetendheid over wat hen te wachten staat. Mogen het hen een troost zijn dat ik, tijdens de velejaren van onderzoek en therapie, heb ervaren dat de meesten zich bevrijd voelen, opgelucht, na die aardse dood. Op een enkele uitzondering na zijn allen gelukkig met het leven in het Licht. De dood is een verlossing; een genade, geen straf. De scheiding van lichaam en geest vindt plaats in een ondeelbaar ogenblik. In een flits breekt de levensdraad die de geest met het lichaam verbindt, en het stoffelijk huis wordt verlaten. Alleen het daaraan voorafgaande ziekte-of sterfbed kan een kwelling zijn. Maar bedenk dat het lijden niet zonder zin of bedoeling is, al lijkt dat wel zo te zijn. Het is een, in vorige levens, zelf veroorzaakte lotsbestemming, zoals al eerder benadrukt werd. We mogen dus niemand voortijdig laten sterven, hoe de omstandigheden ook zijn. Dat onbekende moment x van iedereen staat vast bij de conceptie. Als we iemand voortijdig laten overgaan, geen natuurlijke dood laten sterven, betekent dit dat hij/zij het leven niet voltooit, maar uit zijn levenslot, zijn karma, wordt weg gesleurd. En ongetwijfeld zal dat laatste, niet-doorgemaakte gedeelte van het leven en lijden weer opnieuw, als een uitdaging, worden aangeboden in een opvolgend leven.
16.233
Het leven in de Schoot van onze Schepper is eeuwig. En het Licht, Zijn Licht, is ons thuisland. Een 'land' van Liefde. Het leven op aarde daarentegen is relatief kort en vol spanningen, verdriet, ziekte en zeer, ongeluk en verwarring maar vooral angst, de oorzaak van alle ellende en noem maar op. Gelukkig dus dat het maar tijdelijk is, al hechten mensen er onvoorstelbaar aan. Dat komt uiteraard niet in het minst doordat velen denken, dat zij maar één leven op aarde te leven hebben, en soms zelfs dat het leven daarna helemaal afgelopen is. Dus moeten we ons wel aan dat ene leven vastklampen als een drenkeling aan een stuk hout. De Franse dichter en prozaïst Voltaire, een der belangrijkste vertegenwoordigers van de Verlichting, die leefde van 1694 tot 1778, stelde: 'Het is niet verwonderlijker tweemaal te worden geboren dan éénmaal; alles in de natuur is wederopstanding.' En dan is meer dan tweemaal geboren worden ook niet verwonderlijk.
In de nu volgende herbelevingen van vorige levens wil ik niet alleen de nadruk leggen op reïncarnatie, maar ook op de ervaringen in het tussen-bestaan, Gene Zijde dus. En om die ervaringen tussen twee levens beter te kunnen begrijpen, leek het mij noodzakelijk de vorige levens hier zoveel mogelijk integraal weer te geven. De gegeven regressies zijn er slechts enkelen uit velen. Maar handeling en karakter daarvan spreken duidelijke taal. Volledigheidshalve moet ik hieraan toevoegen, dat het niet de enige vorige levens zijn die de regressanten bij mij herbeleefden. De eerste vier hoofdstukken behandelen vier levens van Jessica, omdat zij, wat de probleemstelling betreft, een duidelijke samenhang vertonen.
Op dinsdagmiddag, 15 november 1988, stapt Jessica weer bij mij binnen. Een rijzige, slanke vrouw van een jaar of zesendertig. Ze heeft lang, goudblond, golvend haar, dat glanzend tot halverwege haar rug hangt, en prachtige lichtblauwe ogen. Ze is erg nerveus, en dat is begrijpelijk, want haar problemen zijn werkelijk niet eenvoudig. Ze heeft een 'irrationele' doodsangst, pijnen, angst voor seksualiteit en een neiging tot suïcide.
Na een kort voorgesprek breng ik haar snel in trance en geef haar de nodige instructies. Als die voorbereiding is voltooid, vraag ik haar: 'Wat zie je, wat gebeurt er, Jessica?'
De te verwachten oorzaak van haar problemen schijnt haast onderhuids te liggen, dringend om naar buiten te komen. Ze antwoordt onmiddellijk, met een stem die geladen is met emotie: 'Ik sta voor het raam en ik voel eenzaamheid.' Stille tranen glijden over haar wangen. 'Ik wacht op mijn vader. Dan gebeurt er wat. Anders is het leeg. Als mijn vader thuiskomt, is er tenminste wat leven in huis. Maar verder is alles zo eenzaam en saai.'
16.234
'Hoe oud ben je, Jessica?'
'Ik ben vier, en ik word ziek. Ik heb kinkhoest. Ik ben heel erg ziek. Ik weet niet meer wie of waar ik ben. Ik heb hoge koorts. Er staat een toestel in de kamer dat stoom afgeeft, vermengd met benzoïn. Die geur kan ik nog ruiken. Ik hoor het borrelen van dat stoomtoestel de hele nacht door. En ik proef het bittere medicijn dat de dokter heeft voorgeschreven nog in mijn mond. Het zijn zwarte, bittere tabletten. Ik voel me zwak.' 'Wat gaat er allemaal in je om? Waar denk je aan?' 'Aan eenzaamheid. Want als ik genees, dan ben ik toch weer alleen. Moeder werkt, vader werkt. Dus oppas!
Altijd oppas! Mijn ouders zijn er nooit. En 's avonds zijn ze niet bereikbaar. Dus besluit ik, dat ik dan ook niet bereikbaar ben. Ze mogen mij niet aanraken. Moeder is jaloers op mij. Ik kom tussen vader en haar. Mijn vader is gek op mij. Maar ik sluit me af voor hen allebei. En dan voel ik me helemaal alleen. Helemaal stijf, helemaal zonder liefde. En ik geef niks terug.' 'Zonder liefde. Dat kun je niet, hè?' 'Nee...'
'Niemand kan zonder liefde,' zeg ik.
'Maar ik geef niks meer terug. Ik wil niet meer geven. Ik sluit mij helemaal af.'
'En ben je dan weer beter?' vraag ik haar.
'Dan komt weer de eenzaamheid. Monotoon, een lijk kamer. Een lijk kamer van stilte.'
'Doet het je ergens aan herinneren? Van vroeger?' vraag ik dan. 'Dat weet ik niet,'
fluistert ze. 'Onderbewust misschien?' zeg ik voorzichtig. Ze begint zacht te hijgen, maar ze zegt nog niets. 'Nou, probeer het eens,' moedig ik haar aan.
'Ja, ik zie ...' zegt ze moeilijk. 'Ik zie vakken voor lijkkisten ... maar ik weet niet waar ik ben.' Er is lichte paniek, angst. 'Wat gebeurt daar?'
'Ik zie iemand met een brancard ... en daarop ... lijken.' Stilte.
'Wat voor lijken?'
'Uitgehongerd.'
'Hoe komt dat?' Ze geeft geen direct antwoord.
'Ze hebben gestreepte pyjama's aan. Twee mannen op een brancard. Nee ... nee,'
fluistert ze hijgend, afwerend. 'Waar gaan ze ermee naar toe?'
'Ik weet het niet. Ik zie prikkeldraad ... ik wil niet dood!' Plotseling heftig-Weer is er angst, paniek. 'Er is modder om me heen, plassen. Ik zie bruine barakken. Wat doe ik daar? Waarom ben ik daar?' 'Weetje dat? Natuurlijk weet je dat.'
'Maar ik ben te jong om dood te gaan. Ik wil niet dood!' Er klinkt nu
16.235
pure wanhoop in haar stem. 'Ik heb niks gedaan!'
'Hoe oud ben je?'
'Ik kan mijzelf niet zien.'
'Nee, dat klopt. Je kijkt van jezelf af, en dan kun je je eigen gestalte niet zien. Maar je weetje weet! Wat ben je? Een meisje of een jongen?'
'Een meisje van twintig jaar.'
'En tot welke godsdienst behoor je?'
'Joods!' schreeuwt ze het uit.
'Waar ergens ben je nu? Ook dat weetje heel goed.'
'Auschwitz,' zegt ze met trillende stem,volkomen desperaat.
'Hoe ben je daar gekomen?' vraag ik verbaasd.
'Per trein. Dat was vreselijk,' fluistert ze weer. 'Er werd geduwd. Met geweerkolven werden we de wagon ingestampt. Alle lichamen dicht op elkaar. Het is er vuil. Alles stinkt.' 'Hoe komt dat?' vraag ik automatisch.
'Niet gewassen lichamen, vuile kleren. Je staat in je eigen vuiligheid, want er is geen wc. Het is er vreselijk benauwd, en er heerst angst.' De terreur van de angst. 'Het kan niet waar zijn,' stamelt ze. 'God zal me dit nooit laten overkomen.'
'Dat doet God ook niet. Dat doen mensen. Maar wie zijn die mensen die jullie in die wagons stoppen?'
'Duitsers. Nazi's!' Dat had ik natuurlijk al begrepen, nog voor ik de vraag stelde.
'Waar kom je vandaan?' vraag ik verder. 'Ravensbrück,' zegt ze tot mijn verrassing. Want dat bedoelde ik eigenlijk niet met mijn vraag. 'Daar heb ik eerst gezeten.'
'Waarom ben je uit dat kamp weggehaald? Weetje dat?' 'Nee!' Ze hijgt aan één stuk door. 'Ben je opgepakt?' 'Ja.' Kort antwoord. 'Waar? En hoe?'
'Ze slikt een paar keer moeilijk. 'Ik zie grachten,' zegt ze dan. 'Ik was niet donker. Ik dacht, ze pakken mij nooit. Ik lijk niet op een jodin.' 'Ben je misschien verraden?'
'Ja, dat moet haast wel. Ik word in een doodlopende steeg gepakt. En uit die steeg, tussen twee Duitse soldaten, naar de hoofdweg gebracht. En dan, onder bedreiging van geweren, moest ik in zo'n grijsgroene legertruck klimmen.'
'En gaat het dan naar het station, naar die wagons?' 'Ja.' Kortaf.
'Of ben je eerst nog verhoord?' Ze zwijgt en slikt een paar keer met droge mond.
'In welke stad gebeurt dat? Hoe heet die stad met die grachten? Zeg het maar.'
16.236
'Leiden,' zegt ze dan. 'Ik ben een Nederlandse.'
'En als je weer uit die truck bent, wat gebeurt er dan?'
'Dan wordt alles van ons afgepakt. Geld, sieraden, tassen, een mooie hoed.'
'Hoe heet je?'
'Ik heet Sarah Steinemann. Met tweemaal een "n" op het eind.' 'Sarah,waar word je naar toe gebracht?'
'Naar een gebouw. We worden inderdaad verhoord. Maar ze doen ons geen pijn. Daarna moeten we weg, naar de trein. Het opproppen in de wagon valt hier mee. We gaan naar Ravensbrück.' (Een berucht concentratiekamp voor vrouwen.) 'Wat gebeurt daar, na aankomst?'
'We worden geslagen. Ze slaan met stokken en knuppels op mijn rug. We moeten hard werken en we krijgen weinig eten. We moeten onze kleren uitdoen. We krijgen gewoon een stuk vod of zak om over ons heen te trekken. Mooie kleren moeten eruit.'
'Krijg je een soort zak om aan te trekken?' vraag ik ontsteld. 'Ja, maar niet gestreept. En we moeten aardappels schillen.' 'Blijven ze van je lichaam af? Word je seksueel mishandeld, Sarah?' Er volgt een lange stilte. Ze slikt eens. Ze heeft het moeilijk op dat moment. 'Vertel het maar, Sarah.'
'Ja,' zegt ze tenslotte. 'We worden seksueel mishandeld.' 'Wat gebeurt er precies?
'Alles! Het zijn officieren die dat doen.' 'Verkrachten ze je?'
'Nee. Ze gebruiken soms de knuppel om in mijn geslachtsdelen, in mijn vagina, te steken, en ook om te slaan. Ze zijn wreed. Die knuppel in mijn vagina doet heel erg pijn, want ze zijn ruw.' 'Gebeurt dat vaak, dat met die knuppel?' 'Nee. Gelukkig niet. Maar ze straffen haast iedereen.' 'Wat kun je over die "straf" nog meer zeggen, als ze met die knuppel werken? Wat voor invloed heeft dat op je geest?'
'Ik probeer me helemaal af te sluiten. Ik wil niet meer leven. Ik wil niet meer geven. Ik wil niet meer vergeven. Mensen zijn niet te vertrouwen. Het leven is een straf.'
'Wat denk je daar dan bij?'
'Waarom IK? Ik wil me van het leven beroven door niet meer te eten.' En in het leven van Jessica keert die uitdaging weer terug. De neiging tot suïcide.
'En wat gebeurt er dan?'
'Ik word magerder, en dan kan ik mijn werk niet zo goed meer doen. Ik word op transport gezet naar Auschwitz. En dan in zo'n wagon gepropt. In dat kamp, daar krijg ik dat gestreepte pak aan.' 'Wanneer begint je angst, de hevige angst voor deze gebeurtenissen?'
16.237
'Ik zie lijken!' Er is weer afschuw in haar stem. 'Ik voel angst, doodsangst, maar ook, het leven heeft geen zin. Laat het maar gauw gebeuren ... de dood. Maar dat gebeurt niet gauw. Het is weer werken. En mishandeling. Slaan! Weer met knuppels op mijn rug. Het zijn officieren, die dat doen. Er heerst ook overal ziekte. Dysenterie en longontsteking. Maar ze laten me seksueel met rust.' 'Je bent een joodse uit Leiden. Zijn je ouders bemiddeld?' 'Nee. We komen uit de gegoede middenstand. Ik studeerde in Leiden en ik woonde daar bij mijn ouders thuis.' 'Welk jaar is het, als je daar in Auschwitz bent?' 'Ik zie het jaartal 1943.'
'Vertel eens wat meer over je verblijf in Auschwitz?' 'Ik zie barakken, en weer prikkeldraad en modder. Maar ook veel lijken. Mensen worden gedood met gas of met een geweer.' 'Wat overkomt jou, Sarah?' Het blijft stil. 'Laten ze je ongemoeid?'
vraag ik verder.
'Ik zie niks,' antwoordt ze nu. Durft ze misschien niet verder te kijken? 'Kijk eens goed. Je ziet helder en duidelijk wat jou daar overkomt.' (Instructies volgen.) 'Word je ziek?'
'Nee, ik word niet ziek. De bevrijding komt. Maar het kan me niet meer schelen. Ik kan niet meer voelen. Ik ben kapot van binnen. Ik had verdriet en ik heb gehuild, maar het had geen zin. Er veranderde toch niets. En nu voel ik niks meer. Ik wil niet geven en niet vergeven,' zegt ze nog eens. 'Ik ben van binnen helemaal dood.' 'En als je bevrijd wordt, als de Geallieerden komen?' 'Het doet me niets. We worden door de Polen bevrijd.' 'Wat gebeurt er dan? Ga je het kamp uit?'
'Niet onmiddellijk. Later wel. Maar mijn gezondheid is slecht. Ik genees niet, ik word nooit beter. En een paar jaar later ga ik dood. Ik heb kanker, borst-en maagkanker. En ik sterf in 1949 in een ziekenhuis. De zon komt binnen. De muren zijn geel. Ik lig in bed. Het raam is open. Het ziekenhuis is in Duitsland.' 'Weetje ook waar?'
'Ik zie de naam Baden-Baden.' Het komt er zuchtend uit.
'En dan lig je daar in bed. De zon komt binnen. Hoe voel je je?' Ze zucht nog eens een paar keer heel diep. Dan zegt ze: 'Ik voel me blij, omdat het voorbij is. Ik hoef dat leven niet opnieuw te doen.'
'Heb je nog vrij rond gelopen, voordat je die kanker kreeg en daaraan stierf?'
'Ja,' zegt ze. 'Maar het ging niet. Ik word steeds zwakker en zwakker. Ik heb maar kort rond gelopen. En ik ben nooit naar Nederland teruggekeerd. Dat was niet mogelijk. Ik ben te zwak.' 'Wat zijn je gevoelens dan?'
'Blij dat het voorbij is. Er is alleen leegte. En niet meer kunnen vertrou-
16.226
wen. Niet meer kunnen vergeven of geven. Haat kost teveel energie en moeite. Die kan ik zelfs niet opbrengen. Er is alleen die leegte ...'
'Hoe gaat het met de angst?'
'Ik weet niet wat er komt,' zegt ze raadselachtig.
'Angst. Is die er nog?' vraag ik daarom.
'Ja. Die raak ik nooit kwijt.'
'Maar die ga je kwijtraken. Nu je weet waar de angst vandaan komt. Nu kun je er iets aan doen.' Ik tracht zoveel mogelijk overtuiging in mijn woorden te leggen. Maar ik weet dat het niet zo eenvoudig is. 'En dan?' ga ik verder. 'Dan komt het moment van je sterven?' 'Ja,' antwoordt ze rustig.
'Ga daar eens naar toe.' (Instructies volgen.) 'Je bent nu bij de dag en het moment van je sterven, Sarah,' zeg ik. Het klinkt me zelf raar in de oren. Maar zo simpel is het. En Sarah reageert onmiddellijk. 'Ik lig in bed. Ik kan niet meer, maar ik heb geen pijn. De zon komt binnen. Ik lig aan het einde van de zaal, aan de linkerkant, het laatste bed naast de gele muur. Het is 's middags. Er is niemand bij me, en ik glij gewoon weg, zonder pijn.'
'Gelukkig,' is het enige wat ik zeggen kan. 'Luister, je bent nu aan Gene Zijde, in de geest, los van je lichaam. Het zilveren snoer, de levensdraad die je met je lichaam verbindt, is gebroken. Je bent er vanaf, van dat leven op aarde. Je bent nu zeer bewust aan Gene Zijde. Puur geest, fijnstoffelijk. Wat zie je nu, wat voel je?'
Er volgt eerst een heel diepe zucht. Dan zegt ze: 'Ik kijk nog heel even naar mijn lichaam.' 'Ja. En wat zie je?'
'Niet veel. Zo mager, zo wit. Ik keer me ervan af. Draai mijn rug om.' 'Wat gaat er nu in je om?'
'Angst!' zegt ze prompt. 'Nog steeds drukkend op mijn ontlichaam de borst en maag. En ik voel verdriet dat mijn leven zo is gelopen. Het had zo anders kunnen zijn. Ik wil niet meer onder de mensen.' 'Ga eens diep in die angst, ga daar eens heel diep in,' instrueer ik haar. 'Zo diep datje die weer helemaal meemaakt, en je die angst daarna beter kunt loslaten. Wat voel je dan?'
'Niks is zeker. Alleen de dood. Mijn lichaam brandt, mijn maag doet zeer. Niemand is te vertrouwen.' 'Zit dat allemaal in die angst?'
'Ja. Alles is zo onzeker. Ik voel me seksueel geen vrouw meer,' komt er nu ook uit.
'Hoe is dat gekomen?' Het is eigenlijk naar de bekende weg vragen, maar ik doe het toch.
'Door de mishandeling in het kamp.' Ze identificeert elke fallus met de knuppel die haar vagina pijnigde. 'En door het zelf vernietigen van mijn eigenwaarde. Stuk ... voor ... stuk!' zegt ze langzaam, maar met na-
16.239
druk.
'Dat is dus door je verblijf in Ravensbrück gekomen, en door wat daar gebeurd is,'
vul ik haar aan.
'Ja. Door het hele proces van afbraak van de menselijke waardigheid.' 'Is er angst voor seksueel contact?'
'Ja. Ze mogen me niet meer aanraken.' Dat is heel goed te begrijpen. Dat is een diepzittend trauma.
'Daar zit de oorzaak van wat er in een opvolgend leven, als Jessica, gebeurt ten opzichte van mannen. Besef je dat?'
'Ja, dat is duidelijk. Er schuilt angst in die seksuele benadering,' antwoordt ze.
'Je moet die angst loslaten. Die is ontstaan tijdens gebeurtenissen in een andere tijd. Het is voorbij,verleden tijd.'
'Ik ben bang om de angst los te laten, omdat ik alleen de pijn heb beleefd. En dat was toch een houvast.'
'Je hebt de pijn beleefd, zegje. Beleef de angst dan nu ook eens.' Ze hijgt zwaar.
'Vreselijk,' fluistert ze.
'Ga door de emotie van die angst heen. Doorleef die angst!' dring ik aan. 'Die pijn was een zekerheid, hè. Maar die angst is ook een zekerheid. En voor een groot gedeelte ook een onzekerheid. Niet weten!' 'Niet weten,' zegt ze mij fluisterend na.
'Ga er doorheen, Sarah. Nu je nog binnen de aardse sfeer van Gene Zijde bent. Wat gebeurt er in je, als je nou eens diep door die angst heengaat?' vraag ik indringend, in een poging om de aan de angst vastzitten de, onverwerkte lading emotie vrij te laten komen. Diepgaande herbeleving te laten plaatsvinden. Maar wat eens Sarah was op aarde, ontvlucht die herbeleving voorlopig nog.
'Ik zie een Licht,' zegt ze ontwijkend. 'Ik wil naar dat Licht toe.' En ik wil haar zeker niet tegenhouden. 'Ga dan omhoog, Sarah! Want zo zal ik je gemakshalve nog maar noemen, hoewel je geen aardse naam meer hebt. Ga omhoog! Ga omhoog, Sarah! Je bent maar één gedachte ver van dat Licht verwijderd. Je bent er in feite heel dicht bij. Slechts één gedachte, IK wil naar het Licht, IK ga naar dat Licht. Ga omhoog!' herhaal ik. (Verdere instructies volgen.) 'Nu voel je hoe je omhoog gedreven wordt. Je weegt niets, je bent onstoffelijk. Je vliegt omhoog.'
'Ja ... ja!' roept ze opgelucht. 'Wat zie je nu?'
'Het warme, felle, gele Licht. Gouden Licht, als een hulsel om me heen.' 'Is daar iemand om je op te halen en te begeleiden?' 'Nee, die zie ik niet...'
'Ga dan hoger, in het Licht, en kijk goed. Misschien is er familie, een vader of moeder, of een Gids. En je voelt de Liefde, die daar alom is, naar je toe stralen. Daar heerst uitsluitend Liefde.'
16.240
'Ja . ik zie gedaanten, maar
'Daar is wel iemand die je herkent en die liefdevol op je afkomt om je te begeleiden.'
'Een oude vrouw,' zegt ze nu. 'Ja. Het is mijn oma. 'Wat voel je daarbij?'
'Liefde,' antwoordt ze, tevreden zuchtend, 'en warmte.' 'Wat nog meer?'
'Onzekerheid over waar ik naar toe ga.' 'Waar ga je dan naar toe?' 'Ik moet naar een ander leven op aarde.' 'Welk leven is dat?'
'In 1951.' Ze omzeilt de juiste naam opzettelijk. 'Dan weet ik welk leven dat is.' 'Ik wil er niet naar toe,' zegt ze toonloos. 'Het is je leven als Jessica, nietwaar?'
'Ik wil er niet naar toe,' herhaalt ze, nog eens nadrukkelijk. 'Ik wil die ouders niet. Dan moet ik weer alleen zijn.'
'Wat voor nut heeft dat? Heeft dat een bedoeling?'
'Ik moet leren alleen te zijn.' En dat wil ze kennelijk niet.
'Maar zonder angst,' voeg ik eraan toe.
'Ja, maar die heb ik nog. Die neem ik mee naar het leven als Jessica.' 'Die angst moetje kwijtraken, hè?' 'Jaah ...'fluistert ze.
'Hebben ze je ook gezegd, hoe? En "ze" zijn degenen, die je raad gegeven hebben?'
'Volhouden,' antwoordt ze. 'Ooit zal de zon weer schijnen.'
'Dit is het begin van het kwijtraken van de angst,' bemoedig ik haar.
'Ik kan het haast niet geloven,' fluistert ze nu weer.
'Het is toch zo. Je gaat dat trauma uit je leven als Sarah, waardoor de angst is ontstaan, helemaal loslaten. Door het te verwerken, langzaam, maar zeker. Daaraan zullen we samen werken.'
'Ja ...' klinkt het nu heel zacht. 'Ik ben zo bang om te geven,' zegt ze even later, terwijl de tranen langs haar wangen biggelen. 'Zo bang voor intimiteit,' voegt ze er nog aan toe. 'Mensen te vertrouwen. Mezelf te vertrouwen. Er is geen Zelf meer.'
'Vertrouwen,' zeg ik. 'Ja. Doe dat toch maar weer. Het is de basis van een goede samenleving, van een intermenselijke relaties. Het is een andere wereld dan de wereld van Sarah, waar je nu heengaat. Besef dat.' 'Maar waar is mijn Zelf gebleven? Waar is dat?' roept ze wanhopig.' Dat Zelf is in het centrum van je ziel, waartoe al je ik - persoonlijkheden behoren. Dat Zelf is er nog altijd, en je kunt het ook nog altijd bereiken.'
Ik voel het niet meer,' fluistert ze.
Het zit heel diep in je. In je diepste wezen, in je Hoger Zelf. Ik help je.
16.229
Wil je dat Zelf terugvinden?' 'Ja,' zegt ze nu wat rustiger.
'Goed. Ga dan hoger, naar een hoger niveau van je geest. Ga door het continuüm van je geest feilloos naar het Goddelijk niveau van je Geest Ga daarheen.'
'Ja.' Kalm volgt ze nu de instructies op.
'Klim op naar dat Goddelijk niveau van je Zelf, waar een veel hoger bewustzijn is.'
'Ja,' zegt ze weer. Ze volgt en bevestigt de stadia van het proces dat gaande is. En ik ga verder. 'Ga naar de hogere lagen van je eigen geest. En je zult het je bewust worden, het Zelf. Het is een "gestalte" van Licht, datje ziet en voelt. Het Hoger Zelf.'
'Ja.' Nog steeds volgt ze me. (Nog meer instructies volgen.) 'Je vindt dat Zelf terug, en je vindt je kracht terug, en je vindt je vertrouwen terug. En je kunt je angst loslaten. Je kunt het! Maar je moet in je Zelf vertrouwen.' Ze bevestigt met 'Ja'
steeds het volgen van mijn indringende instructies.
'Je bent nu in je Hoger Zelf. Kijk goed om je heen. Je moetje in het Licht bevinden. Je ziet daar een Lichtwezen. Dat is je Hoger Zelf. De basis van alles wat je bent, je totaliteit. Je kunt daarmee een gedachten contact tot stand brengen. Wat zegt het Hoger Zelf? Het is koel, analytisch, zonder emotie. Je voelt wie, wat en hoe je bent.'
'Het zegt: "Ga door."' Haar stem klinkt vaster nu.' "De moed niet opgeven. Ga door!"'
'Heb je je Zelf nu weer teruggevonden?' 'Nee,' zegt ze. 'Ik moet nog door de angst heen.'
'Ga dan door de angst heen!' Het klinkt als een bevel, maar is niet zo bedoeld.
'Ja,' fluistert ze, sterk geëmotioneerd.
'Ga maar weer terug, naar een lager niveau van je geest. Kom maar terug uit je Hoger Zelf. Dan gaat het gemakkelijker.' (Instructies volgen.) 'En nu ga je door de angst heen. Die komt in volle hevigheid op je af. De angst, die in Leiden is begonnen, verder ging in Ravensbrück, en ten slotte helemaal naar boven kwam in Auschwitz.' 'Auschwitz,' herhaalt ze, zo zacht, alsof ze in zichzelf spreekt. 'O, ben je daar gestorven?'
Ze hijgt hevig, en nauwelijks hoorbaar zegt ze: 'Nee.' 'Niet fysiek gestorven. Nee! Er is daar iets geestelijk in je gestorven. Maar er is meer,' ga ik verder. 'De angst komt nu onweerstaanbaar in je op. Je gaat die angst verwerken. Je gaat er heel emotioneel doorheen. Je laat hem toe nu, want je weet waar hij vandaan komt.' Ik werk nu heel bewust sterk suggestief op haar in. Ik drijf de angst in haar op, moedig hem aan. Ze beeft en hijgt zwaar. 'De angst is er in alle hevigheid. Wat
16.230
voel je nu?'
'Donkere angst,' stamelt ze. 'Onzekerheid. Leegte.' 'Waar zit het dieptepunt van de angst? In welke gebeurtenis, en waar?' 'Het seksuele gebeuren met die stok in mijn vagina. En ook dat mijn hele persoonlijkheid wordt afgebroken. Beide zijn even erg. Beide gebeurtenissen doven het licht. Ik werd vernederd.' Ze hijgt weer zwaar, alsof ze het benauwd heeft.
'Ga er opnieuw doorheen. Je voelt het weer, lichamelijk en geestelijk, en de angst komt opzetten,' dring ik aan. Ik probeer met haar tot een catharsis te komen, een meervoudig 'herbeleven is bevrijden'. Dat is één therapeutische mogelijkheid. Het trauma proberen te ontdoen van zijn lading (verdrongen) emoties, door het toepassen van 'flooding', het leeg te spoelen, door er een aantal malen doorheen te gaan. Net zo lang als nodig is. Dat kan een moeizame weg zijn, zoals in dit geval.
'Ga er nog eens doorheen,' stimuleer ik haar. 'Probeer het nu te verwerken.'
'Ja ...' Heel, heel zacht en vermoeid komt het eruit. 'Ik was nog niet eens een volwassen vrouw. Ik was pas twintig. Ik wist niets van die dingen, nee.' Ze slikt een paar keer moeilijk.
'Ga dieper erin,' dring ik aan. 'Je voelt het in alle hevigheid op je afkomen.' (Verdere instructies volgen.) 'Je gaat er afstand van nemen, door er doorheen te gaan. Net zolang, tot je niets meer voelt van de angst.' Ik geef haar nu de tijd om door haar emotie heen te worstelen. Daarna vraag ik: 'Hoe gaat het nu?'
'Het is beter,' zegt ze ten slotte. 'Maar ik voel me wat misselijk.' 'Hoe komt dat dan?'
'Leeg gevreten. Er is teveel gebeurd. In Leiden en in die twee concentratiekampen. Ik heb daar teveel gezien. Maar ik wil het kwijt. Ik wil het niet meer zien.'
'Laat het dan maar los.' En na enige tijd vraag ik haar: 'Hoe is het nu?
Vertel het me maar.'
'Ik ben moe,' verzucht ze.
'En wat zit er nog in die moeheid?'
'Verdriet,' antwoordt ze gelaten.
'Waarom huil je dat er niet uit?'
'Ik ben leeg. Huilen heeft geen zin.'
'Maar het lucht wel op,' zeg ik. 'Duik nu eens diep in dat verdriet. Laat je daar eens in wegzakken. Toe maar! Laat je maar gaan!' Er komt na deze stimulering tot activatie toch nog emotie bij haar opzetten. Haar ademhaling gaat sneller en zwaar. Haar gezicht vertrekt tot een vreemde grimas.
'Durf erin te stappen, in dat verdriet. Geef er maar aan toe. Ga erin!' dring ik aan. Tranen lopen nu eindelijk langs haar wangen. Ze snikt zacht.
16.243
'Ja,' zeg ik. 'Toe maar. Nu voel jij je verdriet onweerstaanbaar omhoog komen, en dan zitje er midden in ... Dan voel je wat een opluchting dat brengt. Daar komt het aan, al dat hevige verdriet, dat je zolang hebt weggestopt, omdat je dacht dat het geen zin had om te huilen, er lucht aan te geven. Je had het verdrongen, diep in je onderbewustzijn. Huil het eruit!' Het klinkt als een bevel. En nu breekt er inderdaad een vloed van tranen en snikken los. Er komt een sterke emotie vrij. Het verdriet, de tranen komen nu ongeremd tevoorschijn. En ze laat ze de vrije loop.
'Al dat volk dood!' Ze snikt en schreeuwt het uit. 'En we deden niemand kwaad. Al dat mooie volk!' Door haar eigen woorden komt de emotionele lading nu pas goed los. De hele, tot nu toe verdrongen lading. 'Ga maar door, toe maar!' spoor ik haar aan. 'Huil het eruit! Er zijn zoveel tranen, er is zoveel verdriet! Zo verschrikkelijk veel leed. Huil het eruit!' En ik laat haar net zo lang huilen, tot zij uit zichzelf tot bedaren komt.
Nog nasnikkend, zegt ze: 'Het blijft in mijn maag zitten.' 'Je voelt hoe het uit je maag omhoog komt en zich omzet in verdriet,' is de instructie, die ik haar nu geef. 'En je laat dat verdriet komen.' Opnieuw begint ze hevig te snikken, en komt er emotie los. Ik laat haar rustig haar gang gaan en wakker de emotie nog aan. 'Al dat mooie volk!'
roept ze klagend, tussen haar snikken door. 'Ja, dood, gemarteld, verbrand. En ze deden niemand kwaad.' Zo klop ik haar emotie nog verder op.
'Neee ...!' haalt ze uit, hartverscheurend snikkend. Ik weet het. Het is in en in triest. Maar het werkt, en dat is de bedoeling. 'Laatje maar gaan,' zeg ik ten slotte.
'Ik kan niet meer huilen. Ik ben te moe,' zegt ze met zwakke stem. 'Een andere keer gooi je de rest er nog wel uit. Hoe is het nu met je maag?' (Sarah had maag-en borstkanker.) 'Beter,' zegt ze, wat kalmer.
'En de angst hoeft er niet meer te zijn. Begrijp je waar je al die tijd angst voor hebt gehad?'
'Ja...'
'Dit zat er. Je hoeft die angst niet meer te hebben. Zet hem van je af. En kom ook niet aan je eigen leven, Jessica! Want je bent, na je leven als Sarah, als Jessica gereïncarneerd,' voeg ik er nog aan toe. 'Dat leven is zo onzeker,' begint ze weer.
'Ja, maar als Sarah ben je gespaard gebleven voor suïcide. Je bent ook niet in de gaskamers omgekomen en verbrand. Je bent een natuurlijke dood gestorven, tussen aanhalingstekens. Maar je kunt het als ziekte beschouwen. Al is die ziekte door iets heel ergs veroorzaakt.' 'Jaah...'
16.244
'Je bent gespaard, om levend uit dat kamp te kunnen komen. Maak nou niet, in je leven als Jessica, zelf een eind aan dat leven. Trouwens, ik heb je gewaarschuwd voor de nare gevolgen van suïcide aan Gene Zijde. Mogelijke aardgebondenheid, en met een bewustzijn van "nul komma nul" verward en koud in de duisternis, niet wetend wat te doen.' 'Maar ik voel de angst van dat leven als Jessica,' sputtert ze tegen. 'Waar komt die dan vandaan?' vraag ik geduldig. Ze is bang om de angst los te laten. Ze kent niets anders dan angst, verdriet en eenzaamheid. Ze is bang om te leven.
'Dat hoeft toch niet meer. Want dat heeft een oorzaak. En die oorzaak heet Sarah. Daar moetje nu afstand van gaan nemen. Dat is voorbij.' 'Jessica is bang om assertief te zijn,' gaat ze verder. 'Als ze zich assertief gedraagt, wordt ze gestraft. Net als vroeger.' 'Nee ... nee.., dat wordt ze niet,' protesteer ik. 'Dat was in het kamp,' werpt ze tegen.
'Ja, maar je bent niet meer in het kamp. Je bent vrij. Je hoeft niets meer te vrezen.'
'Maar het maakt me bang.'
'Dat hoeft je echt niet meer bang te maken. Dat is oude angst. Die angst was de angst van Sarah. Haar invloed zat of zit nog in je. Laat die toch los. Dat leven van Sarah heeft de sterkste invloed op alles wat er in je leven als Jessica gebeurt. Van daaruit komt de sterkste invloed. Plus van nog enkele andere vorige levens die je ook kent. Maar dit laatste leven, vlak voor je leven als Jessica, heeft de sterkste indruk van angst bij je achtergelaten. Ja?'
'Ja,' protesteert ze. 'Maar ik word bang. Erik, mijn man, wil naar Duitsland. En ik moet mee. Ik moet de angst overwinnen.' 'Ach nee, nog niet! Wachten! Weet hij van het leven als Sarah?' 'Nee.'
'Zeg dan tegen hem dat hij rekening moet houden met jouw gevoelens.' 'Dat doet hij wel. Maar in de toekomst moet ik die angst overwinnen, en Duitsland toch ingaan.'
'Ja, in de toekomst,' zeg ik.
En onverwacht zegt ze: 'Ik ben vandaag in Duitsland geweest, als Jessica.'
'Waarom deed je dat? Wist je dan iets van dat Duitsland af?'
'Ik heb het altijd geweten,' zegt ze nu. 'Een voorgevoel.'
'Ga nog maar niet terug naar Duitsland,' adviseer ik haar. 'De tijd is er nog niet rijp voor.'
'Nee, ik doe het niet. Ik ben vanochtend bij Glanerbrug geweest, net even over de grens. Het ging.'
'Weetje, dat als dat ging, datje dan nu ook niet meer zo angstig hoeft te zijn.'
'Nee,' zegt ze effen.
16.245
'De tijd is voorbij dat de Duitsers joodse meisjes van twintig jaar oppakken in Nederland. Er is niets, in dit verband, wat jou nog kan deren. Het leven van Sarah is voorbij. En je bent opnieuw begonnen als Jessica.' 'Erik wil naar Baden-Baden. We zijn daar al in de buurt geweest. Het ging niet meer. Ik stortte in. Ik kreeg het daar zo benauwd.' 'Ja, precies. Weet je dat je daar een reactivatie van het leven van Sarah hebt gekregen, vanuit een onderbewust weten. Dat was het slechtste dat Erik je kon bezorgen. Maar dat wist hij natuurlijk niet. Blijf daar voorlopig weg. Je krijgt daar associatieve restimulaties. Een causale resonantie, een echo uit het verleden, waarop je autonome onderbewustzijn reageert. Wacht tot je geest sterk genoeg is om die reacties te kunnen verdragen, dat wil zeggen tot alles opgelost is en er geen negatieve reacties meer komen.'
'Ja. Dat zal ik doen,' antwoordt ze met overtuiging. 'De oorzaak van de angst behoort tot het verleden. Maar die zat nog te werken in je geest. Die zat, als een onbekende factor, opgesloten in je onderbewustzijn. En alles wat daar opgesloten zit aan traumatische invloeden gaat narigheid veroorzaken. Nu is het trauma niet meer opgesloten. Nu kan de problematiek vrijelijk in je bewustzijn stromen, en kun je die daar verwerken, uit je laten vloeien. Je kent nu de oorsprong. Besef je wat ik zeg, wat ik bedoel?' 'Ja. Maar hoe moet ik dat verwerken?'
'Dat doe je nu, om te beginnen. Hier, bij mij, en zo nodig nog enkele keren. Overigens gaat dat verwerkingsproces ook spontaan door in jezelf, in het dagelijks leven.'
'Maar Sarah beïnvloedt de kleine Jessica van toen, en maakt haar bang, en bang, om ...' sputtert ze tegen.
'Nee, dat doet ze nu niet meer. Ze is vanmiddag toch naar het Licht gegaan.'
'Ja,' moet ze toegeven.
'En vanuit het Licht straalt liefde en vredige warmte naar je toe. Sarah projecteerde haar angst op jou. Jouw IK en haar IK zijn een en hetzelfde IK. Daarom gaat dat zo gemakkelijk. Maar ik hoop dat ze dat niet meer zal doen. Ze deed het in ieder geval onbewust.' Ik laat mijn woorden even bij haar bezinken. Dan vraag ik: 'Hoe voel je je nu?'
Ze zucht. 'Ik ben moe. Mijn maag doet zeer en voelt gezwollen. Ik heb een brok in mijn keel. Dat komt omdat er toch nog steeds angst is. Onzekerheid en verdriet van vroeger. Verdriet uit beide levens, Sarah en Jessica. Angst uit beide levens. Onzekerheid in beide levens. Dubbel op.' 'Nou, ga dan nog eens naar de oorzaak van die angst in je maag, in je leven als Sarah. Nog een keer er doorheen.'
(Instructies volgen.) 'Bij welke gebeurtenis kom je nu terecht?'
'In Ravensbrück. Weggetrokken van de veilige gemeenschap. Weg van
16.246
het volk, van het vertrouwde naar de eenzaamheid, naar het nare toe. Naar de'
dreiging van die vreemde wereld. Ik was onnozel,' voegt ze eraan toe.
'Laat het door je heen spoelen. Laat dat allemaal nu maar los. Het is voorbij.' Ze zucht een keer en fluistert: 'Ja.'
'Je bent er diep van doordrongen wat de oorzaak is. Dus nu ga je die pijn in je maag volkomen loslaten. Die oorzaak zal je geen kwaad meer doen.'
'Nee ... Mijn maag voelt beter, en ik ben moe. Maar ik zet mijn tanden op elkaar. Ik wil niet praten. Er is iets in dit leven. Nu wil ik niet meer praten. Ik heb te veel pijn geleden. Ik vind het te moeilijk om met mensen te praten. Oh, daar gaat mijn maag weer, het samentrekken.' 'Als die Nazi - officier, in dat concentratiekamp Ravensbrück, die stok in je vagina steekt, heb je dan angst dat hij iets kapot zal maken in je lichaam?' vraag ik nog.
'Jaah ...!' Ze kreunt. 'En ik word van binnen en van buiten kapotgemaakt. Helemaal kapot gemaakt. Ook mijn geest wordt gebroken. Er blijft niks van me over.'
'Word je ook lichamelijk kapot gemaakt?' vraag ik. 'Geslagen!'
'Ik bedoel van binnen.' 'Ik bloed lichamelijk.'
'Laat het nu maar los,' zeg ik voor de zoveelste keer. 'Ja,' besluit ze. Het is duidelijk dat Jessica's problemen nog niet zijn opgelost Maar het begin is gemaakt. En we geven de hoop op genezing nooit op.
16.247
17
het tussenbestaan na Sarah en voor
Jessica
Angst en eenzaamheid vóór, tijdens en na de geboorte als Lulu (Jessica). Aan Gene Zijde voor de Raad van Drie, en de analyse vóór de reïncarnatie als Jessica.
Een groot aantal mensen zullen zich afvragen waarom Jessica, zoals zo-velen, een vorig levenslot moest ondergaan als dat van het joodse meisje Sarah in de concentratiekampen Ravensbrück en Auschwitz. Als dat lot zo maar, willekeurig bepaald was, bij maar één leven te leven op aarde, dan zou dat een ongelooflijke onredelijkheid betekenen. Een niet te verklaren en niet te begrijpen willekeur. En zo vragen vele mensen zich iedere dag weer af: 'Waarom heb ik toch zo'n (ondraaglijk) lot als het mijne opgelegd gekregen.' Ja. Waarom?
Alles heeft een oorzaak. Niets is zonder zin of betekenis. Niets gebeurt zo maar, willekeurig, redeloos. Als we verder teruggaan in de aardse tijd, vinden we daar steeds een vorig leven, waarin - in beginsel - precies het omgekeerde is gebeurd van wat iemand in een volgend leven overkomt. Dus ook in het tegenwoordige leven.
Ik noem dat de 'karmische veroorzaker'. Hebben wij bijvoorbeeld in een vorig leven iemand pijn gedaan, gekweld, geestelijk en/of lichamelijk, dan zullen we later een leven ontmoeten waarin die 'iemand' op zijn of haar beurt ons laat voelen wat wij hem of haar destijds zelf hebben aangedaan. Vroeger veroorzaakt, en later het gevolg. Precies andersom! En dat kan in leven na leven zo doorgaan, als het karma niet wordt gestopt. Een levensles, om te leren dat wat jij niet wilt dat jou overkomt, ook een ander niet aan te doen. Wie niet horen wil, moet maar voelen. Dat zal je leren voorzichtiger en liefdevoller om te gaan met je naaste, en ten slotte weer een betere samenleving scheppen, zowel in het klein als in het groot. Meer je naaste liefhebben zoals jezelf, en zo het intermenselijke karma beëindigen. Ik heb daar al eerder over gesproken, maar ik kan het niet genoeg herhalen.
En volgens dit principe, deze door God gegeven kosmische wet, volgens deze leerschool, vergaat het ook Sarah, en ten slotte Jessica. We zullen dat in de volgende regressie van Jessica verduidelijkt zien. En niemand kan zich beklagen bij een andere instantie dan zichzelf, als we ons afvragen, waarom. Een levenslot is praktisch altijd zelf veroorzaakt, met een vrije wil. Ik heb daar talloze voorbeelden van in mijn praktijkarchief. Het
17.249
kan wel eens gebeuren dat iemand sneller zijn karmische fouten of schulden wil inlossen, en vrijwillig een zeer moeilijk en zwaar levenslot op zich neemt. Maar vaak zal dat niet gebeuren.
Overigens kan en wil ik hier beslist niet generaliseren. Er zijn in Wereldoorlog II, miljoenen joden en ook niet-joden in de kampen van de nazi's omgekomen. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik niet weet, waarom dat al die mensen persoonlijk is overkomen. Pas als ik door regressie van iedere betrokkene zelf aan de weet ben gekomen waarom hij of zij een dergelijk lot moest ondergaan, kan ik de aard van die zogenaamde karmische veroorzaker vaststellen. Niemand moet zichzelf daarom nu zomaar in een vergelijkende situatie plaatsen. Dat wil ik hier uitdrukkelijk stellen. Maar nu terug naar Jessica.
Jessica zit op dinsdagmiddag, 29 november 1988, weer in de zwarte stoel van mijn schemerig verlichte praktijkkamer voor een volgende regressiesessie. Nadat wij aan de hand van mijn verslag een regressie - analyse van de voorgaande sessie hebben gedaan, breng ik haar snel, via een verkorte inductie, in diepe trance. Als alle voorbereidingen zijn voltooid en de juiste instructies zijn gegeven, vraag ik haar opnieuw: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Waar ben je?'Als ze niet direct reageert, zeg ik nog eens: 'Je bent nu tijdens of voor de geboorte van je leven als Jessica.' 'Ik ben nog in de baarmoeder. Jaah,' verzucht ze zacht. 'En ik ben niet blij om geboren te worden.'
'Is er iets voelbaar van de angsten die later zullen optreden?' vraag ik. 'Mijn hele lichaam brandt. Dat voelt zo.' En ze blijft maar fluisteren, als of ze van heel ver komt.
'Het is donker,' voegt ze er nog aan toe. 'Vertel me zoveel mogelijk over de gevoelens die er in je omgaan, op het moment dat je naar het geboortekanaal gestuwd wordt om geboren te worden.'
'Ik wil er niet doorheen,' zegt ze. 'Ik voel me niet veilig. Ik wil niet weg van de warmte van de baarmoeder.' Haar stem krijgt nu meer kracht. 'Ik voel geen binding met dat mens, mijn moeder,' moppert ze. 'Je voelt je niet veilig, zegje. Waarom niet?'
'Zij is bang ... bang voor alles. Ze wil mij niet. Veel te veel verantwoordelijkheid. Ze is zelf nog een kind.'
'Ach ...' zeg ik. 'Daar heb je de projectie van jou, om een kind te willen blijven. En hoe oud is je moeder in werkelijkheid, in aardse tijd gemeten?'
'Ze is éénentwintig.'
'Vertel me wat je nog meer voelt.' Alleen stilte. 'Ben je ergens bang voor, heb je angst?' vraag ik verder.
'Ik voel me leeg. Mijn maag knort. Ik heb niet genoeg te eten,'
17.237
antwoordt ze.
'Terwijl je in de baarmoeder bent?' vraag ik verbaasd. 'Nee, daarna.' Ze is kennelijk ongemerkt door de geboorte heen geslipt. 'Wacht! Ga terug,' zeg ik haar. 'Terug naar het moment dat je door het geboortekanaal wordt gestuwd, vanuit de warme holte van de baarmoeder. En vertel watje voelt, als je daar doorheen gaat.' 'Oh, angst! Angst om weg te moeten uit dat warme lichaam. Uit de warmte, naar de wereld toe. De wereld is koud, groot en bedreigend.' 'Wat voel je nog meer, terwijl je door die nauwe geboortetunnel geperst wordt?'
'Ik voel hoofdpijn, eh ... van de tang. Het is een tangverlossing.'
'Vertel maar, is er nog meer angst? Angst die te maken heeft met vorige levens, of met wat voor j e ligt.'
'Angst voor wat voor me ligt, ja. Dat is eenzaamheid. Mijn ouders zijn er niet. Er komt een verpleegster, maar geen moeder. Ze laten mij maar huilen, lang en hard. En ik huil omdat ik warmte en eten wil. Ik voel me ook alleen gelaten.'
'Heb je angst voor problemen in de toekomst?' vraag ik nu.
'Ja,' zegt ze. 'Om onder de mensen te zijn. Angst om te praten en om mensen te vertrouwen, mensen lief te hebben. Angst voor intimiteit.'
'Je wordt Jessica genoemd, is het niet?'
'Ja. Maar die naam gebruiken ze nooit.'
'Welke dan?'
'Lulu. Dat is niet mijn naam, en dat vind ik verschrikkelijk.' Ik besluit deze fase hier af te sluiten. 'Luister, Jessica,' zeg ik. 'Ik wil dat je teruggaat, vanaf dit moment, na je geboorte. Terug door de tijd, doorgebracht in de baarmoeder, in het intra - uterine bestaan, terug door de conceptie heen, terug naar je onstoffelijke bestaan, tussen de twee levens als Sarah en Jessica. Wat ervaar je dan?' 'Angst,' zegt ze met een benepen stem. 'Ben je alleen, of is er iemand bij je?' 'Ik zie niemand,' antwoordt ze. Ik probeer het nog eens, op een andere manier. 'Ga eens naar de fase waarin je daar echt bewust verblijft; tussen die twee levens als Sarah en Jessica. En ga naar een belangrijk moment, dat met je reïncarnatie, je geboorte als Jessica in verband staat. Waar kom je dan terecht?' Er volgt een lange stilte, en ik vraag verder: 'Waar ben je nu? Zijn daar Gidsen of andere entiteiten die met je van gedachten wisselen over je aanstaande incarnatie? Entiteiten die je leven als Jessica en je vorige levens met je analyseren en aan je duidelijk maken, je vertellen wat voor karma je in je nieuwe leven moet doormaken. Je daarbij raad geven en je levensplan met je doornemen. Waar kom je dan terecht?' En dan is ze er. 'In een kamer met kleine laden aan de muren,' zegt ze. 'Die laden zijn bloedrood, met zwarte knoppen. En de vloer is groen.'
17.251
(Heeft dat een symbolische betekenis?)
'Wat is dat voor een kamer? Vertel maar. Wordt daar met je van gedachten gewisseld?'
'Ja. Ik moet het doen. Ik moet terug naar de aarde. "Je moet!" zeggen ze. "Er valt niets te kiezen. Het gaat vast wel goed. Maar makkelijk zal het zeker niet zijn. Vooral in het begin niet. En later ook niet. Maar dat is voor iedereen zo," zeggen ze.
"Het is wat jij ervan maakt met je vrije wil. Jij maakt de keuzes," hoor ik.'
'Wordt er iets van je leven daarvóór getoond, van je leven als Sarah? Iets dat een invloed zal hebben op je leven als Jessica? Want zo zul je heten. Of misschien iets uit een ander vorig leven, waaruit je karma wordt opgebouwd. De lessen die je moet leren. Waarom moetje dat leven vol problemen en angsten leiden, zoals je dat leidt als Jessica?' 'Om angst los te laten, en om iets voor een ander te betekenen,' zegt ze nu, met een plakmond. 'Ik sta voor zoiets als een raad. Een archief. Er zijn er drie.'
'Wat laten ze je zien. Wat wordt er gezegd over je Zelf?' 'Verschillende dingen uit het komende leven als Jessica. Zowel het goede als het kwade gaan heel snel, als een film aan me voorbij.' 'Wat zijn de hoofdpunten?' 'Eenzaamheid en abortus,' zegt ze aarzelend. 'Wat wordt daarover gezegd?'
'Het is voor je bestwil. Om te ervaren, en om limieten te leren.' 'Werd die abortus dan goedgekeurd, of niet?' 'Geen van beiden. Het moest een ervaring zijn.' 'Moest je zelf beslissen?' vraag ik nadrukkelijk. 'Ja,' antwoordt ze.
En daarvan dan ook zelf de karmische gevolgen aanvaarden, denk ik dan. Net zoals bij onze komst op aarde, bij onze eigen vrije wilsbeslissing om in een aards lichaam te gaan, met alle daaraan verbonden consequenties. Er was geen verbod, maar ook geen toestemming. We moesten het helemaal zelf weten.
'Is er niet gezegd datje dat eigenlijk niet moest doen?' vraag ik nu. 'Een van de drie zegt, nee, geen abortus. Je moet limieten stellen, grenzen, hoe dringend je ook naar de warmte van je medemens zoekt. Nee, geen abortus!'
'En wat wordt er gezegd over je huwelijk? Over je relatie met Erik. Waar steunt die op? Op welk vorig leven? Wat voor een probleem schuilt er in dat huwelijk?'
'Seksuele problemen. En angst om hem te vertrouwen. Hij meent het zo goed, maar hij moet ook leren geven.'
'Waar komen die problemen vandaan? Uit welk leven? Wat is daar ge-
17.252
beurd? Hij meent het zo goed, zeg je. Waarom ben je dan zo bang om wellicht uit elkaar te moeten gaan?' Het zijn misschien wat teveel vragen ineens, bedenk ik me nu.
'Ja! Ik wil niet alleen zijn!' roept ze, plotseling hevig geëmotioneerd. 'Ik wil niet alleen zijn! Ik wil hem niet kwijtraken!' Blijkbaar heb ik toch ergens in de roos geschoten.
'Waarop is die angst gebaseerd?' 'We zijn elkaar ooit eerder kwijtgeraakt. Ik liep weg.' 'Aha. En nu vertrouw je jezelf niet meer,' concludeer ik. 'Nee, en dat moet ik juist wel leren.' 'Waarom liep je weg?'
'Ik wilde niet aan dat huwelijk werken. Nu wel!'
'Waarom wilde je dat niet?'
'Ik wou vrij zijn, in dat vorige leven.'
'Had je daar een goede reden voor?'
'Ik wou dansen en lachen en vrijen, geen verplichtingen hebben. Maar ik wil hem geen pijn doen. Niet meer. En het deed hem daar wel pijn.' 'Wat was dat dan voor een leven? In welke tijd?'
'Dat was omstreeks 1830. Ik heette Anna Meyer. En zijn naam was Ru-dolf. Dat is Erik nu. De Raad van Drie zegt, dat ik het opnieuw moet proberen. Het gaat vast wel goed. Ik hoef geen angst te hebben, bedoelen ze. Angst is de grote vijand. Laat die angst maar los.' 'Nou, dat doe je dan toch,' zeg ik.
'Je zult twijfelen in je nieuwe leven. Maar je moet niet twijfelen. Je twijfelt aan al je gevoelens. Het huwelijk komt goed, na veel moeite. Heb vertrouwen in jezelf. Maar je moet het ook werkelijk willen.' 'Hoe liep dat leven uit 1830 af? Dat leven als Anna Meyer, samen met Rudolf.'
'Ik heb Rudolf veel pijn gedaan. Ja, maar hij was bazig. Uiteindelijk liep het toch nog goed af.'
'Wat hield die goede afloop in?'
'Hij werd oud. Ik waakte naast zijn bed. Hij was ziek. Ik was zijn vrouw.'
'Wat gebeurt er daarna met jou, Anna?'
'Ik blijf in huis, en ik word heel oud. Maar ik ben toch eenzaam. Ik mis mijn man. En ik wou dat ik het opnieuw kon doen.'
'Zijn er nog andere vorige levens die daarmee te maken hebben?'
'Ja.'
'Wordt je dat getoond?'
'Nee. Deze keer niet. maar ik weet het wel. Het komt goed.' 'Met welk leven, vóór dat van Anna Meyer, heeft deze situatie te maken?'
'Met een leven in Engeland. Ik ben weer een vrouw. Mijn man en ik sterven nog jong. Allebei nog pas in de dertig. Hij vecht tegen Oliver Crom-
17-253
well en hij sterft op het slagveld.'
(Oliver Cromwell leefde van 1599 tot 1658. Hij werd in 1644 door het parlement tot luitenant-generaal benoemd. Hij versloeg de Schotten en de Ieren, en ook Karei I, die hij later liet executeren. Cromwell vestigde in 1657 een militair bestuur.)
'We hadden ons huwelijk niet kunnen afmaken,' gaat ze verder. 'Maar ik zie hem nog terug, in de toekomst, in het leven van Jessica. Ik hou veel van hem, heel diep. Wij moeten allebei leren geven en nemen, in dat leven. Ik wil hem geen pijn doen. Ik wil geen fouten maken. Ik wil hem niet kwijt,' roept ze uit.
'Dat gebeurt toch ook niet, als je dat niet wilt,' sus ik haar een beetje. 'Dat is toch al gezegd door de Raad van Drie,' voeg ik er nog aan toe. 'Ja, dat komt wel goed. Je moet niet bang van hem zijn. Maar vooral niet bang zijn van jezelf. Ook niet meer bang zijn voor het occulte. Laat de angst los. De algemene angst moet weg. Die is niet nodig. Het leven heeft "ups and downs", maar de angst is niet nodig,' benadrukt ze nog eens. 'Laat die maar los.' Ze is nu toch duidelijk bezig met een zelfanalyse.
'Het komt goed,' gaat ze verder, onder invloed van de hogere entiteiten waaruit de Raad van Drie is samengesteld.
Overigens, die Raad bestaat ook wel eens uit vijf zeven of meer entiteiten. Maar altijd uit een oneven aantal, omdat één ervan meer Licht, grotere wijsheid, uitstraalt en de leiding heeft. Deze 'leider' is de middelste van de Raad, aan weerszijden geflankeerd door een even aantal adviserende entiteiten.
'Vertrouw in het leven,' gaat ze verder met haar monoloog. 'Je moet niet bang zijn om liefde te geven, ook seksueel niet. Ik moet die angst loslaten.'
'Zeggen ze daar iets over? vraag ik. 'Vanwaar die angst komt?'
'Ja. Vanuit het leven van Sarah Steinemann, in de concentratiekampen. En van de moeder van Jessica, in haar nieuwe leven. Die moeder is bang van seks. Zij weet er niets van en zij praat er nooit over met Jessica. Ze stuurt haar koud de wereld in. En ze vertelt haar dat het leven heel mooi wordt. Heel, heel perfect. Maar het is niet mooi. Er zijn "ups en downs". En Jessica dacht, het wordt zo perfect.'
'Luister eens,' zeg ik. 'Waar ben je nu? Nog steeds in die kamer?'
'Ja,' zegt ze achteloos.
'Informeer dan eens of die doodsangst en de pijn tussen je schouderbladen
"gepland" zijn?'
'Ja. Het is gepland dat die zullen komen. Het hoort bij het loslaten van de angst.'
'Waar zijn die angst en pijn ontstaan?'
'In Auschwitz. Door het slaan met de knuppel op haar rug. Maar ook
17-254
door het niet leren om zelfstandig te zijn, in het begin van het leven als Jessica. En als kind is ze bang voor alles, en wordt ook bang gemaakt door een bange moeder, een domme moeder. Maar dat is nodig om er bepaalde lessen uit te leren.'
'Nou, dat moet toch wel heel positief in je oren klinken,' merk ik op. 'Ja, dat is ook zo,' beaamt ze.
'Luister eens! Als je in het tussenbestaan bent, tussen je levens als Sarah en Jessica, dan kun je ook wel aan de Raad vragen waarom je, als Sarah, dat leven in de concentratiekampen moest doormaken. Waardoor dat 'leven veroorzaakt is. Is dat gekoppeld aan een ander, vroeger vorig leven?'
'Ja,' antwoordt ze, zonder aarzelen. 'Wat is dat voor een leven? Een"karmische veroorzaker"?' 'Ja. Ik moest die concentratiekampen doormaken om sterker te worden.'
'Maar wat voor een eerder vorig leven is daarmee verbonden?' vraag ik nog eens.
'Wat wordt daarover gezegd?'
'Ik zie nu wielen van wagens,' zegt ze dromerig. 'Het is in Roma. Ik zie ook Romeinen, in de tijd van Christus. Ik ben een man, en ik deed precies wat ik zelf wou. Het was een wild leven, waarin ik geen rekening hield met de gevoelens van een ander. Maar door de jaren heen zal ik dat leren. Jessica hoeft niet meer pijn te lijden en niet meer bang te zijn. Ze komt er doorheen, als ze zich er maar positief voor inzet.' 'Hoeveel jaar voor Christus leef je dat vorige leven, daar in Rome?' '425
jaar,' zegt ze spontaan. 'Ik heet Cornelius. En ik heb een zaak, een bakkerij. Maar ik laat het werk over aan anderen. Dan ga ik gokken, met dobbelstenen. Ik raak eraan verslaafd. Het gaat om geld.' 'En dat "wilde leven", wat is dat?'
'Drinken, gokken, de zaak niet goed runnen en mijn vrouw slaan. Ze heet Fabia.'
'Zie je die Fabia in meer levens terug? Levens daarvoor en daarna?' 'Ja. Het is Erik.'
'Nu wordt er veel duidelijk, hè,' merk ik op.
'Soms waren er ook andere vrouwen. Maar ik had er spijt van. Toen ik dood ging, wilde ik het opnieuw doen. Maar toen was het te laat.' 'Het leven van Jessica is gekoppeld aan dat leven van Fabia. Het leven van Erik daar, als Fabia. Heb ik dat goed begrepen?' 'Ja,' antwoordt ze.
'Wat voor een vorig leven is er dan verbonden met het leven van Sarah Steinemann, het joodse meisje van twintig jaar?' Ik heb daar eigenlijk al eerder naar gevraagd. 'Ik weet het niet,' zegt ze ontwijkend.
'Jawel. Dat weetje wel,' houd ik vol. 'Onderzoek dat eens. Vraag maar of ze dat aan je willen tonen.'
17-255
'Dat zijn verschillende vorige levens,' zegt ze nu. En ze noemt ze op: 'Het leven van de ridder Roberti, de tempelier/kruisvaarder. Hij komt na de laatste kruistocht terug in Perugia. De orde werd te machtig, en is door de Kerk verraden en verboden. Hij wordt bedreigd en moet vluchten.'
'En wat voor negatieve gebeurtenissen in het leven van Roberti spelen daarbij een rol?' vraag ik.
'Wraakgevoelens, tijdens de kruistochten, en het doden van veel mensen.'
Verder het leven van Twwi (Twie),' gaat ze door, 'de Keltische strijder in Britannia. Hij vecht tegen de Romeinen en de Saksen. Hij wilde wraak-nemen op de Romeinen. Er was veel haat en geweld, maar hij is net niet tot het doden van mensen gekomen.
En ook het leven als de rijke Lady Laura Marquiz, die in 1919, twintig jaar oud, vlak bij Piccadilly, in een steeg vermoord werd. Zij dacht niet aan de gevoelens van een ander.' Verder gaat ze niet. Die levens hebben we al eens onderzocht.
'Zijn er nog meer vorige levens die invloed hebben op het leven van Sarah Steinemann?' vraag ik. 'Nee,' zegt ze kortaf.
'Wat kun je, als je die levens van Roberti, Twwi en Lady Laura samenbundelt, zeggen over het gevolg en de invloed daarvan op het leven van Sarah? Kort samengevat.'
'Wraak helpt niet. De Duitsers nemen wraak, maar dat levert niets op. Integendeel, haat en wraak lossen niets op.'
'Wat betekent dat voor jou, als Sarah?'
'Ik moet dat daaruit leren,' antwoordt ze. 'Vertrouwen helpt!'
'En lost dit alles nu de angst op?'
'Nee,' verzucht ze.
'Wat is er dan nog meer dat de angst veroorzaakt?' vraag ik geduldig.
'Gebeurtenissen in het leven van Jessica, uit haar verleden. Die zitten overal. Maar ik ben moe,' klaagt ze. 'Ja. Een andere keer?' 'Een andere keer,' fluistert ze terug.
'Heb je hierover in het algemeen nog iets te zeggen?' 'Ja. De angst loslaten. Maar ik ben nog zo bang in het leven als Jessica. Ik moet zelfvertrouwen hebben, en ook de pijn loslaten. Geven en nemen.'
'Is datje levensles?'
'Ja. En niet bang zijn om mijn gevoel toe te laten.' Ze zucht eens diep. 'Is datje karmische les? Of is er nog een ander karma?' 'Ja. Doorgaan,' zegt ze. 'Niet bang zijn.' Dat is de kern van het trauma, die steeds maar blijft hangen.
'Laat die angst dan los,' zeg ik. 'Het heeft totaal geen zin om die maar te
17.256
blijven vasthouden.'
'Ik voel alleen een leegte. "Vul die op met iets positiefs, iets anders," zeggen ze.'
'Hoe is het met de pijn tussen je schouders?' 'Die is er nog ...' Ze lijkt erg terneergeslagen.
'Ga dan nog eens naar de oorzaak van die pijn. Waar kom je dan terecht?' En ik vraag naar de bekende weg.
'Bij het slaan met de knuppel op mijn rug, in Auschwitz.' Ze komt er consequent weer terecht, een stuk onverwerkt trauma. 'Ga er nog eens doorheen.' (Instructies volgen.)
'Het gebeurt nu,' zeg ik dwingend. 'Nu voel je het ook lijfelijk weer.' Ze begint zwaar te hijgen en schreeuwt: 'Oh ja, aah! ... aaah!' Het is een langgerekte wanhoopskreet, als de emotie bij de pijnsensatie loskomt. 'Aaah!' kreunt ze luid.
'Ga er doorheen, net zo lang tot dat je het veel minder gaat voelen!' 'Aaah ... aaah!'
Ze kreunt nog steeds onbedaarlijk, en haar ademhaling gaat zwoegend.
'Word je hard geslagen?' vraag ik intussen.
'Ja! Op mijn rug en op mijn hoofd. Wantje bent daar een "niks". Ik heb angst... Angst voor eenzaamheid en pijn.' Maar de emotie ebt weg. 'Wordt het minder?' informeer ik voorzichtig.
'Ja,' antwoordt ze, terwijl ze wat kalmeert. 'Maar de angst niet,' voegt ze eraan toe.
'Ik heb angst om weer geboren te worden als Jessica.' 'Ga er doorheen en zeg me waar je dan terechtkomt.' 'In het lichaam van Jessica,' zegt ze, en haar stem klinkt wanhopig. We zijn het kringetje rond gegaan, en weer terug bij het begin van onze regressie.
'En wat voel je daar?'
'Zij zoekt warmte en begrip. Maar de moeder van Jessica neemt haar persoonlijkheid in beslag. Ze laat haar niet groeien, en Jessica wil groot worden.'
'Ga er doorheen,' zeg ik weer. 'Heel emotioneel!' Ze begint nu te huilen. Het verdriet komt verder los. 'Wij mogen thuis geen emoties tonen.' Ze snikt het uit. 'Aaah!' Het is één langgerekte wanhoopskreet. 'Het komt niet los!'jammert ze luid.
'Jawel... het komt los,' tracht ik haar te bemoedigen. Tevergeefs. 'Nee! Het komt niet los!' (Instructies volgen.)
'Alles wat je verdrongen en verstopt hebt, diep in je onderbewustzijn, komt heel heftig los.' Ik blijf doorgaan.
'Ah ... ah ... ah!' jammert ze. 'Ah! Jessica is zo bang. Wat hebben ze met haar gedaan? Ze hebben haar neurotisch en bang gemaakt. Ik mocht niet mezelf zijn. Ze hielden me zo klein. Ik wil volwassen worden!' schreeuwt ze. 'Ik was zo alleen. Ik wilde alles van ze. Liefde! Maar ik werd verwend met geld.' Haar verdriet gaat door merg en been. 'Ik wilde
17.257
ook alles van ze. Ik eiste te veel. Ik was opdringerig. Maar ik wil niemand pijn doen. Ik ben niet slecht!' En ze huilt maar door. 'Maar ze zijn er nooit. Ze zijn ook zo onzeker. Ik heb niets aan ze. Ze steunen mij niet, en zijn bang van me.' Het is één lange aanklacht tegen haar ouders. Ze huilt, terwijl haar lichaam schokt. 'Oh, het zit zo diep Klaaglijk komt dat er nu uit.
'Maar het komt omhoog, en het kan eruit,' moedig ik haar aan. Ze schreeuwt het er nu letterlijk uit: 'Ik wil beschermd worden. Ze hielden me zo klein. Ze maakten me bang om te groeien.' 'Maar dat is nu over. Je wordt volwassen.' Met deze woorden kalmeer ik haar.
'Ja ...' fluistert ze nu. En dan snikkend, roept ze: 'Erik! Ik wil naar Erik toe!' Wat rustiger zegt ze: 'Ik verlaat Noorwegen met Erik. Mijn geboorteland deed me geen goed. Ik wil bij hem blijven. Ik wil mijn ouders niet meer. Nee! Ik wil heel zelfstandig en gelukkig worden. Een zelfstandige Jessica. De angst loslaten.'
'Ja,' zeg ik. 'Je wordt vanaf nu weer helemaal jezelf. Je krijgt je eigen persoonlijkheid volledig terug.'
'Ja,' bevestigt ook zij, kalmer nu. De emotie is bijna weg geëbd. 'Ik wil van het leven genieten. Ik wil de angst loslaten.'
'Word nu maar kalm. Alles verdwijnt, alles vloeit weg watje al die jaren in je verdrongen en verborgen hebt,' stel ik haar gerust.
'Oh, ik voel me zo eenzaam. Ik kan niet meer met mensen praten. En dat wil ik juist zo graag. Dat komt van de pijn en het leeg voelen, het leeg zijn. Ik ben moe. En ik ben bang voor de toekomst. Ik wil de toekomst weten.'
Ik geef haar nu instructies om heel kalm en heel rustig te worden. En ze wordt kalm en rustig.
'Je zit al de hele sessie met je bovenlichaam te schommelen. Waarom doe je dat?'
vraag ik nieuwsgierig.
'Dat komt door het in trance gaan. Ik was waarzegster in San Francisco, zo rond de eeuwwisseling. Ik heette Norma. Het was wel een beetje een wild leven. Zeelui komen naar me toe, kermisgasten, om de toekomst te horen voorspellen. Ik krijg er wat geld voor, of een kus. Ik doe het redelijk goed, maar die weg is eigenlijk niet voor mij weggelegd. Dat occulte moet los van me. Ik moet er afstand van nemen. Dat is niet goed. Ik zie mijn eigen dood daar, in het jaar 1920, en ik word bang.' 'Wat is toch de oorzaak van het trillen van je lichaam,' val ik haar in de rede.
'Dat komt door de angst en onzekerheid,' antwoordt ze. 'Norma stierf van ouderdom, toen ze zeventig jaar was. Ze leefde van ongeveer 1850 tot 1920. En ze is naar het Licht gegaan.'
'Je bent moe. We stoppen hier de regressie,' zeg ik, wetend dat de volgende sessie een onderzoek naar het leven van Norma in San Francisco zal
17.258
zijn.
'Ja,' zegt ze zacht.
We hebben in dit hoofdstuk al over, wat ik noem, de 'karmische veroorzaker'
gesproken. Welnu, het is duidelijk dat er tussen Jessica en haar ouders een relatieprobleem is ontstaan, ergens in vorige levens. Maar het zou niet juist zijn de oorzaak daarvan uitsluitend bij die ouders te zoeken. Ook Jessica heeft haar deel aan het ontstaan van het probleem geleverd. Tot nu toe hebben we dat probleem hier niet onderzocht of ontrafeld. Maar het is 'actie wekt reactie', of 'watje zaait, zul je oogsten'. Ook hier geldt dat alles en iedereen met elkaar in relatie staat, zowel positief als negatief. In het groot en in het klein. Naties, volkeren, stammen, culturen, religies, groepen, en vooral personen. Als die met elkaar op gespannen voet leven, of nog komen te leven, heeft dat een oorzaak, in heden of verleden. Aan ieder relatieconflict hebben beide partijen evenveel 'schuld'. En dat kan in leven na leven doorgaan en escaleren. We hebben dit al eerder aangestipt. Beide partijen hebben derhalve de plicht hun conflict uit de wereld te helpen. Ze moeten niet met een vinger naar de ander te wijzen, maar integendeel trachten met elkaar weer tot harmonie te komen.
Conflictsituaties, hoe subtiel ook, maar zeker die, welke goed gevoeld worden, zijn zelf veroorzaakt.
17.259
18
Jessica's leven als Norma Litchfield
De helderziende prostituee aan de haven. De aardbeving en verwoesting van San Francisco in igoó. Doodsangst! Voor de Raad van Drie. De keuze: Auschwitz, of niet?
Donderdagmiddag, 15 december 1988, is Jessica er weer. We gaan een onderzoek instellen naar haar vorige leven als de helderziende Norma, zoals was afgesproken. Ook dat leven staat in het teken van haar seksuele problematiek, moeilijk tot een orgasme kunnen komen, doodsangst en een conflictsituatie met haar ouders. En dat allemaal in haar tegenwoordige leven als Jessica.
Ze is snel in een diepe trance en de nodige instructies zijn gegeven. De regressieanalyse vindt later plaats, want die is wel belangrijk. Haast automatisch vraag ik:
'Wat zie je, wat gebeurt er? Waar ben je?' En direct reageert ze. 'Ik ben ergens langs het water. Er zijn "kinderkopjes", straatstenen. En ik zie boten. Het is nacht. Ik sta aan de kade. Dronken zeelui lopen lallend langs me heen, arm in arm. Ik sta op de drempel van de bar en ik kijk vanuit de deuropening naar buiten. Het is een saaie avond. Er is niets te doen. Er zijn geen klanten.' 'Van wie is die bar? Van jou?'
'Nee. Maar ik mag een kamer achter in de zaak gebruiken.'
'Gebruiken,voor wat?'
'Om de mensen de toekomst te voorspellen.'
'Hoe oud ben je?'
'Vijf en veertig,' antwoordt ze. Het gaat allemaal op dezelfde vlakke, neutrale toon. Zonder ook maar enige emotie of nuance in haar stem. 'Dus niet zo jong meer,' zegt ze. 'Nee. En ik ben een vrouw,' voegt ze er nog aan toe. 'Hoe heet je?'
'Norma Litchfield.' Ze flapt het zonder enig nadenken uit. 'Is het een prettig leven?'
'Soms is het leven prettig. Het is wild en onvoorspelbaar. Maar ik kan wel het leven van anderen voorspellen. En daarmee moet ik mijn eigen brood verdienen, want ik ben helemaal alleen. Ik heb geen man of kind. Ongetrouwd dus. En met mijn familie heb ik geen contact meer.' 'Het is een saaie avond,' zei je. 'Ga eens naar het moment dat er weer wat leven in de brouwerij komt.'
'Oh ja, dat is later op de avond. Dan komen er klanten binnen. Ze drinken wat, en komen daarna bij mij. Ik lees de kaarten voor ze. Ik zie
18.261
veel. Soms ga ik bewust in trance.'
'Waarom ga je trance?' Ze geeft geen direct antwoord, maar zegt: 'Het is tijd verspillen. Ik bedoel eigenlijk, ik doe dat om de tijd te vullen.' 'Ja, ja, en om meer te kunnen vragen,' veronderstel ik. 'Nee,' zegt ze. 'Er is niks anders te doen.' 'Is het belangrijk, wat je die avond uit de kaarten leest?' 'Ja,' antwoordt ze kortaf. 'Ik zie ... de dood! Van mezelf!' 'Komt dat spontaan, of was je bewust van plan om die te onderzoeken?'
'Er was niks te doen. En ik dacht, kom, ik ga mijn eigen kaarten maar eens lezen. Ik bedoel mijn eigen toekomst. Maar dat doe je niet te vaak. Had ik het ook maar niet gedaan,' zegt ze met enige spijt in haar stem. 'Ik had een andere baan moeten zoeken. Nu is het een vloek geworden. Ik wou dat ik het nooit had gezien. Ik wilde te veel weten. Altijd achter alles trachten te komen, wat ik weten wil.'
(Een goede paragnost(e) vertelt ook alleen maar positieve prognoses. De negatieve dient hij /zij te verzwijgen.)
'En wat las je allemaal over jezelf, uit de kaarten die je die avond gelegd had?'
'Mijn eigen dood,' antwoordt ze. 'Maar wel pas over jaren en jaren.'
'Over hoeveel jaar?' dring ik aan. 'Je bent nu vijf en veertig.'
'Nog vijfentwintig jaar te gaan.' Ze spreekt nog steeds met die vlakke, emotieloze stem.
'Goede jaren?' vraag ik.
'Gewone jaren. Er komt niet veel verandering.'
'Maar wat lees je nog meer voor jezelf uit de kaarten?' blijf ik aandringen. Er valt even een stilte. Dan zegt ze: 'Eenzaamheid.' En het klinkt triest. 'Heb je nooit eens een man?'
'Ja, dat wel. Soms een klant, waar ik voor geld mee naar bed ga.' 'Vind je dat prettig? Heb je dat dan nodig?' 'Nee. Ik vind er niks aan. Maar ik doe het om te eten, om het geld.' 'Zie je er aantrekkelijk uit?'
'Niet bepaald,' zegt ze. 'Ik ben een beetje te dik. Ik heb kastanjerood haar. En ik draag een ochtendjas van rode zijde. Nogal ordinair. Daaronder draag ik niets. Ik hoef hem maar open te slaan, en ik ben naakt. Dat doe ik voor het gemak. Het is warm, soms zelfs erg heet buiten.' 'Wat zie je nog meer?'
'Ik kijk niet verder, want ik word heel bang. Ik wil niet aan de dood denken. Ik wil er zo graag aan ontsnappen, maar dat kan niet. Je weet dat hij ooit komt, maar het blijft altijd een schokkende verrassing.'
Zoals voor iedereen die denkt in termen van maar één leven op aarde te leven, en dan is het voorgoed afgelopen. Dat biedt geen perspectief. Maar er
18.262
zijn gelukkig meer levens op aarde te leven. En dat is een genade, zoals reeds eerder gezegd.
'Ik wil die gedachte aan de dood wegdenken,' zegt ze, 'maar dat lukt me niet. Die angst voor de dood neemt bezit van me. Ja, ik had nooit, nooit aan dat occulte moeten beginnen. Ik had op het platteland moeten blijven. Maar nee, ik moest en zou naar de stad. Naar het bruisende leven in de stad.'
'Hoe oud wasje toen?'
'Twintig, éénentwintig. Ik wou niet op de boerderij leven. Nu, achteraf, wel. Maar ik kan niet meer terug. Ik heb te veel gezien.' 'Zijn er ook nog wel plezierige gebeurtenissen in je leven?' 'Ja. Soms lees ik de kaarten voor iemand die echt geluk heeft. Dat is heel fijn om mee te delen. En soms is er een feest. Dan ga ik dansen. Dat is ook heel fijn. Dan ben ik veertig jaar. Ik dans met mannelijke klanten in de bar. En ik drink alcohol en veel koffie, om wakker te blijven en mijn maag te vullen met iets warms. Het is in het jaar 1880,' zegt ze spontaan. 'Dan ben ik dus veertig jaar oud.'
'Ga eens naar iets heel belangrijks toe in je leven als Norma, vanuit het jaar 1880.'
Er valt een stilte, en ik vraag verder: 'Misschien in het verleden van je leven als Norma, terug in de tijd?' (Instructies volgen.) 'Nou,' begint ze dan, 'ik woonde op het platteland, op een boerderij. Ik vond het leven daar saai. Niet goed genoeg. Maar ik vond seks fijn,' zegt ze met een opleving in haar stem. 'En ik heb dat gedaan met jongens uit de buurt. Maar ik kreeg een slechte naam, en ik moest weg. Ik vrijde met die jongens, ging met ze naar bed. En ik wou gewoon naar de stad.' 'Ik kreeg een slechte naam, zegje. Deed je het zo vaak?' 'Ja. Ik deed het in de schuur.'
'Stond daar een bed?' vraag ik, me bewust van de onnozelheid van die vraag.
'Nee, we deden het in het hooi, of op het stro.' 'En je moest naar de stad, je moest daar weg?'
'Ja ... ik ... ik maakte het heel erg bont. Maar het was ook zo saai, dat plattelandsleven, zonder die seks. Ik wou naar de stad. Niet als een uitgedroogde boerin op het land wegteren. Ik wilde actie, in de bruisende stad.' Toen was er dus nog niets mis met haar seksualiteit. Dat is duidelijk.
'Ga nu eens naar zo'n moment, Norma, dat je met een van de jongens die je graag mag, in het hooi ligt te vrijen.' (Instructies volgen.) 'Wat gebeurt er?'
'Er is een nepgevecht,' zegt ze. 'We stoeien samen. Maar ik vind het fijn. Het is opwindend.'
'En wat gebeurt er tijdens dat nepgevecht?'
'Seks,' antwoordt ze zonder omwegen. 'Ik lig met mijn rug op het stro.
18.263
En die jongen heeft mijn blouse opengemaakt. Ik protesteer, maar niet echt. Hij begint mijn borsten te kussen. En dan mijn lippen. Ik voel mijn tepels hard worden. We stoeien samen nog wat en we bedrijven daarna hartstochtelijk de liefde.' Er is even een stilte. Dan, plotseling, zegt ze: 'Ik heb verdriet. Het is voorbij. Ik wou dat het altijd zo was. Maar hij moest in het leger. De relatie is voorbij.' Ze begint ineens hevig te hoesten. 'Wat heb je?' vraag ik. 'Je hoest zo.'
'Ik heb hooikoorts,' zegt ze, nog benauwd naslikkend. 'En hij moet in dienst. Dat vind ik heel erg, want ik zie hem nooit meer terug.'
'Maar heb je nu in de gaten datje heel gemakkelijk tot een orgasme kunt komen?'
'Ja, nu wel,' moet ze toegeven.
'Dan moet dat in je latere leven als Jessica toch ook makkelijk kunnen gebeuren?'
'Ja, eigenlijk wel.'
'Nou, hou dat dan vast,' zeg ik. 'Prent dat diep in je geest. Je ziet die jongen nooit meer terug, zei je. Hoe zag hij eruit?' 'Hij had donker haar, een mooie huid en mooie ogen.' 'Kijk eens goed naar hem, naar zijn uitstraling. Haal hem voor je geest. Vind je hem terug in je latere leven als Jessica?' 'Ja,' zegt ze. 'Het is Erik. Hij is nu mijn man. Ik mag hem heel graag.' 'Zie je wel, datje toch best heel goed vrijen kunt met je man. In je leven als Jessica, bedoel ik. Dat moet toch zonder problemen kunnen.'
'Waarom gaat hij dan in dienst?' vraagt Norma zich verbaasd af. 'Wat jammer,' zegt ze spijtig.
'Tja, dat weet ik ook niet,' is het enige wat ik kan zeggen. Karma, waarschijnlijk.
'Daarom ben ik nu zo bang dat hij me zal verlaten, want ik zie hem nooit meer terug. Er is oorlog. Maar niet in Amerika.' 'Waar dan?' vraag ik.
'Cuba,' antwoordt ze. (De Spaans - Amerikaanse oorlog) 'Hij stierf aan malaria,'
verzucht ze. 'Ik dacht bij mezelf, ik blijf niet op het platteland. Ik ga naar de stad, om mijn eenzaamheid op te vullen. Ik leer daar de kaarten te lezen van een oudere vrouw, die woonde om de hoek van mijn pension. Ik had het vrij gauw onder de knie. En ik kan dingen so wie so door mijn voorgevoel voorspellen. Met mijn sterke intuïtie. Het ging dan ook vlot, maar het is een vloek geworden,' zegt ze nogmaals.
'Dat lezen in de kaarten?'
'Ja. Door soms in donkere hoeken te kijken. Dan begin je te veel te weten. En te veel van jezelf. Ik keek ook in duistere boeken. Dat leerde ik ook van die oudere vrouw. En ik leerde vlot. Veel te vlot. Occulte zaken. En dat was niet goed, nee. Dan nog daarbij veel drinken van alcohol en laat opblijven. Ik ben vijf en veertig, maar ik zie er uit als zestig. Mijn haar is dor en droog, ik ben oud, uitgeblust. Echt een oude hoer, zoiets. Dat
18.264
ben ik ook een beetje,' zegt ze relativerend. 'In de eerste plaats lees ik de kaart. Maar zo nu en dan, als ik er zin in heb, er tussendoor, dan neem ik een klant mee naar bed.'
Plotseling zegt ze verschrikt: 'Oh ... ja!' En zwijgt dan verder. 'Wat bedoel je met 'Oh
... ja?"
'Natuurlijk!' zegt ze raadselachtig. 'Veel mensen gaan dood in de stad. En misschien ga ik ook dood! Alles beeft... Een aardbeving! Ik zie dat in de kaarten.' 'In welke stad gebeurt dat?'
'San Francisco,' zegt ze nu. 'Langs de oude haven, waar ik woon. Die aardbeving zie ik voor me. De toren ... het gaat echt mis in de toekomst Maar niet voor mij alleen. Nu kunnen we nog lachen en dansen, maar over zo'n twintig jaar wordt het hier een puinhoop. Ook hier, langs de kade van de oude haven. Ik heb te veel gezien van het leven. Ook te veel in de kaarten.'
'En wat doe je dan, als je dat gezien hebt?'
'Ik word bang. Ik wil het vergeten, maar dat is moeilijk.' Plotseling verandert ze van onderwerp. 'Het ruikt hier naar vis, naar verse vis. De boot met vis is net binnen. De vissersboot van een van die trouwe zeelui. Die heeft zijn boot hier vlak voor het cafe gestationeerd, langs de kade. En het is me een stank van vis. Oei! Ze komen zo wel de bar binnenlopen. Maar eerst moeten ze werken. Eerst de gevangen vis van boord halen. Die verkopen ze aan de restaurateurs en aan de winkels. Die komen de vis aan de kade kopen en afhalen. Ze weten dat de boot binnengelopen is. En ik heb contact met een van de zeelui. Die neem ik wel eens mee naar bed. Hij is jong en aardig. Hij heeft blond haar en hij heet Bradley. Maar ik ben niet echt verliefd op hem. Nee, en er komt geen post voor mij uit Cuba, omdat hij dood is.' Ze doelt nu kennelijk op haar jeugdvriend op de boerderij. 'Ik mis hem heel erg,' zegt ze nog.
'Ontmoet je die blonde visser, die Bradley, weer in je latere leven als Jessica?'
'Ja. Dat is nu mijn zoon. En die visser is heel aardig. Hij plaagt me zo nu en dan. Het is een grappenmaker, een aardige knul. Hij is zesentwintig, dertig misschien. En ik ben dan vijfenveertig jaar. We lachen samen heel wat af. En ik ga met hem naar bed.
We hebben veel gedronken. Ik rook een sigaret. Ik draag die rode kamerjas. Die hangt helemaal open, en ik lig op het bed. Ik ben niet bepaald slank. Meer wat mollig, heel mollig, met vetrollen en grote, hangende borsten. Maar we kunnen veel lachen samen. Eigenlijk zijn we heel goede vrienden.'
'Je bent dus dik, met vetrollen, zei je.'
'Ja. Nou...' zegt ze relativerend. 'Zeg maar, zeer mollig. Ik lig nu helemaal naakt op bed. We praten samen wat. Ik schaam me niet voor hem.
18.251
Het is een goede jongen. En we troosten elkaar.' Ze zwijgt. 'Ga verder,' zeg ik. 'Wat gebeurt er dan?'
'Hij gaat weg ... Nee...' fluistert ze ineens, alsof ze in zichzelf spreekt. 'Wat zegje nou? Nee?' Ik schrik er een klein beetje van. 'Jawel, jawel. Maar ik zie de toekomst weer. Van die jongen, die blonde visser. Hij komt niet meer terug van zee,' zegt ze terneergeslagen. 'Nee. Hij verdrinkt. Het was zijn laatste vaart. Dan heb ik echt niemand meer. Hij komt niet meer terug. Hij verdrinkt tijdens een storm op zee. Nu ben ik echt een eenzame oude hoer. Ik voelde het aankomen. Ik voel die dingen. Die vervloek ik. Ik wil het niet, ik wil het niet!' roept ze uit. 'Ik wil de toekomst niet zien! Nu heb ik niemand meer,' klaagt ze. 'En ik ben al vijftig. Een oude hoer.' Het is in en in triest, deze uitingen van zelfbeschuldiging en tegelijk van zelfbeklag te horen. 'Hoe gaatje leven dan verder?' vraag ik maar.
'Gewoon. Je leeft van de ene dag in de andere. Je leest de kaarten. Dat moet wel. Soms neem je iemand mee naar bed, als je echt naar warmte verlangt. En ik verdien redelijk goed met het lezen van de kaarten, want ik lees ze goed. Dat vinden de zeelui leuk en spannend. Maar het wordt eentonig op den duur. Altijd maar hetzelfde doen. Het leven is saai.' Dat zei ze ook al toen ze nog twintig was en op de boerderij bij haar ouders leefde.
'Twee mannen die ik liefhad, zijn weg.' Ze zucht eens heel diep. 'Jaah ...' zegt ze, 'ik kan er niets aan doen. Zo is het leven nu eenmaal. Maar ik zie ze weer terug, in de toekomst, in een ander leven. In mijn leven als Jessica. Ik ben erg aan ze gehecht. Maar ik voel angst, spanning. Ik wil niet alsmaar de toekomst zien,' verzucht ze. 'Het is te zwaar. En dan mijn eigen dood en die aardbeving.' 'Maak je die nog mee?'
vraag ik voorzichtig. 'Ja, die maak ik nog mee. Vreselijk!'
'Je wilt de toekomst niet meer zien, Norma. Hou er in je leven als Jessica ook mee op,' raad ik haar aan.
'Ja. En ook met roken en drinken. Daar moet ik mee stoppen.'
'Ga naar het moment dat de aardbeving begint, Norma,' zeg ik haar. (Instructies volgen.)
'Jaah!' Het klinkt als een langgerekte klacht. 'Het begint 's ochtends. De zon is fel. Maar ik heb een vreemd voorgevoel. Vandaag is geen gewone dag. Ik voel me onrustig,' zegt ze wat moeilijk. 'Er gaat iets gebeuren. En dan begint het! Eerst onder je voeten ... Och ... ik kan niet ademen. Het gebouw is in elkaar gestort. Het puin komt over me heen. De bar, het gebouw, alles. De stad is verwoest. Er zijn massa's doden en gewonden.' Er is even een doodse stilte, haast tastbaar. 'Nee. Ik overleef het toch niet,' zegt ze dan. 'Niets aan te doen. En ik zag het aankomen in de kaarten.'
'Welk jaar schrijven we, als dit gebeurt?'
18.252
'In 1906,' antwoordt ze. 'Weetje de precieze datum?' 'Ja. Het is 26 september 1906.'
'En dan zitje onder het puin. Wat dan?' ga ik verder. 'Ik kan niet ademen, en ik ga dood. Ik stik ... Het zware puin ligt bovenop me. Het is gauw gebeurd met me. Nou ja, mijn leven was toch een beetje ... uitgespeeld. Ik ga zonder moeite naar het Licht.' 'Weetje dat zeker?'
'Ja. Maar de momenten daarvoor waren afschuwelijk. Niet kunnen ademen, pijn, angst en shock. Had ik mijn leven beter gebruikt ...' Verder komt ze niet. 'Het gewicht van het puin drukt op me. Mijn nek, hoofd en rug. Mijn hele lichaam ligt onder het puin bedolven. En ik kan niet weg. Ik kan me niet eens bewegen. In het begin hoor ik nog even auto's. Zo 'tsju, tsju, tsju, tu-tsju'. Maar ik hou het niet lang vol...' 'Heb je ook angstgevoelens?' Het is eigenlijk vragen naar wat ik al weet. 'Ja. Ik ben helemaal alleen, in het donker, onder het puin. En ik sta doodsangst uit!'
'Ga daar eens in. Voel die doodsangst eens, zodat je die voorgoed kwijtraakt.'
'Ja,' zegt ze, nu redelijk kalm.
'Ga er doorheen!' Ze vat het te letterlijk op, en ik laat haar gaan. 'Ja. Ze wachten op me,' zegt ze, 'die twee mannen. Dat is heel fijn. Ik zie ze weer terug. Ik zie ze door het Licht. Dat maakt het minder ... eng. Dat Licht is tussen mij en hen in. En ik wil door dat Licht heen naar ze toe. Door het Gouden Licht. Het is heel mooi. Als ik ze zie, dan ben ik niet meer bang. Het is mijn minnaar op de boerderij en Bradley, de visser. Ze zijn in mijn leven als Jessica mijn man en mijn zoon.' 'Hoe zien ze eruit?'
'In een toekomstvorm ...' 'Hoe kun je die het beste omschrijven?'
'Een beetje de vorm van hoe ze er zouden uitzien in de toekomst, in een ander leven. Ze zijn in het wit gekleed, en ze stralen liefde uit. Ik ben zo blij dat ik ze weer terug zie. En ze stralen zoveel Licht uit, zoveel Licht. Ik kan nu wel naar ze toekomen. Eerst niet. Ik moet door het Gouden Licht.' 'Gaat dat?'
'Ik probeer het. Het gaat niet helemaal. Hoe moet ik dat oplossen?' vraagt ze, een beetje hulpeloos. 'Ik wil naar ze toe. Hoe kan ik dat het beste doen?'
'Door je door mij te laten helpen. Wantje bent er nog niet, hè?'
'Nee nog niet helemaal. Maar ik zie ze wel, aan de andere kant van het Gouden Licht.'
'Ga omhoog,' zeg ik haar nu, 'en blijf bij ze in de buurt. Ze zullen met je mee omhoog gaan. Ga omhoog,' dring ik aan. 'Je hebt geen gewicht, als
18.267
onstoffelijke geest.'
'Die twee zijn er al, daar aan de andere kant.' 'Goed. Nu denk je jezelf erdoorheen, naar ze toe.' 'Ja,' ze volgt me.
'Je denkt in jezelf, ik wil naar jullie toe komen, en ik kan naar jullie toe komen. Ik ga naar jullie toe. Ik kom! Je bemerkt dat je de kracht en de wil hebt om naar ze toe te gaan. Je gaat nu door dat Licht heen.' 'Ja,' bevestigt ze. 'Ik ben in het Licht. Ja, nu ben ik er. We omhelzen elkaar, wij drieën. Het is heel fijn om ze terug te zien. Het wordt niet altijd makkelijk, in de toekomst. Maar ik ben heel blij om bij ze te zijn. Ja, het is heel fijn,' zegt ze zacht.
'Het wordt niet altijd makkelijk, zei je.' Ik kom daar nog eens op terug. 'Nee ... zo is het leven.' Het klinkt bijna filosofisch, uit haar mond. 'In de toekomst,' voegt ze er nog aan toe. 'Maar die twee stralen liefde uit.' 'Dat ga jij ook doen, Norma.'
'Maar na al die jaren van eenzaamheid is het moeilijk om weer te voelen en lief te hebben.'
'Wat moest je in dat leven als Norma leren?'
'Niet lui te zijn,' zegt ze. 'Meer van jezelf maken. Want ik kon veel meer van mijn leven maken dan wat ik ervan gemaakt heb. Niet achter alle donkere hoeken kijken. Niet met occulte krachten werken. Dat was zonde van de tijd, zonde van de emoties en de angst. Niet de moeite waard.' 'Wat deed je dan bijvoorbeeld met die occulte krachten, dat niet goed was?'
'Ja? Dingen willen weten en de toekomst willen zien. Maar dat heeft mij mooi gepakt. Het gaf me een bepaald soort macht. Die had ik niet onder controle. Een wild leven? Nee! Ik wil dat niet meer zo hebben. Nu is het genoeg.'
'Een wild leven, zegje. Ja, maar wat heb je er voor je leven als Jessica uit geleerd?' vraag ik.
'Om niét zo wild te leven.'
'Maar, wat heb je er, voor wat de seksualiteit betreft, je seksuele frustratie, uit geleerd?'
'Dat seksualiteit een natuurlijk proces is. Het vult een leegte, een behoefte op en dat is heel fijn. En ik hoef geen verdriet te voelen rond de seks.' 'Ja, precies. Die leegte ga je in je leven als Jessica opvullen.' 'Ja. Dat ga ik doen.'
'Alles in je leven als Jessica gaat daardoor heel normaal en harmonieus functioneren.' Ik stimuleer haar zoveel mogelijk. 'En je bent zelfverzekerd, je staat heel open tegenover die seksualiteit.'
'Ja ... ik ben moe. Maar ik ben er. We zijn toch weer bij elkaar. En ik ben blij dat het leven als Norma voorbij is.' 'En waar kom je dan terecht?' ga ik verder. 'In de hemel,'
zegt ze eenvoudig.
18.268
'En blijf je daar voor altijd?'
'Nee. Ik zie die verdraaide dozen weer, die rode laden in de muur. Ik moet weer naar de aarde toe. Reïncarneren! Maar nog niet direct. Ik blijf nog een poosje boven.'
'Maar je wezen als Norma op aarde, je "ervaringslichaam" van je leven als Norma, dat gaat toch nooit meer weg?' 'Nee! Dat blijft daar. Dat leven is voorbij,' zegt ze gedecideerd. 'Ja. Dat onstoffelijke "ervaringslichaam" blijft daar. Er gaat toch weer een nieuwe IK naar de aarde toe?' 'Ja. Er gaat iets nieuws naar de aarde,' bevestigt ze. 'Iets wat nog een open, onbeschreven blad is, en toch een bepaalde opdracht en invloeden van vorige levens meeneemt, karma. Een nieuwe persoonlijkheid, die een eigen, uniek leven op aarde gaat ervaren. Het is alsof het een ongeschreven boek is dat jouw IK nog moet schrijven, op aarde? Klopt dat?'
'Ja, zo is het,' bevestigt ze klaar en duidelijk.
'Goed. Die verdraaide laden zie je weer. En wat zie je nog meer?'
'Ik sta weer in de kamer met die groene vloer.'
'Vertel er eens meer over?' vraag ik.
'Ze "praten" met mij. Weer de Raad van Drie. En een van de drie legt zijn hand op mijn schouder. Hij zegt: "Het moet. Je moet leren om iets te betekenen voor een ander. Niet altijd aan jezelf te denken." Dan zie IK mijn nieuwe leven op aarde aan me voorbij gaan.' 'Wat is dat voor een leven?'
'Als jodin.' Ze klinkt ineens somber. 'Afschuwelijk, afschuwelijk!'
'Hoe heet je dan?'
'Sarah...!'
'Waarom is dat leven zo afschuwelijk? Wat zegt de Raad daarover?' 'Ik zie concentratiekampen ... 'Je kunt weigeren,' zeggen ze, 'maar als je erdoorheen gaat, dan betekent dat een eerdere bevrijding van je karma.' Ik zie erbarmelijke omstandigheden. Maar ja, vooruit!' zegt ze. 'Waar zie je die?'
'Auschwitz ... Ik zie steden in puin, vuur, rook, bombardementen, schreeuwende en gillende mensen ... Oh!' Ze is ontzet. 'En IK heb daarin toegestemd.' Ze hijgt nu aan één stuk door. 'Wat wordt er "gezegd" over je angst?'
'Ze zeggen: "Je moet de angst loslaten, maar die eerst goed voelen.'" 'Doe dat eens,voel die angst eens even. En laat hem daarna los.' 'Jaah...'fluistert ze. 'Wat voel je nu?'
'Pff ... oh ... opluchting. Bevrijding van situaties die nooit meer terugkeren. Ik hoef er niet bang meer voor te zijn, want je leert van al die situaties. Goed en slecht te onderscheiden, leer je daaruit.' 'Ja,' ga ik verder, 'en dan reïncarneer je naar dat leven als Sarah. Maar
18.255
voor je dat doet, voel je die opluchting, die bevrijding. Nu heb je de angst voor je leven als Jessica losgelaten.'
'Ja,' zegt ze heel rustig. 'Die komt niet meer terug. Ik hoef er niet bang voor te zijn.'
'Dan zul jij je straks wel een heel stuk opgeknapt voelen.' 'Nou, en of,' bevestigt ze.
'Nu je daar bent, tussen twee levens, aan Gene Zijde, wat voor naam heb je?'
'Ik heb daar geen naam. Dat is niet nodig.' Ze bevestigt daarmee wat vele anderen voor haar ook gezegd hebben. 'Alleen op aarde en op bijbehorende planeten en andere zonnestelsels,' voegt ze er nog aan toe. 'Nog even over dat leven als Norma. Begrijp je nu ook waarom je zo'n angst hebt bij het wegblijven van Erik?' 'Ja, dat begrijp ik nu.'
'Het is je nu duidelijk, hè? Want die twee in het Licht, daar is hij er één van. Hij is die jongen, waarmee je in het hooi lag te vrijen en die op Cuba sneuvelde. Hij kwam niet meer terug. Dat is de oorzaak, de oorsprong van je angst en huilbuien van de laatste tijd.'
'Ja, dat is me duidelijk. Maar nu zie ik hem weer, en dat is heel fijn.'
'Hoe heette hij daar, in je leven als Norma?'
'Hij heette Jason. En nu zie ik Erik weer voor me.'
'Ah, gelukkig, je begrijpt het. Maar hoe kwam je toch aan die suïcidale neigingen, in je leven als Jessica? Waar kwamen die vandaan?'
'Uit Auschwitz.' Ze zucht eens.
'Ja, maar die zijn nu verdwenen. Dat is voorbij. Dat is die bevrijding. De Raad zegt, de angst eerst voelen en dan loslaten. En die angst héb ik je laten voelen, door je erin te brengen. Dan zeg ik tegen je, wat voel je nu? En jij zegt, opluchting, bevrijding.' 'Ja, dat is zo,' zegt ze.
'Situaties die nooit meer terugkeren. Want je leert daarvan goed en slecht te onderscheiden. En zo zal het zijn!' 'Ja,' herhaalt ze. 'Zo zal het zijn.'
'En Norma Litchfield rust in vrede in de hemel, in de ziele-eenheid. Daar is ze een deel van het geheel, en tevens het geheel, daarin geïntegreerd. Degene die naar de aarde gaat, is een andere persoonlijkheid, maar hetzelfde IK.' 'Ja, dat is juist,'
beaamt ze. 'Heb jij nog iets te zeggen of te vragen?' 'Nee. Ik heb niets meer te zeggen.'
En zo eindigt een zeer bevredigende regressie van Jessica. Een sessie die al weer veel duidelijkheid en informatie heeft gebracht.
In navolging van Norma heeft Jessica ook haar ouderlijk huis verlaten,
18.256
boordevol klachten en zelfbeklag. Het vervolg van de conflictsituatie, het onbegrip, tussen Jessica en haar ouders krijgt al een stevige aanzet in de jeugd van het leven als Norma. Zij zal de boerderij van haar ouders wel niet in een bijzonder harmonieuze sfeer hebben verlaten om naar de grote stad te gaan. Ze had het te bont gemaakt in haar omgeving en moest weg.
Dezelfde ouders als die van Norma vindt Jessica weer in haar leven terug, en er is direct al disharmonie, conflict. Dit weglopen van haar ouders, uit onvrede met haar thuissituatie, alles wat ons over haar opvoeding' nu bekend is, voert ons nog verder terug in de tijd, naar een vorig leven vóór dat van Norma. Dan is het wegrennen, wegvluchten van huis. En de geschiedenis herhaalt zich. Het conflict met steeds dezelfde ouders escaleert tot de slechte relatie met hen, zoals zich die in het leven van Jessica voordoet. Er is maar één oplossing. Zo snel mogelijk door liefde en begrip, vergevensgezind tot elkaar komen. Anders wordt de situatie nog erger. En die is nu al erg genoeg. Kortom, de hand in eigen boezem steken. Een andere weg is er niet.
18.271
19
De liefde voor Mohamed Ben Al-Rashid
Amalia's liefdesnachten in het oude Perzië. Veel Arabisch eten is de weg naar seks. De dood van Roberti, de tempelier. Aardgebonden. De Raad van Drie is weer bijeen.
We zullen in dit hoofdstuk een vorig leven, vóór dat van Norma, onderzoeken, en we komen daarin tot een zeer tegenstrijdig beeld ten aanzien van Jessica's seksuele frustratie. Want we zien daar, merkwaardig genoeg, precies de tegenovergestelde situatie: een extatische, oosterse erotiek.
We spraken aan het einde van het voorgaande hoofdstuk al even over dat vorige leven, vóór dat van Norma Litchfield. Een leven dat ook teruggrijpt op het ontstaan van de conflictsituatie tussen Jessica en haar ouders. In dat vroegere leven, in de twaalfde eeuw n.C, heet zij Amalia. En er ligt dus een behoorlijk lange periode tussen die incarnatie en het leven van Norma. Maar dat is niet ongewoon. Tijd speelt totaal geen rol.
Op maandagmiddag, 19 december 1988, vertelt Jessica mij, tijdens onze volgende ontmoeting in mijn praktijkkamer, over haar recente ontdekking, dat het eten van Arabische gerechten, in overvloedige hoeveelheden, bij haar een hevige seksuele opwinding teweegbrengt. Een opwinding die haar tot een spontane, hartstochtelijke ontlading bracht in haar samenzijn met Erik. We gebruiken haar ontdekking als leidmotief, als instructie voor de regressie naar de oorzaak van dit wonderlijke fenomeen. Na een kort overleg breng ik haar snel weer in een diepe trance en ik geef haar de nodige instructies. Dan vraag ik haar: 'Wat zie je, wat gebeurt er? Wat ervaar je?' Ze antwoordt niet onmiddellijk en ik vraag verder: 'Is het licht of is het donker?'
'Het is donker,' zegt ze nu. 'En ik ben buiten. Het is heel duister. Ik ben alleen.' Ik moet haar deze keer langzaam aan op gang brengen. 'Ik ben een vrouw,' gaat ze verder. Haar antwoorden zijn kort. 'Wat doe je buiten, helemaal alleen in het duister?' 'Ik ren,' zegt ze. 'Ik ben ontsnapt aan mijn vader.' 'Wat wilde die dan van je?'
'Ik moest binnen blijven, om mijn maagdelijkheid te bewaren. En dat wilde ik niet. Ik wilde met een man naar bed, trouwen. Ik ben zeventien jaar oud en ik zie er volwassen uit. Ik ben bruin, en niet lang, maar wel gevuld. Ik heb lang, sluik, donker haar.
19.273
Ik wil uit de sessie, uit de trance,' zegt ze opeens. 'Ik voel me heel misselijk.'
'Ach ... maar dat kan toch wel weer overgaan. Meen je dat nou echt?' 'Jaah ...'
verzucht mijn regressante.
'Maar dat moetje niet doen, meisje. Want dan blijf je last houden van die misselijkheid. Laten we de oorzaak daarvan opzoeken, zodat je die kwijt kunt raken. Anders blijf je ermee zitten. Ga naar de oorzaak van je misselijkheid.' Ze blijft maar diep zuchten. (Instructies volgen.) 'Nu ben je bij de oorzaak van die misselijkheid. Die kunnen we maar het beste weten.' Haar ademhaling gaat zwaar zwoegend. Dan zegt ze moeilijk: 'Ik moet met iemand trouwen. En daar heb ik geen zin in.' 'Maar wat doe je dan?' 'Ik ren weg!'
'Nu gaat de misselijkheid over,' zeg ik. 'Nu ben je vrij. Weetje ook waar je naar toe rent?'
'Ik ren naar buiten de stad. Maar ik ben bang. Ik ben voor de eerste keer alleen. Ik vlucht naar de woestijn. En ik heb dorst. Het is zo heet. Ik zoek water...'
'Ga eens naar het moment dat daarvoor de oplossing komt. Ga iets verder vooruit in de tijd, naar een wat plezieriger gebeurtenis. Waar kom je nou terecht?'
'In een kleine kamer met tegels op de vloer,' antwoordt ze.
'Hoe voel je je nu? Beter?'
'Ik heb dorst. Ik kijk uit over de stad.'
'Bij wie ben je?'
'Ik ben bij een onbekende, rijke man.'
'Hoe ben je daar gekomen?' vraag ik verbaasd.
'Die heeft me gevonden, buiten de stad. Ik knielde zo smekend voor zijn karavaan kamelen neer. Maar hij lag op zijn zij en werd gedragen.' 'Waarom was dat? Was hij ziek of gewond?'
'Nee. Hij had niets. Hij is gewoon rijk, hij hoeft niet te lopen. En ik ben een mooi meisje. Hij nam mij mee naar zijn huis. En nu sta ik alleen in die mooie, koele kamer. Ik voel me in de war, en ik heb hoofdpijn en dorst,' zegt ze klagend.
'Maar je kunt toch om wat te drinken vragen.'
'Ja, dat doe ik ook. En dan brengt een bediende helder, koel water uit een bron. Ik heb ook honger, en ik krijg wat te eten. Vijgen en dadels, en lekkere ballen van schapenvlees.' 'Ja, dat lijkt me heerlijk,' zeg ik. 'Ik ga in bad,' gaat ze verder. 'Dat is heerlijk.' 'En die man die je meegenomen heeft...?' vraag ik geïnteresseerd. 'Die komt straks,' zegt ze nu, heel monter. 'Ik voel me heel lekker. Hij is jong.'
'Hoe heet jij?'
19.274
'Amalia,' antwoordt ze spontaan.
'En hoe heet hij? Heeft hij je dat al verteld?'
'Ja. Hij heet Mohamed ben Al-Hasid,' antwoordt ze, en ze spelt de naam ook nog helemaal.
Vaak worden namen niet helemaal zuiver genoemd in regressies. Vooral als het al lang geleden is. Deze naam lijkt me ook enigszins verbasterd. Meer aannemelijk is, dat hij Mohamed ben Al-Rashid heet, hetgeen een goede Arabische naam is.
'Het is een aardige man,' voegt ze er nog aan toe. 'Lig je nu in bad?'
'Nee. Ik sta aan de rand van het bad en ik word afgedroogd door een zwarte slavin. Ze is heel, heel jong. Ze is nog geen vrouw. Het is een meisje van elf, twaalf jaar oud. Ik heb wel een volwassen lichaam. Nou, niet helemaal. Ik ben ook nog jong, pas zeventien jaar. Maar ik ben wel mooi.'
'En als je afgedroogd bent, wat gebeurt er dan?' 'Dan komt die man binnen. Hij is prachtig gekleed.' 'Bewonder je hem?'
'Jaah. Hij is knap. En zijn ogen zijn zo doorborend, heel donker. Ze kijken door mij heen. Ik kijk terug. Ik sla mijn ogen niet neer. Wij raken elkaar. Ik wil niet van hem weg. En dat lukt.' 'Op wat voor manier?'
'Eerst onze ogen, en dan neemt hij mijn hand, en ik de zijne. Er gaat kracht door ons beiden, een golf van aantrekkingskracht. Ik wil niet terug naar mijn vader. Ik wil bij die man blijven. Hij zal mij het leven leren. Zo mooi gekleed ...' fluistert ze, in extase. 'Ik voel me nu al heel gelukkig. Ik wil ook niet dat hij andere vrouwen bewondert. Alleen mij, en mij alleen! En ja, dat is mogelijk, want ik ben heel mooi. Wij gaan samen eten. Hij wacht op mij in een ander vertrek. Ik was nog helemaal nat en naakt, toen hij kwam, maar mijn huid was koel. Na het bad moest ik mij laten afdrogen en aankleden. Ik vond het niet vervelend, naakt voor hem te staan. Het was alsof ik hem altijd al had gekend.'
'Is dat misschien ook zo?' En ik denk uiteraard dat het zo is. 'Ja. Dat voelde zo,'
antwoordt ze dan ook. 'Hij heeft veel macht,' gaat ze verder. 'Hij is sultan van een kleine provincie. En hij overheerst het totaal. Maar de hoofdmacht zetelt in Bagdad. Dat is de hoofdstad. Hij moet ook gehoorzamen aan de regels en wetten uit Bagdad, want hij is maar heerser over een klein gebied. De grote, machtige sultan woont in de hoofdstad.
Ik moet me kleden, en dan gaan we samen eten,' schakelt ze weer over. 'Krijg je mooie kleren?'
19.275
'Ja, van smaragdgroen. Een wijde, doorzichtige broek en een korte blouse. En een gedeelte van de taille blijft bloot. En van lichtgroen met gouden muntjes en kralen krijg ik een sluier. Met zo hier en daar zo'n muntje en een houten kraal. Hele kleine parels zijn er ook nog in verwerkt. Die sluier bedekt mijn gelaat, buiten zijn vertrek. Niet als ik bij hem ben.
Ik ga nu naar zijn vertrek. Ik draag mooie pantoffeltjes van heel dun en heel zacht groen leer, met een goudmotief bewerkt, overal gestempeld in het leer. Een soort
"fleur de lis" patroon. Hij draagt een gewaad van blauwgroene zijde, over een witzijden broek en hemd. En op zijn hoofd heeft hij een witte tulband, met voorop een prachtige broche met veren. Alles is mooi, maar niet overheersend of overdadig. Het is sober maar mooi. Het blauwgroen is van een zomernacht bij zonsondergang.' Ze is nu bijna lyrisch.
'Sober en mooi, zeg je. Hij kent dus het gezegde "In de beperking toont zich de meester". En wat gebeurt er dan, Amalia?'
'Hij is eenzaam, en nog maar ongeveer vijfendertig jaar oud.'
'Hoe kan hij nou eenzaam zijn in een land waar hij zoveel vrouwen kan krijgen?' reageer ik verbaasd.
'Hij wil een ontwikkelde vrouw. En dat ben ik,' antwoordt ze fier.
'Noemt hij je voluit Amalia, of kort hij het af?'
'In het begin word ik niet bij mijn naam genoemd.'
'En later? Hoe noemt hij je dan?'
'Dan noemt hij mij zijn "duifje".'
'Vind je hem terug in je latere leven als Jessica?'
'Ja. Het is Erik, mijn huidige man. Maar uiteindelijk kort hij mijn naam af en noemt mij "Ama" of "Amali". Hij steunt op mij. Hij vertrouwt niemand anders.' 'Hoe komt dat zo?'
'De druk van buitenaf is groot. Hij moet oppassen, want hij voert oorlog tegen zijn broer. Nee, dat is niet zo prettig.'
'Vertel eens wat over prettiger zaken. Waar hou jij van? Van wat voor gerechten, wat voor eten?' vraag ik argeloos.
'Ik hou van koele, sappige vruchten, en van heet, gekruid schapenvlees. Sappig en nog een beetje roze, met veel jus.' 'Word je daar niet lelijk dik van?'
'Nee. Ik krijg daar seksuele gevoelens van, ik raak opgewonden. Bij het diner zijn wij zo ontspannen. Met veel wijn en water!'Als Jessica drinkt ze ook weer (te) veel wijn. Die gewoonte is toch in de geest weer, als een invloed, meegekomen.
'Water!' gaat ze verder. 'Er zijn binnen fonteinen. En we baden in het water. Dat is het mooiste in het leven dat er is. Eten en in bad. Baden met fonteinen van water, met muziek en gezang. Dat is het voornaamste. En niet te vergeten, praten. Met hem kan ik praten, en hij met mij, tot diep in
19.276
de nacht.'
'En als je dan, zo aan tafel, door al dat eten die seksuele opwinding krijgt,wat gebeurt er dan?'
'Dan ga ik voor hem dansen. Op de wijze die wij vrouwen allemaal leren, om voor een man te dansen.' Er is sedert de oertijd op dat punt nog niet veel veranderd, denk ik bij mijzelf. 'En hoe dansje dan?'
'Jaah? Langzaam bewegend, opwindend en zinnelijk, maar wel met stijl. Daarna drinken we wijn uit eikaars beker. Hij dooft het licht. De kamer is nu donker. Hij kleedt mij uit, en ik hem. Dan trek ik een lange, doorzichtige djellaba aan, tot op de grond. En hij doet dat ook. We kleden elkaar uit, en het is donker,' zegt ze nog eens. 'Alleen de maan en de sterren geven licht. Ik kijk naar buiten. En hij komt naast me staan en legt zijn handen op mijn schouders. Ik voel me gelukkig. Ik draai me om, en we omhelzen en kussen elkaar. Ik ben niet bang van hem, want ik herken zijn geur.' Nog steeds het reukspoor uit de oertijd. Dat is tot op de huidige dag nog aanwezig.
'Wij gaan op kussens liggen,' gaat ze verder. 'Die liggen overal verspreid door de kamer, langs het water van het grote bad. Hij vraagt mij bij hem te blijven. En ik zeg ja, want ik wil niet terug naar mijn vader. Vanwege zijn positie hoeft dat ook niet. Wat hij zegt, is wet. Hij heeft macht. En ik ben van goede afkomst.'
'Wat gebeurt er dan verder, als jullie beiden daar zo staan en elkaar kussen?'
'Hij leidt mij naar de kussens. En wij liggen naast elkaar. We strelen elkaar, en we luisteren naar de geluiden van de nacht. Ik leg mijn hoofd en oor op zijn borst. Ik hoor zijn hart bonzen. En hij gaat met zijn handen door mijn lange, donkere haar. Dan kussen wij elkaar lang en hartstochtelijk. Ik vind het heel fijn. Dit heb ik altijd gewild. Niet trouwen met die oude mannen. Deze keus heb ik zelf gemaakt. En ik hou mezelf niet in. Hij neemt mij, zoals mannen dat doen met vrouwen. Ik was even bang, maar ... dat is weg. Maar als ik ophoud met huilen, dan kussen wij elkaar weer.' 'Huil je dan?'
'Ja. Even maar, want ik was nog maagd. Ik wen aan het vrijen. En ik hoop dat de nacht nog lang duurt.'
'Ik wen aan het vrijen, zeg je. Dat heb je toch altijd gewild,' reageer ik nu.
'Ja, ik hoop dat de nacht lang duurt,' zegt ze nogmaals. 'Waarom hoopje dat?' vraag ik, eigenlijk naar de bekende weg. 'Omdat ik heel erg verliefd op hem ben. Wij vinden het fijn met elkaar. Seksueel beleeft hij alles wat hij wil beleven. En voor mij geldt hetzelfde. Ik geniet gewoon heel intens.'
19.262
'Je schudt met je hoofd,' zeg ik. 'Waarom doe je dat?' 'Ik weet niet waar ik ben.' Ze lijkt ineens heel verward. 'Waar lijkt het dan op, daar waar je bent?'
Tussen tijd en ruimte,' antwoordt ze, tot mijn niet geringe verbazing. Ze is kennelijk op de vlucht geslagen.
'Hoe ben je daar gekomen, en waarom?' vraag ik, nieuwsgierig naar wat ze zeggen zal.
'Dat weet ik niet,' antwoordt ze. Ze is onbewust gevlucht naar neutraal gebied. Ineens dook Jessica's angst weer op.
'Ga terug naar die nacht vol liefde.' (Instructies volgen.) 'Je bent er weer. Lig je nog steeds op kussens langs het grote bad?'
'Ja. Wij gaan weer eten. Ik heb nog steeds alleen maar die witte djellaba aan. Wij hoeven geen geheimen voor elkaar te hebben. Ik word zijn hoofdvrouw. En er volgen veel eetpartijen en liefdesnachten. Vaak iedere nacht.
Maar vanwege de oorlog met zijn broer heeft hij soms rusteloze nachten. Dan ijsbeert hij heen en weer. Hij gehoorzaamt de wetten van Bagdad niet. Maar zijn broer doet dat wel. Mohamed wil de baas blijven over zijn eigen gebied. Hij weet het beste wat goed is voor zijn volk. Hij is streng, maar eerlijk. Zijn broer is een laffe hielenlikker.' 'Hoe gaat het met jou verder?'
'Goed. Ik krijg veel liefde en gezelschap. Hij heeft ook andere vrouwen. Maar ze interesseren hem niet. Hij onderhoudt trouwens zijn zusters ook, en zijn moeder. Maar hij vindt alles bij mij.
Dat blijft zo tot ik oud word. Maar hij sterft eerst, op zestigjarige leeftijd. Ik kan het verdriet haast niet verwerken. En op mijn vijfenvijftigste trek ik mij helemaal terug. Ik verlaat het paleis. Ik ga naar een ander huis met een grote tuin. Zijn zoon is nu sultan. Ik trek me terug. Ik wil niets met die politiek te maken hebben. Ik ga naar een mooi paleisje. Ik wil tuinieren, niets anders. Alleen tuinieren, en ... eten. Genieten van de eenvoudige dingen van het leven. Maar zonder hem ...' Haar stem trilt een beetje als zij dat zegt.
'Ik ben een beetje dik geworden,' bekent ze. 'Ik heb kleinkinderen die soms langs komen. En dat is voor mij genoeg.' 'Heb je in dit leven veel van de seksuele liefde genoten?' 'Ja,' antwoordt ze. 'Dat was bijzonder mooi. Ik heb daarin echt veel beleefd, en gevonden dat ik die ook heel goed kan beleven.' 'Wat betekent dat voor je leven als Jessica? Wat neem je uit je leven als Amalia mee, in dit verband?'
'Niet bang zijn,' zegt ze nu. 'Je ontspannen. En geniet inderdaad van de eenvoudige dingen in het leven. Dingen die al klaar liggen om te rijpen. Eten is de weg naar de seks\ Wees niet bang om te eten' 'Zul je daarover, in je leven als Jessica, heel goed denken, en dat in je opnemen en bewaren?'
19.278
'Ja. In mijn leven als Amalia heb ik geen moeite om tot een orgasme te komen.'
'Maar dat kan dan in je leven als Jessica toch ook,' zeg ik nadrukkelijk.
'Vanzelfsprekend,' antwoordt ze. En dan ben ik toch even verrast. 'En jij, Amalia, je leeft in een mooi paleisje,' neem ik de draad weer op. 'Ja. Ik leef verder, en ik hou me bezig met tuinieren totdat ik dat niet meer kan.'
'Overleef je je man lang? Hoe oud word je?'
'Toch wel. Ik word tachtig. En dat is oud daar. Ja, maar ik weet veel. En ik hou me bezig met mijn kleinkinderen. Meer hoeft niet. Ik sterf in mijn slaap, in alle rust. Mijn hart is gewoon moe.'
'Ga naar dat moment van je sterven. En daarna ga je over naar Gene Zijde, in de geest.' (Instructies volgen.) 'Nu ga je over in je slaap, heel rustig,' vervolg ik mijn instructie. 'Je bent aan Gene Zijde. De levensdraad is definitief gebroken. Je bent nu onstoffelijk, puur geest. Hoe ervaar je dat, los van je lichaam te zijn? Erboven te zweven?' 'Dat is vreemd,' antwoordt ze.
'En waar denk je datje naartoe gaat? Is er in je leven een religie geweest die je vertelde waarheen je zou gaan, na je sterven?' 'Ja,' zegt ze. 'Ik zou naar de Hemel, naar de fonteinen gaan. Die eindeloze fonteinen, die nooit ophouden met het schenken van wijn. Ik hoop daar de sultan te treffen, mijn Mohamed. En dat is ook zo.' 'Ga eens naar het moment van die ontmoeting toe,' dring ik aan. 'Oh, dat is heel fijn ...' zegt ze extatisch. 'Hij is weer jong, en gekleed in die mooie blauwgroene zijden djellaba.' Ze schept nu duidelijk haar eigen werkelijkheid, of hij de zijne. Ik denk dat hij zich voor haar duidelijk herkenbaar manifesteert.
'We omhelzen elkaar. Maar hij zegt, je weet datje nog naar de Raad van Drie moet.'
'Ga daar eens heen. Wat zie je dan?'
'Ik zie weer die rode laden, in dat grote vertrek. En dezelfde Drie staan daar te wachten. Ik herken ze. Zeker één met een baard.' 'Wat wordt er gezegd?'
'Heb je genoten, vragen ze. Ik zeg, ja, nou en? Het was een mooi leven. Maar je deed je vader pijn, zeggen ze. Ach ja, ik was jong, en ik wilde naar een man toe, antwoord ik. Nee, je hebt het goed gedaan, zeggen ze. Zo wasje opdracht.'
'En is dat zo? Spreek eens over je volgende leven. Waar kom je dan terecht?' vraag ik daarom verder.
'Hmm,' zegt ze. 'Dat is in Frankrijk. Daar ben ik een man, een strijder. Ik ben een tempelier. Ik heet Roberti. Dat leven eindigde omstreeks 1350 n.C.'
'Nou dat leven kennen we al. Dus daarmee hoeven we niet in detail verder te gaan.'
19.264
'Nee. Dat hoeft niet,' antwoordt ze onmiddellijk. 'Wat is de bedoeling van dat leven?
Je karmische opdracht?' vraag ik. 'Leren vergeven, het leren limieten te stellen, beperking, grenzen kennen.'
'En is dat gelukt, of is dat niet gelukt? Heb je die les geleerd?' 'Nee! Die les heb ik niet geleerd. Het ging niet zo best. Bepaalde dingen had ik geleerd, maar ... wraak is moeilijk kwijt te raken,' verzucht ze. 'En hoe staat het in dat leven als Roberti met de liefde voor een vrouw?' vraag ik argeloos. Dat is een belangrijke kwestie. 'Dat mocht niet! Nee!' Het komt er wat aarzelend uit. 'Omdat ik een tempelier ben.' Daar openbaart zich duidelijk het karma, veroorzaakt in haar voorgaande leven als Amalia. Daarin was alles seks. Een overdaad aan seks! 'Wij leggen een eed af. Maar soms ... af en toe ... maak je een slippertje. En daarna voel je je zo schuldig. Want dat is tegen de wet van de Kerk. Een slippertje ...,vooral met Arabische vrouwen.' 'Die kende jij wel, Arabische vrouwen. Ja toch? Was er nog een bij die je herkende, vanuit je onderbewustzijn? Ik bedoel, uitje leven als Amalia.' 'Dat herinner ik me niet meer,' zegt ze afwerend. 'Je hebt in je leven als Roberti gesproken over paus Clemens de Vijfde, en over Filips de Schone. Vind je van die twee nog iets terug in je latere leven als Jessica?'
Ze knikt. 'Ja. Ik vind iets terug. De Kerk!' zegt ze sarcastisch. 'Nee,' zeg ik. 'Ik bedoel, als personen.'
'Ja, jaah ..! Ik denk dat Erik paus Clemens was. Maar dat is niet duidelijk.'
'Dat heb je al eerder gedacht, hè. In de allereerste regressiesessie.' 'Nee, niet duidelijk,' herhaalt ze.
'Vind je nog meer personen uit dat leven als Roberti terug in je leven als Jessica?'
'Ja, mijn zus, in mijn tegenwoordige leven. Ze was daar een hoer met een slecht temperament, een volksvrouw. En maar schelden ... nou, dan deed je het maar liever zonder ...'
'Die Filips de Schone, vind je die nog terug in je leven als Jessica?' 'Ja. Hij is nu een zakelijke partner van mijn man Erik.' 'Hoe loopt dat leven van Roberti eigenlijk af?
Hebben we dat al eens onderzocht?'
'Ja,' antwoordt ze. 'We weten het precies. Tot zijn dood in Griekenland. Een eenzame, bittere dood, tussen monniken van een andere orde. In een klooster, ten noorden van Thessaloniki. In een bergachtige streek, vlak bij zee. Ik heb ze niet verraden, de tempeliers. Dat is niet waar!' roept ze uit. 'Nee, ik heb ze niet verraden,' herhaalt ze, nu wat rustiger. 'Er kleeft geen christelijk bloed aan mijn handen. Maar ik voel schuld, over dat leven als Roberti. Hij had niet moeten doden. Het zat hem ook tegen. Het
19.265
stond hem tegen. Hij vond het niet fijn. Maar in het vuur van de strijd ...ja?'
'In welke tijd was dat leven als Amalia in Perzië? Ben je lang aan Gene Zijde gebleven, tussen die twee levens, als Amalia en Roberti?' 'Ja. Zo'n vijftig jaar.' Dat zal wel niet helemaal kloppen. Daar heeft ze naar alle waarschijnlijkheid geen volledig besef van gehad. 'Wanneer stierf je dan als Amalia op aarde? Volgens de christelijke jaartelling.'
'In het jaar 1180 of 1170 n.C.'
'Tot welke godsdienst behoorde je daar?'
'Ik was een islamitische,' antwoordt ze.
'Ik wou je toch nog iets anders vragen. Dit leven als Amalia is wel goed beëindigd. Dat denk ik tenminste. Maar is Roberti naar het Licht gegaan?' Er valt een stilte, en ik dring aan: 'Zoek dat eens op.' 'Nee...' zegt ze, wat moeilijk. 'Roberti is niet in het Licht. Hij dwaalt rond. Hij is aan het zwerven gegaan, onrustig,verward, aardgebonden.' 'Oh, maar daar moeten we iets aan doen,' zeg ik daarop. 'Je ziet het Licht boven hem, maar ...' Verder komt ze niet. 'Ga eens naar zijn sterven. Je bent in dat leven,' draag ik haar op. 'Ja,' reageert ze. 'Hij ligt op een hoog bed, omringd door andere monniken.' Ze spreekt met een lage, omfloerste stem. 'Er branden kaarsen. Vooral twee grote, bijna manshoge kaarsen, bij het hoofdeinde van het bed.'
'Ga over, naar Gene Zijde, Roberti!' (Instructies volgen.) 'Waar blijf je nu? Er is stilte en ik vraag verder: 'Wat zie je, nu je overgegaan bent?' 'Het is donker en nevelig. Ik weet niet waar ik ben.' Het klinkt verbaasd. 'Niet in de hemel,' zegt de stem. 'Heb je spijt van dat leven?' vraag ik rustig.
'Ja. Ik heb spijt van het vele doden, en ik heb spijt, omdat ik bitter ben. En ik heb spijt, omdat ik mensen niet kan vergeven. Ook omdat ik mezelf niet kan vergeven. Ik ben het strijden zat.' 'Zwerf je rond, dicht bij de aarde? Dat zei je toch?' 'Ik weet niet waar ik ben. Ik ben verward. Het ziet er donker uit, om me heen. Ik voel me moe en klam.' 'Ga daar weg ...' dring ik aan. 'Ja,' antwoordt hij onmiddellijk.
'De tijd is gekomen datje omhoog moet gaan, naar de Hemel, naar het Licht,' zeg ik tegen hem. 'Graag...' fluistert hij terug.
'Ik help je. Ga omhoog! Je bent zo licht als een veertje. Je bent onstoffelijk, en dat besef je niet. Dat bewustzijn heb je niet. Maar het komt, het besef dat je totaal niets weegt en je jezelf omhoog kunt laten drijven.' (Verdere instructies volgen.) 'Nu schiet je als een pijl uit een boog omhoog, naar het Licht.'
19.281
'Ja,' komt er, zonder aarzelen. 'Ik ben omringd door Licht, door gouden Licht. Had ik dit maar eerder gedaan.'
'Is er iemand die je daar opwacht, die je komt halen? Kijk eens heel goed om je heen. Daar is vast wel een Gids, of iemand die je liefheb.' 'Jaah ... Ik zie iemand, die nu Erik is. Ik herken hem gewoon. En mijn overgrootmoeder is er ook.'
'Erik? Als wat? In welke aardse vorig – leven - persoonlijkheid manifesteert hij zich daar?'
'Ik herken hem gewoon. En ze strekken allebei hun handen naar me uit. Ik ga naar ze toe, en dan word ik omringd door ... mensen. Dan loop ik langzaam terug ... langzaam maar zeker terug, naar de Raad van Drie.'
'Hoe verloopt die ontmoeting?'
'Goed. Ze zijn een heel klein beetje boos, maar ... ik moet bepaalde dingen nog leren.' 'Wil je weten wat ze zeggen?' 'Nee!'
En daarmee verlaten we Jessica.
19.282
20
Lucie's obsessie
Het conflict in de tweelingziel. Wie is (aardgebonden) Huub?
Aan het begin van hoofdstuk 9 heb ik obsessie door aard gebondene reeds summier behandeld. Ik heb daar eigenlijk uitsluitend gesproken over geobsedeerd zijn door een verwarde, overleden persoonlijkheid van de eigen ziele-eenheid,van een eigen IK.
Maar het kan ook gebeuren, dat we op een demonische obsessie stuiten. Dat wil zeggen een bezeten zijn door een aardgebonden persoonlijkheid van een andere ziele-eenheid. Ook allerlei andere vreemde entiteiten die door de astrale ruimte zwerven, kunnen hierbij een rol spelen.
In verreweg de meeste gevallen zijn deze vormen van obsessie echt gemeen en boosaardig. Zo'n 'demon' kan ook uiterst wraakzuchtig zijn, als gevolg van onderlinge geschillen en negatieve gebeurtenissen in vorige levens. Rancune, haat, afgunst, competitie en wat al niet meer. Ik heb zulke gevallen meegemaakt en ik zal er hier niet te diepgaand over uitweiden. Het is voldoende dit met één praktijkvoorbeeld te illustreren. Het gaat over een jonge vrouw met sterke intuïtieve gaven in haar tegenwoordige leven als Valeria. Ze heeft onder andere last van depressies. In een vorig leven is zij heel jong in een tempel terechtgekomen; ze was toen al helderziende. Het speelt zich nog voor de tijd van Nebucadnezar af, in het Tweestromenland. Tigri heet het gebied daar, Babylon Tigri. De tempel staat dichtbij de rivier de Tigris. En de voornaamste godheid die daar aanbeden wordt, is BaalBachra. Ze is, zoals gezegd, een jong meisje, dat S'hulah-mit heet en daar gewoon Shulah wordt genoemd, hetgeen 'de nieuwsgierige' betekent. Er wordt haar door 'de Meesters' in de tempel veel geleerd en ze brengt het uiteindelijk tot priesteres, samen met een viertal andere meisjes. Het is een merkwaardige samenleving. Zowel de krachten van het goede als van het kwade gaan daar een rol spelen. Maar Shulah wordt ten slotte hoofd van een grote groep begaafde vrouwen, en ze krijgt het moeilijk. Competitie en jaloezie slaan toe.
Ik vraag haar naar het verkeerd gebruiken van haar macht en haar gaven te gaan, en ze vertelt het volgende, terwijl ze diep in trance is. 'Ik moet die macht wel verkeerd gebruiken,' zegt ze, 'anders doen ze mij wat. Ik moet me verweren. Er was vroeger al iemand die bepaalde dingen bewust fout deed om mij daar dan de schuld van te geven. Maar die weet nu net zoveel als ik.'
20.283
Ze is knap, die Saadra, want zo heet ze, maar ze wil mij kwaad doen. En ja, dan ga ik ook kwaad terug doen. Maar dat wil ik eigenlijk niet, want dan krijg ik het later zelf weer terug.' Er valt even een stilte. 'En wat gebeurt er dan?' vraag ik nieuwsgierig.
'Nou, ik moet bepaalde dingen voorspellen,' zegt Shulah, 'en als ik dan gedurende korte tijd heb gevast en daarna in het water kijk, dan kan ik dat op de dag af precies zien. Maar Saadra is jaloers op mij. Ze wil dat ik het fout doe. En ik word daardoor gedreven tot dingen, die ik niet zou moeten doen.
Ik kan veel. Ik ben machtig, en ik kan ook haar weg krijgen, als ik dat zou willen. Ik ben net zo sterk als zij. Maar ze legt ieder woord dat ik zeg, verkeerd uit. Vooral naar de mensen toe. En dat is juist mijn eer te na. Als ze de kans krijgt, maakt ze mij kapot. Ik moet er iets aan doen,' zegt Shulah.
En ze doet er wat aan. Ze vlucht weg uit de tempel, met de hulp van een oude priester, haar vroegere leermeester, die haar graag mag en het gevaar doorziet. Ik vraag haar vervolgens om naar de oorzaak van haar depressies, in haar leven als Valeria te gaan. Nog diep in trance, tijdens haar regressie bij mij, ziet ze Saadra aan Gene Zijde terug. Die is kennelijk aardgebonden gebleven. Ze is Shulah door de dood heen gevolgd, geobsedeerd door haar jaloezie. En met het vaste voornemen haar rivale 'demonisch' te blijven kwellen. Dat is de oorzaak van Valeria's depressies. 'Ze is fijnstoffelijk,' zegt Valeria. 'Ik kan haar niet te pakken krijgen. Ik heb haar op aarde gekend, in Tigri. Het is Saadra. Ze lacht me uit. Dat ding (die entiteit) heeft me altijd al geplaagd. Ik heb haar geen kwaad gedaan. Tenminste... soms, een beetje.
Ik zeg haar,' gaat Valeria verder, 'dat ik nooit heb gedacht, dat ik sterker was dan zij, in de tempel in Tigri. Wij waren allebei even sterk, benadruk ik. Saadra is heel verbaasd dat te horen. Maar ze neemt er genoegen mee. Ze aanvaardt het.'
'Breng haar dan naar het Licht,' zeg ik tegen Valeria. 'Ja,' zegt deze, 'ik ben al bezig haar op haar plaats te brengen. Ze wacht tot ze in het Licht mag. En ze gaat weg, zo verbaasd. Ze dacht dat ik mezelf sterker vond en dat kon ze niet verdragen. Ze gaat nu weg, gewoon weg, na wat ik haar verzekerd heb. Het is goed.'
Dit is een milde vorm van demonische obsessie. Maar het verwijderen van zulke demonische obsessors kan, in het algemeen, een moeilijke opgave zijn. Er zijn ook obsessiegevallen die niet, althans niet door mij, zijn op te lossen. Indien er, via de geobsedeerde in trance, geen redelijk gesprek of rationeel contact mogelijk is tussen de therapeut en de obsessor, kun je niet tot een oplossing respectievelijk tot hulpverlening komen. Je moet
20.284
dan de therapie gewoon staken nog voor hij eigenlijk begonnen is. Je ontdekt dit probleem snel genoeg, namelijk doordat de persoon in de stoel begint te schelden en te tieren, schunnige taal uitslaat of een volkomen onsamenhangende woordenstroom spuit. Het is duidelijk dat je dan geen stap verder komt. Zo'n geval is door regressie niet op te lossen.
Ik heb wel eens meegemaakt dat iemand die dergelijke problemen had, vóór de inductie van de trance tegen me zei: 'Je wordt toch niet boos op me hè?' Zoiets snijdt door je ziel. En je voelt je naderhand zo ontzettend machteloos. Overigens wil ik hier waarschuwen voor het 'spelen' met het ouya-bord, de planchette, het 'glaasje draaien', en dergelijke. Dit kan verstrekkende desastreuze gevolgen hebben. Er kunnen vreemde entiteiten, elementalen en ander 'kosmisch vuil' uit de lagere astrale zones binnendringen in de geest van sensitieve mensen die zich spontaan en onbeschermd hiermee bezig houden. Omdat zij zich onbewust openstellen, zijn ze zeer ontvankelijk voor negatieve energieën die overal in de astrale ruimte rondzwerven, wachtend op een kans om naar binnen te sluipen. Zij kunnen zich aanvankelijk zeer positief voordoen. En de informatie die zij doorgeven, lijkt betrouwbaar, maar is in de meeste gevallen volkomen misleidend en waardeloos. Er treedt soms verslaving aan het medium op, en als ten slotte de angst toeslaat, is het veel te laat.
Ik heb meegemaakt dat een wanhopige moeder mij opbelde over haar zoon die zich in een groepje studenten met 'glaasje draaien' had bezig gehouden. Een intelligente, normale jongeman, die daarna wel volkomen verward in een psychiatrische inrichting terechtkwam. Ze was radeloos en vroeg mij om hulp, maar ik kon die helaas niet geven. Ook in dergelijke gevallen is de obsessor in de bezeten persoonlijkheid in trance niet aanspreekbaar. Deze obsessors reageren eveneens met wartaal en laten zich niet verdrijven. Je staat machteloos. Dus nogmaals: leken op dit gebied, die volkomen onbeschermd zijn en geen kennis van zaken hebben, kunnen zich beter niet met deze 'spelletjes' bezig houden. Doen ze dat toch, dan lopen ze grote risico's.
Dit hoofdstuk behandelt een geval van obsessie door aard gebondene en de gevolgen daarvan. Maar de oorzaak is een totaal andere dan waarover hierboven is geschreven.
Woensdagmiddag, 18 juni 1986
Er zit een jonge vrouw van een jaar of dertig bij mij in de stoel. Zij heeft een probleem. Een groot probleem, dat tijdens ons voorgesprek duidelijk naar buiten komt.
20.285
Ze heet Lucie en ze heeft een suïcidale neiging. Ze is geobsedeerd door treinen en perrons, dat wil zeggen dat ze zich voor de trein wil gooien. Ze wordt daartoe als het ware aangezet. Ze is soms depressief en heeft, naar later blijkt, ook nog een relatieprobleem met Edo, een man, die haar tweelingziel lijkt te zijn. Bovendien is er een vermoeden van paranormale begaafdheid.
Als wij ons gesprek beëindigd hebben en het probleem heel duidelijk voor mij ligt, breng ik haar in een diepe trance. Ik geef haar de instructie om naar het vorige leven te gaan waarin de hoofdoorzaak ligt van haar suïcidale neiging en depressiviteit.
Al gauw begint zij te spreken, nadat ik haar gevraagd heb: 'Wat zie je, wat gebeurt er. Wat ervaar je?'
'Het is donker en het is warm,' antwoordt ze.
'Wat is warm? De zon, het klimaat?'
'Nee. Mijn lijf is warm ...'
'Hoe komt dat? Heb je dikke kleding aan, of ben je ziek?' 'Hij drukt op mijn hoofd,'
zegt ze nu. 'Hij drukt achter en aan de zijkanten. Maar het is niet pijnlijk. Nee.' 'Wie denk je dat het is? Heb je daar enig idee van?' 'Nee. Ik voel alleen maar mijn hoofd. Het drukt...' 'Drukt er iets in of op je hoofd?' 'Erop ...' Ze fluistert alleen maar, enigszins afwezig. 'Waar ben je ergens? Kijk eens goed om je heen,' dring ik aan. 'Ik zie helemaal niets. Het is alleen maar donker. Ik voel alleen mijn hoofd. Mijn armen zijn warm. Ik ben nergens. Maar op mijn slapen drukt het. En mijn mond is warm en een beetje droog.' Er valt een stilte. 'Ik ben hier,' zegt ze dan.
'Luister,' zeg ik. 'Ga terug in de tijd, naar een vorig leven, waarin de oorzaak ligt van je drang tot suïcide, je neiging om voor de trein te springen, in je leven als Lucie. Wil je dat?' 'Ja,' fluistert ze, bijna onhoorbaar.
'Goed!' (Instructies volgen.) 'Wat komt er nu op je af? Waar ben je?' 'Ik ben hier,'
zegt ze weer. 'En ik voel alleen de druk op mijn hoofd, op mijn slapen, op mijn neus. Het lijken de handen van Edo. Die drukt ook altijd zo.'
'Spreek eens wat duidelijker,' vraag ik. 'Ik kan je nauwelijks verstaan.' 'Hij drukt met zijn vingertoppen op mijn hoofd, als hij bij mij komt.' 'Wat is de bedoeling daarvan?'
'Dat weet ik niet. Dat zegt hij ook niet, en dat vraag ik hem niet. Hij drukt heel zachtjes. Maar dat gaat heel diep, heel ver. Het drukt en het trilt van binnen.'
'Vertel me eens, wie ben je? Hoe heet je?'
'Lucie,' zegt ze, heel zacht. 'Ik ben hier in de kamer, bij jou in de stoel. Ik voel me heel warm.' Ze begint geluidloos te huilen.
20.286
Waarom huil je?' vraag ik.
k denk om Edo. Ik voel zijn handen. En dat is prettig. Ik wil naar Edo toe. Hij begrijpt mij.'
'Ga dan in de geest, van hieruit, naar hem toe. Ik help je.' (Nieuwe instructies volgen.) 'Stem je af op zijn trillingen, intuïtief.' 'Nee ... Edo wil niet dat ik kom. Hij is bang voor mij, en bang voor zichzelf,' zegt ze snikkend. Tranen glijden langs haar wangen. 'Waarom is hij bang?' vraag ik verbaasd. 'Hij herkent zichzelf in mij.'
'Hoe is dat mogelijk? Heb je dezelfde trillingen als hij? Is hij jouw tweelingziel? En is hij bang voor jou, omdat je gedachten bij je draagt die hem bedreigen? Omdat jij neigingen vertoont om voor de trein te springen? Is dat net het gene, waarin hij zichzelf in jou niet herkent? Waar hij angst voor heeft?'
'Hij is bang voor alles. Alles wat ik zeg. Alles lijkt op elkaar.' 'Je voelt alles hetzelfde aan, bedoel je dat?' Ze snikt alleen maar ... 'Je bent in diepe trance,' zeg ik. 'Je hebt een heel grote kennis van de roerselen van de geest. Is het mogelijk dat hij je tweelingziel is?' 'Misschien,' zegt ze aarzelend. 'Ik weet niet. Het is allemaal hetzelfde. Alles! Hij wil niet dat ik kom. Hij moet werken ...' 'Waarom hou jij je nu zo met Edo bezig? Juist op dit moment?' 'Omdat hij op mijn hoofd drukt. Dat doet hij altijd, en ik weet niet waarvoor.'
'Onderzoek dat dan eens. Dat kun je nu,' draag ik haar dwingend op. 'Hij maakt mijn hoofd open. Dan kan hij bij mij komen.' 'En als hij bij je komt, wat gebeurt er dan, Lucie? Ga eens in zo'n situatie, dat hij bij jou in je hoofd komt. Wat gebeurt er dan?'
'Hij denkt aan mij. Hij herkent. Hij ziet zichzelf.' 'Is hij dan toch je tweelingziel?' vraag ik nog eens. 'Dat hij zo zichzelf in jou ziet. Kijk jij eens naar hem. Zie jij jezelf in hem?' 'Ja. Het lijkt er ook op,' antwoordt ze. 'Besef je wat het is, tweelingzielen te zijn, tegelijk op aarde?'
Het mannelijke en het vrouwelijke deel, die samen de gehele ziel vormen, zoals 'in den beginne', bij onze komst op aarde.
We gingen toen in een tweeslachtig wezen, een hermafrodiet, als één ziel in één lichaam. Bij de splitsing in mannelijke en vrouwelijke lichamen moesten we die ene ziel eveneens splitsen, maar de eenheid daarvan bleef in wezen bestaan. We blijven in de kern, aan Gene Zijde in de ziele-eenheid, androgyn. We kunnen twee geslachtelijke kanten uit.
Tweelingzielen blijven naar elkaar verlangen, meestal onbewust. Maar op aarde gaan ze hun eigen weg, en ze lopen ook hun eigen persoonlijke karma op. Dat kan problemen geven, hoewel ze elkaar op aarde niet zo vaak (letterlijk) tegenkomen. Desondanks vormen ze toch een sterke harmonie, vullen
20.273
elkaar aan. Eén ziel, één gedachte, ondanks het feit dat het twee incarnaties zijn. Twee persoonlijkheden, die de zelfde tijd op aarde aanwezig zijn. Maar geboorte en dood vallen lang niet altijd samen. Vinden zij elkaar als man en vrouw op dit aardse plan, dan kan daaruit een fantastisch gelukkig liefdespaar ontstaan. Komen ze elkaar niet tegen op aarde, dan beïnvloeden ze elkaar toch, onbewust, positief en, helaas, soms ook negatief. Maar ze komen na de aardse dood toch weer terug in dezelfde monade, in dezelfde ziele-eenheid.
'Dat kan toch niet,' reageert Lucie.
'Ja, dat kan wel,' weerspreek ik haar. 'Oorspronkelijk was de ziel, afgesplitst van de Eenheid van Geest, noch mannelijk, noch vrouwelijk, totdat die ziel, die geest, naar de aarde ging en zichzelf splitste. Maar ze horen feitelijk bij elkaar en ze hebben dan ook dezelfde trillingsfrequentie. Het is een directe verwantschap. Hetzelfde voelen.' 'Hij moet niet weglopen ...' fluistert ze nu. 'Ik wil weten wat hij komt doen.'
'Zoek dat dan eens uit,' zeg ik. Ze zucht enige keren heel diep, en zwijgt.
'Luister Lucie. Vergeet de eerste instructie om naar een vorig leven te gaan even. De instructie die ik je zojuist gegeven heb. Je krijgt een andere instructie van mij. Ga terug in de tijd, naar het vorige leven waarin je de man hebt gekend of hebt liefgehad die je nu kent als Edo. Het vorige leven met hem, dat de sterkste invloed heeft op je tegenwoordige leven als Lucie.' (Verdere instructies volgen.) Er ontlaadt zich nu een hevige emotie bij haar. Ze snikt het uit. 'Wat is er nou met je?' vraag ik.
'Waarom huil je zo?' 'Hij houdt mij tegen.'
Later ontdekken we dat er een vorig leven tussen ligt, waarin een tragisch ongeval heeft plaatsgevonden. Lucie, als de 17-jarige Rosanna, ligt buiten op een hooiweide tegen een hooimijt, samen met Edo als de 22-jarige Eugène. Ze voelen zich hevig tot elkaar aangetrokken. Een vonk uit de pijp van Eugène steekt de hooimijt in brand. Hun beider kleren vatten vlam. Rosanna rent weg en weet zich te redden, maar Eugène komt in de vlammen om. Rosanna is ontroostbaar. Ze wil niet meer leven. Ze wil naar Eugène toe, aan Gene Zijde. Ze laat zich gaan, wordt ziek en sterft tenslotte. Dan is ze weer bij Eugène.
'We gaan samen verder,'zegt ze. 'Hij is een stukje van mij, van mijn ziel. Alles is hetzelfde. Hij denkt hetzelfde. Hij is helemaal identiek. Hij is niet mijn Eugène. Ik ben ook Eugène. Wij vormen een eenheid. Ik wil altijd bij Eugène blijven,'zegt Rosanna,
'anders ben ik maar half.'
Terug naar Lucie. 'Hij houdt je tegen, zeg je. Om terug te gaan in de
20.274
tijd?' vraag ik verder. 'Ik denk het...'
'En ben je niet in staat om daar doorheen te breken, Lucie? Waarom zou hij je tegenhouden?'
'Ik denk dat hij mee kijkt. Hij is bang,' snikt ze.
'Ga terug naar dat vorige leven met hem. Wil je dat?'
'Het kan niet. Hij drukt weer
'Wat wil je dat ik doe? Of, wat is er mogelijk?' vraag ik haar. 'Stuur hem maar weg,'
zegt ze mat. (Instructies volgen.) 'Nee. Hij is niet weg. De druk is er nog. Hij is sterk.'
'Kun je hem zelf niet wegdrukken?' 'Eén keer heb ik het gekund.' 'Probeer het nog eens. Je kunt het wel,' dring ik aan. 'Ik stuur zijn moeder weg. Die komt ook altijd. Ze wil altijd dichtbij komen. Maar ze kan het niet. Ik voel dat ze dichtbij wil komen, maar dat lukt haar niet. Hij is bang voor zijn moeder.' 'Waarom is dat dan? Is ze nog op aarde, leeft ze nog?' 'Nee. Ze is aan Gene Zijde.'
'Waarom is hij dan bang voor zijn moeder? Is daar een goede reden voor?'
'Hij hoeft niet bang te zijn,' zegt ze. Nog steeds is ze moeilijk verstaanbaar. 'Maar hij is het wel,' gaat ze verder. 'Vanwege zijn herinneringen. Die komt hij bij mij tegen. En nou komt zijn moeder naar mij toe. Altijd! Ik kan niks, en Edo loopt weg.' Ze zucht een paar keer hoorbaar diep. 'Jullie kennen eikaars gevoelens, hè,' stel ik vast. 'Ja. Die zijn hetzelfde.'
'Als je nu eens teruggaat in de tijd, naar dat bedoelde vorige leven met hem,'
probeer ik nog eens. 'Anders kun je geen informatie krijgen, besef je dat?' En dat is het leven als Rosanna en Eugène. Een vorig leven, dat we pas in een veel latere regressie terugvinden.
'Ja, dat weet ik,' antwoordt ze op mijn vraag, met diezelfde matte, zachte stem.
'Wat wil je dan, Lucie?'
'Ik wil kunnen voelen ... warmte ... bij Edo.'
'Ja. Als je een tweelingziel van hem bent, dan horen jullie bij elkaar, vul je elkaar aan. Maar wat wil je? Ik kan je nu toch niet naar Edo brengen.'
'Ik weet het niet. Ik ben hier. Ik kan helemaal niet teruggaan in de tijd. Terug, dat gaat niet. Ik voel dat ik iedere keer weggetrokken word, en iedere keer zit ik weer hier. Dat kan ik niet overwinnen.' 'Kun je wel contact maken met Edo?'
'Soms, soms kan ik zijn lijf bereiken.' Maar het is kommer en kwel.
'Als je nu in de geest contact met hem kunt maken, zeg hem dan dat hij je loslaat, zodat je kunt onderzoeken waar je problemen vandaan ko-
20.289
men, je depressies. Waarom zou hij je tegen willen houden?' 'Omdat hij mee kijkt. Hij is bang. Hij wil niet zien. Hij wil niet dat ik ga. En hij weet altijd alles wat ik doe. Nu drukt hij heel diep in mijn hoofd. Iedere keer komt hij weer terug. Het is geen pijn, maar heel geconcentreerd trillen. Het is net alsof er spiraaltjes op mijn slapen staan.' 'Maakt het je niet gek?'
'Nee. Het is wel veilig. Ik ben niet alleen. Ik wil niet dat hij wegloopt. Hij moet mee kijken.' Ze is nu wat rustiger. 'Mee kijken naar alles. Hij moet niet bang zijn van mij. Hij gaat met alles mee, anders houdt hij me tegen.'
'Sta hem dan toe om mee te kijken.' 'Ja. Dat wil ik wel doen.'
'Ga je dan terug in de tijd, nu, terwijl hij mee kijkt?' 'Samen kijken,' fluistert ze, al snotterend.
'Luister dan naar me. Ga terug in de tijd, naar het vorige leven, waarin de oorzaak ligt van je neiging om voor de trein te springen in je leven als Lucie.' (Verdere instructies volgen.) 'Kijk samen met Edo,' zeg ik nog. Maar het mag niet baten. Ze komt er weer niet.
'Het drukt zo achter op mijn hoofd,' zegt ze. 'En op mijn slapen. Ik ben weer hier. Iedere keer.'
'Heb je misschien even iets gezien van dat vorige leven?' 'Nee. Dat wil wel komen, maar ...'Ze gaat niet verder. 'Ik kan er niet komen,' zegt ze dan. 'En ik weet niet hoe dat komt.' 'En nog wel samen met Edo,' reageer ik. 'Ja toch?' 'Ja. Ik heb het weer warm. Nu voel ik dat er iemand achter me staat. Die maakt mij altijd warm. Die legt de armen in het verlengde van mijn armen, maar dan er onder.' 'Is dat een hij of een zij?'
'Ik weet het niet zeker, maar ik denk een zij. En Edo is er ook. Mijn hoofd...'
'Luister! Ik wil contact maken met die "zij" die achter je staat en die je warm maakt. Ik wil met haar praten, door jou ... Wie ben jij die daar achter Lucie staat?' vraag ik indringend en met stemverheffing. 'Spreek door Lucie, geef me antwoord!'
En prompt komt het antwoord. 'De moeder van Edo,' zegt een veel lagere stem.
'Hoe heet je, moeder van Edo? Wat is je voornaam?' 'Francien,' antwoordt weer die lage stem. 'Wat doe je bij Lucie, Francien?' vraag ik haar. 'Ze zoekt Edo,' zegt de stem van Lucie.
'Ik wil met jou praten, Francien. Geef me antwoord. Wat wil je?' 'Ik wil naar Edo,'
antwoordt Francien.
'Francien, waarom wil je dat?' vraag ik met luide stem. 'Waarom wil je naar Edo?'
20.290
Er volgt alleen maar stilte. 'Geef me antwoord, Francien. Dat kun je best. Vertel het maar allemaal. Wat er is gebeurd. Waarom je hier bij de aarde bent, en naar Edo wilt. En ook waarom je het Lucie zo moeilijk maakt. Geef me antwoord! Spreek door Lucie's mond. Je kunt dat. Wat bind je zo aan Lucie en aan de aarde?'
Ik blijf volhouden en doordrammen. Geduld is ook hier een schone zaak.
'Ze is lief. Weetje dat?' zegt ze ontwijkend. 'Wat doe je hier, Francien?'
'Ze kan niet bij Edo komen.' Het komt er moeizaam uit. 'Waarom niet?'
'Edo is bang van haar. Maar Edo is ook sterk. Hij weert haar af met zijn kracht. Zijn moeder mag niet winnen van hem. Het is een machtsstrijd. En hij wil zelf uitmaken wat hij doet... Dat wil ik ook.'
'Dat wil jij ook, Lucie. Je wilt niet dat zij er zich mee bemoeit?'
'Nee. Dat mag ze wel. Maar ik kan zelf nooit "willen". Nee. Edo "wil" altijd. Edo maakt uit!'
'Wat heeft dat met Edo zijn moeder te maken?'
'Die maakt mij sterker. Daar is hij bang voor.'
'Maar waarom is hij daar bang voor? Dat begrijp ik niet.'
'Omdat hij dan naar zichzelf moet kijken,' antwoordt ze. 'Dat durft hij niet. Hij is bang van mij en van wat ik zie. En ik weet niet wat ik zie, maar hij is er bang van.'
'Wat zijn jullie nou eigenlijk van elkaar? Al heel lang, al meer dan dit ene leven. Wat weet je daarover, nu je in trance bent en zo ver kunt kijken?'
'Ik kan niet ver kijken,' zegt ze, trillend en hijgend. 'Ik weet dat hij een stukje van mij is en ik van hem. En hij vecht maar.' 'Wat doet zijn moeder er hier toch bij? Wat is dat "winnen en verliezen" tussen zijn moeder en hem? Waarop is dat gebaseerd?'
'Hij weet waarom ze hier, van de aarde, weg is. Hij was er bij toen ze vertrok ... en ... ik weet dat ook. Hij heeft het mij verteld.' 'Is ze dan geen natuurlijke dood gestorven?' 'Nee. Ze wilde zelf weg.'
'Euthanasie!' roep ik verschrikt uit. Francien is daardoor kennelijk aard-gebonden.
'Ja. Helemaal zelf,' zegt Lucie. 'En hij was er bij. Ik weet niet wat er gebeurd is,' zegt ze voorzichtig. 'Heeft hij dat niet verteld?' 'Ja, een klein beetje. Ik weet niet of het zo is.'
'Wat is er dan gebeurd?'Aarzelend zegt ze: 'Ze heeft pillen ingenomen. Sindsdien is hij bang voor zijn moeder. Ja, dat denk ik.' 'En hoe staat het met de relatie tussen jou en zijn moeder? Waarom laat je haar, als ze achter je staat, niet even toe? Om haar te laten vertellen,
20.291
wat zij wil vertellen. Ze heeft kennelijk een boodschap.' 'Zij wil heel vaak komen ...'
zegt ze nu zwakjes.
'Nou, laat haar dan nu komen, om die boodschap over te brengen. Daarna hoeft ze niet meer terug te komen. Dan is ze waarschijnlijk vrij. En dan kun jij die boodschap eventueel aan Edo doorgeven.' Verdrietig zegt ze: 'Edo wil niet luisteren.'
'Maar luister jij nu naar de boodschap die zijn moeder wil doorgeven. Daarna heeft ze hopelijk rust.'
Er volgt een langdurig zwoegend ademhalen. Tenslotte zegt Lucie: 'Ze houdt van hem. Hij moet in zichzelf durven kijken. Dan kan hij verder. Nou wordt hij voortdurend geplaagd, omdat hij niet durft te kijken. Iedere keer krijgt hij ongelukken, iedere keer gaat het fout, omdat hij niet naar zichzelf wil kijken. Hij houdt veel tegen. Ook mij houdt hij tegen. Alles wat positief is, houdt hij tegen. En dat hoeft niet. Als hij daarnaar zou kijken, dan kan hij verder.' Het komt er allemaal langzaam en moeilijk uit.
'Hij durft niet naar zichzelf te kijken,' herhaalt ze. 'Hij is bang voor zijn lijf. Er zitten allerlei rare dingen aan vast. (Rosanna en Eugène?) Hij is bang. Bang om te voelen. Ik ben ook bang om zelf te voelen.'
'Vertel eens waarom je daar bang voor bent?'
'Ik heb bij hem gevoeld. Toen werd ik bang, en hij ook.'
'Hoe heb je gevoeld?' vraag ik verder.
'Door mee te beleven. Het trilt en het is warm. Ik voel nou warm. Edo was altijd koud. Mijn lijf...' zegt ze, hevig geëmotioneerd. Ze komt niet verder.
'Wat is er met jouw lijf, Lucie?'
'Edo kan het los maken. Maar ik durf het niet.'
'Je lijf? Wat bedoel je daar mee? Wat losmaken?'
'Ik kan in hem dingen van mij zien. Ik wil daar wel naar kijken.'
'Ik begrijp niet watje bedoelt, Lucie.'
'Hij is bang van mij, omdat hij in mij de dingen ziet van hemzelf. Ik zie in hem de dingen van mij, en ik ben er niet bang voor. En ik wil ernaar kijken,' zegt ze nog eens.
'Wat zijn dat dan voor dingen? Noem eens iets.'
'Gevoel...' zegt ze zacht. 'Dat stukje gevoel heeft hij van mij.'
'Heeft hij dan zelf geen gevoel?' vraag ik, ongelovig.
'Hij stopt zijn gevoel weg. Ik wil wel kijken, bij hem kijken, maar hij vindt het niet goed. Hij gaat weg,' snikt ze. 'Hij gaat altijd weg. Hij is bang. Waarom mag ik niet kijken?' Er breekt een hevig verdriet bij haar los. 'Ik mag toch zeker ook wel een keertje "willen!"' zegt ze, nu met een heel andere stem.
'Ja, luister eens, Lucie. Wees eens stil ...'Ik neem een besluit het anders aan te pakken. 'Wie is dat in jou die dat wil?' En ik herhaal de vraag, maar nu dwingender.
20.292
'Dat is Lucie niet,' ga ik verder. 'Degene die dat wil in jou heeft een andere naam. Wie is dat?' vraag ik met klem. 'Noem je naam eens!' 'Dat is ook Edo,' is het antwoord.
'Dat kan niet!' reageer ik fel. 'Dan heeft hij toch zeker een andere naam,' dring ik aan. 'Dan heet hij niet Edo. Edo huist in een ander lichaam,' zeg ik.
'Wie is dat in jou, Lucie? Hoe heet jij, die dit allemaal wil? 'Zijn moeder, misschien,'
antwoordt ze, met een koele stem. En er volgen een paar hele diepe zuchten.
'Laat degene die dat is in jou, zich nu eens duidelijk manifesteren.' Het klinkt als een bevel. 'Wie ben jij, en hoe heet jij die daar nu in Lucie spreekt?' ga ik met stemverheffing verder. 'Zeg het mij!' 'Ik weet het niet...' klinkt het fluisterend.
'Jij bent Lucie niet die daar spreekt. Wie ben jij?' Ik blijf volhouden en herhalen, wijs geworden in de praktijk. 'Waar kom je vandaan? Hoe is je naam? Niet Lucie! Je bent iemand anders, in Lucie!' Er volgt gezucht en gesteun.
'Wie ben jij?' roep ik nog eens luid en indringend. 'Nou? Jij die Lucie altijd zo slaperig maakt. Wil je me dat zeggen?'
'Ik ben moe...' klinkt het nu. Iemand verschuilt zich achter die zogenaamde moeheid.
'Wie ben jij, die zo moe is?' vraag ik daarom. 'Vertel me wie je bent. Ik zal je heus geen kwaad doen. Wie ben jij die Lucie zo beïnvloedt? Geef antwoord!'
'Je hebt zo al een keer geroepen. Dat ken ik,' zegt een koele stem nu. 'Waarvan ken je dat? Wie ben jij dan?' Er volgt een diepe zucht. 'Zo is al een keer geroepen ...'
zegt dezelfde stem, ontwijkend. 'Hé, daar komt Edo weer binnen. Ga toch weg, Edo!' zegt de stem. En er volgt een hevige emotie. Trillend en hijgend ademhalen.
'Wie ben jij? Hoe lang moet ik dat nog roepen? Je kunt rustig je naam zeggen, want ik weet toch datje er bent,' dring ik verder aan. 'Dus wat doet het er toe of je je naam wel of niet noemt. Geef eens antwoord!
Nou?' Het zwoegend steunen en zuchten gaat maar door.
'Ik moet aan Jannie denken. Jannie, op het kerkhof,' zegt de stem ten slotte. 'Jannie ligt daar, helemaal alleen.' Het is een uitvlucht.' Maar ze rilt en zucht een paar keer, alsof ze het heel erg koud heeft.
'Maar wie ben jij? Wil je het nou zeggen! Alsjeblieft, zeg het!' roep ik uit.
'Ik denk veel te veel na...' is alles wat er komt. 'Noem je naam, zodat we kunnen praten.' Er valt een diepe stilte. 'Huub...' klinkt het, bijna onverstaanbaar. 'Huub. Wie is Huub?' vraagt Lucie, rustig, maar verbaasd. 'Heet je Huub? Die in Lucie is. Wil je ja of nee zeggen?' vraag ik, nu ook
20.293
rustig. 'Ik hoor ... Huub. Wie is Huub?'
'Huub is degene, die jou alles doet zien, Lucie. En je ook al je dromen bezorgt. Huub is degene die Edo kan voelen. Ja. Wie is Huub? Dat zoeken we nog wel uit.'
En zo geschiedde het, in Lucie's volgende regressie. Het leven van 'aard-gebonden'
Huub, die Lucie obsedeert en beïnvloedt.
AARDGEBONDEN HUUB / EN WEER DE TWEELINGZIEL
De suïcidale neiging van Lucie
Op vrijdagmiddag, 11 juli 1986, zit Lucie weer tegenover mij in mijn praktijkkamer. Wie is Huub? We zullen in de nu volgende regressie een antwoord op die vraag krijgen.
In minder dan geen tijd is zij in een diepe trance gebracht. Dan geef ik haar de instructie om terug te gaan in de tijd, naar haar vorige leven op aarde als Huub, daar waar hij een eigen aards lichaam bezit. Als alle voorbereidingen zijn getroffen, vraag ik, als altijd: 'Wat zie je, wat gebeurt er?'
Er is even een stilte, dan zegt ze: 'Ik zie huizen, hoge huizen, in een rijtje. Ik sta buiten en ik kijk er naar. Ze staan tegen elkaar aan gebouwd. De straat ... ik sta aan de overkant. De straat loopt in de breedte een beetje bol. Het is een grintweg. Ik zie die huizen. Ja, ze zijn hoog.' 'Misschien ben jij nog klein. Of ben je al volwassen?' 'Ik ben klein. Een klein meisje.' Dat blijkt later een persoonsverwisseling te zijn. 'Er is ook een winkeltje, en er is een zonneluifel van lap, buiten over het raam. Die hangt naar voren, als een afdakje ...'Ze spreekt echt kindertaal.
'Ik heb blote voeten,' gaat ze verder, mijn volgende vragen negerend.
'Mijn voeten met sokken aan in schoenen.' Ze is uitgesproken.
'Je bent een klein meisje, zegje. Hoe oud ben je?'
'Ik ben dat meisje niet. Ik zie haar staan. Een klein meisje van een jaar of vier, vijf
'Waar ben jij ergens? Je zei, ik sta aan de overkant.'
'Ja. Ik sta een eindje van haar af. Ze heeft een schortje aan.'
'En wat heb jij aan?'
'Ik draag een broek tot aan de knieën, en hoge schoenen. Verder heb ik ook blote benen.
Er komt een kar aanrijden. Met twee paarden bespannen.'
'Ben jij net zo oud als dat meisje?'
'Nee. Ik ben iets groter, zeven jaar oud.'
'Ben je misschien bevriend met dat meisje? Speel je met haar?'
20.294
'Ze kijkt niet naar mij,' zegt hij. 'Ze kijkt naar de winkel. Het is een snoep-inkel.'
'Wat is er met die wagen met dat span paarden ervoor? Kijk je daar-aar?'
'Nee. Zij wil ernaar kijken. Maar ze doet het niet. Ze durft niet, omdat ze dan naar mij kijkt. Ik sta ertussenin. En ik wacht tot ze toch kijkt.'
'Staat die wagen met die paarden ervoor nu stil?' vraag ik.
'Ze kijkt onderuit naar mij,' gaat hij onverstoorbaar verder.
'Ach. Wat is er tussen jullie twee? Heb je ruzie met haar?'
'Ik ben een jongen. Ik heb mijn vuisten gebald.'
'Waarom heb jij je vuisten gebald?'
'Ik wil wel dat ze iets zegt. Jet, heet ze, Jetje ... Jaah? Zij, Jetje ... Jan-ie. Ze heeft een grote, witte strik op haar hoofd.' Er is duidelijk enige verwarring bij de jongen.
'Jannie?' vraag ik. 'Is zij later Jannie? Zijn Jetje en Jannie dezelfde? Jannie, die tegen een lantaarnpaal doodgedrukt werd? Is zij dat? Heet ze daar Jetje, en in een ander leven Jannie?'
'Ja. Dat kan wel,' antwoordt hij, onzeker. 'Maar ze heeft een grote strik op haar hoofd. Rose, met witte noppen.' Hij heeft er kennelijk bewondering voor. Er volgt een diepe zucht.
'Die kar is groot,' zegt hij, vol ontzag. 'Die kan wel heel zwaar zijn. Ik pak Jetje bij de hand. 'Kom, we gaan kijken.' Ze gaat mee ... nee, ze trekt terug.'
'Luister. Wil je me nu eens precies vertellen hoe je heet?' 'Huub,' zegt hij, zonder omwegen, en met een heel vlakke stem. 'Ja. Goed. Huub, wat doe jij dan?'
'Ik ga wel kijken. Er is niemand op straat, maar er komt iemand de winkel uit. Een vrouw, met lange, zwarte rokken. Ze is op klompen. En ze draagt zwarte kousen, een blauwachtige schort, en een mand met eieren aan haar arm.' 'Is het een boerin?'
'Daarvoor zijn haar kleren veel te schoon,' zegt hij kritisch. 'Ze loopt naar de kar en Jetje gaat wel met haar mee.' Er is een spoor van afgunst in zijn stem.
'Misschien is het de moeder van Jetje?' 'Nee ... nee, ze kent haar.' 'En jou niet, Huub?'
'Ze heeft mij niet gezien. Ik sta nou aan de andere kant van de kar.' 'En je probeerde nog wel haar bij de hand te pakken.' 'Ze wil niet,' zegt hij spijtig. 'Het is een soort koets. Er kunnen mensen in,' gaat hij verder.
'Ja? Zijn er ook mensen in?' Maar hij geeft geen antwoord. 'Wae rom stopt die koets daar?' vraag ik daarom verder. 'Gaat die vrouw met die mand er soms in?'
20.295
'Nee ... ze kijkt...' En hij slaakt een aantal diepe zuchten. 'En dan? Wat gebeurt er allemaal, Huub?' 'Ik ... ik zie nou Huub staan,' hakkelt hij.
'Weetje wat jij nu doet. Je gaat nu uit het lichaam van Huub en op een afstand naar jezelf staan te kijken. Dat moet je niet doen. Luister naar me Huub. Verbind je weer met je lichaam. Ga er weer in. Jij bent Huub, en je moet niet uitje lichaam gaan. Ga terug in dat jongenslichaam van zeven jaar. (Instructies volgen.) 'Je bent weer Huub, terug in je lichaam,' zeg ik tegen hem.
Er volgt een hevige emotie. Hij haalt hijgend en piepend adem, en de tranen lopen langs zijn/haar wangen. 'Nee..!' zegt hij. Sterk geëmotioneerd.
'Jawel,' zeg ik. 'Doe dat nou. Wees verstandig. Jij bent Huub weer, en je kijkt niet op een afstand naar dat jongetje en naar dat leven van jou, als Huub. Maar je bént Huub! Je beleeft dat leven helemaal opnieuw. En jij staat daar op de straat.' Hij huilt, bijna geluidloos. En ik heb medelijden met hem. 'Waarom huil je?'
'Ik zie wat er gebeurt.' Zijn stem klinkt moedeloos, en hij zucht. 'Wat gebeurt er dan?'
'Er wil iemand uit die koets stappen. En die ziet mij niet. Ik ben te klein. De deur van de koets slaat tegen mij aan, en dan val ik om. Ik zie dat hij valt,' zegt hij, met een brok in zijn keel.
'Nee!' zeg ik nog eens met nadruk. 'Jij bent in die jongen. Jij gaat in het lichaam van Huub. Jij bent Huub. En je voelt wat er gebeurt. Je ziet het en je maakt het zelf mee. Niet op een afstandje.' Zijn/haar ademhaling gaat nu zwoegend.
'Verbind je met dat jongetje,' ga ik verder. 'Je voelt wat Huub voelt. Je denkt wat Huub denkt, en je maakt weer helemaal mee wat Huub meemaakt. En wat is dat?
Dan val ik, zeg je. Komt de klap van dat portier hard aan? Huub ... wil je me dat vertellen?' 'Ja. Ik lig onder die kar ... Ik zie het hout van de onderkant.' 'Wat voel je nu? Heb je pijn?'
'Ik voel helemaal niets.' Het komt er maar moeilijk uit. 'Wat is er met je gebeurd?'
'Ik ben gevallen,' fluistert hij nu. 'Ze hebben mij niet gezien. Er gaat één man uit de koets en die loopt er achter langs. Die ziet me niet eens liggen. Ik lig eronder. Ik zie
... ik zie ... Hij draagt een zwarte jas. Ik zie me liggen. Ik ben het niet. Ik zie dat hij opstaat.' Hij vlucht toch weer naar een veilige afstand.
'Jij bent het wel! Jij bent Huub, en dat lichaam is van jou. En jij bent in dat lichaam en jij ervaart het.' Ik wil hem/haar door de onverwerkte emoties van dat trauma zien te krijgen.
'Het is IK, Huub!' En even later vraag ik: 'Kom je onder die koets uit?
20.296
Sta je op?'
'Ja,' zegt hij. 'En ik stoot mijn hoofd.' 'Huub, kruip je eronderuit?'
'Die vrouw en dat meisje gaan weg,' zegt hij, mijn vraag negerend. 'Ik sta onder die kar. Ik zie het,' gaat hij wanhopig verder. 'Ik zit klem met mijn hoofd tegen de onderkant van die koets. Dat is allemaal hout, allemaal balken. Ik wil me losmaken, maar ik kan niet loskomen.' 'Heb je pijn?'
'Ik zie het, ik voel het niet.' Hij weigert in de realiteit van wat er gebeurt te stappen. En dat is wel begrijpelijk.
'Voel het dan!' dring ik aan. 'Je bent Huub, daar onder die koets. En wat gebeurt er dan, Huub? Kun je eronderuit komen, voordat die koets gaat rijden?'
'Die vrouw is weg. Iedereen is weg,' antwoordt hij. 'Ben je er al onderuit?' vraag ik nogmaals.
'Ik zit daar nog ... ik zit vast. En Jannie ... Jetje is ook weg. De paarden willen gaan lopen.' Er gaat een rilling door haar/hem heen. 'En wat nu?'
'Ik moet mee ... ik zit vast, ik zit klem. Ik sleep met mijn voeten over de grond. Met de kar mee. Ik word meegesleurd.' 'En dan, Huub? Dat is niet zo mooi, hè? Gaat het harder en harder?' 'Nee, rustig. Ik val er af,' fluistert hij. 'Nee ... ik bedoel, ik wil dat ik eraf kon vallen. Ik kan nou al niet meer meelopen. Ze slepen me helemaal mee. En ik hou me met mijn handen vast. Het doet zeer aan mijn hoofd. Het trekt,' snikt hij.
'De kar trekt. Ik probeer het met mijn handen tegen te houden. Maar ik zit vast. En dat duurt lang. Na de huizen is er niks meer. Het is er kaal, een kale weg, geen huizen meer. Ik weet hoe het daar is.' 'Wat gebeurt er met jou, daar onder die koets, Huub?' 'Ik ben er twee ...' zegt hij nu. 'Ik ben eronder, én ik zie het ook gebeuren. Ik heb het de hele tijd al gezien.' 'Je bent onder de koets, én je bent ernaast,' zeg ik hem. 'Ik zie, ik zie het gebeuren. Maar dat kan niet!'
'Nee. Je bent eruit, uitje lichaam. Je ziet het alleen met je geest, buiten je lichaam. Het kan wel.'
'Ik weet hoe het verder gaat,' zegt hij. 'Maar ik kan toch niet zo ver op die weg zijn?'
'Je bent al uitje lichaam. Je ziet het van korte afstand.' 'Maar ik kan toch niet zo ver meelopen.'
'Nee. Je loopt ook niet mee. Het is, ja, je fijnstoffelijke lichaam, aan Gene Zijde. Het is je geest, die met je lichaam "meeloopt". Je lichaam wordt meegesleurd.'
'Jannie ... Jetje is weer in de winkel, met die vrouw,' zegt Huub. Hij wil weg van die cruciale gebeurtenis. Hij vlucht naar een andere locatie.
20.297
'Nee Huub,' reageer ik direct, en haal hem terug, terug naar de ongelukkige gebeurtenissen. 'Wat gebeurt er daar nog meer op die weg?' Hij is weer terug, en antwoordt: 'Mijn voeten gaan kapot. En mijn hoge schoenen met veters, die gaan ook kapot. De kar rijdt over een heuveltje. Nog steeds met mij eronder. Ik voel het niet meer.' Hij is nu rustiger. 'Ik ben dood. Helemaal slap,' constateert hij emotieloos.
'Wat gebeurt er met je lichaam ? Valt het eronderuit, op een gegeven moment?
Onder die koets uit? Wanneer vinden ze het? En hoe vinden ze het? Wat gebeurt er met je lichaam?'
'Heel veel mensen,' antwoordt Huub. 'Ik zie ze allemaal staan. En de kar staat er ook. Ik zit er nog onder, kapot, dood. Het lichaam hangt eronder, helemaal slap. En die mensen staan daar maar.' 'Halen ze je er niet onder uit?'
'Nee. Ze kijken niet eens. Ze staan daar maar ... Er zit een hondje onder de kar.'
'Snuffelt het aan je?'
'Nee. Het is nog niet bij me. Ik ben helemaal kapot, afgesleten,' zegt hij mat.
'Maar je bent niet meer in dat kapotte lichaam. Je bent eruit.' 'Ja, ik zie alles. En Jannie komt er ook aan ... Jetje. Met die vrouw. Jannie kijkt wel onder de kar. Ach, ach.' Hij slaakt een diepe zucht. 'En ze huilt. Ze loopt naar die vrouw, en ze gaat er helemaal tegenaan staan huilen.'
'Is het haar moeder?'
'Nee. Een tante, denk ik. Die weet het al. Die heeft het al gehoord. Iedereen is er al bij. Maar niemand durft te kijken. Hé, nou kijken ze wel, allemaal.'
'Wat gebeurt er dan, Huub? Want zo zal ik je nog maar noemen, al ben je dood en heb je geen naam meer.'
'Ze halen mij eraf. Maar ze weten niet waar ze me moeten laten,' zegt hij, met een brok in zijn keel. 'Ten slotte leggen ze mij achter op de wagen. Achterop is een vlak stuk hout. Daar leggen ze mij op.' 'Weet iemand waar jij thuis hoort?'
'Jetje weet toch wel wie ik ben,' zegt hij treurig. 'Jetje loopt ook mee.' 'Waar brengen ze je dan naar toe, onder leiding van Jetje? Die wijst de weg, hè?'
'Het plaatsje heet Grubbevorst. Nee. Dat kan toch niet,' zegt hij in zichzelf.
'Nee? Wat denk je dan dat het is?'
'Iets met een "u" en een "r". Het kan niet Deursen zijn,' mijmert hij. 'Hoe? Deursen!
Denk je daar ook al aan?'
'Ja. Ik zoek het. Het lijkt wel Frans. Maar dat kan niet. Er staat een kerkje met een spitse toren. Ik zie hem boven nog meer huizen uitsteken. En achter die huizen staan nog meer huizen. Het is een hoge spits,' besluit
20.298
'Maar hoe heet het dorpje nou? Deursen kan ook niet, zegje.'
'Euver ... De mensen praten er nog over. Nou is de straat vol. Nou zijn er wel mensen,' zegt hij bitter. 'En ik ben weer alleen.'
'Ja. Jij bent aan Gene Zijde, in de geest. Dicht bij de aarde. En hoe heet het daar nou? Iets met 'Euver?"
'Euverding...'probeert hij.
'Everdingen?' vraag ik nu. Dat zit er wel een beetje in. 'Euverding,' houdt hij vast.
'Waar ligt het ergens?'
'Helemaal alleen. Die huizen allemaal, het is maar een klein groepje, heel dicht op elkaar. Een gehucht. Ja, maar wel mooie huisjes. Want bij de winkel is een mooi huis met een geveltje. En met wel drie verdiepingen.' 'Vertel me eens? In welk land ligt het?'
'Dat weet ik niet. Maar de mensen hebben klompen aan,' antwoordt hij. Zou het dan toch Everdingen zijn, in Nederland. Namen zijn vaak zo moeilijk te formuleren. Vooral vanuit Gene Zijde. 'Eén man heeft een hoge hoed op,' gaat Huub verder en stapt van het onderwerp af.
'Hij glimt helemaal. En hij heeft een stokje in zijn hand. Ik weet niet wie het is. Hij woont in één van de deftige huizen. Een huis met een mooi geveltje.'
'Welke tijd is het, op aarde? Welk jaartal komt er dan in je op?'
'Het is in 1937,' zegt hij, zonder aarzelen. 'Ja, zoiets. Omstreeks vier uur op de klok van de kerktoren. Het is in Nederland.'
'Waar is je lichaam nu, Huub?'
'Ik lig nog achterop de kar. Er is een witte doek overheen gelegd. Dat moest van die man met de hoge hoed. Die heeft dat gezegd. Ze zijn onder de huizen doorgegaan. Naar een plek daarachter. Een binnenplaatsje met van die ronde stenen. En daar hebben ze de kar neergezet. Nou, daar lig ik dan, met een witte doek over me heen. Er komt niemand kijken,' zegt hij, een beetje triest. 'Heb je nog ouders daar? Waar woonde je eigenlijk?' 'De mensen praten er allemaal over ...' Hij is verdiept in zichzelf en slaat geen acht op mijn vraag. 'Ik woon niet in die mooie huizen ...' zegt hij ten slotte.
'Maar het was een ongeluk, is het niet?'
'Ja. Ik kon er toch niks aan doen. Dus ... als Jetje met mij mee was gelopen, had ze het gezien.'
'En waar wordt je lichaam ten slotte naar toe gebracht?'
'Dat halen ze van de kar af. Maar eerst hebben ze een gat gemaakt.'
'Maar heb je dan geen ouders die erbij zijn? Brengen ze je niet naar huis?'
'Nee. Vanaf de kar, zo in de grond. Met het laken eromheen. Die witte
20.299
doek,' zegt hij zacht.
'Zo in de grond, zegje. Waar in de grond? Is het een kerkhof?' 'Nee. Het is op de plaats, achter die huizen. Daar staat een schuur van zwart hout, met een schoorsteen erop. En als je daar langs gaat, is er een stuk grond. Daar begraven ze me. Ze hebben een gat gegraven. En een paar mensen leggen mij daar zo in. Ze pakken zo alles op. Ze kijken niet eens meer. De mensen op straat praten erover.'
'Waar woonde je, voordat je dodelijk verongelukte?' 'Ik woonde verder terug. De andere kant op, dan waar de kar reed. Daar moet toch een heel klein huisje zijn. Dat is ook aan een grintweg, maar die is niet zo deftig. Dus veel meer vrijstaand. Daar komen niet van die grote wagens.' 'Bij wie woonde je daar?'
'Bij een oud vrouwtje met een wit mutsje op. Ze zit altijd binnen, op een stoel, met haar voeten op een stoof. Het is mijn grootmoeder. Altijd maar zitten ... En er is ook een bedstee bij,' weet hij te vertellen. 'Waar zijn je ouders dan? Wat is er met je ouders gebeurd, Huub?' 'Dat weet ik niet,' klinkt het, nogal ongeïnteresseerd. 'Die zijn er niet, die zijn weg.'
'Waarom zijn die weggegaan? Wat is daarmee gebeurd?' 'Dat vertelt ze nooit, nee
...'
'Schaamt ze zich daar misschien voor, je grootmoeder? En weet je het nu niet, nu je aan Gene Zijde bent?' 'Mijn ouders zijn weggegaan,' zegt hij nu. 'Samen weg!'
'Waarom? Ik denk dat je het wel weet. Waarom lieten ze jou in de steek, Huub?'
'Nee! Die oude vrouw zorgt toch voor mij.'
'Jawel. Maar ik bedoel je ouders. Waarom lieten die je in de steek? Zijn ze gestorven?'
'Ze zijn gewoon weggegaan,' zegt hij nu kortaf.
'Waarom lieten ze jou alleen achter?' Ik blijf aanhouden.
'Er moet toch ook iemand voor grootmoeder zorgen,' zegt hij ontwijkend.
'Ja, maar waarom zijn zij weggegaan bij jou?' Het valt hem kennelijk niet zo makkelijk om daarover te praten.
'Ze vinden mij niet zo mooi,' komt er eindelijk uit. 'En ik ben toch heel gewoon. Maar Jetje vindt mij ook niet mooi. Ze wil niet naar mij kijken.'
'Was het niet prettig om naar je te kijken, Huub?' 'Ik ben toch gewoon,' verweert hij zich. 'Weetje dat zeker?' 'Ja. Ik kan toch ook praten en denken.' 'Jawel, maar hoe wasje gezicht?'
'Mager ... niet anders dan van de anderen. Ik heb ook een pet.' Dat is
20.300
duidelijk een kostbaar bezit.
'Maar wat mankeerde er dan aan je? Waarom was je niet zo mooi?' Dat js blijkbaar een moeilijk punt. Hij moet lang nadenken. 'Dat kan niet,' zegt hij dan. 'Toen ik onder de kar hing, had ik twee benen. En nou één ... met een stok. Ach, dat kan niet,'
fluistert hij. Dan luider: 'Dat kan toch niet. Maar ik kan wel heel hard lopen.' 'Hoe ben je dat andere been kwijtgeraakt, Huub?' Het blijft stil. Er volgt een diepe zucht, alsof hij een aanloop moet nemen. Maar hij gaat verder. 'Ik ... ik ... ik zie varkens. Nou heb ik geen pet op. Varkens in een ...' Weer een diepe zucht'... in een hok. Ze steken hun snuit door het hout heen. Ze kunnen niet bij mij komen. Ja, ik sta buiten het hok.' Hij zwijgt abrupt.
'Maar hoe ben je dan dat ene been kwijtgeraakt?' vraag ik nog een keer. 'Hoe is dat gebeurd?'
'Ik heb twee benen,' zegt hij ontwijkend. Maar even later vervolgt hij: 'Ik ben buiten, achter het hok. Daar staat een boom? Nee ... daar is een bergje zand, of klei. Het is bruin van kleur en hier en daar met wat gras begroeid. Er zit een mes in het zand.'
Het woord 'mes' wordt sterk beklemtoond. 'Ja ... ik zie dat ik op dat bergje sta. Er zit een mes in het zand,' herhaalt hij bijna gedachteloos. 'Zo'n mes waar ze stro mee kort maken, zo'n hakmes. Ik kan het niet goed zien. Het steekt er maar een stukje uit.' Hij zwijgt weer.
'En wat gebeurt er dan? Jij staat op die zandhoop, zeg je.' Ik probeer hem weer op gang te brengen.
'Ja,' antwoordt hij. 'De grond is een beetje nat. Het heeft geregend, en onder is het modder,van de varkens.' Hij zucht weer, en zwijgt. 'Ik wil een appel van die boom pakken,' gaat hij verder. 'En daar kan ik niet bij. Ja, ik zie ... ik zie ... dat ik uit glijd, over dat mes heen. Woem! Ik geef een gil. En dan komt er wel iemand aan. Er komt een man aanrennen. Ik bloed hevig. Ik zit helemaal in de modder, en ik huil. Het doet pijn. Nee, het is geen pijn. Het is helemaal doof.' 'Wat is er gebeurd met je been? Vertel dat eens precies, Huub.' 'Het is een heel eind door,' zegt hij. 'Links, in mijn bovenbeen, zit een hele grote snee. Die man, dat is mijn vader. Die raapt mij op, en draagt me daar weg.' 'Komt er een dokter?'
'Ik ben nog niet binnen,' verzucht hij. 'Ik weet het niet meer. Hij draagt mij tot voorbij de schuur. Ik weet wel dat dan het huisje komt. Ik weet niet ...'Zijn stem sterft plotseling weg, alsof hij het bewustzijn verloren heeft.
'En?' vraag ik na enige tijd. 'Waar draait het op uit, Huub?' 'Ik lig in bed. En mijn been is eraf. Dat was er toch eerst niet af,' :egt hij verbaasd. 'Waarom moet dat eraf?'
'Ik denk,' antwoord ik, 'dat er infectie in is gekomen. Bloedvergiftiging.'
20.301
'Ik weet niet wat er allemaal gebeurd is,' zegt hij. 'Ik ben net wakker geworden.'
'De dokter heeft je been afgezet, Huub.'
'Het is weg. Maar ik weet niet waar ze het gelaten hebben.' Hij is in verwarring.
'De dokter heeft het meegenomen, denk ik.' 'Is dat goed?'
'Je bent dat been kwijt. Dat was ziek geworden. Door dat vieze mes, dat erin kwam.' Het is praten met een kind, dat is duidelijk.
Hij zwijgt, gaat er niet verder op in. 'Er staat een stok tegen de muur,'
zegt hij ineens. 'Daar moet ik mee leren lopen. Met die stok kan ik ook slaan. Dan ben ik heel sterk. Ik kan er ook heel hard mee slaan, want het zijn eigenlijk twee stokken. Ze zijn aan elkaar gemaakt.'
'En hoe steun je daarop?'
'Dat weet ik niet. Ik mag nog niet uit bed.'
'En later?' vraag ik verder. 'Is het een kruk?'
'Ja. Daar moet ik op hangen met mijn oksel, onder mijn arm. En me dan zo proberen te verzetten. Dat is heel moeilijk. Ik ben ook nog niet zo sterk.'
'Nou begrijp ik ook hoe je vast kwam te zitten onder die koets,' zeg ik. 'Door die kruk onder je oksel kwam je klem te zitten. Is het zo niet gegaan?'
'Het was allemaal hout, onder die kar,' is Huub's commentaar. 'Maar hout kan ook hard zijn,' zeg ik. 'Ja,' bevestigt hij, met een zwakke stem.
'Ik weet nu hoe je klem kwam te zitten onder die kar. Jij ook? Door die ene kruk, waar je op liep,' constateer ik. Hij antwoordt niet. Zucht alleen maar, en mompelt zacht iets van 'ja'.
'Maar luister eens even,' ga ik verder. 'Hoe konden ze je daar zomaar begraven, daar achter die schuur? Moest je niet op het kerkhof begraven worden?'
'Grootmoeder zit toch binnen, in die stoel,' zegt hij gelaten. 'Die weet het toch niet. Ik denk dat ze doof is. Ze hoort niks. Ze zegt ook nooit iets.' Wat een ellende allemaal bij elkaar. Zijn grootmoeder is waarschijnlijk ook nog doofstom.
'Maar waarom begraven ze je dan juist daar, in dat gat, achter die schuur? Is er bij de kerk geen kerkhof?'
'Ja? Ze weten niet wie ik ben, denk ik,' antwoordt hij.
'Ben je zo verminkt?'
'En Jetje weet het toch,' bedenkt hij opeens. 'Jannie weet het.' 'Nou ja, dat was dan je leven als Huub op aarde, hè. Dat is voorbij.' Luister eens. Ik wil datje iets doet, Huub. Ik wil datje naar het precieze moment gaat, datje uitje lichaam bent gegaan, daar onder die kar. Naar het juiste moment van je sterven.' (Instructies volgen.) 'Wat gebeurt er? Wat
20.302
voel je nu?'
'Au! Mijn hoofd doet zeer,' roept hij uit. 'Dat drukt. Oh! Nou wordt het helemaal licht, geel, geel Licht.' 'Is de pijn weg?'
'Het drukt nog een beetje. Dat voel ik nog wel. Het Licht wil groter worden, maar het wordt niet groter.'
'Waar ben je nu? Aan Gene Zijde, uit je lichaam? Je lichaam is dood, nietwaar?'
vraag ik bewust. Ik wil zijn reactie horen. 'Ja, het hangt daar,' fluistert hij. 'Maar jij bent eruit.'
'Gelukkig wel,' zegt hij opgelucht. 'Met zo'n lijf, daar kun je niks mee doen. Het maakt me ook niet uit, wat ze ermee doen. Moeten ze maar weggooien!'
'Luister!' zeg ik. Nu ben je aan Gene Zijde, in de geest. Waar ga je naar toe?'
'Ik ben niet alleen,' antwoordt hij. 'Tegenover mij ... als ik de ene kant opga, gaan ze mee. Als ik de andere kant opga, gaan ze ook mee. Twee ... twee ... wezens. Ja. Heel groot. Geel en wit. Ze zijn net als grote boomstammen. Daar ging ik altijd tegenaan zitten. Ik kan heel ver zien aan de andere kant, zo ...' Hij stopt.
'Maar wie zijn het, Huub, die daar aan Gene Zijde bij je zijn?' 'Ze zijn heel groot, en ze kunnen heel ver gaan.' Hij zwijgt even, en zeg dan: 'Ik sta ook nergens op. Wel is het net alsof ik sta, maar als ik naar mijn voeten kijk, zie ik helemaal niets.'
'Je bent alleen maar geest,' zeg ik. 'En wie zijn die twee? Hebben ze een naam?
Herken je ze?'
'Ik kan de gezichten niet zien,' antwoordt hij. 'Jaah, ik zie wel, maar niks erop. Ze zijn wel heel groot van gestalte.' 'Ga je omhoog, naar het Licht?'
'Ze gaan daar heel langzaam omhoog, heel ...'Hij maakt zijn zin niet af. 'Ik moet mee. En ik ga ook mee, ik ben nieuwsgierig. Ik wil weten waar ik naar toe ga. Eentje houdt mij vast, en duwt me een beetje. Die help me zo.'
'Waar kom je ten slotte terecht?'
'Het is heel druk om mij heen. Ik zie er nou nog ééntje, heel groot. Het net alsof het er heel vol is, waar ik allemaal doorheen moet, als ik er ik doorheen kan.'
'En als je er doorheen komt, waar kom je dan terecht?' vraag ik. 'Wacht,' zegt hij.
'Nou wordt het lichter. Heel ver weg is een heel groot Licht. Eerst is het heel grijs, grijs, grijs ... het wordt lichter, maar daal kan ik niets meer zien. Dat Licht is veel te scherp, te fel. Daar moet ik ook niet naar kijken.'
'En wat doe je dan? Blijf je dichter bij de aarde?' 'Nee! Ik ga verder. Ik ga toch verder.'
20.303
'Waar ga je heen? Je beseft toch heel goed, datje overleden bent en geen aards lichaam meer hebt? Besef je dat je dood bent? Besef ie dat heel goed?'
'Ja, dat hoef ik toch niet meer,' reageert hij, een beetje geprikkeld. 'Jawel! Je moet goed beseffen datje dood bent, op de aarde.' 'Nou, dat gekke lijf hoef ik toch niet meer.'
'Nee. Maar waar ga je naar toe? Waar kom je ten slotte terecht? Huub?' dring ik aan, bang dat hij terug zal glijden naar het aardse Gene Zijde, aardgebonden.
'Ik kan nog kijken,' antwoordt hij. 'Ik zie nu heel fel, heel geel, goudgeel ... ja, ik kan nog steeds kijken. Ik weet dat het eigenlijk niet kan. Het is toch veel te fel, te scherp. Ik ga heel ver, oh, ik ben al zo ver ...' besluit hij met een heel diepe zucht.
'Huub, vertel me eens. Als je al zo ver bent, hoe kom je dan ten slotte bij Lucie terecht?' Dat is de kernvraag. 'Wie is Lucie?' vraagt hij, onnozel.
'Lucie?' zeg ik nu. 'Ken jij Lucie niet? Huub, ken jij Lucie niet?' Er volgt enige tijd van zwaar zuchten en hijgen.
'Hoe kom jij bij Lucie terecht?' vraag ik nog eens, indringend.
'Ze is heel klein ... jaah, ik hoor er toch bij.' Hij klinkt nu ineens nogal triest.
'Ik ben veel te ver weg,' voegt hij er nog aan toe.
'Maar hoe gaat het dan verder met jou? Je moet me toch eens vertellen, hoe het komt dat, als Lucie groter is, ze steeds de neiging heeft om voor de trein te springen? Huub, hoe komt dat?'
'Dat moet ze niet doen ...' Het komt er met veel moeite uit.
'Nee. Dat is juist. Maar waar komt dat dan door? Komt die invloed van jou, daar onder die koets vandaan?' Ik ga nu recht op mijn doel af.
'Van twee grote wielen,' zegt een onverwacht harde stem. 'Ik moest nog oppassen dat ik daar niet onder kwam.'
'Nou Huub, dat moet ze niet doen, zei je. Maar komt het toch door jouw invloed?
Twee grote wielen, waar je ook nog bijna onder kwam ...' 'Een grote steen op de weg,' antwoordt Huub. 'Dan zwabberen mijn benen helemaal. En die wielen zijn heel groot,' zegt hij angstig, en met nog trillende stem.
'Maar hoe komt Lucie er dan toe, om maar steeds onder de trein te willen springen?
Komt dat door jouw toedoen, Huub?' vraag ik nu zeer dwingend.
'Ik moet daar toch bij zijn ... bij... bij... haar,' komt er nu. 'Wanneer?'
'Toch steeds. Ik hoor er toch bij.'
'Ja. Maar je moet toch niet zorgen dat ze onder de trein springt?' 'We doen toch hetzelfde ...'
'Wat bedoel je daarmee?' vraag ik hoogst verbaasd. 'Lucie moet toch
20.304
niet onder de trein springen?'
'Nee!' zegt hij. 'Ik ... ik kan niet goed bij haar komen. Nee
'Maar waarom heeft ze dan steeds die zelfmoordneiging? Kun jij dat vertellen?'
'Ze kan ook hier komen,' antwoordt hij. 'Waar komen?' 'Bij mij!' 'Waar is dat?'
'Hier is het toch veel mooier.'
'Ach. Je wilt haar ook onder wielen laten verongelukken, zodat ze bij jou is?'
'Ik kan niet bij haar komen, en ik moet er toch bij.' De logica van een aardgebondene die schizofrenie veroorzaakt. 'Waarom kan dat niet?' verzucht Huub.
'Ik begrijp je nu. Ze kan ook hier komen, bij mij, zeg je. Aan Gene Zijde dus.'
'Ja, dan zijn we ook samen. Hier, aan Gene Zijde, is het veel mooier, warmer, en veel lichter.' Huub probeert zijn overredingskracht. 'En daarom tracht jij Lucie ertoe te brengen om onder de trein te springen, net als jij onder de koets?'
'Nee. Ik kan niet naar haar toe. Er zit iets tussen,' beklaagt Huub zich. 'Ja! Daar zit inderdaad iets tussen,' zeg ik. 'De aardse dood. Maar nou probeer je haar hetzelfde te laten doen als jou is overkomen, Huub. En dat vond je helemaal niet prettig. Toch probeer je om Lucie onder de trein te laten springen, zodat ze bij jou komt. Dat moetje niet doen, want zij hoort nog op de aarde. Haar leven hier is nog niet voorbij. Zul je dat niet meer doen, Huub, want dan is Lucie heel erg verdrietig. Je probeert haar over te halen om een ontijdig einde aan haar aardse leven te maken. En dat is slecht, heel slecht.'
'Ze kan toch meegaan?' antwoordt hij, een beetje verdrietig. Hij wil of kan het niet begrijpen. Maar hij probeerde ook een slim spelletje te spelen.
'Nee,' zeg ik. 'Ze moet eerst haar leven op aarde afmaken.' 'En Jetje ... Jannie dan?'
Dat is een bekende, maar niet opgaande argumentatie.
'Jaah. Jannie moest. Het was haar tijd. Maar Lucie nog niet. Nou? Begrijp je het een beetje? Je bent nog maar een kleine jongen.' 'Ik wil graag bij Lucie blijven,' sputtert hij tegen.
'Er is maar één mogelijkheid om bij Lucie te blijven. En dat is, lief voor haar te zijn. Haar te helpen. En niet meer te proberen om haar bij jou te krijgen. Want dan zijn jullie beiden heel erg ongelukkig. En dat besef je niet, hè?'
'Hier is het toch mooier,' blijft hij volhouden.
'Ja, daar is het mooier. Maar Lucie komt ook wel daarheen. Als het haar
20.290
tijd is om te gaan. Eerder komt ze niet. Je maakt het Lucie heel erg moeilijk, besef dat wel. Daar heeft ze verdriet van. Net als jij nu verdriet hebt.'
'Ik wil toch ook bij haar zijn,' verweert hij zich.
'Je bent nou toch bij haar,' zeg ik met tegenzin. 'Is dat niet voldoende? Wees nou een lieve jongen en laat Lucie met rust. Je wilt haar toch geen verdriet doen, of wel?'
'Nee. Ik wil haar geen verdriet doen, ik wil bij haar zijn.' Hij geeft het niet op.
'Maar ze mag zichzelf niet doden,' zeg ik met klem. 'Probeer haar nou niet iets te laten doen, dat niet goed voor haar is. En straks ben jij er de oorzaak van, als ze dat wel doet. Dat wil je toch niet.' 'Nee,' is het enige wat hij zegt.
'Kunnen we daar niet iets over afspreken,' stel ik voor. 'Dat jij belooft, datje dat niet meer zult doen.'
'Ik wil naar haar toe kunnen,' blijft hij volharden.
'Dat is slecht voor haar. En jij wilt toch ook niet slecht zijn?' antwoord ik.
'Nou laat hij mij los,' zegt Huub plotseling. 'Die hele grote (Gids). Nee ... even ... en hij komt weer terug. Hij laat mij even los.' 'Ik denk dat die "grote" jou tegenhoudt om zoiets slechts te doen. En zo nu en dan laat hij je even los, om het toch te proberen.'
De vrije wils beslissing is hier toch nog, in zekere mate, in het geding. 'Ja ... ja ... ik wil het proberen,' roept hij nu. 'Maar ik weet niet of ik dat kan.' Het klinkt wanhopig en moedeloos tegelijk. 'Blijf het proberen. Het zal je zeker lukken. En dan voel je je veel gelukkiger. Spreken we dat af?' 'Ja,' zegt hij mat. Hè hè, denk ik. 'Luister eens Huub. Waar ben je nu?' 'Ik ben nog daar. Nog onderweg (naar het Licht).' 'Is daar niemand die je kent, Huub?'
'Nee. Ik ben alleen. Het is geen arm, maar iets groots om mij heen. Dat houdt mij vast, en dat brengt mij verder.'
'Laatje maar naar het Licht brengen.'
'Ja, dat is goed,' zegt hij nu, berustend.
'Ben je wel eens dicht bij Lucie, Huub?'
'Dat probeer ik.'
'Ken je Edo dan?' vraag ik hem.
'Edo? Edo, dat is toch Lucie.'
'En de moeder van Edo, heb je die dan nooit ontmoet? Die is ook aan jouw kant, aan Gene Zijde. Ken je die?'
'De moeder van Edo?' herhaalt hij, zacht in zichzelf sprekend.
'Ken je die?' vraag ik nog eens.
'Die? Die hoort er ook bij,' zegt hij met veel moeite. 'Ik weet niet hoe,
20.291
maar die hoort er wel bij. Bij die twee, Lucie en Edo. En daar wil ik ook naar toe.'
'Waarom ga je niet naar de moeder van Edo. Die helpt je vast wel verder. Maar je kunt het allerbeste naar het Licht gaan. Daar is het warm en mooi, zoals je zelf al zei. Je mag nooit meer proberen om Lucie over te halen zich voor de trein te gooien. Beloof je me dat? Dan ben je een lieve jongen.'
'Hmm, ja. Hij loopt naar Lucie toe,' zegt een stem.
'Maar als je dat maar doet zonder haar slecht te beïnvloeden.'
'Proberen,' zegt hij nogmaals.
'Goed. En anders duwt Lucie jou wel terug, nu ze weet waar jij mee bezig bent. Beïnvloed haar niet meer.'
'Als ik me niet meer omdraai, dan kan ik dat wel,' zegt hij tot mijn verwondering.
'Juist! Nou, draai je dan niet meer om.' 'Nee ... nee ...' fluistert hij nog.
'Goed. Ik hoop dat je in het Licht komt. Dat het ook jouw wens is, Huub. Gelukkig in het Licht.' 'Jaah.' Het is niet meer dan een langgerekt gefluister. 'Ben je wel eens naar Edo toe gegaan? Je mag ook Edo niet lastigvallen, hoor!'
'Dat is toch Lucie,' zegt hij afwijzend.
'Jawel, maar Edo heeft een eigen lichaam. Een ander lichaam dan Lucie.'
'Nee. Daar ga ik niet naar toe. Dat is Lucie.'
'En de moeder van Edo? Ben je die tegengekomen aan Gene Zijde, waar jij nu bent?'
'De moeder van Edo zit bij Lucie, antwoordt hij. 'Ze is net een eitje met twee dooiers. Zo zit ze daar helemaal omheen. Helemaal dicht.' Zo, dus deze berichten kwamen van hem.
'Waar omheen?' vraag ik.
'Om Lucie. Maar dat is toch ook Edo.'
'Horen die zo dicht bij elkaar dat het een tweelingziel lijkt?'
'Ja,' zegt hij. 'Ze horen niet dicht bij elkaar, niet dicht. Maar dichter ... nog dichter.'
'Eén ziel?'
'Ja. Twee dooiertjes. Alle drie samen zijn ze één eitje met twee dooiers. Zo lijkt het net. Edo's moeder is het eitje, de schil, het omhulsel. Edo en Lucie zijn de twee diertjes.'
'Dus toch één ziel, een tweelingziel,' stel ik vast
'Ja, inderdaad,' bevestigt hij.
'Goed. Jij draait je nu helemaal om, Huub.'
'Dan zie ik een groot Licht,' reageert hij onmiddellijk.
'Jij gaat naar dat Licht toe. Daar zul je gelukkig zijn. Laat je daarheen
20.307
drijven.'
'Maar Edo's moeder is bij Lucie,' werpt hij tegen. "Wat doet ze daar?'
'Die houdt die twee dooiertjes heel goed vast. Daar zorgt ze voor. Dat kan ze wel,'
voegt hij er nog aan toe.
'Luister! Heeft Edo zijn moeder misschien een boodschap? Laat haar die dan nu vertellen.'
'Als ze loslaat, dan vallen ze weg,' antwoordt hij. 'Zij houdt ze bij elkaar.'
'Heeft ze nog iets aan Edo, haar zoon, te zeggen?' 'Ja. Hij mag niet weglopen. Hij ... hij hoort er ook bij. Dat moet hij weten. Want als hij weet dat hij erbij hoort, dan kan hij gerust gaan. Dan weet hij toch wel de weg terug. Daarom houdt ze ook zo vast.'
'Wat is de weg terug?' vraag ik nieuwsgierig.
'Naar de andere helft, naar Lucie. Hij weet de weg niet, als zijn moeder loslaat.'
'En? Komt hij terug? Weetje daar iets over?'
'Nee. Zij houdt toch vast. Zij houdt ze bij elkaar. Als ze loslaat... dan is hij weg.' Het klinkt gelaten, uit zijn mond.
'Maar zal dat niet gebeuren?' vraag ik.
'Ik weet niet wie het sterkste is ... Edo is ook heel sterk.'
'Jij weet niet wie de sterkste is?'
'Nou niet. Maar straks wel. Zij is toch sterker,' zegt hij, met overtuiging. 'Dus het zal goed blijven,' zeg ik. 'Ze laat hem niet los, ze laat hem niet vallen?' 'Nee...'
'Huub, ik hoop datje vrede vindt, in het Licht.' 'Ja,' klinkt het, haast onhoorbaar.
'Daar ben je veel gelukkiger. Je weet nu zelf heel goed, dat je niemand op aarde, levend in een aards lichaam, mag trachten over te halen om zijn of haar lichaam te vernietigen.'
Hij mompelt iets over 'haar niet kunnen achterlaten.'
'Je laat Lucie niet achter, want ze komt, als het haar tijd is, weer naar jou toe,' herhaal ik. 'Zo lang moetje wachten. Draai je nu van haar weg. En val haar niet meer lastig.' Tranen lopen, bijna geluidloos, over zijn/haar wangen.
'Wil je dat? Doe je dat?' dring ik aan, voor de zoveelste keer. 'Ik zal het proberen,'
verzucht hij.
'Het ga je goed, Huub. Wees sterk. Ik hoop datje gelukkig wordt. Ga! En laat die grote Gidsje niet loslaten, voordat je in het Licht bent. Voor altijd.'
'Ja,' klinkt het zuchtend en weerspannig.
'Ik maak me nu helemaal los van jou, Huub. En ik ga nu weer naar Lucie terug. Rust in vrede. Dag Huub!'
20.308
'Daag,' zegt hij, nogal bedrukt.
Lucie, hoe is het nu met jou? Heb je het helemaal begrepen?' 'a, het is goed,' zegt ze, nog nasnikkend.
n zo eindigt een van de vele merkwaardige regressies, waarin - in dit geval - aardgebondenheid, schizofrenie en een tweelingziel met elkaar verweven blijken te zijn. Eigenlijk een triest driemanschap, Lucie, Edo en Huub. Drie persoonlijkheden, driemaal IK, van één en dezelfde ziel. En daarbij nog een door euthanasie, door zelfdoding, aardgebonden Fran-cien, de moeder van Edo. Het is een geschiedenis, waarvan de kern zich afspeelt in de duistere zone van het aardse Gene Zijde. Maar zij die normaal overgaan, schieten snel, en meestal onbewust, door die zone heen, omhoog, naar het Licht. En zo gaan gelukkig de mees ten van ons over. Als afsluiting van het voorafgaande dit hoofdstuk volgt hierna nog een samenvattend verslag van het vorige leven van Lucie en Edo als respectievelijk Rosanna en Eugène. Het vorige leven, waarover al summier werd gesproken. Er bestaat een duidelijk, nauw onderling verband tussen de genoemde levens. Zodanig dat het regressieverslag de lezer meer inzicht, en ook een volledig verklarende factor verschaft.