16

Juan zette het laatste krat met eten in de jeep. "Vier kunnen er meerijden, de rest moet lopen."

Francesco zat al achter het stuur, hij stak zijn hoofd door het raam. "Laat de jongens maar met mij meerijden, dan kunnen die vast de spullen uit de auto slepen." Luid toeterend reden ze weg.

"Zijn we er allemaal?" vroeg Sara. Ze stond met José voor de deur. Mary en Dana kwamen door de draaideur naar buiten. "Hebben jullie alles? Badlaken, bikini, wat warms voor vanavond? Het koelt 's avonds al aardig af."

Met zijn vieren liepen ze langs de boulevard. "Niet zo hard!" Dana zette haar tas op de grond en groef onderin. "Anders moeten we helpen sjouwen. Snoepje?"

Ze slenterden langs de terrasjes en gluurden in de etalages. José wilde nog iets voor thuis kopen. Haar oog viel op een handbeschilderde schaal. De hele weg klaagde ze echter over het gewicht.

Van veraf zagen ze de jeep al staan. Mario en Francesco waren bij de boot. De koks, die aan hun benen te zien voor het eerst in zwembroek waren, maakten de barbecue in orde. Juan zagen ze zo snel niet. Die zat waarschijnlijk al aan de andere kant van de baai te vissen. Op het water was het rustig. Het was duidelijk dat het seizoen voorbij was; de meeste zeilboten lagen vast aan de kant.

Ze zwaaiden naar de jongens, legden hun badlakens op de rotsen en liepen naar de boot. Mario stond in het water. "Geef me die kan eens aan. En als iemand dat luchtbed wil oppompen? Hier is een pomp." Hij gooide het ding op de kant. Nadat het luchtbed opgepompt en de boot in orde was, verzamelden ze zich met zijn allen om de koelbox. Ze aten sandwiches en dronken blikjes vruchtensap. Juan kwam aanlopen en pakte twee blikjes bier.

"Afblijven! Die zijn voor later." Mario grijnsde breed en hield hem een blikje vruchtensap voor zijn neus.

Ze zwommen en waren zo uitgelaten als kleine kinderen op een schoolreisje. Na het zwemmen schudde Sara haar natte haren en ging met José op de rotsen liggen. De jongens gingen varen of vissen.

Dana en Mary waren nog in het water, zaten op het dek of dreven op het luchtbed dat met de boot werd meegesleept. Sara strekte zich behaaglijk uit en genoot van de warmte op haar lichaam. Vanaf het water hoorde ze Dana en Mary lachen. José sliep.

Sara hield het niet lang vol. De zon liep vast op de rotsen en het zweet droop van haar af. Ze pakte haar badlaken en legde het aan de rand van het water. Hier was nog een beetje wind. De boot draaide zijn rondje en Dana dobberde met haar ogen dicht op het luchtbed erachter.

Francesco, die achter het stuur zat, stuurde de boot naar de kant.

"Nu jij Sara." Dana liet zich van het luchtbed vallen en terwijl zij het luchtbed vasthield, klom Sara erbovenop.

Francesco wachtte tot ze lag en gaf een beetje gas. Ze sloot haar ogen. Hij voer rustig en Sara liet zich meevoeren over het water. Francesco voer de baai uit en stuurde de boot even later langs de rotsen. Zwemmend was Sara nooit verder gekomen dan de beslotenheid van de baai, dus nu zag ze pas hoe de nauwe baai overging in de uitgestrektheid van het water en de rotsen die ver voor haar opdoemden. De boot bleef langs de kant van de rotsen varen en Sara was daar dankbaar voor. Het leek haar toch wel eng om verder op een luchtbedje de zee in te gaan. Je wist maar nooit.

Bij een opening in de rotsen minderde de boot vaart. Ze lagen nu zo goed als stil. Francesco zette de motor af en trok het luchtbed naast de boot. "Mooi, mooi," zuchtte hij.

"Het is hier inderdaad mooi." Sara keek naar de bovenkant van de grot. Er was een gladde boog uitgesleten door het water. Ze wachtte tot Francesco de motor weer startte en probeerde, om hem een plezier te doen, te genieten van het moois om haar heen.

Plotseling boog hij zich over de rand van de boot. "Nee, jij bent mooi."

Sara dacht dat ze hem niet goed had verstaan, ze wilde wel weer terug, naar de anderen.

Francesco pakte het touw en trok het luchtbed dichter naar de boot. Even keek Sara hem niet begrijpend aan. Van deze gelegenheid maakte hij gebruik. Geheel onverwacht pakte hij haar ruw bij haar arm en probeerde haar de boot in te trekken.

Het luchtbed schoot weg en Sara hing nu half over de rand. Haar lijf schuurde over het ruwe hout. Ze viel de boot in en meteen trok hij haar boven op zich. Ze krabde hem in zijn gezicht en schopte wild om zich heen.

De boot week naar rechts. Ze rolden met zijn tweeën naar de kant. Francesco moest zich met twee handen vasthouden. Sara probeerde van hem weg te kruipen. Hij herstelde zich echter snel en trok haar terug aan haar enkel, waardoor ze weer languit viel. Ze verging van de pijn, de gedachte aan het ongeboren kind maakte haar razend en onberekenbaar. Ze lagen nu te rollen door de boot. Hij was sterk, maar zij was jonger en sneller. Ze viel over hem heen en de boot schommelde weer alle kanten op.

Sara pakte het eerste wat ze te pakken kon krijgen. Ze haalde uit en sloeg hem met alle kracht die ze in zich had, waar ze hem maar raken kon.

Hij gaf een gil. "Porco, Dio, putana."

 

Sara kroop naar de andere kant van de boot. Francesco probeerde overeind te komen, maar sloeg dubbel, zijn gezicht verwrongen van pijn en woede. In de haast om weg te komen struikelde Sara en viel met haar gezicht op de punt van een ijzeren jerrycan. Kreunend kwam ze overeind en dook het water in. In een laatste vertwijfelde poging stak Francesco zijn arm uit.

Sara zwom als een bezetene de grot uit. Achter haar hoorde ze hem nog schreeuwen en vloeken. Als ze eerst maar eens de hoek om was, weg bij die engerd. Dan zou ze om hulp kunnen roepen als hij achter haar aan kwam. Buiten adem bereikte ze ten slotte de kant.

De jongens zaten op de rotsen en staarden naar hun hengels zonder haar te zien. José lag nog steeds op dezelfde plek. De rest zag Sara niet. Zo snel ze kon pakte ze haar tas, trok het zomerjurkje over haar natte lijf en maakte dat ze wegkwam, voordat de anderen haar zo zagen.

Onrustig bleef ze de hele weg omkijken, haar hart bonsde en het bloed liep langs haar zij. Door de kleine achterstraatjes liep ze naar het hotel. Daar keek ze eerst of de jeep er al stond. Ze was doodsbang, duwde de zijdeur op een kier en luisterde. Boven hoorde ze de stofzuiger.

Ze kon hier natuurlijk niet blijven, Francesco kon ieder moment hier zijn... Ze beefde over haar hele lijf. Hevige steken in haar zij deden haar wankelen, op haar jurk verscheen een donkere vlek. Haar lip was gescheurd en voelde droog en gezwollen aan.

Ze struikelde de receptie in en pakte met trillende vingers de sleutels van de kluis. Ze trilde zo, dat ze de sleutel niet in het slot kon krijgen. Uiteindelijk lukte het haar en kon ze haar kluisje openen. Ze pakte alles wat er in lag en stopte het in haar tas onder de handdoek. Boven ging de stofzuiger uit. Ze hoorde iemand lopen en een deur dichtslaan.

Snel legde Sara de sleutels terug in de la en verstopte zich onder de balie. Iemand kwam de trap af, liep de hal door en ging de toiletten in. Ze dook nog verder onder de balie. Ze wachtte tot de deur in het slot viel en kwam zachtjes achter de balie vandaan, waarna ze door de achterdeur naar buiten sloop. Het felle licht verblindde haar en schroeide op haar gehavende gezicht.

Aan de achterkant van het hotel dook ze meteen een zijstraatje in. Ze bleef achterom kijken. Hoe had dit kunnen gebeuren. Ze liep en liep en wist niet waarheen.

Ze liep zo snel mogelijk, als vanzelf weg van de kust. Ze nam zo veel mogelijk de smalle straatjes die omhoog liepen. Haar voet werd steeds dikker en haar mond was kurkdroog. Ze liep als verdoofd, steeds verder, ze durfde niet stil te staan. Hier kon hij haar altijd nog vinden.

Deze middag die zo gezellig had moeten worden, werd een nachtmerrie... Was het wel echt gebeurd?

Er reed een auto achter haar. Bij het geluid dook ze weg in een portiek. De auto passeerde en voorzichtig stak ze haar hoofd om de hoek. Gewoon een auto met een paar kinderen achterin. Haar heup

begon te steken en het bloed liep nu langs haar benen.

Hoorde ze een stem of werd ze gek? Ze kon niet helder meer denken. "Ga naar Mora... Ga naar Mora." Ze liep nog steeds door, zonder te weten wat ze deed, toen ze het bordje Mora herkende.

Intussen was de pijn ondraaglijk geworden. Ze pakte haar ondergoed uit de tas en scheurde het net zolang tot ze twee repen stof had. Ze knoopte de stof aan elkaar en maakte er een verband van, waarmee ze de wond aan haar zij verbond.

Het laatste beetje water dat nog in een flesje in haar tas zat, kon ze, zo dacht ze, maar beter bewaren. Ze zou het nog hard nodig hebben.

Sara wist niet hoelang ze al onderweg was. Haar voeten brandden en ze was nog niet eens halverwege.

Het enige voertuig dat haar was gepasseerd, was een tractor. Toen ze het geluid van het naderende voertuig hoorde, was ze midden op de weg gaan staan. De man zat lekker hoog, rookte een sigaretje en had haar niet eens gezien. Ze moest zelfs opzij springen. Daarna was er niets meer langs gekomen.

Alles deed nu haar zeer. Ze struikelde over haar eigen voeten, maar haar angst hield haar gaande. Zouden ze haar al zoeken? Zou hij haar zoeken? Misschien was hij wel zo geslepen dat hij haar de schuld zou geven. Na wat er vandaag gebeurd was, achtte ze hem tot alles in staat.

Het verband in haar zij was doorweekt en kleefde aan de wond. Boven haar oog voelde ze een bult en haar schouder, waar de tas aan hing, deed venijnig zeer. Ze strompelde, bang om stil te staan. Net toen ze dacht dat ze ging vallen, zag ze de eerste schamele hutjes. Ze kwamen haar bekend voor.

Bij het eerste hutje viel ze neer. Ze kroop erachter, legde het badlaken op de grond en ging liggen. Ze pakte het flesje, opende het en goot voorzichtig het laatste beetje water naar binnen. Het grootste gedeelte droop ernaast. Desalniettemin verzachtte het de pijn.

Het liefst was ze blijven liggen, maar ze moest oppassen. Niet wegzakken. Ze rustte even uit, trok zich op aan de muur en ging weer verder. Het was nu niet ver meer.

Zouden ze haar wel binnenlaten? Zouden ze haar wel geloven?

Ze durfde niet verder te denken.

"Ga naar Mora," dreunde het in haar hoofd.

Het laatste stuk duurde een eeuwigheid. Voetje voor voetje strompelde ze over de weg, haar linkervoet achter zich aan slepend. Haar zicht werd belemmerd door de vlekken die voor haar ogen dansten. Af en toe stond ze stil en wachtte tot de vlekken verdwenen waren.

Uiteindelijk zag ze het kerkje. Het werd rood, paars en groen. Bliksemflitsen schoten heen en weer. Ze liep nog een paar stappen, haar maag begon te draaien en met twee handen beschermde ze haar buik. Daarna werd het rustig.

 

Sara werd opgetild en op iets zachts gelegd. Er waren stemmen en ze hoorde het dichtslaan van portieren. Ook het starten van een auto die zich langzaam in beweging zette. Ze probeerde haar ogen te openen, maar de pijn was ondraaglijk. Het hobbelen maakte haar misselijk.

De auto kwam nu tot stilstand. "Voorzichtig! Ze kan wel iets gebroken hebben."

Ze werd naar binnen gedragen en probeerde de stem te herkennen. Was het Heidi? Zou Francesco? Ze hield zich bewusteloos, liet zich de trap opdragen en op bed leggen. Ze voelde een koud kompres op haar oog.

"Bel de dokter, Georgio."

Georgio? En die stem, dat was niet de stem van Heidi. Ze probeerde haar andere oog een beetje te openen. In de hoek brandde een schemerlampje. In het zwakke licht kon ze een vrouw zien zitten, maar Sara kon haar niet onderscheiden.

Toen de vrouw zag dat Sara reageerde stond ze op. Ze boog zich over haar heen en waste voorzichtig haar gezicht. Sara wilde wat zeggen, maar de vrouw gebaarde haar stil te zijn. "Praat maar niet. Hier ben je veilig voor wie je dit heeft aangedaan."

Gedempte stemmen van beneden en voetstappen die de trap op kwamen deden Sara angstig om zich heen kijken.

"Het is de dokter," zei de vrouw geruststellend.

De arts onderzocht Sara's hoofd, haar zij en haar voet. Hij vroeg om een kom schoon water en verzorgde de wond. "Laat ons even alleen, Sofie." Hij sloot de deur, ging naast het bed zitten en pakte Sara's hand. "Ik moet je nog verder onderzoeken." Zijn handen gleden over haar buik. Hij duwde een beetje links en rechts en knikte tevreden. Daarna onderzocht hij haar inwendig. "De wond had niet veel lager moeten zitten." De dokter had een prettige stem. "Morgen kom ik terug. Nu moet je eerst slapen, ik zal je iets lichts geven. Het kan geen kwaad." Hij keek haar vriendelijk aan. "Denk erom, geen enkel excuus rechtvaardigt deze misdaad." Hij liep de deur uit en op de gang hoorde Sara hem zachtjes praten. "Ik kom morgen weer kijken. Houd haar in de gaten, Sofie. Als er iets is bel je me maar. Al is het midden in de nacht."

Sara hoorde de deur dichtslaan en de vrouw de slaapkamer binnenkomen. Ze liet haar water met een rietje drinken, terwijl ze Sara met een hand in haar hals steunde. "Hier, dit moet je innemen. Gaat dat?" Daarna drenkte ze een doekje in een kom water en bette nogmaals Sara's gezwollen gezicht. Voorzichtig schoof ze een nachtpon over Sara's hoofd en stopte haar in zoals alleen een moeder dat kan.

Sara wilde haar bedanken, maar de woorden bleven in haar keel steken.

"Noem me maar Sofie, ik ben de moeder van Michael."

"Moeder van Michael... Maar hoe?"

"Je bent voor de pastorie in elkaar gezakt. Mijn man heeft je daar opgehaald. Ga maar lekker slapen, hier zoekt niemand je. Zal ik het lampje aanlaten?" Ze dimde het licht zodat er slechts een flauw schijnsel overbleef en liet de deur op een kier. "Maak je geen zorgen, mijn man en ik slapen hiernaast."

Sara hoorde de helft al niet meer. Het medicijn had zijn werk gedaan.

 

Ze liep weer op straat. De enige verlichting was de straatlantaarn op de hoek. Een man liep op haar af. Met stevige passen kwam hij dichterbij. Haar hart bonsde. In het vage licht kon ze alleen zijn contouren onderscheiden.

Nu kwam hij dichterbij en zag ze zijn verwrongen gezicht. Ze wilde weglopen maar stond als aan de grond genageld. Ze gaf een gil...

 

Het licht ging aan en Sofie en Georgio stonden naast het bed waar Sara in lag. Sofie legde een hand op haar voorhoofd. "Stil maar, je bent veilig. Je had een nachtmerrie."

Sara wist niet zo gauw waar ze was. Het zweet gutste van haar gezicht. Bezorgd bogen Sofie en Georgio zich over haar heen. Sofie pakte haar hand en bleef zitten tot Sara weer gekalmeerd was. "Wil je niet even naar de wc? Kom, laat me je helpen."

Discreet trok Georgio zich terug.

Sofie trok de lakens daarna weer over Sara heen en schudde het kussen op. "Welterusten meisje." Ze gaf haar een kruisje op haar voorhoofd. "Hoe heet je eigenlijk?"

"Sara."

 

"Ga je het je ouders vertellen?"

Ze zaten op de veranda en genoten van de laatste zonnestralen. De zon verdween en daarmee de streep fel licht die de druivenstokken in mysterieuze schaduwen veranderde.

Sara speelde met het lepeltje in haar koffie. "Ik denk het niet," antwoordde ze. "Ze zullen zeggen dat ik die dingen zelf uitlok."

Sofie keek haar bedenkelijk aan. "Je hoeft je er niet voor te schamen, Sara. Het was jouw schuld niet. Wees niet zo hard voor jezelf. Waarom zou je zo'n man ontzien. Je kunt nog altijd aangifte doen." Sofie stond op en schonk nog een kop koffie in.

Sara keek haar na. Ze was van deze vrouw gaan houden.

Een week was ze nu hier. Sofie had haar verzorgd alsof ze haar eigen dochter was. Ze had haar gewassen en gevoed, maar vooral had ze Sara haar eigenwaarde teruggegeven.

Uren had ze aan Sara's bed doorgebracht. Ze hadden veel gepraat en Sofie had Sara's wens de aanranding niet aan te geven gerespecteerd.

Voor Georgio lag het anders. Hij zou zelf wel eens bij het hotel langsgaan om met deze man af te rekenen. Daar had hij de politie niet voor nodig. Het had Sofie de grootste moeite gekost hem tegen te houden. Uiteindelijk had hij zijn vrouw beloofd er niet heen te gaan voordat Sara goed en wel in het vliegtuig zat op weg naar huis.

"Weet je Sofie," zei Sara. "Het is niet dat ik me ervoor schaam, maar ik wil het graag achter me laten."

Sofie knikte. "Het gaat je vast lukken. Wij hebben geluk gehad dat Michael jou tegenkwam. Nu gaat Michael jou helpen, let maar op. Wist je trouwens dat Michael Georgio had gevraagd bij jou langs te gaan, precies op de dag dat je hier binnen gebracht werd."

Sara keek haar verbaasd aan. "Daar heb je me niets van verteld."

"Michael voelde zich niet goed en dacht dat het iets met jou te maken had. Georgio beloofde hem de volgende dag bij je langs te gaan en 's avonds was je hier. Wonderlijk hè?"

"Misschien voor een ander moeilijk te begrijpen," antwoordde Sara. "Maar vanaf onze eerste ontmoeting was er een herkenning, een bewustwording die alles overschrijdt."

Sofie keek haar ernstig aan. "Ik weet dat ik het je nu niet zou mogen vragen, maar zijn jullie verliefd?"

"Nee Sofie, wij zullen nooit minnaars zijn. We zijn met elkaar verbonden. Sinds ik hem ontmoet heb, voel ik een ongekende innerlijke kracht. Dat klinkt vast erg zweverig." Ze keek naar de vrouw die zelf zo veel had meegemaakt en zag dat haar woorden Sofie aan het denken zetten.

Sofie staarde over de velden. Ze had haar man en haar zoon terug. Wat kon ze meer verlangen? Dit meisje waar ze van was gaan houden zou weer weggaan. Ze hoorde bij haar familie. Zo was het leven nu eenmaal.

De volgende morgen liepen ze over de velden. Sofie wees Sara de plek waar Michael vroeger vaak zat te schilderen: "Hier zat hij vroeger. Vanaf deze plek heb je een prachtig uitzicht."

De wijngaard was, zoals Sofie vol trots aan Sara vertelde, bekend om zijn Cabernet Sauvignon. Nu de zomer op zijn eind liep en de zon lager stond, kwamen de prachtigste kleuren tevoorschijn. Sara kon zich voorstellen dat je hier uren kon zitten.

Het was de eerste keer dat ze zo'n eind hadden gelopen. Haar wond genas goed en ze kon haar voeten weer in normale schoenen krijgen.

Georgio was 's morgens al vroeg vertrokken. Hij bezocht Michael tweemaal in de week. Sara gaf hem een lange brief mee, Sofie een tas vol met lekkere dingen en een paar boeken waar hij om gevraagd had.

"Kan ik jullie wel een hele dag alleen laten?" vroeg hij. "Als ik terug ben maken we een vuurtje op de veranda en zal ik jullie eens een van mijn lekkerste wijnen laten proeven." Hij toeterde en reed het pad af.

Sofie had een picknickmand gevuld met broodjes en koude kip. Bij de heuvel aangekomen gingen ze zitten met de mand tussen hen in. Sofie spreidde een kleed uit en Sara voelde hoe haar benen trilden en was blij dat ze kon gaan zitten. Ze aten de broodjes en de kip en dronken vruchtensap. Daarna leunde Sofie met gesloten ogen tegen een boom. Sara ging op haar rug liggen en volgde de witte wolken, die als uitgeplozen watten steeds van vorm veranderden. Witte strepen van vliegtuigen doorkruisten elkaar en staken fel af tegen de blauwe lucht. Zo kon ze uren liggen. Toen het frisser werd, pakten ze hun spullen bij elkaar en liepen op hun dooie gemak de heuvel af richting huis.

Uit de keuken kwamen geluiden. "Zijn jullie nu al terug?" Georgio kwam naar buiten met een mand vol brandhout. "Jullie zullen nog even moeten wachten." Hij liep met het hout naar de veranda.

Sofie liep achter hem aan. "Hoe was het met Michael? Zag hij er goed uit?"

Sara liet ze alleen en ruimde in de keuken de picknickmand leeg. Toen ze het terras op kwam, brandde er een knapperig vuurtje. Georgio liep terug het huis in en kwam terug met drie mooie glazen. Daarna opende hij plechtig een fles wijn. Na de glazen halfvol te hebben geschonken gaf hij er ieder een.

"Op het geluk dat ons heeft samengebracht." Hij nipte van de wijn om niet te laten zien dat hij ontroerd was. "Zo, en nu heb ik een verrassing voor jullie." Hij liep naar zijn auto en kwam terug met zijn armen vol pakjes. "Deze zijn voor jou." Hij gaf er een paar aan Sara.

"Is dat allemaal voor mij?" Ze kreeg er een kleur van.

"Volgens Michael moest het passen." Hij grijnsde ondeugend.

Sara wist niet wat ze moest zeggen. Ze keek van Georgio naar Sofie.

"Maak nou open!"

Sara opende voorzichtig het eerste pak en haalde er een kledingstuk uit. Het was een crèmekleurig jurkje met een fijn roze bloemetje. De voorkant werd gesierd door een rij kleine knoopjes van boven tot onder. De achterkant had een klein loshangend ceintuurtje. Sara streek over de lichte, gladde stof. "Wat een mooie jurk, wie heeft die uitgezocht?"

Georgio gaf haar het volgende pakje. "Dit is om het compleet te maken."

Verlegen met zo veel aandacht, maakte Sara het volgende pakje open. De schoentjes met een bandje om de hiel en een elegant hakje, die uit de doos kwamen, waren de mooiste die ze ooit had gezien. Het zachte leer sloot comfortabel om haar voeten.

"Michael had gelijk, ze passen precies," zei Georgio. "Je moet er mooi uitzien als je naar huis gaat. En nu jij." Hij keek zijn vrouw liefdevol aan. "Natuurlijk zijn we jou niet vergeten." Hij gaf haar twee pakjes en keek nieuwsgierig toe hoe zij ze uitpakte.

In het eerste pakje zat een omslagdoek. Zwart met steentjes. De steentjes waren er in de vorm van rozen opgeborduurd. Sophies gezicht straalde. Nadat het tweede pakje, waar een bijpassende tas in zat, was geopend, wilde ze haar man bedanken.

"Dat was van je zoon," zei hij echter, "en dit is van mij." Hij gaf haar een klein pakje dat hij uit zijn binnenzak haalde. Vol ongeduld wachtte hij tot ze het had opengemaakt. Sofie staarde naar haar handen. Vond ze het niet mooi? Hij probeerde het van haar gezicht af te lezen.

Ze keek op en keek hem met betraande ogen aan. Zichtbaar ontroerd liep ze op hem af en omhelsde hem. Hij drukte haar teder tegen zich aan. Het pakje bevatte een opengewerkt medaillon van antiek zilver. Binnenin zaten twee fotootjes. Een lachende Georgio en een serieus kijkende Michael.

"Zo dat was genoeg sentiment voor vandaag," zei Georgio opgewekt. "Drinken jullie je glas eens leeg." Hij vulde opnieuw hun glazen en zette olijven en gevulde pepers op tafel. Hij vertelde over Michael en de plannen die ze tijdens de lunch besproken hadden. "Die jongen zit vol goede ideeën. We willen meer toeristen deze kant ophalen, maar eerst moet die verdomde weg in orde.

Het is niets dan gaten en kuilen. Wie weet Sara, als je over een paar jaar hier komt, hoe het er dan uitziet. We zien je toch wel terug, hè?"

Ze bleven op de veranda zitten tot het vuur uit was. Daarna gingen ze naar binnen en aten verder voor de haard. Daar ging het gesprek over het onderwerp dat ze steeds uitgesteld hadden. Nu ze weer hersteld was wisten ze het alle drie: Sara moest een datum prikken, een vlucht boeken en afscheid nemen.

De zondag daarop zaten ze in het kleine kerkje in Mora. Het was de eerste keer dat Sara weer terug was in deze kerk. Ze keek naar de pastoor die ze onder zulke vreemde omstandigheden voor het eerst ontmoet had. Deze week had ze hem tweemaal bij hen thuis gezien. Hij informeerde toen hoe het met haar was en zat tot laat in de avond met Georgio op de veranda.

In de kerk zaten ze met zijn drieën naast elkaar. Georgio, Sofie en Sara. Sara keek tersluiks naar Georgio en glimlachte. Ze wist hoe hij over de kerk dacht.

Georgio had Sara's ticket geregeld. Vanaf het moment dat de datum van vertrek vaststond, groeide Sara er langzaam naar toe. In een lange brief aan Annet vroeg ze haar een paar dingen voor haar te regelen. Het werd nu echt tijd dat ze terugging. Ze begon er zelfs naar uit te kijken.

Ze was veranderd. Zelfstandiger geworden en ook rustiger. Niet meer die rebel, die nerveuze tiener. Deze drie maanden waren goed voor haar geweest. Ze had met Sofie lange gesprekken gevoerd en de wijsheid van deze vrouw was een grote steun voor Sara geworden.

Ze had haar spullen al klaar gezet. Pas, ticket, lippenstift en nieuwe zonnebril zaten in het tasje dat Sofie haar gegeven had. De jurk hing aan de kast en de schoentjes stonden eronder. Het enige vervelende, zo peinsde Sara, was dat ze niets voor Georgio en Sofie had kunnen kopen. Georgio wilde niet dat ze naar de stad ging en in Mora was niets bijzonders te koop.

Sara keek op. De pastoor gaf de zegen, waarna het handjevol mensen de kerk uit liep en op het pleintje bleef staan om nog wat na te praten. Georgio stond al bij een groep mannen. Sara hoorde ze lachen. De vrouwen wierpen heimelijke blikken op haar.

Sofie stelde haar aan enkelen van hen voor, terwijl ze luchtig sprak en de blikken negeerde. Na een tijdje ging iedereen een kant op.

Georgio kwam naar hen toe en pakte Sofie en Sara elk bij een arm. "Zo, ik lust wel wat." Ze waren als afscheid uitgenodigd voor een lunch op de pastorie. In de tuin was feestelijk gedekt. De najaarszon zette de tuin in een vriendelijk licht. De huishoudster liep driftig heen en weer.

Georgio liep met zijn twee vrouwen de tuin door. "De eerste gast is al gearriveerd," zei hij.

"Ik dacht dat wij alleen geïnviteerd waren," merkte Sofie op.

"Dat maakt toch niet uit, een paar gasten meer of minder."

De gast stond op en liep op hen af.

"Michael!" Het was eruit voor Sara er erg in had. Ze rende op hem af en omhelsde hem als een broer die terugkwam uit de tropen. Lachend maakte hij zich los uit die omhelzing en liep naar zijn moeder. Hij gaf haar een kus en trok haar naast zich op een stoel. Sofie straalde.

De lunch was heerlijk, de wijn goed en het gezelschap fantastisch.

"Smaakt het Sara?" Ze nam net de laatste hap van haar dessert toen de pastoor haar nog een glas wijn inschonk. "Goed om te zien wat een eetlust je hebt."

Sara bloosde. Ze wist niet dat het zo duidelijk was dat ze het allemaal zo lekker vond. "Ik had niet gedacht dat ik nog eens op een pastorie uitgenodigd zou worden. En het nog leuk zou vinden ook," voegde ze eraan toe.

"Dat maakt twee van ons," grapte Georgio.

De mannen rookten een sigaar en dronken koffie met cognac. Sofie leunde achterover in haar stoel met haar gezicht naar de zon. Michael en Sara maakten van de gelegenheid gebruik om door de tuin te wandelen.

"Je ziet er goed uit," zei Sara. "De rust doet je goed."

"Ik zou wel wat meer willen doen, maar die vader van mij is hardnekkig. Zolang het onderzoek nog niet is afgerond, moet ik achter de schermen blijven." Ze liepen hand in hand verder. "Gelukkig bezoekt hij mij tweemaal in de week. De laatste tijd alleen. Mijn moeder wilde bij jou zijn." Hij sloeg zijn arm om haar heen. "Ze zijn van je gaan houden, Sara."

"Ik ook van hen. Je ouders zijn fantastische mensen. Ze hebben voor me gezorgd alsof ik hun eigen dochter was. Ik zal ze missen."

"Zal je mij ook missen?" vroeg hij zacht.

"Jou hoef ik niet te missen, ik heb je gehoord, overal waar ik was. Je was bij me toen ik werd aangerand. Jij gaf me de kracht om weg te komen, en de moed om te vergeven."

Michael keek haar van opzij aan. "Je hebt gelijk. Ik wist dat er iets mis was en vroeg Georgio naar je toe te gaan. Weet je al wat je gaat doen als je thuis bent?"

Sara knikte. "Maak je niet ongerust, ik ben nu een volwassen vrouw."

"Dat zie ik," zei Michael, terwijl hij zijn blikken over haar figuur liet gaan. "Je bent nog mooier geworden, wist je dat." Hij sloeg zijn arm om haar heen. Langzaam slenterden ze terug naar de anderen.

De pastoor riep Sara vanuit de deuropening. Sara liep naar hem toe en daar gaf hij haar een klein boekje. Ze pakte het aan en bladerde erin. Voorin had hij zijn naam geschreven en de datum. "Het is een gedichtenbundel, er staan een paar mooie gedichtjes in. Ik heb ze aangekruist."

Het boekje was in leer gebonden en de randjes waren goudkleurig. Sara wist niet wat ze moest zeggen. "Wat mooi, dank U wel." Ze aarzelde en gaf hem een hand.

Hij moest lachen. Je zoent een pastoor nu eenmaal niet.

Met zijn vieren reden ze naar huis. Sofie trok Georgio mee naar binnen. Sara en Michael bleven buiten staan. Ze stonden met hun armen om elkaar heen.

"Ik weet niet wat ik moet zeggen, Sara." Hij trok haar dichter tegen zich aan.

"Ik kom terug," beloofde ze.

Ze bleven elkaar vasthouden tot Georgio naar buiten kwam met een tas die hij, zonder acht op hen te slaan, naar de auto bracht. Michael ging naar binnen om zijn moeder gedag te zeggen. Georgio startte de auto en Sara zwaaide hen na tot de auto uit het zicht was. Ze liep naar de veranda en ging naast Sofie op een ligstoel liggen.

 

Ze droomde dat ze op straat liep. Een smalle donkere straat met aan het eind een schamele straatverlichting. Er kwam een man van de andere kant. Hij liep met stevige passen recht op haar af. Nu was hij vlak bij haar, hij kon haar bijna aanraken. Ze dacht dat haar benen het zouden begeven maar... Vreemd... ze kon gewoon doorlopen. Ze passeerden elkaar; hij knikte vriendelijk en nam zijn hoed af.

 

Ze werd wakker van de kou. De zon was achter de wolken verdwenen en er kwam een frisse wind opzetten.

Sofie sliep nog. Sara haalde een plaid van de bank en dekte haar er mee toe. Ze voelde zich nu een beetje nerveus worden. Het was goed geweest om afstand van thuis te nemen. Deze drie maanden leken wel een jaar. Er was zo veel gebeurd; leuke dingen, mooie dingen, maar ook nare. Sara kon het alleen maar als positief ervaren. Als het ene niet gebeurd was, was het andere niet gekomen. Alles leek met elkaar verbonden. Goed en kwaad, vreugde en verdriet.

Zelfs voor haar droom was ze niet meer bang. Er was geen man meer die haar angst aanjoeg, klaar om toe te springen. Hij was nu aardig, had zelfs zijn hoed voor haar afgenomen. Ze had het gevoel dat die droom haar iets vertelde over haar zelf.

De volgende morgen had Sara zich met zorg gekleed. Het mooie jurkje, de schoentjes en de bruine kleur van de laatste zonnestralen stonden haar goed. Ze streek met haar hand over de soepel vallende stof, bekeek zichzelf in de spiegel en was tevreden. De jurk stond mooi en getuigde van een goede smaak. Ze streek door haar haren, pakte haar tas, zette de zonnebril op en ging voor de zoveelste keer met de lipgloss over haar lippen.

Sofie en Georgio brachten haar naar het vliegveld. Op het vliegveld omhelsde ze Sofie.

"Bedankt voor alles," zei Sara en omhelsde haar opnieuw.

"Laat gauw wat van je horen, Sara." Sofie trok haar dichter naar zich toe. "Pas goed op jezelf."

Sara liep naar Georgio en gaf hem een zoen.

Hij trok haar naar zich toe en sloeg een arm om haar heen. Hij omhelsde haar hartelijk.

Sara zag dat hij moeite had zich groot te houden. Ook bij haar prikten de tranen in haar ogen. Snel ging ze door de douane en keek nog een keer om. Georgio stond met zijn arm om Sofie heen. Voor ze instapte keek ze nog een keer om. Ze stonden nog net zo.