4
Schoonheid is iets wat je met de jaren ontglipt, dacht Sara terwijl ze haar moeder bespiedde die zich had teruggetrokken in de uiterste hoek van de kamer. Het viel Sara op dat ze zich niet meer opmaakte. Ze was verdiept in haar favoriete tijdschrift, de enige luxe die ze zichzelf veroorloofde, haar hoofd voorovergebogen. Het donkere haar, normaal stevig en glanzend, hing slap en futloos over haar gezicht. Het felle licht van de schemerlamp bescheen haar genadeloos en accentueerde de lichtbruine vlekken die tegenwoordig haar huid ontsierden. Ze was dikker geworden. Haar kleren pasten niet meer en ze droeg nu al weken niets anders dan een groen geruite overgooier, die haar nog dikker maakte.
Geen wonder, dacht Sara, als je vier rollen pepermunt per dag eet. Ze snapte niet dat haar vader er niets van zei. Hij moest het toch ook opgemerkt hebben. Ze rookte een pakje sigaretten per dag en overal in huis, in haar jas, haar schort, op de schoorsteen, lagen aangebroken rollen pepermunt.
"Niet doen," zei mam terwijl ze met een zucht het blad dichtsloeg.
"Wat?"
"Gluren. Je denkt toch niet dat ik gek ben. Pak liever mijn sigaretten, Sara."
"Waarom rook je zo veel als je het zo vies vindt?"
"Wie zegt dat ik het vies vind?"
"Je doet niets anders dan pepermunt eten, dus vind je het vies."
"Daar zeg je me wat." Koortsachtig zocht ze in haar zakken, hees zich steunend op twee armen een beetje overeind en zocht met haar ogen de schoorsteen en het dressoir af. Met een rood hoofd zakte ze weer terug in de stoel.
"Gaat het wel? Je ziet er zo vreemd uit." Sara huiverde. Ze zou toch geen vreselijke ziekte hebben? In gedachten zag ze het al voor zich. Haar moeder bleek en uitgeteerd in een bed in de kamer, vlak voor het raam, vanwaar ze kon zien hoe het leven op straat, waar zij geen deel meer van uitmaakte, aan haar voorbijtrok.
Op straat remde een vrachtwagen, fietsen werden tegen het ijzeren hekje in de voortuin gezet. Het gezicht van Bram, rood en verkleumd, verscheen voor het raam, er werd getoeterd.
Die avond, terwijl de eerste sneeuwvlokken de wereld in een sprookje veranderden en de kachel binnen voluit stond te loeien, vertelde mam haar verhaal.
"Ik moet jullie iets vertellen," begon ze plechtig. Ze vouwde haar handen in elkaar, haar ogen keken de tafel rond en om haar mond verscheen een geheimzinnige glimlach. "We wachten even tot pap ook zit."
"Is de kat van de buren dood? Of gaan jullie scheidden?" vroeg Jos met een scheve grijns.
"Zullen we dan maar, pap?" ze zweeg en wachtte tot iedereen stil was en ze zeker wist, dat alle blikken op haar gericht waren. "Om maar met de deur in huis te vallen: jullie krijgen een broertje of zusje."
Dat was het dus. Voordat Amy geboren werd, en dat was alweer vijf jaar geleden, waren ze niets anders gewend. Ieder jaar, of in ieder geval om het jaar, lag er een baby in de wieg. De wieg werd niet eens meer uit elkaar gehaald, die bleef gewoon staan: de ene erin, de andere eruit.
Stom! Het was geen moment in haar opgekomen. De vormeloze overgooier, de eeuwige pepermunt in plaats van zure bommen. Alles van de laatste maanden viel op zijn plaats. Iedereen praatte nu door elkaar.
"Ik hoop dat het een meisje wordt," zei Sara terwijl ze uitdagend naar haar broers keek. "Jongens hebben we al genoeg."
"Het maakt niet uit, Sara," zei haar vader, "beide zijn welkom." Hij keek haar met zijn blauwe ogen bezwerend aan. Ze kreeg een kleur. Ze wist waaraan hij dacht.
De keren dat hij haar hoog boven de bruine houten wieg had opgetild en het geruite gordijntje, dat aan een lange stok boven het wiegje hing, opzij had geschoven, waarna hij haar dan weer had laten zakken zodat ze de baby goed kon bekijken. Hoe ze steeds weer die brandende vraag stelde, "is het een jongen of een meisje", omdat ze na al die jaren nog steeds aan het kleine hoofdje dat boven het lakentje uitpiepte het verschil niet kon zien.
Hoe haar vader haar een tik had gegeven toen ze na vijf jongens "gatver, alweer een jongen" had gezegd. Mam was zo overstuur geweest van deze opmerking dat de dokter moest komen.
"Ze is jaloers, geef haar maar een taak," fluisterde de dokter in haar moeders oor. Mam had daar dankbaar gebruik van gemaakt, met als gevolg dat ze twee jaar lang voor Bob had moeten zorgen. Ze moest met hem naar de wc en voor de deur wachten tot hij klaar was, bij hem zitten als hij ziek was, zijn snotneuzen afvegen en vooral zorgen dat hij niet overal aanzat.
Totdat eindelijk dat zusje kwam. Daar wilde Sara wel op passen, mee showen, het aankleden als een levende pop. Maar dat liet mam niet toe. In ieder geval in het begin niet.
Ze keek naar buiten. "Hoelang duurt het nog?"
"Nog vijf maanden."
De maanden daarop werd haar moeder steeds zwaarder. Voor Sara's gevoel groeide ze met de dag. Ze was zo rond als een ton, rookte tot Sara's ergernis nog steeds en at rollen pepermunt - die ze altijd in voorraad hadden, sinds haar vader de laatste keer midden in de nacht de kruidenier op de hoek uit zijn bed had moeten bellen.
Voor zover haar school dat toeliet, hielp Sara zo veel mogelijk. Naarmate de zwangerschap vorderde werd haar moeder steeds lastiger. Ze begon als een gek te poetsen en te boenen. Ze lag op haar dikke buik op de grond om de plintjes onder het donkere dressoir te stoffen. Ze boende iedere dag een halfuur de wc, wat een onmogelijke taak was met negen personen in één huis. Voor ze klaar was en hijgend en met een rood aangelopen gezicht overeind kwam, stond er alweer een rij.
Sara had al een paar keer tegen haar moeder gezegd dat ze daarmee moest stoppen. Het was altijd netjes en aan kant geweest en dat was nu ook voldoende. Mam wilde er niet van horen. "Wat denk je, straks komt een vreemde zuster in huis, dan wil je toch dat het schoon is."
"Maar het is schoon. Denk je nu echt dat zo'n mens onder de kasten kijkt, of dat ze de plinten afstoft." Wat Sara ook zei, het hielp niet. Haar moeder bleef aan de gang en 's avonds lag ze uitgeteld en klagend in haar stoel.
"Ik dacht dat je mam wel zou helpen," begon haar vader op een avond. Mam hing in een stoel. Haar zware borst vloog op en neer.
"Je piept ervan," zei haar vader bezorgd. "Sara, zet jij eens een kop thee." Hij maakte met zijn hoofd een gebaar dat ze naar de keuken moest.
"Je kunt je moeder verdomme toch wel helpen," siste hij in de keuken. "Je ziet toch dat ze niet meer kan."
"Kan ik het helpen?" reageerde ze nijdig.
"Hoe denk je dat het voor mij is om je moeder de hele dag met haar dikke buik op haar knieën door het huis te zien gaan? Zelfs als ik net gestofzuigd heb, vind ze het nog smerig en gaat er met een stofdoek over de vloer achteraan. Dat is toch niet normaal."
De ketel begon te sissen. Snel draaide ze het gas uit en schonk de thee op. "Ze moet die rotsigaretten eens in de hoek gooien, dan piept ze ook niet meer zo."
"Je hebt gelijk..." Onwillig haalde hij zijn schouders op. "Zorg jij nou maar dat ze wat meer rust neemt, dan ben je de bovenste beste."
Mam kwam moeizaam overeind "Zet daar maar neer," zei ze toen Sara met de thee kwam, ze hees zich overeind. "Geef me eens een asbak."
"Mam!"
"Ben je soms mijn moeder?" Ze leunde weer achterover in haar stoel.
"Hoe is het met Hanneke?" probeerde mam het over een andere boeg te gooien. Ze inhaleerde en blies de rook in kringetjes omhoog.
"Goed," zei Sara. De waarheid was dat ze Hanneke al weken niet echt had gesproken.
Sara miste de middagjes bij Hanneke thuis. Ze miste de doeltreffendheid waarmee Hanneke haar huiswerk maakte, de warme, gezellige keuken en de kopjes thee waar ze hun chocoladekoekjes in doopten. Sara's cijfers waren drastisch gekelderd, vooral voor Frans en Latijn. Terwijl ze aan niets anders kon denken dan aan de komst van de baby - ze telde de dagen - begon ze zich toch zorgen te maken over haar schoolprestaties.
"Als de baby er is - dat kan nu ieder moment gebeuren -" begon Sara de volgende dag tegen Hanneke, "zullen we dan weer samen huiswerk maken?"
"We zien wel," zei Hanneke, ze zocht met haar ogen het schoolplein af. "Ah, daar is Claartje." Hanneke stapte op haar fiets en reed zonder om te kijken weg. Met een steek van jaloezie keek Sara hen na.
"Ik kan je wel helpen als je ergens moeite mee hebt." Lennie stond met haar fiets in haar hand. Ze had haar haren los waardoor haar gezicht nog smaller leek en haar ogen nog groter.
"Nee joh, zo erg is het nu ook weer niet." Sara ontweek haar blik.
"Oh, maar ik doe het graag." Lennie wachtte tot Sara op haar fiets zat en ging naast haar fietsen. "Hanneke was er snel vandoor." Ze schonk Sara een glimlach.
"Ik moet deze kant op. Tot morgen." Sara gooide haar stuur om en reed het park in. Lennie moest nu niet denken dat het haar ook maar iets kon schelen wat Hanneke deed, maar de hele weg zat het haar dwars.
De vijf maanden waren omgevlogen. Sara keek met verwondering naar haar moeder, die nog steeds dikker werd. De baby moest nu toch wel snel komen anders zou ze uit elkaar knallen.
Midden in de nacht werd Sara wakker van de geluiden in de kamer naast haar. Op de gang en in de kamer werd heen en weer gelopen en klonken gesmoorde geluiden. Meteen realiseerde ze zich wat er aan de hand was, zeiden ze niet dat baby's een voorkeur hadden voor de nacht? Met een ruk trok ze de dekens van zich af en stond met haar handen over haar borst geslagen in de deuropening. Haar vader kwam aangekleed de slaapkamer uit. Hij maakte een gebaar dat ze stil moest zijn.
"Blijf jij bij mam, Sara," fluisterde hij. "Ik ga de vroedvrouw halen." Voor ze iets kon vragen haastte hij zich de trap af. De voordeur werd dichtgeslagen.
Sara bleef in de deuropening staan. Haar moeder probeerde te slapen en draaide onrustig heen en weer. Af en toe greep ze naar haar buik en kreunde. Sara hoopte maar dat haar vader snel terug zou komen. Ze keek op de wekker die op het nachtkastje stond. Half twee. Waar woonde dat mens in godsnaam.
Mam draaide zich om. "Ga naar bed Sara, dit kan nog wel even duren. Laat je deur maar open."
Sara bleef staan, ze kon haar met geen mogelijkheid alleen laten, maar het werd wel tijd dat haar vader terug kwam. Toen ze buiten voetstappen en zacht gepraat hoorde was het twee uur.
Haar vader kwam met de vroedvrouw boven. De vrouw waar ze al die tijd op gewacht hadden, was niet meer zo jong, had kort donker haar en maakte een gejaagde indruk. In haar hand hield ze een zwart leren koffertje. Ze liep achter haar vader de slaapkamer in en de deur werd gesloten.
Sara ging op de rand van haar bed zitten. Ze kon zich niet voorstellen dat er straks babygehuil uit die kamer zou komen. Ze probeerde te luisteren wat er naast haar gebeurde maar de stemmen klonken gedempt. Na een tijdje hoorde ze voetstappen de trap af gaan. Haar vader kwam haar kamer binnen.
"Probeer te slapen, Sara, vannacht gebeurt er niets meer." Toen hij haar teleurgestelde gezicht zag, liet hij er zachtjes op volgen: "Het wordt zeker morgenochtend."
De volgende morgen, ze moest in slaap gevallen zijn, spitste ze haar oren en haastte zich uit bed. Op de gang liep een meisje met een kom warm water en handdoeken. Sara schatte haar ergens in de twintig. Ze had blond opgestoken haar en lachte vriendelijk.
"Hoi, ik ben Janine." Ze knikte verontschuldigend naar de bak in haar handen. "Ik ben Sara." Dezelfde vrouw die Sara vannacht had gezien, stak haar hoofd om de deur van de slaapkamer. "Kom je?"
Het liefst was Sara thuisgebleven, maar haar vader had erop gestaan dat ze gewoon naar school zou gaan. "Als je thuis komt is de baby er."
Ze had net zo goed niet hoeven gaan. De hele morgen keek ze op de klok of staarde naar buiten. Wat zou er thuis gebeuren? Zou de baby er al zijn?
Het was een warme dag. De ramen in het klaslokaal stonden open, kinderen renden lachend en stoeiend voorbij. De zon scheen over het water en glinsterde op de bladeren van de bomen die over het water hingen. En wat nu als het een jongetje was? vroeg ze zich af. Zou ze dan blij zijn? Op papier tekende ze gedachteloos poppetjes met harken als armen en benen en kleurde ze in. Ze zette honderd keer haar handtekening, schrok op als het lesuur weer voorbij was en wist zich aan het eind van de ochtend als eerste naar buiten te wurmen. Zo snel als ze kon fietste ze naar huis. Ze had haar handen om het stuur geklemd en reed of de duivel haar op de hielen zat. Het was nog geen tien minuten fietsen naar huis, maar vandaag duurde het een eeuwigheid.
Een auto toeterde en ontweek haar op het kruispunt. Een fietser maakte een bocht om haar heen en reed de stoep op. Zonder om te kijken vloog ze de weg over en reed de steeg in, opende hijgend de poort en liep de tuin in.
Haar vader was in de tuin tussen de hortensia's aan het spitten. Zonder iets te zeggen liet hij haar gaan. Ze rende langs hem heen, stond stil en draaide zich toen abrupt om.
"Is de baby er al?"
Hij keek naar zijn schop en stampte hem diep de grond in. "De baby is er al geweest."
Heel langzaam opende ze de achterdeur. Haar benen voelden als elastiek. Tree voor tree klom ze de trap op, haar hart klopte in haar keel. Bij de deur van de slaapkamer bleef ze staan. Op een paar geluiden van buitenaf na was het stil. Doodstil. Ze bewoog de klink van de deur omlaag.
In het schemerdonker bleef ze staan en staarde de kamer in. De gordijnen waren gesloten, het daglicht dat erdoorheen scheen verlichtte schaars het grote bed. In de kamer heerste een serene rust. Haar moeder lag op haar rug met haar ogen dicht.
Voorzichtig liep ze verder de slaapkamer in. Haar voeten maakten geen geluid. In de hoek voor de commode bleef ze staan. Haar ademhaling was nauwelijks waarneembaar.
Toen ze uit de stilte naar voren kwam, deed de zuster een stapje opzij. Eén blik op het gezichtje van de baby was voor Sara voldoende om te zien dat ze hier niet meer was.
Eerbiedig gingen Sara's ogen over het naakte kindje. Het was een meisje. Ze was volmaakt, maar van hen weggezweefd. Haar oogjes gesloten, de handjes gevouwen op de borst. De donkere haartjes kleefden aan haar voorhoofd.
De stilte om haar heen was verlammend, sneed door Sara's ziel. Wat had dit kindje misdaan? Zelfs in haar kleine dood lag ze daar, tevreden, nederig, zag ze eruit alsof ze in het gras lag, in een open veld met bloemen die over haar heen bogen, de wind, die met haar speelde, en de zon die haar verwarmde.
Sara opende haar hart voor dit kindje, vouwde het dicht en deed de grendel erop. Geroerd, verdoofd door zo veel schoonheid, deed ze een stap achteruit, liep naar de deur en deed hem achter zich dicht.
Vanuit haar binnenste welde een snik omhoog, haar schouders schokten. Wanhopig hield ze zich vast aan de leuning en liep de trap af en de deur uit. Ze slenterde langs het water, passeerde een moeder met een kindje. Het kind gooide brood naar de eendjes die klapperend met hun vleugels erop af doken, het water spatte op en het kind schaterlachte. Op het water klonk het gepuf van een motorbootje, een SRV-man liep met flessen yoghurt en maakte een praatje aan de deur. De wereld draaide door alsof er niets was gebeurd. Sara voelde zich van God en alle mensen verlaten. Haar benen verplaatsten zich automatisch, de een voor de ander, langs het water door het dichtbegroeide paadje. De leegte van het bestaan, de zinloosheid doorboorde haar hart, kruiste haar ziel en niemand die daar iets aan kon veranderen.
Onder de dikke eik liet ze zich gaan. De pijn sneed haar doormidden, voelde als rauw vlees, verlamde en maakte spreken onmogelijk. Met haar hand veegde ze de tranen weg die onophoudelijk bleven stromen. Ze sloeg haar armen om de boom en drukte haar wang tegen de vertrouwde ruwe bast. Haar tranen vermengden zich met het sap dat uit zijn poriën droop.
Er werd niet meer over gesproken. Het leven ging gewoon door alsof ze er nooit geweest was.
Drie dagen was de baby bij hen thuis gebleven. Drie dagen lag ze in het donkerbruine wiegje naast haar ouders. Ze lag op haar rug, de handjes met de kleine nageltjes lagen in elkaar gevouwen op het witte lakentje, de oogjes dicht en om haar mondje een vage glimlach, ze leek gelukkig. Telkens als Sara naar dit wonderbaarlijk mooie schepseltje keek, dat voor niets geboren was, voelde ze een machteloosheid opkomen, die haar verstand uitholde, haar gemoed vulde met een onbestemd verlangen dat in haar borst begon en zich uitstrekte tot ver onder in haar buik. Na schooltijd bracht ze de meeste tijd door bij het wiegje, totdat de zuster of haar moeder haar de kamer uitstuurde.
"Sara, ga jij eens bloemetjes voor je zusje halen," zei de zuster de tweede dag toen Sara net de trap op wilde lopen. Verbaasd, omdat ze het over 'haar zusje' had, draaide Sara zich om.
"Haal maar fresia's, de fotograaf komt zo," ging ze verder. Met tegenzin pakte Sara haar fiets en reed onder het tunneltje door langs de watertoren naar de stad. Ze kende maar één bloemenwinkel, vlak bij de school.
Doelloos liep ze langs de emmers met bloemen. Ze wist niet eens hoe fresia's eruit zagen. Ongeduldig keek ze achterom, voor de toonbank stond een mevrouw in een boek voor bruidsboeketten te kijken. Het winkelmeisje wees haar op de verschillen in prijs en vorm. Toen ze Sara's blik opving kwam de bloemiste achter de toonbank vandaan. "Zoek je iets bijzonders?" vroeg ze vriendelijk.
Sara knikte, haar mond trilde en haar schouders begonnen te schudden. Een gegrom welde op vanuit haar borst.
"Gaat het?" vroeg het meisje bezorgd. "Kom." Ze gaf Sara een arm en nam haar mee naar achteren. "Ga hier maar even zitten, ik kom zo bij je. Wil je een glaasje water?"
Toen ze terugkwam trok ze een stoel bij en boog zich voorover.
Ze legde haar handen op Sara's knieën. "Voor wie zijn die bloemen? Wil je het me vertellen?"
Het begon als een vaag gerasp, onverstaanbaar. Sara schudde haar hoofd, schraapte haar keel, en toen, als een kraan die opengedraaid werd, stroomden de woorden onsamenhangend, buitelend over elkaar naar buiten. Het meisje onderbrak haar niet, liet haar praten. Toen Sara eindelijk stopte en met een betraand en beschaamd gezicht opkeek, stond het meisje op en pakte een papieren zakdoek.
"Sorry." Sara wreef met de zakdoek over haar gezicht.
"Het geeft niet," zei de bloemiste vriendelijk. "Blijf jij maar rustig zitten. Ik haal wel wat deze kant op." Even later kwam ze terug en draaide ze een bosje frêle bloemen in het rond. "Deze zijn net binnen, kijk eens hoe mooi."
Sara knikte. Wat had het allemaal voor zin? Hoe lang was ze wel niet weggeweest, misschien was de fotograaf al geweest en had ze het allemaal voor niets gedaan.
Toen ze thuiskwam maakte ze samen met de zuster een kransje en legde het om de zwarte haartjes.
De fotograaf, een lange knul, gekleed in een rommelig pak, stond onhandig draaiend voor de deur. De zwarte tas klemde hij onder zijn arm, op zijn voorhoofd parelde zweet. Sara wist niet wat ze tegen hem moest zeggen en liet hem binnen. Gelukkig verscheen het gezicht van de zuster boven aan de trap. Ze wenkte dat hij kon komen.
Boven werd de slaapkamerdeur gesloten. Niet veel later kwamen ze de trap weer af. De fotograaf klemde de tas stevig tegen zijn borst. Toen hij Sara zag, wendde hij zijn gezicht af en liep de frisse lucht in.
's Morgens zat ze nog bij het bedje. Voor de laatste keer streelde Sara de donkere haartjes, het slapende gezichtje en de kleine handjes, die teer en doorzichtig op het witte lakentje lagen.
Toen ze uit school kwam was de baby weg; op de plaats waar het bedje had gestaan, stond nu een stoel. Op de commode, op de plaats van de kleertjes en andere babyspulletjes, stond een bos bloemen.
De kleertjes lagen in een doos onder het bed. Met lege ogen keek Sara de kamer rond. De gordijnen waren nu opengeschoven. Ze liep naar het raam en keek omhoog. De zon scheen, de lucht was blauw, windveren zweefden door de lucht en veranderden van vorm. Sara keek ze na en vroeg zich af waar haar zusje nu was.
Ze hoefden alleen hun handen maar naar elkaar uit te strekken. In plaats daarvan dronken ze thee. Kleine slokjes die ze geruisloos starend in het niets naar binnen lieten glijden, hun vingers om het kopje geklemd, het ronde tafeltje met de gebarsten theepot tussen hen in. De zon kwam op en ging onder, de dag veranderde in de nacht en de nacht ging over in de dag. Om vijf uur begonnen de vogels te zingen. Om zes uur werd het licht en om zeven uur stond ze op, zette haar ene voet voor de anderen, at haar ontbijt en fietste iedere dag dezelfde weg naar school en 's middags weer naar huis. De SRV-man kwam langs, de bakker bakte het brood, de vuilnis werd opgehaald, kinderen speelden op de stoep, mannen gingen naar hun werk, uit de kraan bleef water stromen en het gras bleef groeien. Het leven ging verder, de dagen gleden voorbij. De kloof werd dieper. Het verdriet te groot en niemand die er iets aan kon veranderen.
Vijf weken later, Sara was net tot de conclusie gekomen dat het verdriet na een tijd niet slijt of minder wordt, begon de aarde te beven. De spanning was tastbaar in iedere hoek van het huis, sijpelde door de muren, als een wond die begon te etteren, de tralies weken uiteen, het vuil spoot omhoog, het moest eruit.
Zittend voor het raam dronken mam en zij gezamenlijk hun thee, het verdriet en het tafeltje met de gebloemde theepot tussen hen in.
"Het was mijn schuld niet," zei mam. Ze klemde stevig beide handen met de witte knokkels om haar kopje. Sara draaide haar gezicht naar haar moeder, haar hart stond stil. Ze aarzelde of ze wat zou zeggen, hield haar adem in. Een onbestemd gevoel vloog naar haar keel.
"De dokter had me naar het ziekenhuis moeten brengen," zei mam, meer tegen zichzelf dan tegen Sara.
"Niemand die zo goed begrijpt wat een moeder van een groot gezin te lijden heeft, als hij," zei mam altijd. Als ze het over hem had, daalde haar stem en kreeg ze een glans in haar ogen. Hij was haar afgod.
Het maakte niet uit, dacht Sara. Het maakte niet uit wat mam zei. Ze sprak in ieder geval, gaf uiting aan haar gevoel van onmacht. Er was dus nog hoop, ook voor haar.
Het schuldgevoel dat Sara de laatste weken zo gekweld had, verdween. Het leven kreeg weer kleur al was het maar weinig, het zou verder gaan, ze zou zich herstellen, het een plek geven. Ze had het gezien aan andere mensen die een dierbare verloren hadden. Maar voorlopig deed het nog zo oneindig veel pijn.
Na de opmerking die Sara's moeder in een onbewaakt ogenblik van spraakzaamheid over hun dokter had gemaakt, waar ze zich later, zoals ze zelf zei, niets meer van kon herinneren, was ze weer weggedoken in haar eigen wereld. Het grootste gedeelte van de dag zat ze in een stoel voor het raam en keek naar de lucht en de wolken die voorbijdreven, af en toe haalde ze een fotootje uit de zak van haar rok, hield het in de palm van haar hand en staarde ernaar, waarna ze het met vochtige ogen weer terugstopte.
Sara's vader deed zijn best. Hij ontzag zijn vrouw zo veel mogelijk, was beurtelings lief en dan weer streng. Maar mam reageerde slechts door met haar ogen te knipperen, haar schouders op te halen.
Het was voor iedereen een moeilijke tijd. Ondanks dat ze allemaal verscheurd werden door hetzelfde verdriet, was niemand in staat de ander te helpen.
Tussen de middag kauwde mam lusteloos haar brood, haar kaken bewogen automatisch. Bram en Jos waren druk, dat was hun manier van verwerken. Pap probeerde ze tot bedaren te brengen, keek ze vorsend aan, maar ze deden of ze het niet zagen. Bas veegde met zijn handen, die onder de pindakaas zaten, het snot van zijn gezicht. Hij zag er zoals gewoonlijk onsmakelijk uit.
Ineens, alsof er een alarm was afgegaan, doken ze allemaal onder de tafel door naar buiten. In de tuin waren ze aan het lachen en schreeuwen tot de poort dichtsloeg. Toen was het stil. Sara schoof haar stoel naar achteren, pakte haar tas en trok haar jas van de kapstok.
"Wat ga jij doen, Sara?"
"Naar school?"
"Zou jij niet eerst eens die tafel afruimen?" Pap stond in de gang en belemmerde haar de doorgang.
"Daar heb ik echt geen tijd meer voor." Ze wilde er langs, maar hij duwde haar terug de kamer in.
"Vooruit, help je moeder een handje."
"Ik kan niet iedere dag te laat komen." Ze keek naar de klok. "Gisteren was ik ook maar net op tijd."
"Zeg maar dat je je moeder moest helpen," zei mam op monotone toon toen de tafel opgeruimd was, de stoelen weer op hun plaats stonden en ze eindelijk mocht gaan.
De rector stond in de hal. Met zijn vriendelijke gezicht, het haar grijzend aan de slapen, observeerde hij de stroom binnenvallende leerlingen. Hij wilde zich net omdraaien - de gangen waren leeg -toen hij haar langs zag glippen. Met zijn wijsvinger wenkte hij Sara terug. Ze kreeg een hoofd als een boei, voelde de warmte stijgen en bedremmeld liep ze achter hem aan zijn kantoor binnen.
"Ga zitten." Hij wees naar een stoel, liet de deur openstaan en liep de gang in. Even later kwam hij terug met een map die hij voor zich openvouwde. Het duurde even voor hij haar naam gevonden had. "Hier staat dat je deze week al drie keer te laat gekomen bent." Hij leunde achterover in zijn stoel en vouwde zijn handen in zijn nek. "Waarom ben je altijd zo laat?" vroeg hij niet onvriendelijk.
Sara voelde een brok in haar keel, ze kon er nu niet tegen als mensen aardig tegen haar deden. Onbehaaglijk schoof ze heen en weer, staarde naar haar afgetrapte schoenen en bewoog de punt over de vloerbedekking. De zool zat alweer los, ze moest nodig nieuwe schoenen hebben.
De rector boog zich voorover. "Ik heb er wel iets over gehoord, is dat waar?"
Natuurlijk, ze had kunnen weten dat Hanneke er thuis over zou beginnen. Sara rekte zich uit. "Mijn moeder heeft een dode baby gekregen," stamelde ze. "Ze is nog zwak." Het kostte moeite de tranen die achter haar ogen prikten tegen te houden, dus probeerde ze haar stem zo onverschillig mogelijk te laten klinken.
Hij schoof zijn stoel naar achteren. Toen hij langs haar liep liet hij zijn hand op haar schouder rusten. "Je bent een goed kind, maar probeer voortaan op tijd te komen. Ga nu maar gauw naar de klas en zeg maar dat je al bij mij geweest bent."
Nu kwamen die tranen dan toch.
"Gaat het weer een beetje met je moeder?"
Ze wist niet hoe het met haar moeder was, alleen hoe ze zich zelf voelde. De les was al lang begonnen. Ze raapte voor de zoveelste keer al haar moed bijeen en ging de klas in.
Op weg naar huis mopperde Sara in zichzelf. Ze hadden nooit moeten verhuizen. Ze woonden er nu drie jaar en nog steeds kon zij - in tegenstelling tot haar broers, die genoten van alle verborgen hoekjes die het huis te bieden had - zich niet aan het idee onttrekken dat het huis hun ongeluk bracht. De zes lagen behang, de dikke lagen verf in alle kleuren over elkaar aangebracht, de wc - dat kleine vierkante hokje in de gang, waar je letterlijk en figuurlijk je kont niet kon keren -, de vochtige kamers, de slaapkamer waar haar zusje was gestorven en de zolder met zijn krakende trap en zijn donkere hoeken. Alles deed haar huiveren.
Op het moment dat Sara de voordeur opende, wist ze dat er iets mis was. Het was doodstil. Zelfs als mam alleen in huis was, hoorde je ergens het geluid van een kopje dat neergezet werd of de geiser die aanplofte. Ze bleef met de deur in haar hand staan.
"Hallo?" De keukendeur ging op een kier. "Ben jij dat Sara? Kom gauw!"
Snel sloot ze de voordeur en liep naar de keuken, waar haar moeder voorovergebogen, met haar handen steunend onder haar buik, tegen het aanrecht stond. Het water liep met straaltjes in haar hals. Sara trok bleek weg.
"Ik weet het niet," zei mam. Ze kreunde en klapte voorover. Met twee stappen was Sara bij haar.
"Mam, wat is er? Ga even zitten."
"Nee, help me liever de trap op." Voorovergebogen, met haar handen onder haar buik, liep ze de gang in. "Blijf vlak achter me lopen op de trap." Sara volgde met knikkende knieën. Haar moeder kon nog net de slaapkamer halen voordat ze in elkaar zakte.
Sara stond als versteend. Onder haar moeders rok, langs haar benen gutste bloed, met haar mond open staarde ze naar de vloer die zich snel rood begon te kleuren.
Ze rende de trap af, smeet de buitendeur open en bonkte met twee handen op het raam van de buren. "Mijn moeder, mijn moeder, ze bloedt!"
De buurvrouw die op het gebonk afkwam, greep haar bij haar arm. "Let op de kinderen," schreeuwde ze over haar schouder. "Waar is ze, Sara?"
"In de slaapkamer. Gauw, ze bloedt dood!"
Tien minuten later stopte de auto van de dokter voor het huis. Hij vloog met twee treden tegelijk de trap op. Daarna heerste er een enorme bedrijvigheid. Een ziekenwagen kwam en twee broeders kwamen binnen met een brancard. Na een minuut of vijf kwamen ze weer buiten, klapten de deuren van de ziekenwagen dicht, sprongen in de auto en zetten de zwaailichten aan.
Samen met de buurvrouw keek Sara de wagen na. Het laatste wat ze hoorden was de sirene en de piepende banden van de dokter. Ze bleef uit het raam kijken en haar gedachten gingen naar het afgelopen uur. Waarom? Niet hier, niet na alles wat ze de laatste tijd meegemaakt hadden. Hield het dan nooit op? Haar moeder zou toch niet doodgaan? Zo wreed kon God toch niet zijn?