4 ‘Gods vijand’ in Medemblik
Aan de oostkant van de haven in Medemblik staat een kasteel dat in de volksmond kasteel Radboud wordt genoemd. Hier zou ‘Gods vijand’, koning Radboud, vorst van de West-Friezen, gewoond hebben. De huidige Radboudtoren is volgens overlevering nog een rest van dit oude slot. Volgens de sage weigerde koning Radboud hier het heilig doopsel te ontvangen, nadat hij aanvankelijk erin had toegestemd tot het christendom over te gaan…
Medemblik, omstreeks 695, door Willem Hoffman - In de koningszaal van de burcht zat Radboud op zijn troon met naast zich zijn zus, Vrouwgaast.
‘Broeder,’ zei ze, ‘ontvang nu de vrome Wolfram; hij zal u van Christus spreken.’
De koning zag zijn raadslieden – de hoofdmannen en de skalden die om hem heen stonden – in de ogen. Hij hoefde hun niets te vragen; van elk kende hij de meningen en gedachten: van Iglo, de stoutmoedige krijgsoverste; van Tako, de fijnzinnige ziener; van Bernlef, het heftige priesterhoofd en van al de anderen. Toen keek hij over de hoofden van zijn raadslieden heen en zijn blik vestigde zich op het zonnerad boven de ingang van de zaal. Een tijdelijk beeld van de eeuwigheid, had Tako dit zonnerad genoemd. Van het tijdelijke, daarvan wist koning Radboud veel, van de eeuwigheid echter weinig of niets.
De koning gaf zijn zus een wenk; de christenprediker zou in hun midden van zijn God mogen spreken. Was hij een Frank geweest, dan zou koning Radboud hem dit nooit hebben toegestaan, maar hij was een volgeling van Willibrord en ook een Angelsaks, en zijn sibbe was aan die van de Friese vorst verwant. De monnik werd voor de koning geleid. Vrij en frank stond hij voor zijn gastheer.
‘Spreek!’ zei Radboud.
‘Ik ga u spreken van God,’ begon Wolfram, ‘van Christus, de Eerstgeborene van gans de schepping, want in Hem werd alles geschapen wat in de hemel is en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen. Ik ga u tekenen Zijn gestalte, opdat Zijn beeld, dat van de vorstelijke held, dat van de vaderlijke vriend, voor u moge staan, nu en voor altijd. Dit is Zijn beeld: Hij is gezeten op een hoge stoel; Hij is omringd door de groten van Zijn rijk in de zaal van Zijn koninklijke burcht. Zijn ogen zijn het licht dat uitgaat over gans de wereld, dat schijnt bij dag en bij nacht, brandend en flonkerend aan het uitspansel des hemels, schitterend aan de noordelijke horizon. Zijn adem is de kracht die stormt over de zeeën en de velden, die de gesteenten van de bergen en het zand van de heuvelen verstrooit. Gezegend zijn zij die in Zijn licht staan, want zij zullen Zijn kracht ontvangen: de man een ontembare moed, de vrouw een onvergankelijke liefde.
Wie zou aarzelen deze God dienstbaar te zijn? Zoudt gij dat wagen? Gij die u voedt, die u kleedt, die u siert met Zijn vorstelijke gave, gij die in de wouden, in de houttuinen Zijn wild opjaagt? Gij die in de stromen, in de vijvers Zijn vissen, Zijn waterdieren vangt? Gij die van de velden Zijn vruchten oogst, uit de boomgaarden Zijn herfstfruit plukt? Gij die u kleedt met de huiden van Zijn dieren, met het weefsel, gesponnen van Zijn gewassen; gij die u siert met de glinsterende metalen, gedolven uit de schoot van Zijn groeven; met de flonkerende barnstenen, gewonnen uit de diepten van Zijn zee?
Nee, gij zult niet aarzelen; gij, volk van de Friese stammen, zult met vreugde Zijn licht ontvangen! En de kracht die Hij u geeft, zal u vormen tot Zijn getrouwe kampvechters; gij zult strijden in Zijn heir en met Hem, de held Christus, de Koning der Koningen, uw hoop en uw roem, zult gij overwinnen al de machten van duisternis en boosheid. En wanneer uw strijd in dit aardse leven gestreden zal zijn, zal Christus, uw Vader, u ontvangen in de zaal van Zijn koninklijke burcht en Hij zal opstaan van Zijn hoge stoel, en al de groten van Zijn rijk zullen oprijzen en Hij, uw God, zal u begroeten, en u sluiten in Zijn armen, Hij zal u noemen: ‘Mijn edele, vrije Fries.’ En Hij zal u geven de schaal van Zijn eeuwige drank en Hij zal u doen zitten in Zijn eeuwige zaal.’
De woorden van Wolfram hadden grote indruk gemaakt. Allen zwegen.
Toen sprong Bernlef naar voren; zijn vurige blik op de koning gevestigd, riep hij uit: ‘Wie zou aarzelen, deze God dienstbaar te zijn?’ vroeg deze monnik. ‘Maar dienstbaarheid aan deze God betekent ook: vazal van de Frank zijn!’
‘Is dat zo?’ vroeg Radboud. ‘Een Frank of een vazal van een Frank zou het niet wagen zonder wapenen hier, in de koningszaal van de Friezen, te verschijnen,’ antwoordde de christenprediker eenvoudig.
‘Je hebt moed en alleen op een moedig man kan men vertrouwen; daarom geloof ik je.’ Toen zei Radboud, en zijn woord was tevens een bevel voor zijn groten: ‘Breng je boodschap vrij verder. Wij zullen naar je luisteren en over je woorden nadenken. Iglo zal je beschermen.’
Wolfram had dagelijks aan het Friese hof gepredikt. Zijn gehoor had ademloos naar zijn woorden geluisterd. Het beeld van Christus was vollediger geworden. Nu zagen de Friezen de ogen van de nieuwe God op zich gevestigd. Zeker, Hij was een vorst, een koning, maar Hij kon ook de minste, Hij kon een dienaar zijn. Hij had de dood overwonnen en zegevierend en vol luister verbleef Hij in Zijn hemel, maar er was ook een dag geweest waarop Hij als offerdier, met de zonden van de mensen beladen, op schandelijke wijze was gekruisigd.
Radboud echter hield zijn blik slechts op de hemelse Koning gevestigd en hij vroeg de Angelsaksische monnik het doopwater over hem uit te gieten.
Met de koning zouden nog vele anderen gedoopt worden; ook Vrouwgaast, zijn zus, zou christin worden. Bij de bron wachtte Wolfram op de koning die met hem gedoopt zouden worden. Radboud stond nu voor de priester.
‘Ere zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,’ zo begon de monnik.
En de jongen die hem tot knecht diende, antwoordde: ‘Gelijk het was in den beginne en nu en altijd, in de eeuwen der eeuwen. Amen.’
‘Ik zal rein water over u uitstorten en gij zult van al uw ongerechtigheden gezuiverd worden, zegt de Heer.’ Toen vroeg Wolfram de koning naar zijn naam.
‘Radboud is mijn naam.’
‘Wat vraagt gij van de kerk Gods?’
‘Ik vraag het geloof.’
‘Wat geeft u het geloof?’
‘Het eeuwige leven.’ Vraag en antwoord wisselden elkaar af. De koning verzaakte aan de duivel en al zijn werken en ijdelheden en geloofde aan God, aan Zijn enige Zoon en aan de Heilige Geest.
Ten slotte vroeg Wolfram: ‘Wat vraagt gij?’
‘Het doopsel,’ antwoordde Radboud en hij zette zijn rechtervoet in het water.
‘Wilt gij gedoopt worden?’

Op dat ogenblik rezen voor het geestesoog van de koning de gestalten van zijn gestorven voorouders op. Zijn vader en ook zijn grootvader had hij gekend. Het waren beiden onverschrokken mannen geweest, die met krachtige vuist hadden geregeerd. Zij waren zijn voorbeeld geweest; ze hadden hem gevormd naar lichaam en geest. Zij hadden hem verteld van hun voorvaderen, die ook de zijne waren. En nu stonden zij allen om hem heen en keken hun nazaat in de ogen. Het scheen Radboud toe dat ze hem uitdaagden.
De koning richtte zich haastig tot de priester en hij vroeg hem: ‘Waar zijn mijn voorouders?’ En hij verwachtte dat Wolfram zou antwoorden: ‘In de hemel; daar waar helden thuishoren!’
Maar de monnik schudde het hoofd: ‘Ik weet niet waar uw voorouders zijn. Wat weten wij mensen van de doden? Het is niet aan ons, slechts aan God, om over hen te oordelen.’
Toen werd Radboud bevreesd en hij riep uit: ‘Mijn voorouders zijn niet gedoopt. Zijn ze wellicht verdoemd?!’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde de priester.
‘Gij weet het niet, maar gij veronderstelt het wel!’
‘Nogmaals, wij weten niet wat God met de zielen der afgestorvenen doet...’
De koning liet Wolfram niet uitspreken; met het oog op zijn voorouders gericht riep hij uit: ‘Als gij denkt dat zij verdoemd zijn, dan wil ik met hen verdoemd zijn, want in het hiernamaals wil ik niet van hen gescheiden zijn!’
‘Laat dit rusten, koning,’ zo trachtte Wolfram de vorst tot andere gedachten te brengen. ‘En laat mij u thans mogen dopen.’
Op dat ogenblik trad Bernlef, dezelfde die Radboud al eerder tegen het christendom had gewaarschuwd, naar voren en zei: ‘Waarom zoudt gij u laten dopen, wanneer gij daardoor de kans loopt niet in de hemel der voorvaderlijke helden te komen, doch in een geheel andere, waarin gij de metgezel van een slaaf, die aan een kruishout stierf, zult zijn?!’
De woorden van het heftig priesterhoofd herinnerden de koning aan wat de monnik, toen hij predikte, verder over de Christus gezegd had, namelijk dat Hij ook als offerdier, met de zonden van de mensen beladen, op schandelijke wijze gekruisigd was. En het beeld van de zegevierende Godmens, de hemelse held, maakte plaats voor de vernederde, voor de misdadiger.
Er was een ogenblik van afschuwelijke stilte, toen riep Radboud uit: ‘Ik wil dat de hemel der helden na mijn dood mijn deel zal zijn!’ Met een plotselinge ruk trok hij zijn rechtervoet uit het water. ‘Daartoe is voor mij uw doopsel niet nodig! Integendeel, het is een belemmering daartoe!’ Verder zwijgend verliet de koning de plaats waar hij gedoopt zou worden. Maar achter zich hoorde hij het geweeklaag der andere Friese dopelingen, onder wie Iglo, de stoutmoedige krijgsoverste en Tako, de fijnzinnige ziener. En ook vernam hij het snikken van zijn zus Vrouwgaast, die hij boven alle andere stervelingen liefhad.
Dit zal het moment geweest zijn dat Radbouds vijandigheid jegens het christendom ontstond. Hij werd door kroniekschrijvers zelfs ‘Gods vijand’ genoemd, omdat hij zo gewelddadig was tegen christenen. Als hij hen gevangennam, liet hij hen door een valluik in een put met ongebluste kalk glijden. Tot op de dag van vandaag kan men daar het gekerm nog horen.
Naast Radbouds zus was ook zijn dochter erg verbolgen over zijn verstoorde relatie met de christenen. Ze kwam de christelijke gevangenen te hulp, totdat haar vader haar op heterdaad betrapte. Ze werd in de kelder gestopt met een doornenkroon op haar hoofd. Toen ze weer vrij kwam, zetten haar vrienden haar een gouden kapje op om de littekens op haar hoofd te verbergen. Later gingen alle vrouwen van West-Friesland zo’n kapje dragen. Daardoor zou de zo bekende gouden kap van de West-Friese klederdracht zijn ontstaan.
Karel de Grote maakte een eind aan het koningschap van Radboud van de Friezen. Hij moest zelfs naar Denemarken vluchten om zich veilig te stellen. Het oorspronkelijke kasteel Medemblik verviel, totdat graaf Floris V er een nieuwe burcht liet zetten. Maar het valluik van Radboud is er nog, en het gekerm van de gevangenen is tot op de dag van vandaag nog te horen.