7

De straatstenen voor het huis van Peter en Suzan zijn nog nat, maar het regent niet meer. Het is windstil en koud. Warm licht valt door de ramen op straat. Mensen rommelen in hun keukens, hebben de televisie aangezet, zijn aan hun avond begonnen.

Drik en Peter lopen in stevig tempo naar het stadscentrum, ze zijn op weg naar het gebouw van de psychoanalytische vereniging om daar de tweewekelijkse wetenschappelijke lezing bij te wonen. Drik heeft die bijeenkomsten maandenlang verzuimd maar heeft zich nu door Peter laten overhalen. Ik pak het weer op, denkt hij, althans naar de vorm. De wandeling naar dat therapeutisch clubhuis, het weerzien met de collega’s. De belangstelling is geveinsd, het interesseert me geen bal. Ik word moe van al die oude wijn in nieuwe zakken: ‘mentaliseren’, ‘gehechtheidsstijl’. Ik heb de schurft aan die gewichtigdoenerij, aan het idealiseren van een behandelvorm van honderd jaar geleden, aan het negeren van het belang van wetenschappelijke onderbouwing. Op zich allemaal niet erg, als ze maar niet zo denigrerend over onderzoek zouden doen. Als er iets van nieuwsgierigheid zou bestaan naar het resultaat van minder orthodoxe behandelmethoden. Ik snap niet dat Peter er nu weer zo opgewekt naartoe stapt. Toen hij vorig jaar een lezing hield over de toepasbaarheid van wat ze daar graag ‘het psychoanalytisch gedachtegoed’ noemen in de huidige psychiateropleiding, kreeg hij karrenvrachten modder over zich heen. Hij verkwanselde de analytische begrippen, hij smeet het ‘goud’ van de analyse in de sloot en hield de opleidelingen een goedkope replica voor. Peter had een zinvol en praktisch pleidooi gehouden voor het uitdunnen van de theorie, voor pogingen om het analytisch denken te verbinden met de ontwikkelingspsychologie en met de recente neuropsychologische onderzoeksresultaten. In de warrige discussie had Drik hem gesteund, maar het had weinig opgeleverd. Ze werden als verraders beschouwd.

Ik ben moe, denkt hij, daarom heb ik zulke zure gedachten. Als ik energie had zou ik de boel willen opschudden, zou ik de minst geborneerde collega’s dwingen eens naar buiten te kijken, naar hoe het therapielandschap er tegenwoordig uitziet. Maar ik ben moe. Ik ben alweer vergeten waar het vanavond over gaat. Ben ik dement of alleen maar apathisch?

‘Indicatiestelling,’ zegt Peter. ‘Indicatieonderzoek voor psychoanalyse. Of dat wel moet. Hoe dat moet. Je weet nu al hoe die discussie gaat lopen. Gewoon iedereen op de bank pleuren, want Freud begon ook zonder enige toetsing vooraf aan zijn zegenrijke werk. Het gestructureerde doorvragen over levensgeschiedenis en drifthuishouding is strijdig met de kernwaarden van de analyse. Dat gaan ze zeggen, de orthodoxen. En dan komt er een tegenaanval van de mensen die op het Instituut werken, want die doen degelijk indicatieonderzoek en weten dat je een borderline niet neer moet leggen. Als het weer uitloopt op scheuring en schisma zeg ik mijn lidmaatschap op. Denk ik al een tijd over, sinds dat debacle met de gecombineerde opleiding. Wat we daar niet een tijd in hebben gestoken! Allemaal voor niets!’

Hij schudt zijn hoofd en balt zijn vuisten. Een paar jaar geleden hebben Drik en Peter samen met een aantal collega’s intensieve pogingen gedaan om de verschillende bestaande psychoanalytische opleidingen in het land samen te brengen. De gedachte erachter was dat, hoezeer die opleidingen ook verschillen – de een richt zich op de ouderwetse analyse, de ander op minder frequente therapievormen –, de cursisten en docenten een bepaalde manier van denken met elkaar delen. Ze wilden de focus verleggen van de verschillen naar de overeenkomsten. Ze wilden met gelijkgestemden een tegenwicht bieden aan de door politiek en verzekeraars afgedwongen vloedgolf van korte, gedragsgeoriënteerde behandelingen en de overwaardering voor medicamenteuze aanpak. Het leek te lukken in het begin. Ze kregen veel, vooral jongere collega’s aan hun zijde. Uiteindelijk werd het plan, dat al in gevorderde staat van uitwerking verkeerde, getorpedeerd door de bestuurders. Er bleek geen redden aan en alles bleef zoals het was.

‘Dat weet je toch,’ zegt Drik. Ze zijn het gebouw op honderd meter genaderd en staan stil.

‘Die hele analytische beweging teert op verschillen. Dat is de voedingsbodem, zo is het altijd geweest. Mensen voelen zich verbonden tegenover een gemeenschappelijke vijand. Het is zo simpel. Je denkt natuurlijk: waarom niet allemaal samen tegen de biologische psychiatrie? Maar zo werkt het niet. De grootste vijand is iemand die dicht bij je staat. De concurrent, de rivaal. Dus trek je op tegen je naaste collega, die net zo opgeleid is als jij maar vurig meent dat een analyse pas zo mag heten als de frequentie vijf keer per week is en niet vier. Het narcisme van de kleine verschillen, daar hebben we vroeger les over gehad. Dat is de brandstof waar die hele troep daar op vaart.’

Ze kijken naar het gebouw en herinneren zich hoe ze daar jaren geleden wekelijks samenkwamen voor de cursus, jong, nog vol verwachting, blij om dingen te leren, om zich te laten inwijden. Ze zien grijze vrouwen uit hun Volvo’s stappen en zich naar binnen haasten. Oude mannen in regenjassen zetten hun fietsen op slot tegen het hek. Een bejaarde leeranalyticus met een wandelstok beweegt langzaam naar de ingang.

‘Weet je wat,’ zegt Peter, ‘we draaien om. We gaan niet.’

In het café zakken ze onderuit op hun stoelen. Het is niet druk, er is geen muziek en het licht is gedempt. Ze voelen zich giechelig, alsof ze plotseling besloten hebben te spijbelen op de middag dat er een proefwerk wordt gegeven.

‘Prettig idee,’ vindt Peter, ‘dat ze daar opgeborgen zitten in dat zaaltje, de coryfeeën vooraan en de leerlingen op de achterste rijen. En wij hier. En toch is het moeilijk om die band door te snijden, het is je vorming. Ik vind het nog steeds de vruchtbaarste manier om te denken over hoe mensen in elkaar zitten, wat ze beweegt. Maar de idiotie grijpt me naar de keel, de arrogantie, de oogkleppen. Denk jij wel eens over opzeggen?’

‘Uittreden! Of je een kloosterorde verlaat! Nee, het houdt me totaal niet bezig. Ik ga mijn eigen gang, ik heb nergens iets mee te maken. Dat is niet helemaal waar, want mijn praktijk zit vol met door het Instituut verwezen mensen. Ik kom daar ook wel eens, voor een stafbespreking over voortgang of indicatie. Dat is meestal wel aangenaam hoor, er valt met die stafleden goed te praten en ze nemen er de tijd voor. Het verenigingsgedoe gaat langs me heen. Zeker het laatste jaar.’

‘Je bent nu alweer twee maanden aan het werk. Bevalt het je eigenlijk?’

Drik leegt zijn glas en bestelt meteen nieuw bier.

‘Ja. Gedeeltelijk, in elk geval. Fijn om volle dagen te hebben, om me steeds een uurtje te concentreren op iemand en te merken dat ik dat nog kan. De kloof tussen werk en gewoon leven vind ik lastig. Als ik bezig ben denk ik: ik functioneer, niets aan de hand. Daarna zit ik in een leeg huis waar Hanna’s spullen nog overal staan. Dan vlucht ik naar jullie en laat me door Suzan betuttelen. Dat is prettig, het was ook zeker nodig, maar het beklemt me ook. Ik wil niet afhankelijk zijn. En ik heb het idee dat ik Suzan tot last ben, al zal zij dat zelf niet zo voelen, denk ik.’

Peter kijkt hem schuin aan. Ze zwijgen. Er komt een groepje jonge meisjes binnen. Gave, onbekommerde kinderen die hun jassen afgooien en hun haren uitschudden. Ze gaan in de andere hoek van het lokaal zitten. Hun gesprekken zijn als het bruisen van de zee waar van tijd tot tijd gelach uit opklinkt, als een omslaande golf.

‘Suzan vindt het fijn om iets voor jou te doen,’ zegt Peter. ‘Ze denkt dat ze jou altijd heeft gebruikt, als voorbeeld, om zich aan te spiegelen en aan op te trekken. Ze was het kleine zusje en nu geniet ze van haar overwicht. Die indruk maakt het op mij. Maar het is ingewikkelder, het heeft ook met Hanna te maken. Hanna was haar beste, haar meest vertrouwde vriendin. Als ze voor jou kookt, doet ze iets aardigs voor Hanna. Het heeft ook een afweeraspect: zo geïmproviseerd en licht wanhopig bij elkaar aan de keukentafel zitten houdt op een of andere manier de tijd tegen, alsof Hanna nog steeds aan het sterven is. We hoeven het echte leven nog niet in te gaan, we zijn in het moment dat zij er nog was.’

De meisjes hebben cocktails besteld en dollen met de barman die ze komt brengen.

Peter zucht. ‘Roos,’ zegt hij. ‘Er is natuurlijk iets met Roos. Hanna was een soort tweede moeder voor haar. Nu zou Suzan dat moeten opvangen en dat gaat niet. Zij kan dat niet. En Roos onttrekt zich aan haar, ze is het huis uit gegaan midden in de crisis. Geageer natuurlijk, theatraal. Suzan gaat met haar om alsof ze volwassen is maar ze is op dit ogenblik gewoon een puber. Suzan snapt dat niet, ik kan er met haar niet over praten.’

‘Ze heeft zelf geen moeder gehad,’ zegt Drik. ‘Ze weet niet hoe dat is, hoe dat moet. Ze gaat zorgen, dat heeft ze gezien bij tante Leida. Die voedde ons op. En nu ze niet voor Roos kan zorgen, zorgt ze voor mij. Misschien was het anders geweest als ze in analyse was gegaan. Misschien ook niet. Die hele vroege trauma’s, daar kan je toch weinig aan doen. Probeer maar eens tot je door te laten dringen wat het betekent, met zes maanden door je moeder in de steek gelaten te worden. Onmogelijk. Je kan het hoogstens tot je nemen als een verhaal, verwoord door iemand anders. En dan fantaseren dat het gebeurde omdat jij niet deugde, zoals alle adoptiekinderen denken. Suzan loopt haar hele leven al te bewijzen dat ze deugt, daarom is ze zo goed in haar werk. Er moet applaus komen, mensen moeten tevreden over haar zijn. Dan heeft ze bestaansrecht. Je moet met haar niet praten, daar wordt ze ongemakkelijk van. Het is niet voor niets dat haar patiënten bewusteloos zijn.’

‘Ik vond dat zo aantrekkelijk,’ zegt Peter, ‘iemand die volstrekt ongevoelig is voor gepsychologiseer, die geen begrip heeft voor hoe wij zijn op z’n slechtst – afstandelijk, beschouwend uit angst om ergens in te stappen. Verfrissend was dat. Ze accepteert de zaken zoals ze zich voordoen, ze deelt de problemen op in kleine stukjes die ze een voor een aanpakt. Zo deed ze dat met Hanna. Dat was geweldig. Dat hielp.’

Ik heb geen zin om hier mijn zus te zitten ontleden, denkt Drik. Waar begeef ik me in, wat is mijn plaats? Er zit Peter iets dwars. Hij is mijn vriend. Niet zeiken.

‘Er was een dag,’ zegt Peter, ‘toen Roos net dat appartement had gevonden, dat ik daar even langsfietste. Ik was het er niet mee eens dat ze zo plotseling vertrok maar ik wilde toch zien waar ze terechtkwam. Er stond zo’n verhuisbusje voor de deur. Roos en Suzan liepen af en aan met dozen vol vaatwerk en lampen. Er waren jongens bij, vrienden van Roos. Ze droegen de zware dingen. Ik stond te kijken, ze zagen me niet. Suzan was zo aardig, zo competent. Lachen, overleggen, aanwijzingen geven – het zag er heel gewoon en heel vrolijk uit. Maar dat was het natuurlijk niet. Ja, ze heeft de leeftijd om uit huis te gaan, maar dat zou een op zichzelf staande beslissing moeten zijn, niet afhankelijk van de crisis met Hanna. Ik dacht: het is afweer, ze ageert, en ze doet er zichzelf mee tekort. Ze concurreert met Hanna om de aandacht van Suzan; ze vlucht in de eenzaamheid terwijl ze eigenlijk erbij wil horen. Ik stond daar maar, met die fiets, en zag Suzan zonder reserves meespelen in dat neurotische theater. Kind wil weg? Goed, dan gaan we zorgen dat kind optimaal wegkomt. Zoiets. Ik keurde het af maar ik had ook de pest aan mezelf, aan die standaard analytische commentaren die in m’n kop rondgingen. Hoe gaat het eigenlijk met die jongen, Schuurman, die ik naar jou verwezen heb?’

Rare associatie, vindt Drik. Ziet hij die jongen als neurotische toneelspeler? Of wil hij snel weg van zijn pedagogische problemen? Ik weet niet wat ik ga zeggen. De jongen werkt bij hem, hij moet hem beoordelen. Ik moet mijn mond houden. Toch zou ik wel graag weten wat Peter van hem vindt, hoe hij op de afdeling rondloopt. Hij? Waarom geef ik hem zijn naam niet?

‘Dat loopt. Ik kan er nog niet veel over zeggen. Ik heb er nog meer, leertherapieën bedoel ik, van andere ziekenhuizen. Wonderlijk hoe snel zo’n praktijk weer volloopt.’

Twee jongens zijn het café binnengekomen. Ze voegen zich bij de lachende meisjes, slepen stoelen aan en roepen luid om drank.

‘Ik wou dat Roos hulp zocht,’ zegt Peter. ‘Maar daar denkt ze zelf heel anders over. Het gaat goed, zegt ze. Studie, vrienden, bezigheden – allemaal probleemloos. Ze zou bij dat groepje daar kunnen zitten, bij wijze van spreken. Dan ga je toch niet in therapie?’

‘Kijk het nou even aan. Als je het contact maar niet verliest. Ze komt ook regelmatig bij mij. Niet dat ze veel vertelt, maar ik krijg zo wel een beetje hoogte van haar stemming. Ze heeft mijn kamer geweldig ingericht. Ze heeft verdriet, over Hanna. Laat dat nou even betijen. Nemen we er nog een?’

Pas als Drik bij de toog staat om de rekening te betalen voelt hij hoe beschonken hij is. Te veel gezopen, te weinig gegeten, te beroerde conditie. God mag het weten. Hij is bang door zijn knieën te zakken en leunt zwaar tegen de bar. Met uiterste concentratie weet hij zijn portemonnee uit zijn achterzak te halen. Op dat moment wil iemand erlangs, het is te nauw of er staan te veel mensen, hoe dan ook botst iemand tegen zijn rug en brengt hem ernstig uit evenwicht. Hij grijpt zich vast aan de stang langs de bar en laat de portemonnee glippen. Nu met beleid, denkt hij. Langzaam bukken, de prooi lokaliseren, hand uitsteken, tegen het bruinige hout leunen. Hij ziet de benen van zijn belager in de richting van de wc lopen. Bekende schoenen. Het zal toch niet waar zijn, is het die jongen, die Schuurman? Ziet die mij hier in mijn dronkenschap over de vloer schuiven, op zoek naar mijn geld? Zag hij me staan, gaf hij me expres een duw? Rustig nu, geen paniek. Hij legt zijn hoofd op zijn knieën. De portemonnee klemt hij in beide handen vast. Omhoog, denkt hij, opstaan, betalen, wegwezen. Je kan het.

Teruglopend na de transactie kijkt hij voorzichtig over zijn schouder naar de wc-deur. Niets te zien. Peter staat te wachten met zijn jas. Heeft hij de jongen ook gezien? Drik vraagt het niet, hij worstelt om de jas aan te krijgen en hangt behoedzaam de sjaal om zijn nek. Gelukt. Naar buiten. Peter lijkt nergens last van te hebben. De toegesmeten cafédeur sluit abrupt het praten en lachen van de groep jongeren af. Een echo van die vrolijkheid lijkt even in de stilte op straat te hangen, niet helemaal prettig, denkt Drik, meer een afscheid, leegte. Daarbinnen wordt geleefd en hier, buiten, zijn we twee zorgelijke mannen met leed en verdriet. Hangt me enorm de keel uit. Onbegrijpelijk dat Peter zo ongerust is, Roos is een goed functionerende jonge vrouw, Suzan een adequate partner. Hij zou in z’n handen moeten knijpen. Dagelijks ziet hij in de kliniek dat het ook anders kan. Eetstoornissen, verslavingen, psychoses. Wat is dan een beetje somberheid, een lichte verstoring in het contact? Gezeur. Niets aan de hand. Alles gaat bovendien heel erg goed. Hij zet er flink de pas in, de frisse lucht heeft een heilzame invloed op zijn intoxicatie. Ik werk weer, houdt hij zichzelf voor. Het gaat lekker en ik vind het leuk. Dat ik zo’n enkele patiënt niet helemaal kan plaatsen, dat ik daar misschien dingen laat liggen – ach, dat kwam vroeger ook wel eens voor. Ook ik moet niet zeuren. Bij de volgende zitting beter opletten, wie weet het probleem gewoon maar eens voorleggen, dat is toch meestal het beste. En áls hij het was, Schuurman, daarnet in het café, wat dan nog? Ik heb niemand uitgescholden, niemand de kop ingeslagen. Een beetje aangeschoten, in mijn vrije tijd. Lijkt geen klachtwaardig gedrag. Drik probeert met Peter in de pas te lopen.

‘Geen zorgen,’ zegt hij, ‘het komt allemaal goed. Het is al goed, in grote lijnen.’

Hij pakt zijn vriend bij de schouder. ‘Ik ben verdomme echt dronken. Is dat goed of niet?’ Peter schiet in de lach. ‘Geef me maar een arm. Je moet niet vallen.’

Drik haakt zijn arm in die van zijn vriend. Dicht tegen elkaar strompelen ze over de stoep als een bejaard echtpaar.

‘Ik ben blij dat je weer aan de gang bent,’ zegt Peter. ‘Dat het ergste achter de rug is. Wie weet ontmoet je nog eens iemand anders. Nieuwe partner. Op termijn bedoel ik. Je bent pas vijftig. Dat Suzan zich hernomen heeft is ook een zegen. De dingen worden weer min of meer normaal. Hoe verdrietig de toestand ook is. Het gemis.’

Nieuwe partner, denkt Drik, hoe komt hij erbij. Alsof ik daarop zit te wachten. Moet er niet aan denken. Toch komt het voor, met regelmaat, vooral bij mannen, dat het onmogelijk is om alleen te zijn. Na drie maanden zijn ze alweer ingetrokken bij een internetdate of een desperate gescheiden collega. Suzan vertelde over een chirurg die na de dood van zijn vrouw ging bijkomen in Thailand en terugkeerde met een gedienstig vrouwtje dat geen woord Engels sprak. Je zou toch denken: er moet tijd overheen, tijd om te missen, verdriet te hebben, woedend te zijn. In je eentje. Is dat een achterhaald psychoanalytisch idee? Misschien doe je er verstandiger aan die hele beerput toe te dekken. Stevige vlonder erover. Aan de slag met iets nieuws. Een verlies wakkert de ellende van vroeger verlies aan en het is de vraag of je bij machte bent dat het hoofd te bieden.

Ik weet niets, denkt Drik, ik herinner me niet echt iets van moeder. Zou wel moeten, ik was vier. Ik heb een beeld, ze staat in de tuin met een zomerjurk aan, lachend, zwanger, je zou zo naar haar toe willen rennen, je weet zeker dat ze zal bukken en haar armen om je heen zal slaan. Je zal haar haren ruiken, haar lippenstift. Het is geen herinnering, het is een foto, in zwart-wit. En een fantasie die ik daarvan heb gemaakt. Daarna raakte alles bedekt met een grijze mistwolk. Diezelfde mist kwam op in de laatste maanden van Hanna’s leven. Het heeft geen zin om daarin te zakken, ik moet me verzetten, me vastgrijpen aan stevig gewortelde zaken, Peter, Suzan. Roos, de praktijk, mijn boek. Drank is niet goed, moet ik mee kappen. Handen vol aan dit alles. Geen energie voor nieuwe vrouw. Nee.

Er trilt iets tegen zijn borstkas. Gedempt klinkt het gerinkel van een telefoon. Ze staan stil.

‘Ben ik dat? Of jij?’ vraagt Drik. Voorzichtig knoopt hij zijn jas open en begint in de binnenzakken te voelen. Ook Peter is aan die operatie bezig, iets doortastender maar even resultaatloos.

‘Godverdegodver, waar heb ik dat ding?’ Hij tast in zijn broekzak en valt tegen Drik aan. Die heeft net beet en houdt triomfantelijk zijn telefoon omhoog. Door de botsing verliest hij zijn greep. Het apparaat knalt tegen de stoeptegels. Hij bukt. Alles valt me uit de handen. Ik ben gedwongen over de grond te kruipen, als een klein kind, machteloos op zoek naar kapot speelgoed.

Hij komt overeind en schopt de telefoon weg, de goot in. Peter heeft inmiddels de zijne op weten te diepen en houdt hem tegen zijn oor. Hij schudt zijn hoofd.

‘Te laat. Wat een reuring. Zonder die dingen ging het toch ook. Kom op, we gaan verder.’

Terwijl Peter de telefoon in zijn zak steekt begint het ding weer te rinkelen. Geconcentreerd drukt hij op de ontvangsttoets.

‘Ja?’ Hij is stil. Hij luistert.

‘Ik kom eraan,’ zegt hij.