image

Lucy was ten einde raad. Al haar pogingen om in contact te komen met Nick waren op niets uitgelopen. Alleen via Kieran, de violist van Red Valley, bleef ze enigszins op de hoogte van zijn toestand, maar wat ze hoorde, stond haar helemaal niet aan. Nick was depressief, wilde niet meer terug in de band en verborg zich voor alles en iedereen.

Aan de ene kant begreep ze zijn drang om zich te verstoppen. Soms, als ze alleen was, deed ze haar ogen stijf dicht en probeerde ze zich voor te stellen hoe het moest zijn om niets te kunnen zien. Het was beangstigend. Zelfs de meest vertrouwde omgeving bleek ineens niet meer zo vertrouwd te zijn.

Toen ze een keertje met gesloten ogen vanuit de woonkamer naar het toilet wilde lopen, gewoon om te ervaren hoe dat was, struikelde ze na twee meter al over het kleine tafeltje dat ze even was vergeten. Vastbesloten door te zetten had ze haar ogen niet opengedaan en in de veronderstelling dat de deur zich links van haar bevond, was ze verder gelopen. Maar blijkbaar was haar richtingsgevoel door de struikeling een beetje de weg kwijt, want in plaats van de deur te bereiken was ze tegen de kast opgelopen die tegen het muurtje verderop stond. Een paar dagen later had ze geprobeerd om met een blinddoek voor te eten. Voor haar gevoel was het prima gelukt, maar toen ze de doek afdeed, zag ze dat een groot deel van haar maaltijd op de tafel naast haar bord terecht was gekomen.

Door die experimenten kreeg ze een hele kleine indruk van de frustraties waarmee Nick nu iedere minuut van zijn bestaan mee te maken had. Toch kon ze niet accepteren dat hij haar daarom uit zijn leven had gebannen. Ze was er zeker van dat als het ongeluk niet was gebeurd, hij haar die bewuste zondagochtend zou hebben opgebeld. Dat hij die onverwachte en vreemde gevoelens die hen allebei hadden overvallen een kans zou hebben gegeven.

Ze was nuchter genoeg om het niet meteen liefde te noemen. Speciaal, ja, dat wel, en heel bijzonder. Maar liefde? Liefde was iets wat moest groeien. Daarom was ze ook zo boos op Nick. Door haar af te wijzen om iets waaraan ze geen van beiden iets konden doen, gaf hij hen geen enkele kans. En dat terwijl hij juist nu iemand nodig had om hem uit dat diepe dal te trekken waarin hij zich volgens Kieran bevond. Zij was meer dan bereid om die iemand te zijn. Als hij haar dat maar zou toestaan.

Het laatste wat ze had gehoord, was dat hij zeer binnenkort uit de kliniek zou worden ontslagen. De kranten schreven dat hij naar een speciale oogkliniek in Amerika zou gaan, maar Kieran had haar in het geheim verteld dat hij en Nick in werkelijkheid samen naar Ierland zouden afreizen om Nick de kans te geven in alle rust zijn leven weer op de rails te zetten.

“Naar Ierland? Maar dan zie ik hem helemaal niet meer,” had Lucy vertwijfeld uitgeroepen. “Alsjeblieft, Kieran, vertel me toch waar hij nu is. Ik kan meteen in de auto springen.”

Kieran had echter voet bij stuk gehouden. Nick wilde geen ander bezoek dan de bandleden en zijn moeder, en die wens hadden ze allemaal te respecteren.

Na dat telefoongesprek had ze urenlang gehuild. Zelfs de troostende woorden van Agnes, bij wie ze haar hart had uitgestort, hadden haar niet kunnen opbeuren. Het was Ruud, de man van Agnes geweest, die haar uiteindelijk een idee aan de hand had gedaan.

“Jammer dat je niet weet met welke boot ze reizen,” had hij peinzend opgemerkt. “Een ferryhaven is openbaar terrein. Hij kan je niet verbieden om daar te zijn.”

Maar het was niet nodig geweest om helemaal naar de ferryhaven te reizen. Lucy, ervan overtuigd dat Kieran haar de gewenste informatie niet zou geven, had na enig denk- en zoekwerk het telefoonnummer van Nicks moeder weten te achterhalen. De oude dame herinnerde zich het meisje dat ze die eerste dag in het ziekenhuis had ontmoet nog heel goed.

“Lieve kind, ik ben zo blij dat je zelf contact opneemt,” riep ze uit nadat Lucy zich een beetje schuchter had voorgesteld. “Ik vond het vreselijk dat ik je telefoonnummer niet had. Anders had ik je allang een keer gebeld. Die afschuwelijke dag in het ziekenhuis heb ik maar een paar woorden met je kunnen wisselen. Ik hoopte zo dat ik je nog eens een keertje zou spreken. Ik wilde je bedanken voor je steun, maar Nick zei dat hij je telefoonnummer niet had. En nu bel je zelf. Wat heerlijk. Vertel, wat kan ik voor je doen?”

Verlegen legde Lucy uit dat ze Nick heel graag nog een keer zou willen spreken voor hij naar Ierland vertrok, maar dat hij weigerde om haar in de kliniek te ontvangen. Nu wilde ze proberen om hem bij de ferryhaven te overvallen. Het was een brutale vraag, maar zou mevrouw Dalvoort haar misschien kunnen zeggen wanneer en met welke boot hij zou reizen?

Dat kon mevrouw Dalvoort zeker, maar ze had een nog veel beter idee.

“Je komt gewoon naar mij toe,” zei ze gedecideerd. “De boot gaat pas ’s avonds laat en de jongens hebben beloofd dat ze rond lunchtijd bij mij in Veenendaal zullen zijn om gedag te zeggen. Ik kan het toch niet helpen als jij toevallig diezelfde ochtend op de koffie komt?”

“Maar… maar…” stamelde Lucy, “het zou best kunnen dat Nick heel boos wordt als hij me bij u thuis aantreft.”

Mevrouw Dalvoort liet een ondamesachtig gesnuif horen.”Dat moest hij eens wagen! Het is mijn huis en ik bepaal wie ik daar ontvang.” Haar stem begon verdacht te trillen. “Weet je, Lucy, ik ken mijn zoon al een beetje langer dan vandaag. Hij kan verschrikkelijk koppig zijn. Natuurlijk heb ik zielsmedelijden met hem. Ik ben zijn moeder en mijn hart bloedt als ik denk aan wat hij nu allemaal moet meemaken. Maar Nick laat zich niet zo gauw iets zeggen, zeker niet door zijn moeder. Hij wil alles zelf oplossen. Dat hij nu afhankelijk is van anderen vindt hij vreselijk. Daarom wil hij niemand zien en stuurt hij iedereen weg. Ik heb geen idee in welke relatie jij tot mijn zoon staat, maar ik weet wel dat het noemen van jouw naam in de afgelopen weken het enige moment was waarop ik een glimp van de oude Nick zag. Als iemand in staat is om hem uit het dal te halen waar hij nu in zit, ben jij het, daar ben ik zeker van.”

Lucy had haar tranen nog maar net in bedwang kunnen houden. Ze was Nicks moeder vreselijk dankbaar dat die haar de kans wilde geven om Nick bij haar thuis te ontmoeten, maar schrok wel even toen ze hoorde dat hij de volgende dag al zou vertrekken.

Gelukkig maakte Leo geen enkel bezwaar toen ze hem die avond belde om te zeggen dat ze onverwachts een vrije dag nodig had. Haar baas had allang in de gaten dat zijn assistente na het ongeluk van de Red Valley-zanger helemaal van slag was. Begrijpen deed hij het niet helemaal. Per slot van rekening trof het theater geen enkele blaam. Een ongeluk was een ongeluk. Eigenlijk was het een wonder dat iets dergelijks in al die jaren dat ze draaiden nooit eerder was voorgekomen. Maar misschien was dat wel juist de reden waarom Lucy het zich zo aantrok. Hij had meteen ja gezegd. Een vrije dag zou haar ongetwijfeld goed doen.

En zo zat Lucy de volgende dag met kloppend hart en op van de zenuwen in de Veenendaalse flat bij Nicks moeder aan de koffie. Het stuk appeltaart dat mevrouw Dalvoort erbij serveerde, kreeg ze nauwelijks door haar keel. Steeds weer werden haar ogen naar de klok aan de muur getrokken.

Het werd twaalf uur, het werd half één.

“Ik geloof dat ik een auto hoor.” Mevrouw Dalvoort zette haastig haar kopje neer en liep met kleine dribbelpasjes naar het raam dat uitkeek op de grote parkeerplaats van de serviceflat. “O, nee, het is een vrachtwagen. Die komt zeker de nieuwe bank van mijn buurvrouw boven brengen. Wacht, daar komt nog een auto aan. Dat is toch Kierans auto? Die blauwe daar? O, hemeltje, als Nick nu maar uitkijkt met uitstappen. Overal staan van die grote plantenbakken. Daar kun je lelijk over vallen.”

Zenuwachtig kwam Lucy naast haar staan. Samen keken ze toe hoe Kieran de auto parkeerde. Het portier aan de passagierskant ging al open nog voor het geluid van de motor was weggestorven. Het eerste wat ze zagen was de blindenstok die tastend naar buiten werd gestoken.

Mevrouw Dalvoort sloeg met een gesmoord gekreun haar hand voor haar mond. “O, nee!”

Ook Lucy voelde even een steek van medelijden door zich heen gaan. Ze vermande zich snel. Medelijden zou Nick geen goed doen. Ze moest sterk zijn. Voor hem. Voor zichzelf.

Kieran was ondertussen eveneens uitgestapt. Hij sloot zorgvuldig de portieren af en liep om de auto heen naar zijn vriend, die geduldig op hem stond te wachten. Met zijn arm losjes onder Nicks elleboog leidde hij hem naar de ingang van de flat.

Mevrouw Dalvoort veegde tersluiks langs haar ogen. “Die arme jongen! Het spijt me, ik weet dat ik niet moet huilen, maar het is voor het eerst dat ik hem buiten de kliniek zie.”

Lucy zei niets. Haar ogen dronken Nicks verschijning in. De laatste keer dat ze hem had gezien was in het ziekenhuis geweest, toen hij aan allerlei apparatuur verbonden had gelegen. Hij was langer dan ze zich herinnerde. Magerder ook. Zijn gezicht was ingevallen en zijn ogen zaten verborgen achter een zonnebril. Maar hij was nog steeds de man die haar hart sneller deed kloppen. Zo snel dat ze bijna geen lucht kon krijgen.

Een beschaafd zoemertje klonk door de flat.

“O, de buitendeur.” Mevrouw Dalvoort haastte zich naar de intercom. “Joehoe, ik ben er al, hoor. Ik druk nu op het knopje. Even duwen, dan gaat de deur open. Lukt het?”

“Ja, we staan in de hal,” klonk de opgewekte stem van Kieran uit de luidspreker. “Schenk de koffie maar alvast in, we zijn zo boven.”

Met trillende benen liep Lucy terug naar de bank.

Ze had geen idee hoe Nick op haar aanwezigheid zou reageren. Nu het moment echt was aangebroken, was ze er niet meer zo zeker van dat dit een goed idee was. Hoe je het ook bekeek, ze drong zich gewoon aan hem op. Hij had duidelijk gezegd dat hij haar niet meer wilde zien. En zij kon met haar verliefde hoofd nu wel denken dat hij het niet meende, maar misschien was het wel echt zo. Misschien had ze zich die zaterdagavond alleen maar verbeeld.

“Dag, mam.” Nicks diepe stemgeluid zweefde vanuit de gang de woonkamer binnen. “Heb je de koffie al klaar?”

“O, jongen,” hoorde ze mevrouw Dalvoort geëmotioneerd fluisteren. “Je bent er. Wat heerlijk. Ging het… ging het goed?”

“Uitstekend.” Nicks stem kwam dichterbij, begeleid door het getik van zijn stok. “Het kostte me maar een half uur om te stoppen met beven. Vervolgens nog een half uur om te stoppen met schelden, maar voor de rest ging het prima.”

“Hij overdrijft,” kwam Kieran ertussen. “Het waren hooguit kwartiertjes.”

“Maar jullie zijn er en dat is het belangrijkste.” Mevrouw Dalvoort stommelde voor de jongens uit de woonkamer in. “O, ja, dat vergat ik nog te zeggen. Ik heb bezoek.”

“Bezoek?” Nick bleef stokstijf in de deuropening staan. “Mam, hoe kun je dat nu doen!”

“Hallo, Nick,” zei Lucy zacht vanaf de bank. “Goed om je weer te zien.”

Een doodse stilte volgde op haar woorden. Nicks gezicht vertoonde een uitdrukking van, ja, van wat? Verbazing? Vreugde? En toen… boosheid.

“Wat doe jij hier?” blafte hij.

“Ik heb koffie gedronken met je moeder,” antwoordde Lucy. Haar hart hamerde in haar keel. Hij had in ieder geval meteen haar stem herkend. Was dat een goed teken? “Ze vertelde me dat je vanavond naar Ierland vertrekt. Dat kwam goed uit, nu kan ik je nog even een goede reis toewensen.”

Nick deed voorzichtig een paar stappen naar voren, zijn stok voor zich uit. “Dank je wel. Dan kun je nu wel gaan.”

“Nick!” Mevrouw Dalvoort draaide zich verontwaardigd naar hem om. “Hoe durf je? Lucy is mijn gast. Ik heb haar hier uitgenodigd. Ik verwacht op zijn minst van je dat je beleefd tegen haar bent.”

“Hallo, Lucy.” Kieran liep snel langs Nick en diens moeder naar de bank en begroette haar met een warme omhelzing en een dikke knipoog. “Je ziet er goed uit. Dat blauwe jurkje staat je erg goed. Past precies bij de kleur van je ogen.”

“Dank je.” Lucy knipperde verwoed haar tranen weg. Nicks grove opmerking deed pijn, maar dat zou ze hem niet laten merken.

“Ga zitten. Allemaal,” gebood mevrouw Dalvoort. “Wil jij in de grote stoel zitten, Nick? Of liever op de bank? Zoek maar een plekje, Kieran, dan zal ik de koffie even halen.”

“De stoel rechts van je ziet er zeer uitnodigend uit, Nick,” zei Kieran behulpzaam. “Als jij daar gaat zitten, hou ik Lucy hier op de bank wel gezelschap.”

Nick gromde iets. Met behulp van zijn stok vond hij de stoel. Behoedzaam liet hij zich zakken. “Missie volbracht,” zei hij cynisch. “De blinde zit.”

“Koffie!” jubelde mevrouw Dalvoort zenuwachtig vanuit de deuropening. “Ik heb voor jou ook nog maar een kopje ingeschonken, Lucy. Willen jullie er appeltaart bij, jongens? Of willen jullie meteen eten? De lunch bestaat uit broodjes en krentenbollen.”

“Ik lust in ieder geval wel een stuk appeltaart,” zei Kieran glunderend. “Als voorafje. Die broodjes komen wel op en anders heeft u vast wel een plastic zakje waarin we ze mee kunnen nemen voor onderweg. We hebben nog een aardige reis voor de boeg.”

“Hoe laat moeten jullie in Hoek van Holland zijn?” informeerde Lucy. Ze kon haar ogen nauwelijks van Nick afhouden. Hij was nog steeds de aantrekkelijkste man die ze ooit had gezien.

“Tussen zeven en negen moeten we aan boord,” zei Kieran. “We varen om tien uur, dus we hebben echt alle tijd.”

Mevrouw Dalvoort was ondertussen druk bezig met koffie uitdelen. Ze duwde een beker in Nicks handen. “Links naast je staat een klein tafeltje, daar kun je hem neerzetten,” zei ze.

Nick had nog steeds niets gezegd. Hij zat stil in zijn stoel, nu met de beker in zijn hand, alsof het hem niet interesseerde wat er om hem heen gebeurde.

Dat was echter maar schijn. Iedere zenuw in zijn lijf was zich bewust van Lucy’s aanwezigheid. Hij kon haar zo voor zich zien in het blauwe jurkje dat de kleur van haar ogen had. Ogen die ongetwijfeld nu op hem gericht waren met een gekwetste, verwonderde uitdrukking erin. Waarom had hij haar zo afgeblaft? Waarom had hij haar niet in zijn armen genomen, zijn hoofd verborgen tegen haar schouder en al zijn angsten en onzekerheden uitgesnikt?

Precies daarom, zei een venijnig stemmetje in zijn hoofd. Een vrouw als Lucy moest lol maken, lachen, uitgaan, dansen, springen. Niet als zakdoek dienen voor een zielige blinde vent die als een rietje zat te beven tijdens een simpel autoritje. Hij moest sterk blijven, niet laten merken hoe hij naar haar verlangde. Voor haar.

“Appeltaart, Nick?” informeerde zijn moeder.

Hij schudde zijn hoofd. “Nee, dank je wel. Het eet een beetje lastig met zo’n klein vorkje. We moeten nog een heel eind en het is wel zo prettig als mijn T-shirt in ieder geval het eerste deel van de reis nog een beetje schoon is.”Je kunt het anders gewoon met je handen eten, hoor,” zei mevrouw Dalvoort snibbig.

Ze was niet van plan toe te geven aan Nicks zelfmedelijden. Daar schoot hij niets mee op. “Als ik het me goed herinner was dat de manier waarop jij altíjd al mijn appeltaart at. En volgens mij is het je nog nooit gelukt om ergens schoon aan te komen, ook niet toen je nog wél kon zien. Ik weet nog heel goed dat we jou, toen je nog klein was, een kwartier voor vertrek gepoetst en wel op de bank zetten met de opdracht om je niet te bewegen als we ergens naartoe moesten. Hoe je het versierde, weet ik niet, maar op het moment dat we de voordeur achter ons dichttrokken, zagen we dat je weer onder de vlekken zat. Dus kom nou niet aan met zielig doen, want daar trap ik niet in.”

Kieran schoot in een bulderende lach. “Zo, maat, die kun je in je zak steken. En je moeder heeft helemaal gelijk, want jij bent inderdaad altijd degene die voor een optreden nog snel van kleren moet wisselen omdat er weer ergens een vreemde vlek is verschenen. Je moeder heeft absoluut gelijk.”

Nick kon er niet om lachen. “Des te meer reden om er nu maar helemaal niet meer aan te beginnen,” bromde hij zuur.

“Zonde,” vond Kieran, die zijn portie al bijna op had. “Je weet niet wat je mist. Het smaakt heerlijk, mevrouw Dalvoort.”

“Dank je wel, jongen.” Nicks moeder knikte hem vriendelijk toe. “Maar als jullie het niet erg vinden, duik ik nu even de keuken in. Ik moet nog een paar dingen klaarmaken voor de lunch.”

Kieran sprong meteen op.

“Ik help u wel,” bood hij gedienstig aan. Misschien zou Nick sneller bijtrekken als hij de kans kreeg om alleen te zijn met Lucy. Voor iemand kon protesteren, had hij mevrouw Dalvoort al bij de elleboog meegenomen, de kamer uit. De deur liet hij discreet achter zich in het slot vallen.

In de woonkamer bleef het angstaanjagend stil.

Lucy wist niet goed wat ze moest zeggen. De stuurse uitdrukking op Nicks gezicht gaf duidelijk aan, dat hij haar liever kwijt dan rijk was. Ze schraapte haar keel.

“Het spijt me dat ik me zo aan je opdring,” begon ze aarzelend. “Maar ik móést je gewoon nog een keertje spreken. Ik begrijp niet waarom je me zo buitensluit. Ik dacht dat er iets bijzonders tussen ons was.”

“Wás,” zei Nick nadrukkelijk. “Er wás iets bijzonders tussen ons die zaterdagavond, maar dat is voorbij. Het ongeluk heeft alles veranderd.”

“Waarom?” Ze fronste haar voorhoofd. “Omdat jij niet meer kunt zien? Dat verandert toch niets aan wat wij voor elkaar voelen?”

“Natuurlijk wel,” reageerde hij fel. “Ik ben niet meer de man die ik die avond was. Die man komt nooit meer terug. Ik zal de rest van mijn leven afhankelijk blijven.”

“Dat is nog maar de vraag. De dokter heeft gezegd…”

“Ik weet wat de dokter heeft gezegd,” viel Nick haar ruw in de rede. “Dat is gewoon een zoethoudertje. Mijn gezichtsvermogen komt niet meer terug.” Hij streek woest met zijn vingers door zijn haar. “Begrijp het dan toch. Door het ongeluk ben ik mijn hele leven kwijtgeraakt. Mijn werk, mijn toekomstplannen. Alles wat ik doe, kost moeite. Ik moet leren vertrouwen op andere zintuigen, andere vaardigheden onder de knie zien te krijgen. Het laatste waar ik op dit moment behoefte aan heb, is een vrouw.”

“Maar ik zou je kunnen helpen,” betoogde Lucy. “Het enige wat ik van je vraag is me toe te laten in je leven. Ik wil je beter leren kennen. Die avond…” Ze aarzelde even en ging toen dapper verder: “Die avond toen je me kuste, had ik het gevoel dat ik thuiskwam, dat ik ineens compléét was. Ik weet dat het idioot klinkt, maar zo was het nu eenmaal. Jij voelde hetzelfde, dat weet ik zeker. Daarom ben ik hier. Het was niet zomaar een scharreltje op de parkeerplaats. Het was veel meer dan dat en…”

“Laat me met rust!”

De woorden kwamen eruit als een gekweld gegrom en geschrokken hield Lucy haar mond.

“Laat me met rust, Lucy. Misschien, als het ongeluk niet was gebeurd, hadden jij en ik een kans gehad. Maar nu niet. Niet onder deze omstandigheden. Ik wíl je niet in mijn leven. Hoor je me? Ik wíl je niet. Wanneer dringt het eindelijk een keertje tot je door?”

Lucy voelde alle kleur uit haar gezicht wegtrekken. Wankelend kwam ze overeind. Ze moest zich aan de tafel vasthouden omdat alles om haar heen leek te draaien.

“Ik hoor je,” zei ze, haar stem vreemd verwrongen. “Ik hoor je. Wees maar gerust, ik zal je niet meer lastigvallen. Ik wil geen blok aan je been zijn. Ik wilde je alleen maar laten weten dat ik er voor je ben als je me nodig hebt.” Op onvaste benen liep ze naar de deur. “Maar de boodschap is luid en duidelijk overgekomen, Nick. Ik zal je wens respecteren en verdergaan met mijn eigen leven. Ajuus!”

“Lucy?” Nick voelde zijn borst ineenkrimpen. “Lucy!”

Er kwam geen antwoord meer. Hij hoorde haar voetstappen op de gang, een zacht gemompel toen ze haastig afscheid nam van zijn moeder en Kieran, en vervolgens het dichtslaan van de buitendeur.

Hij klemde zijn kaken op elkaar en onderdrukte de neiging om op te springen en haar achterna te rennen. Op de plek waar even tevoren zijn hart nog had geklopt, bevond zich ineens een klomp ijs.

Lucy, zíjn Lucy, was weg.

En ditmaal voorgoed.