EPILOOG: BOTSING
Weken later zijn er slechts puntige uitsteeksels en restjes over op de plek waar eens mijn tand zat. Mijn tandheelkundige verwaarlozing heeft geleid tot zweren op mijn tong en in mijn mond – het is een warm, vochtig maanlandschap van pijn daarbinnen en ik heb ook nog griep die me doet koken en rillen en waardoor ik nauwelijks kan eten of lopen; mijn gedachten zijn koortsig en onsamenhangend en grillig als de muziek van Stockhausen. Over een paar dagen vliegen Sally en ik voor het eerst in drieënhalf jaar naar Melbourne. We zijn opgewonden en zenuwachtig, bang voor de onvermijdelijke veranderingen die we zullen aantreffen – bij vrienden en familie, in de stad, in onszelf – en nieuwsgierig naar wat er is gebeurd tijdens onze afwezigheid.
Sally en Ray hebben als gekken gewerkt – tien dagen achter elkaar tot twaalf uur ‘s-nachts – om het derde nummer van Japan persklaar te maken. Ze zijn uitgeput maar voldaan: het is het beste nummer tot nu toe. Eindelijk ziet het blad er precies uit zoals ze willen. Ze zijn apetrots, maar te moe om dat te merken. Ik lig aan mijn koffer te denken, hoe leeg die is en dat ik Sally nodig heb om hem te pakken, omdat ik te zwak ben om ten volle het begrip zomerkleren te vatten, die op te vouwen en in te pakken en te begrijpen dat ik die deze week nog zal dragen.
Veel vroeger dan ik verwacht hoor ik de sleutels in het slot, een geluid dat mijn zwakke hart verwarmt. “Hallo schatje. Je bent thuis,” roep ik uit de woonkamer, maar het klinkt vlak en zwak door mijn griep en gezwollen tong. De sleutels vallen op het tafeltje in de gang en ik hoor verdrietig gesnuf. “Wat is er? Heb je last van de euro, schatje? Kan je er nog steeds niet aan wennen dat alle munten er hetzelfde uitzien?” Sally komt de kamer in. De tranen staan in haar ogen en ik kan zien dat ze al een tijdje heeft gehuild. “Wat is er?”
“Het blad is failliet. De hele maatschappij is bankroet.”
Even blijft mijn hoofd leeg, dan wordt het als een open klok gevuld met het getiktak van kleine, nietszeggende woordjes. “O, nee…”
“Iedereen is…We zijn allemaal onze baan kwijt.” Ik sta op en sla mijn armen om de schokkende schouders van mijn vrouw. “Ze zeggen dat het door 11 september komt. Ten dele, in elk geval. Dat het geen goede tijd is om met een nieuw blad te beginnen en…” Ik kan het nauwelijks bevatten. Ons leven de afgelopen drie jaar lijkt wel een palindroom: we ruilden Australië in voor Amsterdam voor een tijdschrift dat instortte vlak nadat we hier arriveerden, en het volgende tijdschrift stort in vlak voor we van Amsterdam naar Australië gaan. Ongelofelijk, maar waar. “Het is…Het is niet eerlijk.”
“Ik weet het, liefje.” Ze heeft gelijk: het is niet eerlijk. Ray en Sally zijn allebei verschrikkelijk intelligente, getalenteerde redacteuren die keihard hebben gewerkt om iets goeds te maken, wier droom in botsing is gekomen met de werkelijkheid en die hun inspanningen en toewijding tot niets zien leiden. Vreselijke golven van medelijden trekken door me heen, zo sterk dat ik sta te wankelen op mijn benen. De opheffing van het blad betekent ook dat onze verblijfsvergunning wederom in gevaar is. “Hoe is Ray eronder?”
Snikkend vertelt Sally dat Sonia en hij het al hebben over verhuizen naar Italië. “Ze hebben genoeg van hier.”
Ze zijn niet de enigen. Simeon en Darcy denken sinds kort serieus aan teruggaan naar New York, Arnout en Diana willen in Biarritz gaan wonen, onze vrienden Michelle en Stephan gaan in Australië werken, Joey is nooit teruggekomen uit Warschau. Keith is er nog – maar alleen omdat de Nederlandse regering dat niet weet. Misschien is er iets mis met Amsterdam, of is er iets mis met mensen zoals wij die in Amsterdam willen wonen. Of misschien ligt het eraan dat wij geen rijke, grillige pensionado’s zijn en dit de Provence niet is. Hoe dan ook, de stad heeft ons laten vallen, of anders wij de stad. Ik word weemoedig als ik terugdenk aan de naïeve, dwaze plannen die we hadden voor een nieuw leven in een nieuwe stad en hoe weinig dromen en verwachtingen zijn uitgekomen. Maar tegelijkertijd heb ik absoluut geen spijt dat we naar Europa zijn gegaan, want de grote kloof tussen wens en werkelijkheid is inderdaad wat het leven de moeite waard maakt. Omdat die kloof mijn leven misschien niet zozeer heeft bevredigd of verrijkt of waardevol of avontuurlijk of zelfs maar hard en moeilijk heeft gemaakt, maar wel de moeite waard. Zo’n beetje.
∗
Twee dagen later zitten Sally en ik in het vliegtuig dat ons naar onze voormalige woonplaats voert te praten over onze vurige hoop op die green card. Maar in de tussentijd zal ik me, wat er ook gebeurt en waar we ook terechtkomen, thuisvoelen waar Sally is. Ik strek mijn hand uit en pak die van mijn vrouw en zeg haar dat alles in orde zal komen, dat ik van haar houd. “Niet in het vliegtuig, liefje,” zegt ze. “Dat is gênant.”
And you may ask yourself
Where does that highway go to.
David Byrne, Once In a Lifetime
EOF