Epiloog


Grafrede

 

 

De menigte zweeg.

Vader-bisschop Creegan stond voor een enkele steen ter wijl de zonsopgang het landschap in gouden en roze tinten kleurde. Op een heuvel was een brandstapel klaargezet en Miranda's lichaam, gehuld in wit linnen, lag erop om te worden gecremeerd. Er waren nog meer doden die waren voorbereid voor de laatste riten, maar de meesten waren onherkenbaar verbrand en kregen een groepsceremonie.

Caleb en Marie behoorden tot die groep. Er waren meer dan zestig lijken geborgen en vier mensen werden vermist, waarschijnlijk volledig opgebrand in het vuur. De gemeenschap op Tovenaars eiland was met bijna twee derde gereduceerd. Er waren maar twaalf leermeesters over, en nog niet eens twee maal dat aantal studenten.

De hele bevolking van het eiland was aangeslagen door de gebeurtenissen van de vorige dag en alle taken en werkzaamheden waren in stilte uitgevoerd, alsof de meesten te verdoofd waren om te praten. Puc en Magnus waren de hele nacht bij Miranda gebleven terwijl ze werd voorbereid op de uitvaart van vanochtend. Puc had haar zelf naar de heuveltop gedragen en had haar zachtjes op de stapel hout gelegd.

Magnus' gezicht was de hele nacht een strak masker geweest, en hij en zijn vader hadden amper gesproken.

Creegan nam het woord. 'Onze tijd op deze wereld is kort, zelfs voor mensen als Miranda, met een langer leven dan de meeste an deren. Sommigen zullen haar leven zien als een vol leven, met prestaties die voldoende zouden zijn voor een dozijn andere, en toch vinden we dat ze te kort bij ons is geweest.'

Hij zweeg even voor hij verder ging. 'Het is in onze orde niet gebruikelijk om een dienst als deze te leiden voor een buitenstaan der, maar voor mij was Miranda geen buitenstaander. Door ons werk samen was ze mijn zuster.' Hij keek Puc en Magnus aan. 'Iedereen hier deelt jullie verlies, zelfs al kunnen wij maar een klein beetje van het verdriet voelen dat jullie doormaken, Puc en Magnus. We weten dat dit verschrikkelijk voor jullie is, en we rouwen met jullie mee. We weten dat het lijkt alsof er iets vreselijk oneerlijks is gebeurd.

Wij die Dala dienen geloven in het zoeken naar evenwicht, het zoeken naar een billijke uitkomst. Het heelal verleent ons dat inzicht niet altijd, en de wegen van de goden zijn veelvoudig en moeilijk te begrijpen.

Miranda diende anderen en stelde zichzelf vaak aan gevaar bloot; ze onderging ontberingen en ellende omwille van anderen. Er be staat geen hogere roeping in het leven dan zoals zij diende, en ik geloof dat ze nu voor Lims-Kragma staat en een betere plek krijgt aangeboden op het Wiel des Levens. Ik geloof dat onze godin, Dala, aan haar zijde staat en haar aanbeveelt bij haar zuster Lims-Kragma.'

Hij haalde diep adem alsof hij streed tegen zijn emoties. 'Caleb staat aan haar andere zijde, daarvan ben ik overtuigd, met zijn vrouw Marie en zoveel anderen die hier op het eiland dienden. Ze verdienen allemaal onze lof en zullen worden gemist, want zij waren onze broeders en zusters in de strijd. Allemaal goede mensen, moge de godin hen zegenen, stuk voor stuk.' Hij draaide zich om en keek naar de top van de heuvel, waarna hij een gebaar maakte. Een fakkeldrager stak het vuur aan, lopend rond de brandstapel om het aanmaakhout onderaan aan te steken. Snel verspreidden de vlam men zich, en de lichamen op het hout werden verteerd.

'Er is te veel vuur geweest, vader,' zei Magnus zachtjes.

Puc kon alleen maar knikken.

Zonder nog een woord te zeggen kwam Creegan voor Puc staan. Hij pakte zijn handen, hield ze even vast, knikte en liep toen de heuvel af naar de resten van de villa. Anderen volgden hem, en toen het voorbij was bleef de rest van de gemeenschap van Tovenaarseiland op een afstandje staan wachten terwijl vader en zoon afscheid namen.

Er verstreek enige tijd, en toen fluisterde Puc: 'We hebben werk te doen.'

'Wat doen we eerst, vader?' vroeg Magnus. 'Ik moet een tijdje bezig blijven.'

'Dat gebeurt ook,' zei Puc, die zich omdraaide naar de mensen die beneden wachtten. 'Je moeder en ik hebben vele dingen besproken, waaronder wat we moesten doen als zo'n vreselijke dag als deze zou komen.

We verhuizen naar het kasteel en blijven daar een tijdje. Laat degenen die hier verantwoordelijk voor zijn maar denken dat we aangeslagen zijn en ons opsluiten. We sturen boodschappen naar al onze agenten op deze wereld en de strijd zal worden voortgezet.

We gaan op zoek naar Belasco, Dahun en wie er verder nog bij betrokken is, en we zullen ontdekken wie er werkelijk achter deze waanzin zit. En we gaan op zoek naar de demonenpoort en sluiten die.'

Hij liep de heuvel af, met vastberaden passen, en zijn zoon volg de, terwijl hij zijn verdriet om zijn moeder en broer wegslikte. Als zijn vader zo'n verlies kon doorstaan en het werk dat moest gebeuren kon voortzetten, was Magnus vastbesloten dat hij dat ook kon. Als de pijn maar zou vervagen, al was het maar een beetje.