7
Profetie
Puc vuurde een bezwering af.
Terwijl de demon een stap naar de drakengestalte van het Orakel nam, schoot er een verzengend hete straal energie naar hem toe, die zich als een lasso om zijn bovenlichaam wikkelde. Stinkende zwarte rook kringelde op waar hij de huid van het wezen raakte.
De demon was groter dan iedereen in de grot, behalve het Orakel. Hij had schubben als een hagedis of slang, rood en violetkleurig gevlekt. Zijn schouders waren enorm en de armen van het schepsel liepen uit in reusachtige zwarte klauwen; zijn aapachtige gezicht was vertrokken tot een masker van haat en woede. Hij stootte een brul uit waar de muren van de grot van beefden, en waardoor er klompen aarde neerregenden.
Enorme slagtanden staken omlaag uit een overdreven dikke bovenlip en de kop van de demon was getooid met twee lange zwarte hoorns, die naar achteren gekromd waren als die van een antilope. Hij schudde zijn kop en brulde woedend van frustratie en pijn.
Puc had weinig ervaring met demonen, maar dat weinige was allemaal slecht. Hij aarzelde niet en liet op zijn vasthoudbezwering de sterkste aanval volgen die hij kon oproepen.
Flarden brandende witte en purperen energie schoten naar voren, zwaaiend als de tentakels van een inktvis terwijl ze zich aan het lichaam van de demon hechtten. Als een energieschicht de huid van het monster raakte, steeg er nog meer zure zwarte rook op en schoot er een klein, dof-oranje vlammetje omhoog. De demon trilde terwijl hij tegen zijn gevangenneming vocht, brulde nog eens van woede en liet de vasthoudbezwering knappen. De schok die door de verbinding werd teruggevoerd raakte Pucs geest als een fysieke klap.
De mystieke krachten van het Orakel konden niet tippen aan de strijdmagie die de grote draken van Midkemia bezaten, maar ze was nog altijd een indrukwekkende tegenstander. Ze haalde uit met klauwen en tanden en liet die diep in de schouder en nek van de demon zinken. Stralen dampend zwart bloed stroomden over zijn rug en borst terwijl hij met zijn andere klauw over zijn schouder naar haar kop maaide in een poging haar te verblinden.
Puc had zich hersteld van de schok van de magische terugslag en stuurde een speer van energie naar buiten. Dit was er een die hij nooit eerder werkelijk had toegepast, maar waar hij alleen mee had geoefend op een afgelegen deel van zijn eiland.
De onzichtbare energie vulde de grot met een sissend geluid, dat het geschreeuw en geroep van de metgezellen van het Orakel over stemde terwijl die zich op de demon wierpen.
Ook zij hadden de beschikking over magie en kracht, en hoewel de eerste die de demon bereikte na één haal van diens klauw zijn ingewanden verloor, wisten de volgende twee hem wat letsel toe te brengen. De draak hield haar tanden om de schouder van het schepsel geklemd, terwijl Puc en haar dienaren zo veel mogelijk schade aanrichtten.
De onzichtbare energiespeer raakte de demon vol in zijn borst; hij verstijfde alsof hij was doorboord met koud ijzer. De muil van het schepsel bewoog, en Puc vermoedde dat hij een of andere spreuk probeerde te uiten. Maar de bezwering bleek het monster te veel; zijn ogen rolden weg in de kassen en zijn lichaam verslapte.
Even hield het Orakel het schepsel nog vast, nu zo slap als een pop, toen liet ze los. Puc zag krassen in de snuit van de draak, bloed stroomde vrijelijk omlaag en droop op het roerloze karkas van de demon, maar de wonden leken vrij oppervlakkig.
'Achteruit!' beval Puc toen de metgezellen van het Orakel het verslagen monster bleven aanvallen. 'Achteruit!' herhaalde hij terwijl de rust in de grot weerkeerde.
Zoals hij had verwacht begon het lichaam van de demon te roken en smeulen, gevolgd door een plotselinge rode vlam die bijna met een weer verdween. De stank van zwavel en verrotting vulde de lucht en enkele metgezellen van de draak gingen achteruit, fysiek afgestoten door de geur.
Puc draaide zich om naar de reusachtige gestalte van het Orakel van Aäl en zei: 'Je wilde me spreken?'
In de loop der jaren hadden Puc en het Orakel van Aal een vertrouwensrelatie opgebouwd, al was Puc er nooit helemaal van overtuigd geweest dat hun doelstellingen altijd hetzelfde waren. Het Orakel, hoewel ze verscheen als een machtige draak, was op de wereld Midkemia vreemder dan elk ander schepsel dat hij ooit had ontmoet.
Van de Aal werd gezegd dat ze de oudste levensvormen in het heelal waren; geen enkel ander ras kon zijn geschiedenis zo ver terugvoeren. Zelfs toen de Drakenheersers op het hoogtepunt van hun macht waren, hielden ze zich verre van de Aal en lieten hen met rust.
Toen Puc hen voor het eerst had ontmoet, waren ze een gedoemd ras, want de wereld waarop ze woonden naderde het einde van haar lange leven. Hij had degenen die overbleven een veilige overtocht naar Midkemia geboden, en dankzij een reeks van toevalligheden had het Orakel een gastheer gevonden in de vorm van het ontzielde lichaam van het grootste wezen op Midkemia: een gouden draak.
Haar metgezellen vonden bereidwillige gastheren onder mannen en vrouwen met verschillende achtergronden. Die werden in de loop der jaren geselecteerd met behulp van mystieke kunsten die zelfs Puc niet begreep, en ze kregen de unieke kans om een plek in deze wereld in te nemen, als dienaren en metgezellen van het Orakel.
Puc stond zichzelf toe te geloven dat er aan de selectie geen dwang te pas kwam, dat degenen die hier waren vrijwillig voor dit leven hadden gekozen; hij sliep er 's nachts beter door. Maar wat hun redenen ook waren, de wezens in deze grot waren bereid te sterven om dit unieke schepsel te beschermen.
Hoewel Puc deze grot vaak had bezocht, had hij nog altijd niet meer dan een vaag idee van hun geschiedenis en plaats in de orde van het leven. Zijn rechtstreekse vragen werden altijd ontwijkend beantwoord, en uiteindelijk was hij gaan accepteren dat hij alleen zou ontdekken wat het Orakel wilde dat hij wist. Hij stelde zich daar tevreden mee, want ze had meer dan eens bewezen een waardevolle bondgenoot bij de verdediging van deze wereld te zijn. Haar hulp kon natuurlijk voortkomen uit eigenbelang, want als deze wereld werd vernietigd zou zij ook sterven, maar hij dacht dat haar motie ven eerzamer waren; ze scheen Puc en zijn Conclaaf oprecht te willen helpen enige orde te herscheppen in dit deel van een heel groot heelal.
Dit alles ging door Pucs gedachten terwijl hij wachtte tot het Orakel zou antwoorden. Ze legde haar hoofd op de vloer zodat haar metgezellen haar wonden konden verzorgen. Twee van hen waren dood en zouden worden opgeruimd zodra ze was genezen.
Puc keek gefascineerd toe terwijl er magie die hij amper herken de, laat staan begreep, werd gebruikt. Hij had genoeg geestelijke magie gezien om de genezende kunsten te herkennen, maar deze manipulatie leek in niets op wat hij eerder had gezien.
Elke assistent die een wond verzorgde scheen het lichaam van de draak aan te moedigen zichzelf te helen, maar dan in een versneld tempo. De prijs ervan was echter hoog; degenen die de draak ver zorgden, werden voor Pucs ogen ouder, hun gezichten werden mager en vermoeid en het gewicht smolt van hun lichaam weg. Ze schonken haar hun eigen levensenergie. Haar wonden genazen, en binnen enkele minuten zag hun meesteres er weer net zo uit als voor de aanval. Maar haar metgezellen waren in die korte tijd jaren ouder geworden.
'Indrukwekkend,' zei Puc.
We zijn een oud ras met vele gaven.' Met een hoofdbeweging naar haar gevallen kameraden die werden weggedragen voegde ze eraan toe: 'Maar ook wij hebben grenzen.'
'Mag ik ervan uitgaan dat deze ontmoeting de reden was dat je me specifiek voor vandaag had uitgenodigd?'
'Wat is, is zoals het hoort te zijn, zoals het was en zoals het weer zal zijn.' Langzaam kwam ze overeind, en ze staarde glazig voor zich uit terwijl ze visioenen ontving die niemand anders kon zien.
'Dat is zelfs voor jou uitzonderlijk cryptisch, mijn oude vriendin,' zei Puc.
Het Orakel bleef lange tijd stilstaan.
Uiteindelijk zei Puc: 'Ah, ik snap het. Ik moet het vragen. Wat zit je nog meer dwars?'
'Veel, tovenaar. Ik zie een nexus naderen, een vermenging van rijd en waarschijnlijkheid, een plek van vele uitkomsten. Daar voor bij zie ik niets, omdat er vanuit dat punt te veel mogelijkheden voortvloeien. Of een einde, als de slechtste uitkomst bewaarheid wordt.'
'De slechtste voor jou, of voor ons allemaal?'
'Dat is hetzelfde. Als ik val, dan is deze wereld met mij gevallen. Ik zie chaos en vernietiging en de dood van velen, op een schaal waarbij alles wat jullie al hebben doorstaan verbleekt; en ik zie het omslaan van een wankel evenwicht, waarbij zelfs de goden zullen beven van angst.'
'Ik luister,' zei Puc zachtjes. Nu al kreeg hij kippenvel omdat hij voelde aankomen dat zijn vermoedens zouden worden bevestigd. Voor het oproepen van demonen zo sterk als het monster dat hier net was geweest, was verbazingwekkende magie nodig. Het was al moeilijk genoeg om er een op te sluiten, maar om een dergelijk wezen te kunnen onderwerpen en dan via magische weg deze grot in te sturen... daarvoor was een demonenmeester met ongeëvenaarde vaardigheid en macht nodig.
'Er komt een legioen deze kant op, Puc van Tovenaarseiland. Het nadert snel en brengt chaos en de dood met zich mee. Anderen strijden er al tegen, en ze trekken zich met tegenzin terug, maar ze zullen snel worden overstelpt.
De Duistere, hij wiens naam niet kan worden uitgesproken, slaapt een rusteloze slaap, en in zijn koortsdromen tast hij om zich heen met de macht van een Hogere God. Hij heeft zich een door gang tussen de rijken voorgesteld, en terwijl hij droomt, wordt die bewaarheid. Hij droomt van thuis en wil terugkeren.
De andere Hogere Goden sussen zijn rusteloosheid en hinderen zijn dromen, maar ze zijn niet sterk genoeg. Alleen zij die hem tegenwicht biedt kan de waanzin een halt toeroepen.'
Puc voelde een kilte in zijn borst. 'En zij is dood,' zei hij.
'Dat klopt,' bevestigde het Orakel, 'maar zelfs in de dood helpt ze, want haar erfgoed leeft voort in het hart van degenen die het goede dienen.
Zoek bondgenoten, Puc. Zoek degenen op die je nog nooit eerder hebt benaderd. Zoek kracht waar jij zwak bent, en zoek degenen die kennis hebben waar jij onwetend bent. Leer kennen wat er aan komt.'
Het hoofd van het Orakel zakte weer naar de vloer, en Puc wist uit ervaring dat haar visioen haar had uitgeput. Hij had nog tijd voor één of misschien twee vragen, en dan zou ze in een slaap vallen die dagen of zelfs weken kon duren. Zodra ze dan weer wakker werd, zouden haar visioenen verdwenen zijn.
Puc dacht koortsachtig na, en hij bedacht wel tien verschillende dingen die hij wilde vragen. Uiteindelijk zei hij: 'Vertel me over dat naderende legioen.'
'Demonen uit de Vijfde Cirkel, Puc. De demonen komen eraan.'
Pucs nekharen kwamen overeind; tot zijn verbazing was hij, ondanks de vele dingen die hij in zijn zeer lange leven had gezien, onthutst over haar mededeling. De demon die hen had aangevallen was geen marionet van een machtig mensengenootschap geweest, maar een verkenner, een moordenaar uit het demonenrijk, gestuurd om de doelwereld te ontdoen van diens machtigste bondgenoot: de kennis van wat komen ging.
Puc had eerder tegen demonen gestreden; een ervan had hem bijna gedood. Hij was ook getuige geweest van de laatste strijd tussen Macros de Zwarte en de demonenkoning Maarg. Terwijl hij zich een legioen van dergelijke wezens probeerde voor te stellen, daalde er een verdoving neer over zijn geest, gepaard met een wan hoop die hij maar zelden had ervaren. Zelfs tijdens de meest duis tere momenten van zijn leven had hij zich aan de hoop vastgehouden en altijd geprobeerd net zolang te overleven tot er zich een kans voordeed die hij kon grijpen. Maar dit was een aanval die hij zich niet kon indenken.
Zelfs het gevaar van de Dasati verbleekte in vergelijking met dat van de inwoners van de Vijfde Cirkel. Het gras verwelkte onder hun voeten en hun aanraking verbrandde vlees. Alleen demonen met krachtige magie konden in dit rijk bestaan, en het bereik van die magie was onvoorstelbaar. Puc wist dat als er een legioen demonen in dit rijk binnen zou komen, het een herhaling zou worden van wat er op de thuiswereld van de Saaur was gebeurd: totale vernietiging.
'Naar wie moet ik op zoek...' begon Puc, maar toen zag hij dat de draak haar ogen had gesloten.
Hij keek om zich heen in de grot en zag haar zwijgende assistenten naar hem kijken. Ze konden hem verder niet helpen, dus knikte hij ten afscheid en verplaatste zichzelf terug naar zijn werkkamer.
Zijn vrouw zat op hem te wachten. Toen hij verscheen, zei ze: 'O, daar ben je. Ik voelde je weggaan en stond op het punt heel boos op je te worden.'
Hij kon merken dat Miranda haar zorgen bagatelliseerde, want ze leek oprecht ongerust. 'Ik ben bij het Orakel geweest,' antwoord de Puc op vlakke toon.
De spanning rond haar ogen duidde aan dat ze begreep dat hij geen goed nieuws had gekregen.
We moeten op zoek naar iemand die veel over demonen weet,' zei Puc.
Magnus en Miranda bleven staan, terwijl Caleb tegenover zijn vader zat. Puc had net verteld over de waarschuwing van het Orakel.
'Je hebt gelijk. We hebben een demonenmeester nodig,' was Miranda's reactie.
Magnus schudde zijn hoofd. 'Die zijn lastig te vinden.'
Het meesterschap over demonen was, naast doodsbezwering en esoterisch leven, een van de verboden kunsten. Alle drie bestonden ze buiten de grenzen van de respectabele magie. Ze putten in het beste geval uit ellende en pijn, en in het slechtste geval uit de dood en het verscheuren van een ziel.
In zijn leven had Puc drie magiegebruikers ontmoet die de kost bare levenskracht van anderen gebruikten voor hun eigen duistere doelen. Leso Varen, ook wel bekend als Sidi, van oudsher Pucs tegenstander, was doodsbezweerder geweest, net als een magiër met de naam Dahakan die Nakur had ontmoet, en dan was er nog de valse profeet van de duistere elfen geweest, Murmandamus. Het tot leven wekken van de doden om hun werk te doen was nog maar de minste van hun misdaden geweest. Door het stelen van geesten die stervende lichamen ontvliedden, ontstond een onvoorstelbare dis harmonie in het heelal.
Een esoterisch leven was de vervorming van levende wezens, gemodificeerd op basis van een gril van de magiër. Mensen kregen soms dierenkrachten, of dieren werden gekruist tot onwaarschijnlijke schepsels. Alleen doodsbezwering was kwaadaardiger.
Demonenmeesters waren een groter mysterie. Voor eventuele voordelen die zij met hun praktijken behaalden moest vaak een hoge prijs worden betaald. Het onderwerpen van demonen werd niet als inherent kwaadaardig beschouwd, maar toch werd het ge schaard onder de duistere kunsten, want er kwam bijna nooit iets goeds voort uit het hebben van een demonische dienaar.
Puc zuchtte. 'We moeten bericht sturen naar onze agenten dat ze het ons melden als ze geruchten over demonen of ontbieders horen.'
Caleb stond op. 'Ik zal het meteen regelen.' Voordat hij bij de deur was, bleef hij staan en draaide zich om. 'Ik herinner me geloof ik iets...' Hij liep terug naar de schrijftafel van zijn vader, die hij gebruikte als Puc niet op de school was, en bladerde door enkele papieren. 'Ja, er is een verslag binnengekomen uit Muboya, over een magiegebruiker die tegen betaling demonen verbant.' Hij glimlachte spijtig. 'Telkens als er ergens een demon opduikt, komt heel toeval lig die magiër net aan.'
'Ongetwijfeld zwendel,' concludeerde Magnus.
Toch moeten we het uitzoeken,' vond Puc. Tegen Caleb zei hij: 'Jij hebt de leiding. Ik ga dit zelf doen.' Hij wendde zich tot Miranda en Magnus. 'Miranda, als jij nou eens kijkt of er in Sterrewerf iets te vinden is over demonen.' Tegen zijn oudste zoon zei hij: 'En jij zou met de monniken in Dat Wat Eens Sarth Was moeten gaan praten.'
Ze knikten allebei, en Miranda verdween.
Puc wendde zich tot zijn zoons. 'Ik wilde eigenlijk nog toevoegen: "na het middageten".'
Ze grinnikten, maar na wat hun vader net had verteld was het geen oprechte vrolijkheid.