10
Bedreiging
Sandrina zwaaide met haar strijdknots.
Het zware wapen raakte de andere ruiter vol in zijn buik - hij had een hoge aanval ingezet, waar zij onderdoor was gedoken om naar hem uit te halen - en tilde hem uit het zadel. Ze had ervaring genoeg om te weten dat hij voorlopig even uitgeschakeld was. Als hij niet was flauwgevallen door ademnood, zou hij nog wel een tijdje verdoofd van de klap op de grond blijven liggen.
Ze was op een wagen gestuit die werd aangevallen door bandieten, vier haveloos geklede schurken met verbazingwekkend goede wapens. De koopman en zijn twee zoons vochten tegen de meer ervaren struikrovers met een armetierige verzameling wapens: een gebutst schild en een oud zwaard, twee knuppels en een heleboel vastberadenheid. Toch verweerden ze zich kranig en hadden ze de bandieten al een paar minuten op afstand gehouden voordat Sandrina over de kam van de helling was gekomen en het gevecht had gezien.
De drie overgebleven ruiters zagen hun kameraad plotseling op de grond liggen en een volledig bepantserde ridder op hen afkomen. Zonder een woord te zeggen wendden ze hun paarden, dreven hun hielen in de flanken ervan en gingen er in galop vandoor. Sandrina overwoog de achtervolging in te zetten, maar besloot toen dat het afgelopen was; de mannen gingen de heuvels in, en haar zwaardere rijdier zou al snel achterop raken. De schurken kenden het terrein en zij niet, en hoewel ze er niet aan twijfelde dat ze de drie kon overmeesteren, na wat ze van hun vechtstijl had gezien, had ze er geen trek in om zich een weg uit een hinderlaag te moeten banen.
Ze wachtte even om er zeker van te zijn dat de bandieten niet terugkwamen en draaide zich om toen de twee jongens de schurk op de grond van zijn bezittingen ontdeden. Ze nam aan dat dat betekende dat hij dood was.
Sandrina reed naar de wagen toe, waar de man nog steeds argwanend naar haar zat te kijken. Hij hield zijn oude, gebutste zwaard in de aanslag, voor het geval ze zelf een schurk was die simpelweg de concurrentie had verdreven. Ze tilde het vizier van haar helm om hoog. 'Stop uw wapen weg, meneer. Ik ben ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken.'
Zijn wantrouwige blik veranderde niet. 'Dat zegt u,' zei hij in het Keshisch met een vreemd accent. Hij wendde zich tot de jongens, schreeuwde iets in een taal die ze niet verstond en draaide zich weer naar haar om. 'Nou, als u een beloning of bedankje verwacht, hebt u pech. Mijn jongens en ik hadden de situatie allang onder controle.'
De jongens hadden alles ingepikt, ook de vuile onderkleding van de rover, en lieten hem naakt op de weg liggen terwijl ze achter het paard van de schurk aan gingen, dat een eindje van de weg vandaan stond te grazen.
'Dat lijkt me een goed paard,' zei de man op de bok, en Sandrina wist niet of hij het tegen haar had of in zichzelf praatte. Hij scheen vastbesloten de inhoud van zijn wagen te inspecteren, voor het geval het een van de bandieten op de een of andere manier was gelukt om spullen te stelen terwijl het gevecht gaande was.
Toen hij er uiteindelijk van overtuigd was dat er niets ontbrak, schreeuwde hij naar de jongens, die nogal wat moeite hadden om de merrie mee te krijgen. Het dier scheen de voorkeur te geven aan grazen en leek niet van plan een andere ruiter op haar rug te dulden. Een van de jongens plukte een grote pol gras en hield die het paard voor, terwijl zijn broer snel de leidsels pakte. De merrie zette zich over haar teleurstelling heen en kwam rustig mee.
De menner riep in hun vreemde taal nog wat instructies naar de jongens. Toen ze eindelijk de leidsels van het paard aan de achter kant van de wagen hadden gebonden en waren ingestapt, draaide de oudere man zich om en zag een geduldige Sandrina nog steeds naar hem kijken.
'Wat is er?' wilde hij weten. 'Ik ben niet van plan je te betalen.'
'Ik vraag ook niet om betaling.'
'Mooi, ga dan uit de weg. Ik heb het druk.'
Zuchtend over de onbeleefdheid van de man zei Sandrina: 'Eén vraagje. Kent u het dorp Akrakon?'
'Ja,' antwoordde hij, en met een klap van de teugels zette hij zijn tweespan in gang, dat hij handig om Sandrina heen stuurde.
Terwijl hij langsreed, riep ze: 'Waar ligt het?'
'Je zei één vraag, en die heb ik beantwoord,' kaatste hij terug, waarop de jongens in lachen uitbarstten.
Plotseling ongeduldig wendde Sandrina haar paard en spoorde het aan om de wagen in te halen. Met één snelle beweging stak ze haar hand uit, greep de man bij zijn kraag, trok hem van de bok en smeet hem in de modder.
'Probeer het nog eens,' zei ze met een dreigend sissende stem.
'Ja ja,' bromde de man, die handig omrolde en opstond. Met drie stappen liep hij weer naast de wagen en sprong hij op de bok. 'Akrakon is verderop langs de weg, een mijl of vijf. Je bent er rond het avondeten.'
'Dank u,' zei ze. Ze spoorde haar paard aan tot een trage draf. Ze wilde zo snel mogelijk ver bij die irritante man vandaan komen.
Toen herinnerde ze zich wat de vader-bisschop had gezegd over de dorpelingen hier, dat ze een van de meest irritante stammen van de streek waren. Ze had gedacht dat hij bedoelde dat ze nukkig en opstandig waren, maar misschien had hij gewoon op hun onbeschoftheid gedoeld.
Zoals de man had voorspeld, reed Sandrina rond etenstijd het dorp Akrakon binnen. Twee jongens renden langs haar heen door het centrum van het dorp, misschien op weg naar huis van hun kuddes of akkers en nu uitkijkend naar het avondmaal. Ze haalde hen in en bracht haar paard tot stilstand. 'Is hier ergens een herberg?'
De jongens antwoordden niet, maar een van hen wees over zijn schouder terwijl hij om Sandrina's paard heen rende, en zijn kameraad liep aan de andere kant voorbij. Hoofdschuddend om de on beleefdheid die ze tot nu toe bij deze mensen had gezien, vroeg Sandrina zich af hoeveel informatie ze zou kunnen loskrijgen over wat er in de bergen boven het dorp gebeurde. Misschien moest ze het wel uit hen knuppelen. Ze had nog nooit een streek zoals deze gezien. Sinds ze uit Krondor was vertrokken was ze door mijlen van kustgebieden gereden, maar niets wat hierop leek.
Zowel het Koninkrijk der Eilanden als Roldem maakte aan spraak op de lange strook kustland tussen de zuidelijke oever van de Koninkrijkszee en de bergen die de Pieken van Stilte werden genoemd.
Ze nam aan dat die stilte was voorbehouden aan degenen die ten zuiden van die enorme barrière woonden, want de streek tussen de Koninkrijksstad Timons en Wijzershoofd was allesbehalve stil. Er lagen nog twee andere steden tussen, Diep Tenter en Malvehaven, die allebei autonomie opeisten en weigerden onder een van beide koninkrijken te worden geschaard. De plaatselijke edelen en koop lieden speelden de twee koninkrijken al tientallen jaren tegen elkaar uit, vormden hun eigen bondgenootschappen en ontliepen geregeld toezicht.
Alleen de bergen voorkwamen dat ook Groot Kesh aanspraak maakte op de streek; ze hadden het in het verleden geprobeerd, maar hun poging om het gebied te annexeren had ertoe geleid dat Roldem en het Koninkrijk hun geschillen opzij hadden gezet om de Keshiërs weer naar het zuiden te verdrijven.
Sandrina herinnerde zich uit haar geschiedenislessen vagelijk dat de laatste veldslag meer dan een eeuw geleden was, toen een Koninkrijkse hertog uit Bas-Tyra de Keshiërs uit Diep Tenter had ver dreven. Dat land was rijk aan bossen en akkers, en deze kant van de Pieken van de Quor had weinig begerenswaardigs. Sinds ze noordwaarts vanuit de havenstad Ithra was gereden, had ze niets anders gezien dan rotsen en kiezelstranden. Het was een slecht begaanbare weg, op wel tien plaatsen doorsneden door snelstromende riviertjes die zich vanaf de toppen erboven omlaag wierpen. De wouden die boven haar uittorenden zagen er donker en afwerend uit, en de enige nederzettingen die ze tegenkwam waren vissersdorpjes waar de bewoners met hard werken de kost bij elkaar schraapten.
Sandrina had verwacht een paar landerijen aan te treffen, anders zouden die vissersdorpen eeuwen eerder al verdwenen zijn, maar ze zag geen tuinen of akkers. Ze concludeerde dat ze hun visvangst waarschijnlijk ruilden voor groenten, fruit en andere levensmiddelen. Als er al boerenbedrijven in de streek waren, dan zag ze die niet; maar af en toe leidden sporen en paden de heuvels in en hier en daar zag ze recente wagensporen.
Wat Sandrina nog wel het vreemdst vond, was dat er geen gezag in deze streek was. Als Kesh aanspraak maakte op dit deel van het schiereiland, dan hadden ze er niets geïnvesteerd. Weg waren de gebruikelijke buitenposten en patrouilles, gouverneurs of lagere adel; het leek wel alsof het Keizerrijk deze rotsige kust was vergeten.
Ze reed door het dorp, de meest welvarende nederzetting die ze had gezien sinds haar vertrek uit Ithra, en ze vond het er maar pover. Er waren geen herkenbare winkels; alleen een smidse aan het eind van de straat, met een enorme schoorsteen die rook uitbraakte, en een kraampje dat van een houtbewerker leek te zijn, waarschijnlijk de vatenmaker, wagenmaker, wielenmaker en houtsnijder in één. Het was een heel vreemde plek en het was er te stil, alsof iedereen probeerde zo onopvallend mogelijk zijn of haar ding te doen. Zelfs de kinderen die ze zag waren nors en staarden met argwanende ogen naar haar.
Toen ze bij het aangewezen gebouw aankwam, kon ze amper geloven dat het de herberg was; eerder een groot, bouwvallig huis. Toch stond er een hek voor waar twee paarden aan vastgebonden waren. Ze reed rustig om het gebouw heen, op zoek naar iets wat mogelijk een stal was, maar ze vond alleen een grote kraal met een vervallen schuur erin, waarvan één kant volledig was ingestort. Maar ach, haar paard had wel erger doorstaan.
Sandrina liet zich van het rijdier glijden en tilde het zadel eraf. Ze legde het zadel en hoofdstel op een balk die enigszins werd beschut door wat er restte van het dak en de drie wanden. Snel borstelde ze haar merrie en krabde haar hoeven schoon. Een bron leverde schoon water, en ze haalde wat haver uit de zak die ze achter haar zadel meedroeg.
Toen ze ervan overtuigd was dat haar rijdier zo goed mogelijk verzorgd was, richtte ze haar aandacht op haar eigen behoeften. Ze vermoedde dat ze een bad wel kon vergeten en nam zich voor zich te wassen in de eerste rivier, kreek of stroom die ze tegenkwam. Maar ze hoopte dat haar bed voor die nacht in ieder geval beter zou zijn dan een zak stro.
Ze maakte zich geen zorgen over haar zadel, want haar rijdier was een goed geoefend strijdros. Iedereen die zo dom was om het te benaderen, stond een akelige verrassing te wachten.
Sandrina liep om het bescheiden gebouw heen naar de ingang en duwde de deur open. Binnen was de herberg niet veelbelovender dan buiten. Het lage plafond verleende de ruimte een claustrofobisch aanzien en een lange, smalle toog en een tafel waren de enige voorzieningen om te eten en drinken. Sandrina nam aan dat hier nooit grote bijeenkomsten werden gehouden.
Een deur achterin leek de enige doorgang, en toen er na een tijdje nog niemand was verschenen, riep ze: 'Hallo! Is er iemand?'
Meteen antwoordde een vrouwenstem: 'Wie is daar?'
'Iemand die behoefte heeft aan een maaltijd en een kamer,' riep ze terug, en meer in zichzelf mompelend dan tegen de stem voegde ze eraan toe: 'En een warm bad als dat mogelijk is in dit krot.'
Een vrouw van middelbare leeftijd met een zuur gezicht kwam door de deur achter in de gelagkamer. Ze droeg een eenvoudige grijze jurk, een gevlekt geel schort en een blauwe sjaal over haar grijzende zwarte haar. 'Wat wilt u?' vroeg ze kortaf.
Sandrina kreeg de neiging om te keren, terug te rijden naar Krondor en de vader-bisschop te wurgen. Ze onderdrukte een gefrustreerd en boos weerwoord en zei alleen: 'Iets te drinken. Pils?'
'Geen pils,' zei de vrouw. 'Bier.'
Sandrina knikte. De kroes werd voor haar neergezet en ze nam een slok. Het was slap en zuur, maar het was nat. 'Eten?' vroeg ze nadat ze een derde van de kroes had leeggedronken.
'Er staat homoes op het fornuis. Dat is over een paar minuten klaar.' Sandrina had geen idee wat homoes was, maar ze had op haar reizen vele dingen gegeten en wist dat je van de standaardkost van dorpelingen meestal niet doodging. 'Soms heb ik schapenvlees, maar er was deze week niemand hier om een schaap te slachten. Ik wacht op mijn man en zonen. Ze kunnen ieder moment terugkeren van de handel in Dunam.'
Sandrina knikte. Ze was onderweg vanuit Ithra door Dunam gereden. Het was een klein handelsstadje met een haventje. Ze nam aan dat de dorpsbewoners daar hun goederen lieten verschepen, wat waarschijnlijk was als de herbergier en zijn zonen daarheen gingen om boodschappen te doen. Ze had andere stadjes van dien aard gezien, oude woongemeenschappen die waren overgebleven uit de tijden van de kustzeilers, voordat de grote zeeschepen begonnen te varen en de kleinere havens langs de ooit welvarende handelsroutes wegkwijnden.
Ze keek de oudere vrouw aan. 'Een tweespan, een wagen met een vos en een schimmel ervoor?'
'Dat is mijn Enos,' zei de vrouw. 'Hebt u ze gezien?'
'Ze kunnen nu ieder moment aankomen,' antwoordde Sandrina. 'Ik kwam ze een stukje terug op de weg tegen. Ze waren in gevecht met een paar bandieten.'
'Bandieten! Zwarthoeden?'
'Die ken ik niet,' zei Sandrina, 'maar het waren haveloze lui. Een van hen is dood, en de anderen zijn ervandoor gegaan. Uw man en zoons maken het goed.'
De vrouw bleef ongerust kijken, maar er was opluchting in haar ogen te zien. Het enige wat ze zei was: 'Het eten is bijna klaar. Het bier kost vier koperstukken, de maaltijd twee.'
Sandrina reikte in haar riembuidel en haalde er een zilveren reaal uit. Koninkrijks zilver was in dit deel van de wereld even goed als Keshisch geld. 'Ik heb een kamer nodig.'
De vrouw knikte toen ze de zilveren munt van de toog veegde. 'Ik heb een kamer hierachter.'
'Bad?'
De vrouw schudde haar hoofd. 'U kunt baden in de kreek. Niemand zal u lastigvallen.'
Sandrina rolde met haar ogen, maar ze zei niets. Het bed zat waarschijnlijk vol stro en beestjes. Nou, het was beter dan op de grond naast haar paard slapen. 'Hebt u vers hooi of haver voor mijn paard?'
'Als mijn man thuis is,' was het antwoord. 'Hij is inkopen gaan doen. De meeste spullen raakten op.'
Er klonk iets van bezorgdheid in de strenge stem van de vrouw door, en Sandrina vroeg zich af waarom, vooral aangezien de vrouw net had gehoord dat haar man bijna veilig thuis was. Sandrina was door de jaren heen in tientallen dorpen zoals dit geweest en had een intuïtie ontwikkeld voor wanneer alles zijn normale gang ging en wanneer niet. Er was hier iets niet in de haak, en misschien had het wel iets met haar missie te maken. 'Nou,' zei ze, 'dan ga ik me snel afspoelen. Zou u een van uw zoons willen vragen voor mijn paard te zorgen als ze hier aankomen?'
'Dat kost extra,' antwoordde de vrouw meteen.
'Waarom sta ik daar niet van te kijken?' mompelde Sandrina. Ze haalde nog een zilveren munt uit haar buidel en legde die op de toog. 'Ik blijf misschien twee of drie dagen. Als er nog meer kosten zijn, laat u het me maar weten.'
Sandrina liep het gebouw uit en passeerde de schuur. Ze haalde een bundeltje uit haar zadeltas en stak een kleine zuidelijke weide over. Niemand hoefde haar te vertellen waar de kreek was, want ze had de laatste vijf mijl tot aan het dorp langs de noordoever van het riviertje gereden.
Ze vond het al snel en merkte tevreden op dat het er afgelegen en beschut was. Ze trok haar mantel en de tabberd van de orde uit, en liet die allebei op de grond vallen. Haar zware leren handschoenen gooide ze boven op de mantel. Toen deed ze haar helm af en legde die op de grond ernaast. Het maliënhemd met kap was lastig in haar eentje uit te trekken, en ze wist dat ze er belachelijk uitzag terwijl ze zich vooroverboog en probeerde het van zich af te schud den. Er was één voordeel aan tempelridder zijn in plaats van ridder-adamant, en dat was dat je een jonker had om je te helpen. Sommige reizende ridders hadden ook jonkers, net zoals sommige bedelmonniken van haar orde acolieten hadden, maar zij gaf de voorkeur aan de eenzaamheid.
Toen ze haar hoofdkap, tuniek, broek en onderkleding had uit getrokken, waadde ze het riviertje in.
Telkens als ze in de buitenlucht baadde, kwamen bij Sandrina de conflicten en tegenstellingen van haar lichaam boven. In de besloten badruimte van tempels of in de badkamer van een herberg was ze beschut en had ze er geen last van, maar buiten voelde ze zich zichtbaarder, hoewel ze ook meer zichzelf kon zijn in de natuur.
Ze was blij dat ze vrouw was, maar het voelde voor haar toch altijd als een last. Ze walgde van de mannen die haar in haar jeugd hadden gebruikt, maar af en toe verlangde ze naar de tedere handen van een man op haar lichaam. Ze wist dat mannen haar mooi von den, dus verstopte ze zich onder een pantser en wapens en wees ze de verlokkingen van haar vroegere beroep af. Weg waren de zalven en kleuren, de zachte zijde en juwelen. Haar gezicht verborg ze achter een gelaatsmasker, en haar lichaam onder een pantser en tabberd.
Ze zuchtte terwijl ze haar haren inzeepte met de dure Keshische zeep die ze vorig jaar had gekocht. Toen wachtte ze even en genoot in de koele bries zo veel mogelijk van de lichte geur van lelies die de zeepmaker in zijn product had gestopt. Het stuk zeep was bijna op, en ze besloot er onderweg terug naar Krondor nog een te kopen; het was haar enige luxe in een verder sober bestaan.
Met een onverwachte steek van verdriet vroeg ze zich af of haar leven zou eindigen in bloedvergieten en pijn, of dat ze misschien na dit leven een ander leven kon beginnen, misschien met een goede man, en kinderen. Ze schudde gefrustreerd haar hoofd en zette het vertrouwde gevoel van zinloosheid opzij. De godin beproefde haar gelovigen vaak, en twijfels waren te verwachten; de priesters en priesteressen hadden haar op dit soort momenten voorbereid, maar toch was het moeilijk.
Op een vlakke rots begon ze haar vuile reiskleding te wassen volgens de methode die broeder Mathias haar had geleerd: goed natmaken, tot een strak touw draaien en dan met dat touw zo hard mogelijk op de rots slaan. Dan was het een kwestie van blijven natmaken, draaien en slaan tot het kledingstuk schoon was. Ze had geen idee hoe het kwam dat haar kleren daar schoon van werden, maar de methode werkte. Toen gaf ze bij zichzelf toe dat ze ook niet wist hoe het kwam dat je van zeep schoon werd, maar ze stelde zich er tevreden mee te accepteren dat het zo was. Na nog een paar minuten driftig slaan hing ze haar kleren aan een boomtak om uit te lekken.
Sandrina negeerde de bergbries waar ze kippenvel van kreeg en wachtte geduldig tot ze droog genoeg was om schone kleding aan te trekken. Dit was het onderdeel waar ze de grootste hekel aan had, want voorlopig kon ze niets anders doen dan zich door de wind te laten strelen. Ze wenste dat ze een handdoek had en besefte dat ze echt veel liever naar een plek was gestuurd waar in ieder geval een tobbe en warm water beschikbaar waren.
Uiteindelijk trok ze schoon ondergoed en een schone tuniek, een maillot en een broek aan en bond een schone hoofddoek om haar haren zodat die niet in haar maliënkap bleven haken.
Zodra ze aangekleed was, zuchtte ze diep en trok haar laarzen aan. Wederom wenste ze dat ze een jonker had terwijl ze worstelde met die koppige dingen.
Tegen de tijd dat ze klaar was, droop het wasgoed aan de boom niet meer, maar het was nog doornat. Ze pakte de kledingstukken bijeen en droeg haar lading de heuvel op naar de herberg, met haar helm onder haar arm en haar strijdknots in haar linkerhand.
Toen ze bij de deur aankwam, zag ze een ander paard in het schuurtje staan, naast dat van haar, en ze herkende het rijdier van de dode schurk. Bij de achterdeur stond de wagen, die werd gelost door de twee jongens die ze eerder die dag was tegengekomen. 'Als een van jullie zorgt dat mijn paard een zak haver krijgt, krijgt hij een koperstuk van me,' riep ze hun toe.
De jongens keken elkaar aan, alsof ze het aanbod afwogen tegen hoe boos hun vader zou zijn als ze het lossen van de wagen onder braken. Zwijgend knikten ze. Toen staken ze hun vuisten op, pomp ten die twee keer op en neer en bij de derde pomp schreeuwde een van de jongens: 'Oneven!' terwijl de ander riep: 'Even!'
De jongen die 'even' had geroepen, glimlachte en sprong van de wagen, tilde een zak haver van de grond en rende ermee naar de vervallen schuur. De andere wierp een boze blik op Sandrina, maar hij zei niets en ging verder met zijn werk.
In de herberg spreidde Sandrina haar mantel uit over de rugleuning van een stoel dicht bij het vuur en legde haar natte tuniek, broek, maillot en onderkleding ernaast op de vloer.
'Het eten is klaar,' meldde de vrouw toen ze uit de keuken kwam. Als ze er al bezwaar tegen had dat de gast haar kleren voor het vuur liet drogen, dan sprak ze dat niet uit.
Sandrina zette haar ransel en wapens onder de tafel, zodat ze er gemakkelijk bij kon.
Ze keek om zich heen en zag dat er inderdaad maar twee deuren waren, een vooraan en een achter in het gebouw, waar ze aannam dat zowel haar kamer als de keuken en de vertrekken van het gezin zelf waren. Dit was niet de slechtste herberg waar ze ooit was ge weest - die eer ging naar een bouwval in Kesh - maar het kwam er dicht in de buurt.
Toen de vrouw weer verscheen, liepen haar man en twee zoons achter haar aan naar binnen. Terwijl het eten voor Sandrina werd neergezet, zei de man: 'Jij. Van onderweg.'
Ze knikte, niet helemaal zeker of het een beschuldiging of een vraag was.
'Je zei dat je mijn jongen een koperstuk zou betalen om je paard te voeren.'
'Ja.'
'Geef maar aan mij.'
Sandrina protesteerde niet, maar pakte de munt en legde die op tafel. De man griste hem op. 'Dat is voor zijn werk. De haver kost er ook twee.'
Ze legde een zilverstuk op tafel en zei: 'Voor vandaag en morgen. Als ik langer blijf, zal ik vooruitbetalen.'
De man knikte. 'Ik ben Enos, dit is Ivet, en mijn jongens heten Nicolo en Pitor. Je kamer is aan het eind van de gang.'
Sandrina knikte. 'Mijn tempel had meldingen over bandieten ontvangen. Ik zie dat die kloppen.'
De man had zich omgedraaid, maar nu keerde hij zich weer naar haar om. 'Waarom weet jouw tempel hiervan? Wie heeft het ze verteld?'
Sandrina was een beetje verbaasd over zijn vragen. De man scheen er eerder over in te zitten hoe de informatie bij de Tempel van Dala was aangekomen, dan blij te zijn dat er iemand was gekomen om te helpen.
'Maakt dat uit?'
Enos haalde zijn schouders op.
'Ik weet het niet. Ik ben hierheen gestuurd door mijn vader-bisschop. Het schijnt dat het Keizerrijk het elders te druk heeft om jullie te beschermen.'
'Ons beschermen?' vroeg Enos met een bittere, blaffende lach. 'De belastinginners zijn nog erger dan bandieten. Ze komen, ze innen, ze vertrekken. Ze doen niks voor ons. Piraten en bandieten; smokkelaars en...' Hij brak zijn zin af. 'We hebben geen hulp nodig. We redden ons best.'
Sandrina woog haar woorden zorgvuldig af. 'Dat geloof ik wel, en ik ben ook niet hier om jullie te helpen.'
De man kneep zijn ogen tot spleetjes alsof hij haar niet begreep, maar hij zei niets.
'Ik ben hier om informatie voor mijn tempel te verzamelen.'
'Wat voor informatie?' vroeg Enos wantrouwig.
'Waarom dit afgelegen dorp wordt lastiggevallen,' antwoordde Sandrina.
Enos en Ivet probeerden hun schrik te verbergen, maar de jongens verbleekten van angst. Er was hier iets helemaal niet in de haak, en Sandrina had het gevoel alsof ze een stok in een horzelnest had gestoken.
Ze hoefde de plotselinge blik van paniek die over de gezichten van het gezin trok niet te zien als waarschuwing dat er iets stond te gebeuren. Ze had in de afgelopen paar dagen te veel onplezierige ontmoetingen gehad om geheel te worden verrast, maar ze had haar aanvaller te dichtbij laten komen.
Ze stond op, schopte met een soepele beweging haar stoel naar achteren, tilde de tafel op en kieperde die om. Ze hurkte en had haar strijdknots al in de hand voordat ze zich omdraaide. De stoel had de man tegen zijn benen geraakt en hem net genoeg vertraagd om klaar voor hem te zijn toen hij met zijn zwaard naar haar uithaalde om haar hoofd af te hakken.
Hij had niet verwacht dat ze zo snel zou zijn en was van zijn stuk gebracht terwijl hij zijn evenwicht probeerde te hervinden... net voordat haar strijdknots tegen zijn slaap belandde. Door de klap vloog de man opzij en dreunde tegen de vloer. Zijn zwartleren hoed rolde van zijn hoofd.
Sandrina had al veel mensen tegen de vlakte zien gaan, en ze wist dat deze man geen vragen meer zou beantwoorden. Het was niet haar bedoeling geweest hem te doden, maar haar strijdreflexen had den het overgenomen.
Ze onderzocht het lijk. Haar aanvaller droeg een roodbruine tuniek, een zwarte broek en zwartleren laarzen. Zijn zwarte mantel werd dichtgehouden door een gouden speld die meer bij een edele paste dan bij functionele reiskleding, dus ze nam aan dat hij die had gestolen.
De zijkant van zijn hoofd was ingeslagen, er liep bloed uit zijn neus en oren en zijn gezicht was vertrokken van verbazing. Zijn ogen waren helblauw geweest, maar er was iets met de ogen van de doden waardoor ze er voor Sandrina altijd grijzig uitzagen, wat de oorspronkelijke kleur ook was geweest.
Hij droeg geen riembuidel, geen aanwijzingen over zijn identiteit, alleen een gewone dolk. Het enige andere persoonlijke voorwerp dat ze vond was een ketting om zijn hals met een gebalde vuist eraan, van zwart metaal of iets dergelijks gemaakt.
Ze pakte de leren hoed van de man op en wendde zich tot Enos en zijn gezin. 'Een Zwarthoed, neem ik aan?'
Enos' ogen werden groot van angst en hij scheen geen woord te kunnen uitbrengen. Hij knikte alleen.
Sandrina stond op, zette de tafel en stoel overeind en ging weer zitten, zonder nog naar het lijk op de vloer te kijken. 'Ik denk dat jullie me maar eens wat dingen moeten vertellen,' zei ze.
'We gaan er allemaal aan,' fluisterde Enos ijl.