12


Overleven

 

Het enige wat ze voelde was pijn.

Een vaag gevoel spoorde Sandrina aan om iets te doen, maar ze kon niet helemaal bevatten wat het kon zijn. Ze kon amper ademhalen en de pijnscheuten bleven als hete messen door haar lichaam steken. In de verte kreunde iemand.

Ze kwam bij door de pijn achter haar ogen en ze dacht dat ze handen onder haar hoofd voelde om het op te tillen. Ze waren sterk maar voorzichtig. Water raakte haar lippen.

Dorst. Haar keel was uitgedroogd en haar ogen voelden aan alsof er scheppen zand in zaten. Ze probeerde ze te openen, maar dat kostte gewoon te veel moeite. Een stem mummelde zachtjes: 'Ah, ik denk dat je het wel overleeft.'

Weer tilde een ferme maar tedere hand haar hoofd op en proefde ze water. Ze dronk gulzig, en toen keerde de pijn terug.

Ze kreunde toen ze opnieuw probeerde haar ogen te openen en haar dat eindelijk lukte. Ze zag wazig en beelden werden afwisselend helder en weer vaag terwijl ze probeerde de lichte en donkere vormen voor zich te ontwaren.

'Langzaam,' zei een mannenstem zachtjes.

Sandrina dronk nog wat water toen dat aan haar lippen werd gezet. Het smaakte metalig en ze besefte dat ze waarschijnlijk haar eigen geronnen bloed proefde. Ze probeerde zich te bewegen, maar toen trok de pijn weer door haar lichaam.

Ze huilde er bijna van. Er was geen enkel deel van haar dat geen pijn deed; het was erger dan alles wat ze zich kon herinneren, en ze had in haar leven behoorlijk wat verwondingen opgelopen. Ze knipperde met haar ogen toen ze een vochtige doek op haar gezicht voelde, die zachtjes over haar oogleden streek.

Vormen begonnen herkenbare dingen te worden en ze zag dat ze in een schemerig verlichte grot was. Een enkele vlam, van een lont die in een kommetje olie dreef, wierp een geel licht over een verder grijs-met-zwarte omgeving. Ze kon nog altijd het gezicht van de gestalte die naast haar zat niet zien, want de vlam bevond zich achter hem.

Bijna fluisterend zei hij: 'Misschien overleef je het toch.'

'Wat is er gebeurd?' wilde ze vragen, maar haar woorden waren nauwelijks meer dan een zucht.

'Ik zal maar doen alsof ik je begrijp,' zei hij. Hij ging op een deken op de vloer van de grot zitten, naast de lamp. Ze kon hem nu zien, hoewel het zicht in haar linkeroog nog wazig was. Als ze het een beetje dichtkneep, zag ze er beter mee.

Hij zag er stokoud uit, maar zijn aanraking had iets sterks gehad, waardoor ze wist dat deze man ondanks zijn leeftijd nog steeds kracht had. Zijn gelaat was verweerd, hij had een scherpe neus en diepliggende ogen onder een breed voorhoofd, en zijn stevige ka ken waren bedekt met een grijze baard. Hij was niet knap, maar ze kon zich indenken dat hij in zijn jeugd wel een zekere aantrekkingskracht had gehad. Sommige vrouwen vonden iemand als hij aantrekkelijker dan een knappe man.

Zijn handen werkten terwijl hij tegen haar sprak. 'Iemand wilde jou heel graag dood hebben.' Hij zweeg even terwijl hij overpeinsde wat hij nu aan de kom water voor zich moest toevoegen. 'Je bent een paar keer gestoken, uitgekleed en van het klif gesmeten.'

Sandrina kon zich amper bewegen. Haar lichaam was dik ingezwachteld met wat aanvoelde als oude vodden. Ze stonk naar iets wat ze niet kende en had nauwelijks kracht genoeg om te praten. 'Wie... ben jij?'

'Ik?' vroeg de oude man glimlachend. 'Ik bemoei me met mijn eigen zaken. De mensen hier houden niet van vreemdelingen.'

'Dat heb ik... gemerkt,' zei ze. Ze liet haar hoofd naar achteren zakken en haar ogen dichtgaan. 'Ik...'

'Jij moet rusten,' zei hij. 'Ik heb je drie dagen geleden uit het water gevist. Ik wist niet of je het zou redden.' Grinnikend voegde hij eraan toe: 'Je bent een wrak, meisje.'

Terwijl ze voelde dat ze wegdreef, fluisterde ze: 'Dat heb ik vaker gehoord.'

 

De tijd verstreek met afwisselende perioden van droomloze slaap en korte momenten van bewustzijn. Sandrina wist dat ze de man minstens één keer had gesproken, misschien wel vaker, maar ze kon zich niets herinneren van wat er was gezegd. Uiteindelijk werd ze wakker met een helder hoofd, hoewel het nog wel bonsde toen ze probeerde te gaan zitten. Ze lag onder een stapel bontvellen, van zeehonden of otters, op een berg vuile vodden. Haar bloedige tab berd was opgerold en deed dienst als kussen. Ze besefte dat ze naakt was, op de vodden die als zwachtels dienden na. Ze maakte zich niet druk over haar zedigheid, want het verband bedekte het grootste deel van haar lichaam. Alles deed vreselijk veel pijn en ze maakte een snelle inventaris. Ze had minstens tien snijwonden, enkele daarvan diep. Ze tilde het verband om haar been een stukje op en zag er een paarse wond onder die ruwweg was gehecht. Uit het schrijnende gevoel in haar rug leidde ze af dat ze daar een diepe wond had, en toen ze moest hoesten viel ze bijna weer flauw van de pijn.

Ze haalde diep adem, en ook dat deed pijn. Maar in plaats van het rauwe, stekende branden van een nieuwe wond was dit de matte, constant zeurende pijn van de genezing. Ze wenste niet voor het eerst dat ze een gave had voor krachtige genezingsbezweringen. Ze had haar herstel kunnen bespoedigen als de wonden niet al te erg waren, maar daarvoor had ze concentratie en kracht nodig, en die had ze momenteel geen van beide.

Ze was alleen. Sandrina worstelde zich nog wat verder rechtop en legde een bontvel achter haar rug om tegen de grotmuur te kunnen leunen. Het was een uitputtende klus, maar het lukte. Ze was het beu om te liggen. En ze had vragen waar ze antwoord op wilde hebben.

Ze dommelde in, en toen ze haar ogen weer opende zat de oude man naast het vuur om water te koken. Hij keek haar aan en grijns de. 'Krab!' riep hij enthousiast. 'Ik dacht dat je wel iets anders dan soep zou lusten.'

Hij had een interessante kookpot gemaakt van harde, gelooide huiden die hij over een houten raamwerk had gespannen zodat ze een grote, ondiepe kom vormden. Ze had nog nooit zoiets gezien en stond ervan te kijken dat het ding geen vlam vatte boven het vuur, maar ze zag in dat zolang er genoeg water in zat en het vuur het hout niet raakte, het water zou gaan stomen en uiteindelijk koken; de huid zou alleen maar verschroeien en niet branden.

Zwakjes vroeg ze: Waar heb je krab gevonden?'

Hij wees naar de grotingang. 'Er is een poel onder aan de rotsen; als het water hoog staat, zwemmen ze erin. Soms ook goeie vis, die achterblijft bij laagtij, maar die moet ik met de hand vangen, dus daar is moeilijker aan te komen. Die krabben,' - hij maakte een schepbeweging met zijn hand - 'schep je gewoon van achteren op, dan kunnen ze je niet bijten.' Hij reikte in een zak, plukte er een grote krab uit en liet hem in het kokende water vallen. Schouderophalend zei hij: 'Geen boter,' en toen lachte hij alsof het een heel goede grap was. Hoe dankbaar Sandrina ook was voor haar leven, het was overduidelijk dat haar redder een beetje gestoord was.

'Hoe heb je me gevonden?' vroeg ze met een raspende stem.

Hij onderbrak zijn werk, schuifelde naar haar toe en pakte een waterbuidel. 'Deze had ik hier voor je achtergelaten, maar je hebt hem niet gevonden.' Hij hield de buidel aan haar lippen en ze dronk er gretig uit. Het water smaakte bitter van de mineralen en doordat het leer slecht was gelooid, maar het leste haar dorst.

Hij ging weer terug naar zijn plaats bij het vuur, keek een tijdje naar zijn provisorische kookpot en zei toen: 'Ik was op zoek naar krabben en zag jou op de rotsen liggen. Je was bijna dood, dus heb ik je hierheen gedragen.'

Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Hij zag er niet sterk genoeg uit om haar te dragen, maar ze had al heel vroeg geleerd dat uiterlijke schijn kon bedriegen. 'Het laatste wat ik me herinner is dat ik een sluipmoordenaar heb gedood, of misschien twee, en dat er toen ineens iemand achter me stond.' Ze zweeg een tijdje. 'Ik ben over moedig geweest.'

De oude man lachte met een schel, blaffend geluid. 'Ik heb hele maal geen moed! Ik ben een muis! Ik verstop me in spleten en kloven, achter de muren en onder de vloer!'

'Je leeft nog,' merkte Sandrina op toen de oude man met een paar stokjes een krab uit het kokende water viste. Hij rolde een slecht gelooide huid uit, pakte een steen en sloeg een paar keer op de krab tot de dampende binnenkant ervan blootlag. Toen bracht hij het provisorische bord naar haar toe en legde het op haar schoot.

'Ja, ik leef nog,' zei hij met iets van bitterheid in zijn stem. 'Ik leef nog,' herhaalde hij.

'Wie ben je?' vroeg ze opnieuw.

'Wie ik ben?' Hij ging naar achteren zitten alsof hij over die moeilijke vraag moest nadenken. 'De dorpelingen noemen me de kluizenaar, als ze al toegeven dat ik besta.' Hij keek om zich heen alsof hij door de muren van de grot heen kon kijken. 'Ik ben lang geleden van over de bergen gekomen.'

'Hoe lang geleden?'

'Heel lang,' zei hij simpelweg, alsof dat verklaring genoeg was.

'Heb je ook een naam?'

Weer keek hij alsof hij hierover na moest denken. Uiteindelijk zei hij: 'Vroeger wel, maar hij is al zo lang door niemand meer gebruikt dat ik me eigenlijk niet meer kan herinneren wat hij was.'

Ze verschoof een beetje en voelde een pijnscheut in haar zij. 'Ribben?'

'Ik denk dat ze je een paar flinke schoppen hebben verkocht. Ruthia moet over je hebben gewaakt,' zei hij, verwijzend naar de godin van het geluk.

Ze lachte, maar daar kreeg ze meteen spijt van. Het deed overal pijn.

'Nee, je had eigenlijk dood moeten zijn,' zei de oude man, heftig knikkend. 'Zes diepe wonden, allemaal dodelijk, en toch leef je nog. En een hoop andere wonden waardoor je had kunnen doodbloeden. Ik denk dat ze je bewusteloos hebben geslagen, je hebben uitgekleed en je toen met messen hebben bewerkt. Ik denk dat ze boos op je waren.'

'Nou, ik heb er een gedood, en waarschijnlijk nog een ander ook.'

'Ja,' zei hij knikkend, 'daar zullen ze dan wel boos om zijn ge weest. Nadat ze je kleding en wapens hadden afgepikt, hebben ze je over het klif gesmeten; ze dachten vast dat je al dood was. En je had ook eigenlijk op die rotsen moeten sterven, maar het was hoogtij en je belandde in de enige diepe poel in de hele omgeving.' Weer knikte hij heftig. 'Ruthia!'

'Ik zal zo snel mogelijk een offer brengen bij haar altaar.' Dat was geen grapje, want ze nam haar plichten heel serieus, ook al zagen haar orde en die van Ruthia de wereld op een heel andere manier: de orde van Dala zocht evenwicht, terwijl die van Ruthia chaos en onbalans als natuurlijk aanvaardde.

'Dat is een goed idee,' beaamde de kluizenaar. 'Het water was heel koud, en dat heeft denk ik het bloeden gestelpt; en je hebt er maar eventjes gelegen, anders was je verdronken voordat je op de rotsen aanspoelde. Ik heb je gevonden en hierheen gebracht.' Hij stak zijn hand naar haar uit, met iets erin wat leek op een bundel huiden en bontvellen. 'Kijk, dit heb ik voor je gemaakt.'

Niet geheel zeker wat hij haar aanbood, zei ze: 'Dank je.'

'Je kunt het aantrekken als je je beter voelt.'

Toen drong het tot haar door: ze was meer dan twee weken rijden van de dichtstbijzijnde tempel vandaan, en zelfs als er Keshisch gezag in de buurt was, wat niet zo was, dan zouden ze geen belang stelling hebben voor een meisje dat in rafelige huiden gehuld was en beweerde een ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken te zijn. Te voet was het een maand reizen naar een plek waar ze hulp kon vinden. Zelfs als ze weer op krachten was en kon lopen, zou ze zonder wapens of geld nauwelijks kans maken om de tempel in Ithra te bereiken.

Ze liet zich naar achteren zakken, slaakte een zucht en knabbelde aan het krabbenvlees. Het was verbazingwekkend goed van smaak, al was het een beetje zout.

'Wat is er?' vroeg hij toen hij haar zucht hoorde.

'Ik zal degenen moeten zoeken die me dit hebben aangedaan.'

Hij keek haar aan alsof zij de gek was. 'Waarom?'

'Ze hebben mijn wapens en kleren, en een heel goed paard. Die wil ik terug.'

Hij lachte blaffend, stopte even, en barstte toen opnieuw in hartelijk lachen uit. Een tijdje later zei hij: 'Ach, zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd. Je vraagt een heleboel van Ruthia na alles wat ze al voor je heeft gedaan.'

'Misschien wel,' antwoordde Sandrina. 'Maar als ik klaar met ze ben, zullen zij degenen zijn die om genade smeken.' Ze at nog wat krab en de kluizenaar hield zijn mond.

 

De dagen verstreken en uiteindelijk kreeg Sandrina weer wat tijdsbesef terug. Ze wist niet hoe lang ze al in de grot was, maar ze vermoedde minstens drie weken, en misschien wel een maand. Ze zou hier een verzameling lelijke littekens aan overhouden, want de kluizenaar had haar gehecht met ruwe vezels, mogelijk van zeewier gemaakt. Ze was in de loop der tijd opgelapt door allerlei soorten genezers, door priesters in tempels met de beste magie tot dorps medicijnvrouwen met hun kompressen en thee. Ze vond het merk waardig grappig dat ze nu, na erger te zijn verwond dan ooit, her stelde dankzij de meest primitieve verzorging die ze ooit had gehad.

Terwijl ze haar hechtingen eruit begon te pulken met een visgraat - althans de hechtingen waar ze bij kon - bracht ze zichzelf in herinnering dat ze de kluizenaar moest bedanken, en haar godin, en misschien ook Ruthia. Het feit dat ze nog leefde bewees dat een goedaardige kracht over haar waakte.

Toen de kluizenaar terugkeerde had ze alle hechtingen waar ze bij kon verwijderd. Ze reikte hem de visgraat aan en wees naar haar blote rug. Hij knikte, ging zitten en haalde snel de hechtingen eruit. Ze voelde wat bloed opwellen en het deed nog een beetje pijn, maar nu kon ze zich tenminste wat vrijer bewegen.

Ze trok de ruwe jurk aan die hij voor haar had gemaakt. 'Zo, dat is beter.'

'Ik zou zelf nog wat langer hebben gewacht; sommige van die wonden waren heel diep,' zei de kluizenaar bezorgd.

'Ik heb verstand van wonden, en ook van mijn lichaam,' kaatste Sandrina terug. 'Die hechtingen zouden een probleem zijn geworden als ik ze nog langer had laten zitten.' Ze maakte een handgebaar naar de grot. 'Je hebt hier niet veel chirurgisch gereedschap.'

Hij vond dat heel grappig en lachte erom. 'Vroeger wel.' Toen zweeg hij. Hij hield zijn hoofd schuin alsof hij iets hoorde. 'Of toch niet?'

Wat er ook lang geleden met die man was gebeurd, zelfs hij wist het niet meer. Een tragedie, een ziekte of een wraakzuchtige god, wat de oorzaak ook was, het grootste deel van zijn geheugen en gezonde verstand was weg. Toch was hij vriendelijk geweest tegen een vreemde, zonder hoop op vergoeding. Ze wilde hem belonen, maar ze had helemaal niets. Hij had haar zo naakt als op haar ge boortedag gevonden, en even hulpeloos.

Ze vond dat ze bij hem in het krijt stond. 'Zodra ik wraak heb genomen op die moordenaars, kan ik dan iets voor je doen?'

Hij zweeg lange tijd peinzend. 'Ik wil graag een echte kookpot.' Zijn ogen werden groot en hij rechtte zijn rug. 'Nee, een ketel!' Hij knikte gretig. 'Ja, een mooie ijzeren ketel!' Zijn ogen werden nog groter. 'En een mes! Een mes waarmee ik mijn vangst kan villen! Ja, dat zou geweldig zijn.'

Sandrina voelde haar hart breken. Zijn wensen waren zo bescheiden en ze was geroerd door zijn dankbaarheid om de mogelijk lege belofte van zulke kleine schatten. 'Die krijg je, en meer ook,' fluisterde ze.

Het bleef stil in de grot terwijl hij het vuurtje aanwakkerde dat hij overdag afgedekt hield; de zon ging onder en weldra zou het heel donker zijn. Ze ging liggen en sloot haar ogen. Ze had rust nodig. Over een dag, hooguit twee, moest ze uit deze grot weg; er moesten een paar mannen met zwarte hoeden dood.

 

Sandrina tilde de tak op. De provisorische knuppel was haar enige wapen, en ze voelde zich nog bloter in de otterhuiden die ze droeg dan toen ze naakt was geweest. Slapen onder een stapel vodden was één ding, ze dragen in plaats van een pantser was iets heel anders.

Ze was zo sterk als ze had kunnen worden op haar recente dieet van krab, schelpdieren en af en toe een wortel die de kluizenaar had gekookt. Ze kon nog steeds wel een goede maaltijd gebruiken, maar ze wist dat ze die niet zou krijgen tot ze van deze verwondingen genas en haar pantser en kleding terug had. Ze hoopte dat haar paard in orde was; het was een van de beste dieren die ze ooit had gehad. De merrie was betrouwbaar, goedgeluimd, en gemener dan een taveernerat als het moest.

Sandrina naderde de achterkant van de taveerne, de laatste plek die ze zich herinnerde en het logische beginpunt om naar haar aanvallers te zoeken. Ze hoopte dat Enos en zijn gezin het goed maak ten, hoe onaardig ze ook tegen haar waren geweest.

Er brandde geen licht. Het schemerde, en zelfs als er geen gasten waren had Ivet in de keuken moeten staan om een maaltijd voor haar man en zonen klaar te maken. Tegen de tijd dat Sandrina bij het raam was, wist ze intuïtief dat er iets met het gezin was gebeurd.

Snel liep ze naar de enige deur aan de achterzijde van het gebouw. De deur stond open, en in de keuken vond ze het eerste lijk. De vrouw lag op de vloer, met haar hoofd in een vreemde hoek gedraaid. Sandrina leidde hieruit af dat iemand haar van achteren had besprongen en haar nek had gebroken. Haar kleding was intact, dus ze was in ieder geval niet eerst verkracht. Sandrina wist dat dood dood was, maar het was in ieder geval snel en vrij pijnloos gebeurd.

De ridder-adamant had geen idee waarom Ivet was vermoord. Misschien omdat ze een kamer en voedsel had aangeboden aan een reiziger of om ervoor te zorgen dat niemand erachter kwam wie de reizende ridder had vermoord, of misschien gewoon voor de lol. Ze wist zeker dat de vader en zonen ergens anders in de herberg zou den liggen. Ze vroeg zich af of er misschien nog wat van die arme tierige wapens lagen die ze de mannen tegen de bandieten had zien gebruiken.

De drie zwaarden en een gebutste beukelaar lagen in de voorraadkast. De wapens waren zo slecht dat de moordenaars ze hadden laten liggen, ook al hadden ze al het eten uit de herberg gestolen. Ze vond één zak gierst. Zelfs bij de gedachte aan dat simpele graan liep het water haar in de mond. Ze inspecteerde de zak in het karige licht en zag dat de gierst nog niet geroosterd was. Dat betekende dat ze een pan zou moeten zoeken, een vuur maken en water koken... Ze smeet de zak opzij en vervolgde haar zoektocht.

In een andere hoek van de keuken vond ze een bord met een appel erop. Hij was al oud maar nog steeds eetbaar, en Sandrina had hem binnen een paar tellen op. Ze zuchtte. Waarschijnlijk zou ze over een paar uur dood zijn, maar als ze het wel overleefde zwoer ze dat ze nooit meer zo'n honger zou hebben.

Ze liep naar buiten met de beukelaar en het beste van de drie zwaarden — veel te bot - en liep naar het raam waardoor ze de mannen die ze had gedood de eerste keer had gezien. Aangezien ze in de schuur was toen ze van achteren werd neergeslagen, nam ze aan dat degene die haar zijn kameraden had zien doden... daar had gestaan. Ze hield dat punt in gedachten en haastte zich ernaartoe. Vanwege de tijd tussen haar korte gevecht en het moment dat ze zelf was aangevallen was dit de meest logische plek waar haar aanvaller had staan kijken. Ze keek om zich heen in het schemerlicht. Straks zouden de manen opkomen en zou ze kunnen reizen, maar nu moest ze eerst bepalen waar ze naartoe moest.

Ze wachtte geduldig tot de grote maan opkwam, snel gevolgd door de middenmaan. De kleine maan zou pas over enkele uren opkomen, dus hoewel het Driemaanslicht nog niet beschikbaar was, zou ze voldoende kunnen zien om haar weg te vinden. Ze keek naar de uitlopers van de oostelijke bergen achter de herberg, speurend naar paden of sporen. Terwijl de manen hoger boven de bergen rezen bleef het landschap eronder gehuld in schaduwen. Na bijna een uur zoeken zag ze iets: een kloof tussen twee lage heuvels en een helling die langzaam opsteeg naar wat een opening in de bergen leek. Als er nevel of regen was geweest, zou ze die plek over het hoofd hebben gezien.

Ze draafde naar het pad toe en hoopte dat ze het voor zonsopgang zou bereiken. Op dit ogenblik kon ze de afstand niet inschat ten, en haar geheugen werkte nog niet goed. Dingen die ze zich met gemak zou moeten herinneren wilden niet bovenkomen. Ze had dat probleem al eerder gehad na een klap op haar hoofd, en ze had bijna zeker haar hoofd tegen de rotsen gestoten toen ze viel. Die moorddadige smeerlappen hadden veel uit te leggen.

Ze hief haar armetierige zwaard op en wist dat ze ook achter hen aan zou zijn gegaan als een boomtak haar enige wapen was geweest.

 

De zon was al bijna twee uur op toen ze op de sporen van zes of zeven paarden stuitte, een ervan bijna zeker van haar eigen paard. Ze was niet echt een deskundige spoorzoeker, hoewel ze genoeg door het platteland had gereisd om sporen enigszins te kunnen duiden, en ze wist dat ze op de juiste weg zat. Ze liep door, maar ze moest veel vaker rusten dan haar lief was. Haar verwondingen en een gebrek aan goed voedsel hadden haar veel meer verzwakt dan ze wilde toegeven, en ze wist dat haar dromen van simpelweg hun kamp binnenlopen en die schurken uitschakelen alleen maar dromen waren. Ze had haar tempelmagie, maar ze had die nooit geprobeerd te gebruiken terwijl haar concentratie zo slecht was. Toch hadden de priesters, monniken en zusters van haar orde de bezweringen en mantra's er bij haar in gestampt, en het waren bezweringen waar niet mee te spotten viel als ze die met haar woede kon voeden. Het kon mislukken, maar als ze stierf, zou ze hen met zich meenemen... De zielspoort! Plotseling herinnerde ze zich dat ook die verdwenen was, want hij had bij de andere voorwerpen in haar riembuidel gezeten. Ze vervloekte zichzelf. Ze kón niet vechtend ten onder gaan, nog niet althans. Haar missie was onvoltooid en ze had geen middelen om de informatie aan de vader-bisschop in Krondor over te brengen.

Sandrina schold zichzelf uit om haar overhaastheid. Ze had vele keren met tuig en rovers te maken gehad, en ze had dus beter moe ten opletten of er niemand was die de paarden vasthield of op de uitkijk stond voordat ze de twee bij het raam had aangevallen. Ze bleef zichzelf vervloeken, wetend dat als ze haar aanvaller eerst had gevonden, ze in ieder geval voorbereid zou zijn geweest op de twee bij het huis.

Met een zucht zette ze die gedachten van zich af. Spijt was een valstrik die je kreupel kon maken, bracht ze zichzelf in herinnering.

Ze was nog een uur verder over het pad gelopen toen ze stem men hoorde. Voordat ze begreep waarom, kwamen de haartjes op haar armen en in haar nek overeind en kreeg ze kippenvel. In plaats van de gebruikelijke kampgeluiden die ze had verwacht - de ge dempte gesprekken, het gehinnik van paarden, misschien gelach of het geluid van wapens die werden geslepen - hoorde ze een ritmisch gezang. Ze herkende de taal niet, maar iets aan het geluid voelde ze in haar kiezen. Het was geen Keshisch of Koninkrijks. Ze sprak een vrij aanzienlijk aantal talen en herkende er nog veel meer, maar ze wist niet eens zeker of dat wat ze hoorde wel een mensentaal was.

Het pad dat ze volgde leidde naar een opening tussen twee lage rotsen, en ze nam aan dat er aan de andere kant een kleine vallei of een plateau was. Ze koos snel de linker rots en klom ertegenop. Als er wachtposten voorbij de opening stonden, wilde ze niet weer in een hinderlaag lopen. Toch vond ze het vreemd dat er geen wachters op de rotsen waren gestationeerd, want dat was de meest logische plek ervoor.

Ze kwam op de bovenkant aan en werd geconfronteerd met een afschrikwekkend tafereel. Er waren geen schildwachten of uitkijk posten, omdat niemand die bij zijn volle verstand was uit eigen beweging hierheen zou komen.

Een man in een donkere oranje mantel met zwarte zomen - zo te zien een soort magiër - stond met een grote zwart-houten staf boven zijn hoofd. Op de staf zat een soort kristallen bol, die pulseerde met een kwaadaardig purperen licht. Alleen al door ernaar te kijken gingen Sandrina's ogen tranen.

Ze slikte gal weg en vocht tegen de neiging om over te geven. Bij een pad dat verder de bergen in leidde stond een groep mannen. Ze droegen uiteenlopende kleding maar hadden allemaal het uiterlijk van harde, ervaren krijgers. Sandrina vermoedde dat het goed be taalde huurlingen en voormalige soldaten waren, geen fanatici. Veel van hen wendden hun blik af van het bloedbad dat zich daar vol trok, en zij die dat niet deden, waren bleek en ontdaan over wat er gebeurde.

Rondom een groot altaar dat bestond uit een platte steen kniel den zes priesters en priesteressen, met hun gewaden omlaag zodat hun borst en rug waren ontbloot. Achter hen stonden nog anderen bij wie de rug was opengegeseld. Ze leunden zwaar op de schouders van degenen die voor hen knielden; het was een soort ritueel offer van bloed en pijn, maar aan wie?

Midden op de steen waren lijken opgestapeld. Minstens een do zijn mannen en vrouwen. Ze zag ook een kleine arm waarvan Sandrina bijna zeker wist dat die van een zoon van Enos was. Ze besefte dat als ze de herberg had doorzocht, ze zou hebben geconstateerd dat ze verdwenen waren, en niet dood zoals ze had aangenomen. De aanvallers moesten eerst op Ivet zijn gestuit, die ze vervolgens hadden gedood zodat ze geen alarm kon slaan. Toen moesten ze haar man en zoons hebben gegrepen. Aan het aantal lijken te zien, waren er nog meer dorpelingen meegesleept.

Boven op de stapel lag het laatste slachtoffer te kronkelen, aan armen en benen gebonden met touwen die werden vastgehouden door monniken of priesters of wat die moorddadige honden ook waren. Sandrina spuugde zachtjes om te voorkomen dat ze zou overgeven.

De magiër voltooide zijn bezwering en er verscheen iets in de lucht boven de worstelende man. Het slachtoffer slaakte een kreet van pure doodsangst toen een zwarte vorm, een ding met lange spinnenpoten, de vlijmscherpe snavel van een havik en enorme vleermuisvleugels even boven hem zweefde en toen met een zware bons op zijn buik landde.

De demon gooide zijn kop in zijn nek en brulde, een geluid dat pijn deed aan Sandrina's kiezen. Ze zag enkele huurlingen achteruit stappen, terwijl anderen grimasten bij het geluid. De demon hield zijn kop scheef terwijl hij naar de krijsende man waarop hij zat keek, en het leek wel een roofvogel uit een verschrikkelijke nachtmerrie. Toen haalde hij een van zijn lange, stakerige armen naar achteren en dreef die met onvoorstelbare snelheid door de borstkas van het slachtoffer. Sandrina hoorde het geluid van scheurend vlees en een gekraak, en het geschreeuw van de man verstomde abrupt toen zijn lichaam schokte en zijn longen eruit werden gerukt. Voordat zijn leven hem ontvluchtte, was hij gedwongen toe te kijken hoe het monster zijn hart opvrat.

Sandrina had in haar leven vele afgrijselijke dingen meegemaakt, van de vernederingen en mishandelingen die ze als bordeelkind had ondergaan tot bloedige veldslagen. Ze had mannen zien sterven in hun eigen uitwerpselen, uit hun lijden verlost door hun vrienden, ze had vermoorde kinderen gezien, en hele dorpen die waren afgeslacht om hun karige bezittingen, maar niets had ooit zo kwaadaardig aangevoeld als dat waar ze nu getuige van was.

De smekelingen bogen voor het opgeroepen schepsel en het gezang zwol aan. De demon vloog naar de geheven staf van de magiër toe en landde erop, en de magiër wankelde één beetje onder het gewicht; het monster was vast zwaarder dan het eruitzag, dacht Sandrina. En het kon vliegen...

Magie, natuurlijk, dacht ze. Dit ding kwam uit een of andere hel waar de gebruikelijke natuurwetten niet golden. Toch leek het erop dat de magiër de strijd verloor.

Toen viel hij, en met een krijs van woede verdween het schepsel, met achterlating van een smerige, vettige rook, waarvan de stank naar Sandrina toe dreef. Het gejammer dat van de smekelingen opsteeg klonk als dat van een moeder die haar kind had verloren.

De magiër wilde opstaan, maar de gelovigen besprongen hem, met hun blote handen als klauwen uitgestoken of met knuppels in de hand, en hij stortte in onder de aanval. Ze scheurden die man voor Sandrina's ogen aan stukken. Ze haalde langzaam en diep adem en wenste dat ze begreep wat ze zag.

Aan hun gezichten te zien waren ook de strijders geschokt. Veel van hen hadden half de wapens getrokken, alsof ze verwachtten dat ook zij zouden worden aangevallen. Toen viel Sandrina iets op wat haar in de chaos van de laatste paar minuten was ontgaan. De mannen droegen een verscheidenheid aan hoofddeksels: bandana's, doeken, slappe hoeden, soldatenmutsen, sjakopetten, steken en baretten, maar ze waren zonder uitzondering zwart. Dit waren de Zwarthoeden waar de dorpelingen het over hadden gehad, de mannen waarvoor vader-bisschop Creegan haar had gewaarschuwd. En het waren beslist meer dan alleen gewone piraten en smokkelaars.

Ze schoof wat naar achteren en dook ineen onder de bovenkant van de rots om niet te worden gezien. Waarom zou een bende halzensnijders naar deze afgelegen bergvallei komen? Waarom zou den ze samenspannen met een stel demonische sekteleden? En wat was het doel van dat bloedige ritueel dat ze net had gezien?

Ze wist dat ze terug moest naar Krondor, maar ze wist ook dat er vragen zouden worden gesteld. De vader-bisschop zou haar urenlang ondervragen, en op dit moment had ze nog maar weinig antwoorden. Maar iemand in de tempel zou haar misschien enig inzicht kunnen verschaffen over wat ze had gezien, en dat beteken de dat ze haar walging van zich af moest zetten en moest blijven kijken. Ze haalde diep adem en gluurde weer over de rots.

Na een snelle telling bleken er in totaal dertig strijders te zijn, en ze zag vierentwintig sekteleden. De gemangelde lijken, waaronder de dode magiër, lagen op de grond. Ze verplaatste zich langs de bovenkant van de rots en probeerde in de schaduwen te blijven. De manen boven haar maakten haar goed zichtbaar, als iemand bene den oplette. Aan de andere kant, overpeinsde ze, die lui dachten dat ze dood was en ze hadden een paar vuren aangestoken, dus misschien zouden ze haar niet zien.

De sekteleden schikten hun kleding, waarbij ze de bloedige verwondingen op hun rug en schouders negeerden. Sandrina vroeg zich af of ze soms magie hadden om te voorkomen dat de wonden zouden gaan ontsteken, anders zouden veel van hen binnen twee dagen ziek zijn. Of misschien kon ze dat gewoon niet schelen.

Sektes werden verafschuwd door de georganiseerde tempels. Ze steunden bijna altijd op een gestoorde geloofsleer of een halfbakken ketterse theorie. Ze zaaiden wantrouwen en angst. Sandrina werd als ridder-adamant niet altijd herkend als tempelfunctionaris, maar ook als ze wel werd herkend als lid van een religieuze krijgsorde kwam het niet bij mensen op dat ze magie tot haar beschikking had. Priesters en priesteressen in de tempels van de grote steden werden geëerd, en dorpspriesters, monniken en priors werden ge zien als onderdeel van de samenleving. Maar in kleinere dorpen op meer afgelegen plekken werd iedereen die enige vorm van magie beoefende gevreesd.

Als de vader-bisschop het haar niet verbood, zou ze persoonlijk de Tempel van Lims-Kragma in Krondor op de hoogte stellen van wat hier gebeurde. Niemand had minder geduld met kwaadaardige doodsmagie dan de volgelingen van de Godin van de Dood. Ze stelden zich er tevreden mee mensen op hun eigen moment naar hun meesteres te laten komen en zagen er niet de zin van in om iemands einde te bespoedigen. De meeste doodsmagie, of doodsbezwering, vergiftigde en verwrong de zielsenergie die het sterven de lichaam verliet. Dat was ook weer een belediging van de godin, aangezien die ziel dan de Zaal van de godin niet kon vinden om te worden beoordeeld en herboren. Sandrina twijfelde er niet aan dat de tempel een volledige compagnie Valstrikkenspanners - hun eigen krijgsorde - zou sturen om de rommel hier op te ruimen.

Maar ze had eerst een plicht aan haar eigen tempel.

Zoals ze had verwacht liepen de strijders de heuvel op, zachtjes met elkaar pratend, en ze hielden discreet afstand van de sekteleden. Ze liepen naar het oosten weg van het bloedbad. Sandrina wachtte tot ze de laatste sekteleden zag vertrekken en glipte toen naar bene den om hen te volgen.

Met haar slechte zwaard en schild veel strakker dan nodig in haar handen geklemd, begon ze meer dan vijftig moorddadige Zwarthoeden te achtervolgen.

 

Sandrina's benen verkrampten. De inspanning, de vermoeidheid, het gebrek aan voedsel en water en een heleboel spanning eisten hun tol. Ze had gevonden wat ze zocht: het kamp van de Zwarthoeden. Er waren hier nog meer mensen: tien van hen leken gevangenen te zijn, en twee wachters. De gevangenen deden het handwerk, zorgden voor de vuren, maakten eten klaar, wasten kleding en maakten wapens en gerei schoon. Iedereen in het kamp was stil, en als de gevangenen het nieuws over het lot van de magiër hadden gehoord, dan waren ze daar kennelijk niet verheugd over.

Sandrina zag haar paard aan het uiteinde van het kamp vastgebonden staan. Het kamp zag eruit alsof het hier al een tijdje was: ze hadden een paar houten hutten en zelfs een vrij groot huis gebouwd. De vier strijders die er naar binnen gingen moesten de leiders van de mannen zijn. Waarschijnlijk waren het huurlingen, en dat was misschien maar goed ook, want huurlingen wisten wanneer ze moesten ophouden met vechten; dat gold nooit voor fanatieke sekteleden.

Ze overwoog naar haar paard te sluipen en hier weg te rijden, maar behalve als iedereen in het kamp heel diep sliep, maakte ze eigenlijk geen schijn van kans. Ze wenste dat ze wist waar haar riembuidel was gebleven. Als een van die halzensnijders de zielspoort vond, zou hij die houden, er onterecht van uitgaand dat het een kostbare steen was. De hanger leek afhankelijk van het licht op een donkere robijn of saffier, maar als een magiegebruiker er goed naar keek zou hij snel gaan inzien dat het heilige magie was en hem waarschijnlijk vernietigen.

Wat moest ze doen? Ze werd verscheurd door de behoefte om de locatie van dit kamp te melden en het verlangen om zo veel mogelijk te ontdekken. Bovendien was ze niet bepaald toegerust om te reizen, en ze moest haar wapens en pantser vervangen. Misschien kon ze een schildwacht overmeesteren en stelen wat ze nodig had.

Ze wachtte tot het stil werd in het kamp. Het was een rusteloze stilte. De sekteleden zaten somber in kleine groepjes bijeen, zo ver mogelijk bij de anderen vandaan. De gevangenen die hun voedsel en drank brachten, krompen ineen als ze werden aangesproken, en de strijders hielden respectvol afstand. Sandrina had geen idee wat hieraan ten grondslag lag, maar het was duidelijk dat geen van beide partijen dit een prettige situatie vond.

Sandrina woog haar opties af. Ze besloot te wachten tot de mensen in het kamp gingen slapen. Intussen rommelde haar maag door de kookgeuren die ze opsnoof.

Informatie verzamelen was haar hoofddoel, maar ze kon dat moeilijk bereiken als ze van uitputting en honger stierf. Ze zuchtte gelaten, legde haar kin op haar onderarm en probeerde het zich boven op de rotsen gemakkelijk te maken.

 

De uren verstreken, maar terwijl de grote maan begon onder te gaan en de kleine maan opkwam gingen de laatste gevangenen naar bed. Er kwam licht door de deur van de leidershut naar buiten. Ze had een strijder - een schurk met een zwarte baard, een heleboel ringen, en gouden kettingen om zijn hals - geïdentificeerd als de waarschijnlijke hoofdman van de huurlingen. Hij en drie anderen waren na het eten de hut in gegaan.

Sandrina glipte voorzichtig van de rotsen af en liep door het kamp. De sekteleden waren in ruwe houten en leren onderkomens gekropen; de slachting van vanavond had hen uitgeput. De strijders waren verspreid over een tiental kleine hutten. Toen Sandrina bij de grootste ervan was aangekomen, legde ze haar oor tegen de wand.

'Weet je nog, die herberg in Roldem?' zei een stem.

'Welke herberg? Er zijn er zoveel in Roldem,' was de reactie.

'Je weet wel. Waar we lin-lan hebben gespeeld en jij in gevecht raakte met die zeeman van de koninklijke marine omdat hij een deel van zijn inzet wilde terugpakken toen niemand keek,' zei de eerste stem.

'O, die. Wat is daarmee?' vroeg de tweede.

'Ze hadden daar een lamspastei met erwten en wortels en die kleine uitjes, je weet wel welke ik bedoel.'

'Ja, van die kleine uitjes.'

'Nou, en in die pastei, weet je, daar zat nog iets anders in, een of ander kruid of zo. Dat was heel apart.'

'Wat is er met die pastei?' vroeg de tweede stem ongeduldig.

'Die was heel lekker, dat is alles.'

Een derde stem mengde zich in het gesprek. 'Jullie kunnen de hele nacht blijven kletsen over de geweldigste maaltijd die je ooit hebt gehad, maar het verandert niks.'

Die laatste stem was diep en hees, en zijn toon liet er geen twijfel over bestaan wie de leiding had. Ironisch schoot haar te binnen dat ze waarschijnlijk haar leven riskeerde door hier simpelweg te zijn. Maar een gebrek aan moed was nooit haar probleem geweest, en ze wist dat ze haar wapens, pantser en paard nodig zou hebben om de terugreis naar Ithra te overleven.

'Al goed,' zei de eerste stem.

De man van wie ze aannam dat hij de leider was zei: 'Ik zie geen andere manier. We moeten ze gewoon zo snel mogelijk doden, voordat ze hun magie gaan gebruiken, dan grijpen wat we kunnen en hier wegwezen.'

'Ja,' beaamde de eerste stem.

Maar de tweede protesteerde. 'Ook al is Purdon dood, de rest kan ook vrij akelige dingen uithalen, en bovendien is Belasco er nog.

Hij lijkt me niet het type dat verraad door de vingers ziet. En we hebben wel zijn goud aangepakt.'

'We hebben zijn goud aangepakt,' zei de leider, 'om de zaken hier onder controle te houden. Maar wij hebben de pis van die demon niet gedronken. We zijn niet zoals zij. We zijn misschien honden, maar niet zijn honden.'

Het werd stil binnen, en toen zei de leider: 'Er is nog iets anders. Een van die ouwe kerels in Wijzershoofd heeft me een verhaal verteld over een groep net als die van ons, die hier een jaar of tien geleden naartoe was gestuurd. Hij zei dat ze helemaal vanaf de Avondroodeilanden kwamen aanzeilen en dat ze hier proviand heb ben ingeslagen, en dat iemand zei dat ze onderweg waren naar de pieken.'

'Pieken?' vroeg de eerste.

'We zijn hier in de Pieken van de Quor, stommeling.'

'O, dat wist ik niet,' kwam het klaaglijke antwoord.

'Hoe kun je verdomme maandenlang ergens kamperen en niet eens weten hoe het er heet?'

'Niemand had het me verteld!'

'Dat met die meid in dat pantser... ze riekte naar tempelridder,' zei de leider.

'Nou en?' vroeg de tweede stem.

'Nou, als een van de tempels een ridder stuurt om onderzoek te doen, dan wordt het me hier te heet onder de voeten.' Het bleef even stil voordat hij verder ging. 'Ik had me aangemeld om een paar dorpelingen de stuipen op het lijf te jagen, en misschien af te rekenen met een drost of twee uit Ithra als die hier opdoken. Maar ik heb die tempelridders zien vechten. Tien jaar geleden stak er een moordcultus in Kesh de kop op, die zich schuilhield in de haven in Hansulé. Een stel ridders van Lims-Kragma kwam erheen, en dat was geen prettige aanblik. Overal magie, en ze namen geen gevangenen. Ze slachtten al die strijders van de cultus af alsof het lam meren waren.'

'Magie!' riep de eerste stem uit alsof het een vloek was.

'Het goud is prima,' zei de tweede.

'Maar niet als je dood bent. Hier kun je het niet uitgeven, en Lims-Kragma geeft je geen herkansing aan het Rad alleen omdat je een beetje goud bij je hebt.'

Daarop viel er een lange stilte, en toen vroeg de tweede stem: 'Wat moeten we doen?'

'Morgenochtend voordat ze wakker worden wil ik dat je stilletjes Blakeny, Wallace, Garton en die moorddadige rat van een Allistair gaat wekken. We slaan hard en snel toe en ze zijn allemaal dood voordat ze het weten. Dan vermoorden we die dorpelingen, grijpen mee wat we kunnen en rijden naar het zuiden. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik wil op het eerste schip zitten dat vertrekt, het kan me niet schelen waar naartoe. Misschien ga ik wel naar dat andere land, dat Novindus. Of naar de Avondroodeilanden.

Maar er staat iets te gebeuren, iets waar ik geen deel aan wil hebben, en hoe sneller we hier weg zijn, hoe liever het me is.'

'En ons goud dan?' vroeg de tweede.

'Ik dacht dat Purdon het had,' antwoordde de leider.

'Die magiër?' vroeg de eerste.

'Ja,' zei de leider. 'Dus als niemand aan hem heeft gezeten sinds ze hem hebben vermoord omdat hij de verkeerde demon had op geroepen, zou het er nog moeten zijn.'

'Hoeveel?' vroeg de tweede.

'Maakt het uit?' vroeg de leider. 'Het is goud, en we nemen mee wat er is. Als het de andere jongens niet aanstaat, zijn ze vrij om hier te blijven en af te wachten wie Belasco stuurt om Purdon te vervangen. Dan mogen zij aan de volgende groep bloeddorstige hoeren en pooiers uitleggen waarom het eerste stel dood is.'

'Goed,' zei de tweede. 'Laten we het dan maar doen.'

'Nee,' sprak de leider hem tegen. 'De zon is nog niet op. We zorgen dat we in het zadel zitten als de zon opkomt, en dan gaan we naar het zuiden.'

'Hoe lang duurt dat nog?' vroeg de tweede stem.

Sandrina keek naar de opkomende kleine maan en wist het antwoord. Ze had een uur de tijd om te bedenken wat ze moest doen.