2


Ridder-adamant

 

 

Sandrina zat stil.

Ze richtte haar geest op de bijna onmogelijke taak om aan niets te denken. Zeven jaar lang had ze wanneer de omstandigheden het permitteerden deze oefening gedaan, maar ze had nooit de totale ontlediging van gedachten bereikt die het doel was van het Sha'tar-ritueel.

Hoewel ze haar ogen dicht had, kon ze de kamer om zich heen tot in details beschrijven. En dat was haar probleem. Haar geest wilde actief zijn, niet leeg rondzweven. Ze onderdrukte de neiging om te zuchten.

Tijdens haar beste dagen in de tempel vond ze soms iets wat leek op ontlediging, of had ze althans na afloop van het ritueel geen herinnering dat ze aan iets had gedacht, en voelde ze zich heel ontspannen. Maar ze was er nog altijd niet geheel van overtuigd dat geen herinnering hebben en geen gedachten hebben op hetzelfde neerkwam. Haar bezorgdheid was altijd een bron van enig vermaak voor vader-bisschop Creegan, en het feit dat die gedachte bij haar opkwam was weer een teken dat ze vandaag ver van het bereiken van een onthecht bewustzijn was.

Ze was zich nog steeds bewust van alle afzonderlijke voorwerpen in de kamer om zich heen. Zonder haar ogen te openen kon ze er alle details van noemen. Haar vermogen om zich alles feilloos te herinneren was een natuurlijke aanleg die was verfijnd en versterkt sinds ze zich bij het Schild van de Zwakken had aangesloten. Haar eed noopte haar om mensen te beschermen die dat zelf niet kon den Vaak was er weinig tijd om de juistheid van beweringen of het goed en kwaad van een dispuut vast te stellen, dus vertrouwde ze op een snel oordeel om te bepalen waar en hoe ze tussenbeide moest komen. Haar aandacht voor details bood haar vaak het voor deel dat hoewel ze zaken soms niet beter kon maken, ze die in ieder geval niet verergerde.

De geur van de houten wanden en deuren, rijp van ouderdom, en de lichte prikkeling van de oliën die dagelijks werden gebruikt, kwelde haar, riep herinneringen op aan eerdere bezoeken aan deze en andere tempels. Ze hoorde het zachte gesis van water op hete kolen terwijl de acolieten bijna geruisloos door de kamer liepen met hete stenen uit een oven die buiten stond. Ze droegen zware ijzeren manden vol gloeiend balsahout en zetten die zachtjes op de vloer, waarna ze er water overheen schepten om de stille stoom te laten opstijgen. Sandrina herinnerde zich haar tijd als acoliet, toen ook zij zich concentreerde om door een kamer zoals deze te lopen zonder de monniken, priesters en soms een ridder zoals zij niet te storen. Het was haar eerste stap op het pad naar het dienen van de godin geweest. Er zaten soms wel twaalf mannen en vrouwen zwijgend op banken tegen de achterste muur, hun kleding netjes opgevouwen, en het was haar taak geweest om de rust in de kamer te bewaren. Destijds had ze zich afgevraagd of er een moeilijkere taak be stond; nu wist ze dat acolieten de eenvoudigste rol hadden, en dat degenen die een onthecht bewustzijn zochten voor de grotere uit daging stonden.

Ze voelde zweet over haar blote rug druppelen, maar het jeukte net niet te erg om eraan te willen krabben. Ze dwong haar geest weg bij de gevoelens van haar lichaam. Zittend in kleermakerszit, met haar ogen gesloten en haar handen met de handpalmen omhoog op haar knieën, zou niets haar moeten afleiden; maar dat druppeltje zweet voelde bijna alsof iemand haar aanraakte. Haar ergernis om dat ze zich erdoor liet afleiden zette een cyclus in gang die ze maar al te goed kende. Zo meteen zou ze even ver van een vrijzwevend bewustzijn af zijn als tijd en de strijd of in het bed van een minnaar. Ze vond een sprankje ironie in die gedachte, aangezien ze er in allebei die gevallen waarschijnlijk dichterbij was dan nu. Andere delen van haar geest schenen de overhand te hebben wanneer ze vocht of vrijde, en het altijd onderzoekende, altijd kritische gedeelte dat haar voor de meeste mensen zo lastig in de omgang maakte leek dan ontkoppeld.

Net als alle leden van haar orde was Sandrina altijd welkom in elke Tempel van Dala, de beschermvrouwe van de Orde van het Schild van de Zwakken. Als lid van een ambulante orde zwierf zij waar de godin haar naartoe stuurde, en vaak bood zij het enige gezag of de enige bescherming voor kleine dorpen, karavanen of afgelegen abdijen. Ze beslechtte disputen en paste gerechtigheid toe door gebruik te maken van de rede, maar ze was ook goed toegerust om dat indien nodig met wapengeweld te doen.

De druppel zweet had nu de bovenkant van haar stuitje bereikt, en terwijl hij daar even bleef hangen, richtte ze haar geest en dook in de gewaarwording, in een poging er een mee te worden. Ze haalde langzaam en diep adem, genietend van het wellustige gevoel van de hete stoom, de stilte en het totaal ontbreken van gevaar. Ze vond haar rustige plekje binnen die druppel vocht op haar ruggengraat. Het zachte rinkelen van de koperen windgong buiten, in beweging gebracht door een lichte bries, versterkte de kalmerende ervaring. Toen ving Sandrina een vleugje op van iets onwelkoms: een muskusachtige mannelijke geur, zo licht dat hij bijna onbespeurbaar was.

Ze wist dat het ritueel voorbij was. Dit was niet de eerste keer dat haar aanwezigheid in het heiligdom tot onwelkome resultaten had geleid. Er namen maar twee andere vrouwen deel aan het ritueel, geen van beiden jong of aantrekkelijk volgens de normale maatstaven. Dergelijke overwegingen zouden er weinig toe moeten doen in dienst van de godin, maar mensen waren van nature onvolmaakt, en die overwegingen werden vaak toch relevant. Sandrina verschoof haar gewicht, spande en ontspande om beurten al haar spieren ter wijl ze haar meditatie beëindigde. Ze was zich nu heel erg bewust van haar naaktheid, van het zweet dat op haar rug en tussen haar borsten parelde en in haar haren kleefde. Een jonge acoliet stond bij de deur naar de badruimte te wachten met een stapel ruw geweven handdoeken.

Ze stond in één soepele beweging op, als de danseres die ze in een vorig leven was geweest. Ze wist dat een van de jonge broeders haar nakeek en al haar bewegingen volgde terwijl ze stilletjes de kamer verliet. Ze wist ook wat hij zag: een uitzonderlijk mooie jonge vrouw met zonkleurige, schouderlange haren en een paar heldhaftige strijdlittekens, maar zonder verdere opvallende gebreken. Ze wist dat ze wel degelijk vele gebreken had, maar die droeg ze van binnen; haar schoonheid was een vloek.

Met haar lange benen, sterke billen, slanke heupen en vrij brede schouders was ze op het toppunt van haar fysieke kracht. Maar niets kon haar gezicht veranderen, haar rechte, perfecte neus, haar ietwat scheefstaande lichtblauwe ogen en haar volle lippen en sierlijke kin. Ze was nog mooier als ze glimlachte, hoewel dat maar zelden ge beurde. Zelfs als ze haar pantser droeg draaiden mannen nog hun hoofd om haar na te kijken.

Ze onderdrukte de verleiding om te kijken welke van de jonge broeders opgewonden door haar was geraakt; dat was een last die hij zelf moest dragen, en als hij de leer van de godin kende zou hij weten dat het een zwakte was die hij moest overwinnen, een les die hij moest leren om sterker te worden.

Ze vond het verschrikkelijk om een les voor iemand anders te zijn.

Sandrina pakte een handdoek van de acoliet aan en liep de bad- ruimte in, waar ze op een bankje bij een emmer koud water ging zitten. Ze pakte de emmer op en gooide die leeg over haar hoofd, genietend van de schok en helderheid die de plotselinge koude golf in haar gedachten veroorzaakte. Terwijl ze zich afdroogde, genoot ze van de rustige afzondering van de badruimte. Ze had in haar leven heel weinig afzondering gekend. Haar roeping had haar bovenal tijd opgeleverd om in haar eentje onderweg te zijn, wanneer ze alleen de wind in de takken, gezang van vogels en geluiden van dieren hoorde. Die momenten koesterde ze.

Na haar reizen was ze hierheen gekomen, naar de tempel in Krondor. Het was het enige echte thuis dat ze ooit had gekend. Sandrina was opgegroeid op straat, als kind van een moeder die verslaafd was aan alle bekende drugs, maar met een voorkeur voor Droom, het witte poeder dat moest worden gerookt om bedwelmende beelden en ervaringen op te roepen, levensechter dan het even zelf. Haar moeder had haar beschermd, zoveel als haar zwakte aar toestond, tot ze een vrouw was geworden. Het lichaam dat Sandrina als een vloek beschouwde, en dat domme mannen de adem benam, begon zich al vroeg in haar elfde jaar te ontwikkelen.

Toen ze haar dertiende Banapis vierde was ze uitgegroeid tot een echte schoonheid. Haar moeder had haar enkele trucs geleerd - altijd vuil zijn, haar haren kort knippen, haar borsten afbinden om er jongensachtig uit te zien - die haar hadden geholpen tot ze veer tien was; tot een van de zware jongens de vermomming had door zien.

De Snaken van Krondor waren een criminele organisatie onder leiding van de Oprechte Man, maar de controle was niet zo strak dat het welzijn van één straatmeisje er iets toe deed. De zware jongen verkrachtte haar terwijl haar moeder dankzij een geschonken flesje Gelukzaligheid in de roes van een delirium verkeerde. Daarna was hij regelmatig bij haar langsgekomen. Hij nam altijd Gelukzaligheid mee, of Droom, of een van de andere roesmiddelen die door de Broederschap van Dieven werden verkocht.

Sandrina droogde zich af en liep naar de kleedkamer. De monniken die tot taak hadden bezoekende zusters en broeders van het Schild te begeleiden, waren bezig haar sleetse pantser te reinigen. Ze trok snel haar lievelingsuitrusting aan: een wijde broek, een losse tuniek, allebei gemaakt van ongebleekt linnen, zware laarzen en haar zwaardriem. Terwijl ze zich aankleedde herinnerde ze zich dat die eerste man eigenlijk helemaal niet zo'n nare kerel was geweest. Hij had uiteindelijk gezegd dat hij van haar hield, en ze herinnerde zich dat hij bijna teder was geweest toen hij haar op zijn onhandige, klungelige manier nam. De mannen die ze na hem had gekend, hadden haar geleerd wat echte wreedheid was.

Ze was vijftien toen haar moeder overleed. Te veel roesmiddelen, of één slecht middel, of misschien een man die zijn woede op haar had gekoeld; niemand kende de oorzaak, maar ze was in de baai nabij de Visserskade aan de zuidkant van de haven gevonden. Het was merkwaardig dat ze zo ver van de plekken waar ze zich gewoon lijk ophield was gevonden, maar niet zo merkwaardig dat de Op rechte Man of een van zijn luitenanten de zaak wilde uitzoeken. Wat kon hen tenslotte de dood van de zoveelste verslaafde hoer schelen? Bovendien had ze de Snaken een dochter gegeven die veel meer waard was dan de moeder.

Sandrina was uit het ledikant van de dommekracht geplukt en in een van de betere bordelen van de stad ondergebracht, waar ze goud begon te verdienen. Een tijdlang had ze geweten hoe het voelde om zijde en edelstenen te dragen, haar haren elke dag te laten wassen en goed voedsel te eten. Ze was een expert geworden in het gebruik van zalf, olie, geuren en allerlei soorten make-up. Ze kon zo on schuldig lijken als een kind of zo vals als een Keshische courtisane, afhankelijk van wat de klant verlangde. Ze werd onderwezen in etiquette en de talen van Kesh en Queg, maar belangrijker nog, ze leerde spreken als een hooggeboren vrouwe.

Omdat de hoerenbazen haar talen hadden onderwezen, haar hadden leren lezen en schrijven - haar feitelijk geleerd hadden hoe ze moest leren - had ze hen voldoende vergeven om hen niet op te jagen en streng te straffen. De godin onderwees vergevingsgezind heid. Maar Sandrina zwoer dat ze het nooit zou vergeten.

Wat ze hen niet kon vergeven, was dat ze in haar een verlangen hadden gewekt naar dingen die ze beter kon vermijden: te veel wijn, veel van de drugs die haar moeder had gebruikt, mooie kleding en juwelen, en bovenal het gezelschap van mannen. Sandrina had het beroep met een diepe ambivalentie achter zich gelaten: ze verlangde uitsluitend naar de aanraking van mannen die ze tegelijkertijd min achtte, en ze haatte zichzelf om die perverse wens. Alleen de discipline van haar orde voorkwam dat het conflict haar verder zo sterke geest vernietigde.

Sandrina verliet de kleedkamer en zag dat er een jonge acoliet op haar wachtte. 'Vader-bisschop wil graag met je praten, zuster.'

'Ik ga meteen,' antwoordde ze. 'Ik weet de weg.'

De jongen haastte zich verder naar een andere taak en Sandrina slaakte een amper hoorbare zucht. De vader-bisschop had haar slechts twee volle dagen rust gegund voordat hij weer een nieuwe opdracht voor haar had. Terwijl ze naar zijn werkkamer liep, vulde ze die gedachte aan: hij had een nieuwe opdracht voor haar waar alleen een waanzinnige mee akkoord zou gaan.

Ze bleef bij een hoek van de tempel staan en keek uit een boog venster. Links zag ze het paleis van de prins bij de koninklijke haven, die de stad domineerde. Rechts, vlakbij, lag het Tempelplein, waar de Orde van Sung en de Tempel van Ka-meeni waren. Andere grote tempels waren niet ver weg, maar die twee stonden het dichtstbij.

Ze vroeg zich niet voor het eerst af hoe haar leven eruit zou hebben gezien als broeder Mathias tot een andere orde had behoord.

Hij was de eerste heilige man geweest die ze ooit had ontmoet, en de eerste van twee mannen in haar leven jegens wie ze geen duistere gevoelens koesterde; ze had van broeder Mathias gehouden als een dochter van haar vader. Na drie jaar in het elegante bordeel, één ervan verloren aan de drugs die haar moeder het leven hadden gekost, hadden de Snaken haar verkocht aan een heel rijke Keshische handelaar. Hij was zo verliefd geworden op Sandrina dat hij erop had gestaan haar te kopen en mee te nemen naar zijn huis in de Keshische stad Shamata. Omdat hij even vaardig was in de illegale als in de legale handel, zagen de Snaken hem als een waardevolle partner. Hoewel ze niet de gewoonte hadden hun meisjes te ver kopen - slavernij was niet toegestaan in het koninkrijk - verhuurden ze haar diensten graag voor onbeperkte tijd aan hem, in ruil voor een aanzienlijke som goud.

Broeder Mathias was degene geweest die haar leven had gered en veranderd. Ze kon zich hun eerste ontmoeting echter niet voor de geest halen zonder overstuur te raken, en dit was niet het moment voor dergelijke gevoelens, niet nu ze bij de vader-bisschop op be zoek ging. Ze zette de herinnering van zich af en liep verder.

Ze kwam bij het bescheiden werkkamertje aan waar de machtigste man van de Orde van het Schild van de Zwakken werkte. Alleen de Grootmeester in Rillanon stond hoger in rang. Maar hoewel hij zijn ceremoniële verantwoordelijkheden behield, had de ouderdom de Grootmeester beroofd van het vermogen om zijn taken uit te voeren en bestuurden de zeven vader-bisschoppen feitelijk de orde. Er deed een hardnekkig gerucht de ronde dat vader-bisschop Creegan de meest waarschijnlijke opvolger was wanneer de gezond heid van de Grootmeester hem uiteindelijk in de steek zou laten.

Tot verbazing van bijna iedereen die bij de vader-bisschop op bezoek ging, had zijn werkkamer geen wachtruimte, was er geen klerk of monnik om hem te assisteren, en stond de deur van zijn kamer altijd open. De bewoners van de tempel van Krondor kenden de reden: de vader-bisschop wilde bereikbaar zijn voor iedereen die hem nodig had, maar de godin helpe hen die geen goede reden hadden als ze hem bij zijn werk stoorden.

Sandrina bleef voor de deur staan en wachtte tot ze binnen werd geroepen. Ze herinnerde zich de eerste keer dat ze hier was, toen ze net van de opleiding in de tempel in Kesh was gekomen. Ze was in Krondor teruggekeerd met een mengeling van spanning en angst, want ze was in de vijf jaar sinds ze aan de man uit Kesh was ver kocht niet meer in de stad teruggeweest. Maar slechts één minuut in aanwezigheid van de vader-bisschop had al haar zorgen over haar terugkeer naar de westelijke hoofdstad van het koninkrijk weggenomen.

Hij zag haar staan en wenkte haar. 'Ik wil je iets laten uitzoeken, Sandrina.' Hij gaf haar geen toestemming om plaats te nemen in een van de vier stoelen in de kamer, dus liep ze naar binnen en bleef voor zijn tafel staan.

Zijn schrijftafel was eenvoudig, een sobere tafel met een stapel geweven tableaus waarop hij documenten kon leggen die door zijn stafleden moesten worden opgeborgen. Hij hield ze heel druk bezig.

Hij was eigenlijk een knappe man, overwoog Sandrina niet voor het eerst, maar er was iets in zijn houding wat ontmoedigend was, een eigenschap die je arrogantie zou kunnen noemen, ware het niet dat hij altijd uiteindelijk gelijk bleek te hebben. Toch was hij essentieel geweest om haar, een voormalige Krondoriaanse hoer, een zinvol leven te geven, en daarvoor zou ze hem altijd dankbaar blij ven. En ze moest toegeven dat hij altijd de meest interessante taken voor haar vond. 'Ik ben er klaar voor, vader-bisschop.'

Hij keek op en glimlachte, en ze voelde een vlaag van genoegen bij zijn teken van goedkeuring. 'Ja, dat ben je altijd,' zei hij.

Hij leunde achterover en gebaarde naar een stoel. Ze wist dat het betekende dat ze zich kon opmaken voor een langdurig gesprek, of ten minste een heel ingewikkelde reeks instructies. 'Je ziet er goed uit,' merkte hij op. 'Hoe is het je vergaan sinds de vorige keer dat we elkaar spraken?'

Ze wist dat hij al op de hoogte was van wat ze had gedaan in het jaar en de ene maand sinds ze voor het laatst in zijn werkkamer was geweest. Ze was op pad gestuurd om onderzoek te doen naar een melding over inmenging in wettige tempelpraktijken in de Vrijstad Natal - die vals bleek - en was daarna verder gereisd naar het verre hertogdom Schreiborg, waar mensen in een afgelegen dorp ervan werden verdacht een voortvluchtige magiër met de naam Sidi onderdak te verschaffen, wat ook niet bleek te kloppen. Niettemin vertelde ze de vader-bisschop alles: over haar ontmoeting met een waanzinnige magiër die te diep in de zogenaamde Duistere Kunsten Was gedoken, en hoe ze de dorpelingen van zijn verwoestingen had gered. Zijn kleine bende van duistere geesten had de nederzetting volledig geplunderd, waardoor de overlevenden geen middelen meer hadden gehad om de komende winter te doorstaan. Ze had overleg gevoerd met de jongste zoon van de hertog van Schreiborg, die had beloofd hulp naar het dorp te sturen. Zijn vader en oudere broer waren op dat moment niet in het kasteel van Schreiborg, maar de jongeman had de baljuw van het kasteel overgehaald de smeek beden van de dorpelingen niet langer te negeren en onmiddellijk hulp te sturen.

Al met al was het een belangrijke maar prozaïsche last geweest, zodra ze zich van die waanzinnige tovenaar had ontdaan. De tweede zoon van de hertog, een jongen niet ouder dan vijfden zomers en naamgenoot van zijn vader Henry, had indruk op Sandrina gemaakt. De meeste mensen noemden hem Hal, en hij had zowel volwassen als besluitvaardig gehandeld terwijl hij optrad als bemiddelaar tussen de plaatsvervanger van zijn vader en de reizende ridder-adamant van de Tempel van Dala. De buitendorpen leken vaak meer een last dan een aanwinst voor de plaatselijke edelen, omdat ze weinig in komsten verschaften maar wel onevenredig veel bescherming nodig hadden tegen plunderende afvalligen, stropende gnomen, donkere elfen of welk ander gevaar dan ook dat de streek teisterde.

Sandrina had bijna het hele afgelopen jaar in Schreiborg doorgebracht en was pas vertrokken toen ze ervan overtuigd was dat de dorpelingen op eigen benen konden staan. Onderweg terug naar Krondor had ze bemiddeld bij zes kleinere conflicten, waarbij ze altijd uit hoofde van haar roeping partij koos voor de mindere, de belegerde of de verdrukte, om te proberen het evenwicht te herstellen en een vredige oplossing te vinden, altijd tussenbeide komend waar ze kon. Ze vond het ironisch dat er meestal geweld nodig was om een nog gewelddadiger afloop te voorkomen.

Wat zijn uw bevelen, vader-bisschop?'

Er verscheen een fronsrimpeltje in zijn voorhoofd. 'Geen tijd voor koetjes en kalfjes? Goed dan, je opdracht. Wat weet je over de Pieken van de Quor?'

Sandrina zweeg even voordat ze antwoordde. De vader-bisschop had weinig tijd en nog minder geduld voor pogingen om indruk op hem te maken, dus zei ze uiteindelijk: 'Weinig dat relevant is voor wat u me gaat vertellen, vermoed ik.'

Hij glimlachte. 'Wat weet je?'

'Het is een streek in Kesh, ten zuiden van Roldem, afgelegen en dunbevolkt. Er gaan geruchten dat er soms smokkelaars komen die de belastingschepen uit Roldem en Kesh willen omdopen, maar meer weet ik er niet over.'

'Er leeft daar een ras van wezens die de Quor worden genoemd. Vandaar de naam van die streek. Zij worden beschermd, als dat de juiste term is, door een groep elfen.'

Sandrina trok verbaasd haar wenkbrauwen op. Voor zover zij wist, woonden er alleen elfen in de landen ten noorden van Schreiborg.

'We hebben nog wel wat meer informatie, maar niet veel. Daar om heb ik besloten er iemand naartoe te sturen.'

'Mij, vader-bisschop?'

'Ja,' antwoordde hij. 'Er is een dorp aan de oostkant van het schiereiland dat Akrakon heet. De bewoners daar zijn afstammelingen van een van de lastigste stammen in de streek, maar ze zijn lang geleden onderworpen door Kesh. Nu gedragen ze zich min of meer netjes, maar de laatste tijd worden ze lastiggevallen door plunderen de piraten.' De toon van de vader-bisschop veranderde. We horen al meer dan tien jaar af en toe over die piraten. We hebben geen idee wie ze zijn of waarom ze de moeite nemen om die kustdorpen lastig te vallen...' Hij haalde zijn schouders op. 'Alles wat we weten is dat ze een voorkeur schijnen te hebben voor zwarte hoofddeksels: hoe den, sjaals en dergelijke. Waar ze vandaan komen, wat ze willen, wie ze dienen...?' Weer haalde hij zijn schouders op. 'Wees voorzichtig, Sandrina; af en toe hebben ze een of twee magiegebruikers bij zich. In ons eerste rapport werd ook gesproken over een demon.'

Ze knikte. Nu begreep ze waarom zij was gekozen. Ze had het meer dan eens tegen demonen opgenomen in haar korte dienstverband bij de orde.

'Aangezien het keizerlijk hof in Kesh het druk heeft met veel gewichtiger zaken, is het aan ons om dit onrecht te onderzoeken.'

'En als ik toevallig meer ontdek over dat volk in de bergen, de Quor, des te beter.'

'Des te beter,' beaamde hij. 'Maar pas op, want er is nog een complicatie.'

'Die is er altijd,' reageerde ze droogjes.

'Er zijn heel machtige mensen die ook belangstelling hebben voor de Quor en de elfen die hen dienen of beschermen; mensen met invloed en lange armen, zelfs tot op heel hoge posities.' Hij leunde achterover en voegde eraan toe: 'De magiërs.'

Ze hoefde niet te vragen wie hij bedoelde. De magiërs van Sterrewerf werden door de tempels van het koninkrijk en Kesh met diepe argwaan bezien. Magie was voorbehouden aan de goden en aan de allertrouwste dienaren die voor die goden werkten. Magiërs werden gezien als beslagleggers van macht die slechts voor enkele uitverkorenen bedoeld was, en als zodanig waren ze in het beste geval verdacht en in het slechtste geval onbetrouwbaar. Veel magiegebruikers lieten zich verleiden door de duistere kunsten, en er waren er meerdere die vanwege misdaden uit het verleden door de tempelleiders op een dodenlijst waren gezet.

Sandrina was in de loop der jaren enkele magiegebruikers tegen gekomen, meestal met ongelukkige afloop, en ook de andere ontmoetingen waren altijd lastig geweest. Het was een droevige waar heid dat zelfs de meest ontaarden ervan overtuigd waren dat ze een soort rechtvaardiging voor hun gedrag hadden. Ze herinnerde zich een bijzonder akelig incident met een groep doodsbezweerders, een trio maniakken die zo waanzinnig waren geworden dat de heilige ridder geen andere keus had gehad dan hen te doden. Ze had nog steeds een lelijk litteken op haar linkerbovenbeen als geheugen steuntje dat sommige mensen geen vermogen tot rede hadden. Een van de magiërs had een duistere magische schicht naar haar toe gesmeten voordat hij stierf, en hoewel de aanvankelijke verwonding meeviel, wilde de wond niet genezen en was hij gaan ontsteken en met de dag ernstiger geworden. De tempelgenezers hadden er hun handen vol aan gehad om te voorkomen dat Sandrina haar been verloor, of erger, en ze had bijna een maand in het ziekbed gelegen.

'Ik zal proberen te ontdekken of de magiërs hier de hand in hebben, vader-bis schop.'

'Heb je al een beleefdheidsbezoekje aan de hogepriesteres ge bracht?'

Sandrina glimlachte. Hoe vroom de leden van de orde ook waren, ook dit had met politiek te maken. 'Als u me niet had laten roepen na mijn meditatie en bad, dan zou ik dat eerst hebben gedaan, vader-bisschop.'

Creegan glimlachte spijtig. 'Ah, net als alles soepel verloopt, ver oorzaak ik weer onrust.'

'Die onrust was lang geleden al veroorzaakt, vader-bisschop.'

Hij haalde lichtjes zijn schouders op. 'De hogepriesteres is... onwrikbaar in haar devotie, en ze is er niet erg mee ingenomen dat een van hun beste leerlingen voor de Weg van Adamant heeft gekozen. We geloven allebei dat je het als priesteres in de orde ver had kunnen schoppen, maar het is niet aan ons om het pad te betwijfelen dat de godin voor je heeft uitgestippeld.'

Sandrina's glimlach werd breder. We wagen het dan misschien niet om het pad te betwijfelen, maar kennelijk staat dat sommige mensen toch toe om enige mate van opheldering te eisen.'

Vader-bisschop Creegan lachte, wat hij maar zelden deed. 'Ik mis je gevoel voor humor, meisje.'

Ze onderdrukte de neiging om te zuchten bij dat woord. Hij noemde haar alleen maar meisje tijdens hun gesprekken onder vier ogen, en het deed haar terugdenken aan de tijd toen hun rol van mentor en protegé zich bijna tot iets veel persoonlijkers had ontwikkeld. De ordes van Dala waren niet celibatair; hoewel door de ver eisten van de roeping huwelijken en gezinnen zeldzaam waren, had den leden af en toe affaires. Maar voor een man met de rang en positie van de vader-bisschop zou het ongepast zijn geweest om intieme betrekkingen aan te gaan met een acoliet, of zelfs een jonker-adamant, en Sandrina's natuurlijke aversie tegen mannen had het moeilijk gemaakt om zijn persoonlijke belangstelling voor haar te vertrouwen. Dus hadden ze de spanning tussen hen nooit aangekaart. Toch waren ze zich allebei pijnlijk bewust van de wederzijdse aantrekkingskracht. Sandrina zette die verontrustende gevoelens van zich af en vroeg: 'Als er verder niets is, vader-bisschop?'

'Nee, dochter,' zei hij formeel, kennelijk beseffend dat hij met zijn vorige woordkeus een grens had overschreden. 'Moge de godin over je waken en je begeleiden.'

En u ook, vader-bisschop,' antwoordde Sandrina. Ze vertrok snel en liep door de lange gang langs de zuidkant van de reusachtige tempel. Pal naar het noorden lag het enorme centrale tempelplein, met het hof voor de gelovigen en diverse altaren langs de buiten rand. Anders dan bij andere geloofsstromingen waren er weinig gelegenheden voor de openbare aanbidding van Dala, maar op vele momenten kwamen gelovigen bidden en danken voor de tussen komst van de godin. Het was op elk uur van de dag of de nacht een doorlopend komen en gaan door de hoofdpoorten van de tempel. Daarom hadden de meeste ondernemingen binnen de tempel werk kamers langs deze zuidelijke gang. De woonverblijven en gastenkamers en alle noodzakelijke ceremoniële zalen, keukens, proviandkasten, wasruimtes en de baden en meditatietuinen lagen aan weerskanten van het grote middenplein. De slaapzalen van de gees telijken en leden van de krijgsordes, zoals zijzelf, bevonden zich langs de keldergang, onder de gang waar ze nu doorheen liep.

Aan het andere uiteinde van de gang was de werkkamer van de hogepriesteres. Het feit dat de werkkamers van de twee tempellei ders zo ver mogelijk bij elkaar uit de buurt lagen ontging maar weinig mensen. Anders dan de werkruimte van de vader-bisschop had die van de hogepriesteres wel een wachtkamer. Hier stond de werktafel van haar privésecretaris, een van de tempelpriesteressen. Ze keek op toen Sandrina binnenkwam. Als ze Sandrina al van vorige bezoeken herkende, dan gaf ze daar geen blijk van.

'Zuster,' zei de vrouw zachtjes en afgemeten, 'hoe kan ik je van dienst zijn?'

Ze onderdrukte de plotselinge neiging om zich om te draaien en weer te vertrekken. 'Ik ben Sandrina, ridder-adamant van de Orde van het Schild. Ik wil graag een bezoekje brengen aan de hogepriesteres.'

De slanke vrouw van middelbare leeftijd stond gracieus op. Ze droeg het eenvoudige gewaad van haar orde, van ruwe bruine stof die was verbleekt tot lichtbeige. Om haar hals hing het teken van de orde, een simpel schildje aan een ketting, maar het ontging Sandrina niet dat die allebei van goud waren en door vaardige handen waren gemaakt. Een geschenk van de hogepriesteres, ongetwijfeld. 'Ik zal kijken of de hogepriesteres een momentje voor je heeft.'

Sandrina bad in stilte dat de vrouw inderdaad maar een moment je de tijd voor haar had, want ze wist dat een uitnodiging om te gaan zitten en 'bij te kletsen' een lang en saai verhoor betekende. Even later werd Sandrina's grootste angst bewaarheid, toen ze de werkkamer in werd geleid en twee stoelen zag staan bij een tafeltje met een pot versgezette thee erop.

Hogepriesteres Seldon was een robuuste vrouw van in de vijftig die elke keer dat Sandrina haar ontmoette wat gezetter leek. Ze had rozige wangen en haar zo lichtgrijs dat het bijna wit was, wat haar donkerbruine ogen nog opvallender en doordringender maakte toen ze die op Sandrina richtte. 'Ah, zuster,' zei ze, en ze wenkte Sandrina naar de lege stoel. Wat brengt je naar Krondor, kind?' vroeg ze.

Sandrina grimaste bijna. Door haar 'meisje' te noemen gaf de vader-bisschop te kennen dat hij zijn gezag terzijde had gelegd, maar als de hogepriesteres haar 'kind' noemde was dat juist een benadrukking van haar status. Hoewel Sandrina vier jaar als jonker-adamant in de tempel had gediend, was opgeleid in alle wapens die de zegen van de orde hadden en al drie jaar door het Koninkrijk en noordelijk Kesh reisde als wapen van de godin, wilde de hogepriesteres haar eraan herinneren wie het gezag had in Krondor. Boven dien was het een verwijzing naar het feit dat de hogepriesteres haar als een verraadster zag, omdat Sandrina het pad van de priesteressen had opgegeven en liever de wapens had opgepakt om onwaardige lieden mee om de oren te slaan.

Toen Sandrina op het punt stond te antwoorden, vroeg de hoge priesteres: 'Thee?' Zonder op antwoord te wachten schonk ze de warme drank in fraaie porseleinen kommen.

Sandrina bekeek de kom die de hogepriesteres haar aanreikte en vroeg: 'Tsuranees?'

De gastvrouw schudde haar hoofd. 'Uit LaReu. Maar het is een Tsuranees ontwerp. Echt Tsuranees porselein is veel te duur voor ons. De godin voorziet in ons onderhoud, maar niet in overdaad, kind.'

Zelfs die korte uitleg voelde als een berisping.

Dus, nogmaals: waarom ben je in Krondor?'

Sandrina wist dat ze het niet hoefde uit te leggen. Ze kon beweren dat ze puur toevallig naar de hoofdstad van het Westelijke Rijk van het Koninkrijk der Eilanden was gekomen. Maar ze was ervan overtuigd dat de moeder-overste al wist dat ze naar de werkkamer van de vader-bisschop was geroepen. Ze zou niet geloven in toeval als er mogelijk opzet in het spel was.

'Ik was in Vykorhaven, hogepriesteres.'

'Op bezoek bij broeder Mathias?'

Sandrina knikte. Broeder Mathias had haar naar de Moedertempel in Kesh gebracht, waar ze was opgeleid in de verwachting dat ze priesteres zou worden. Hij was weer in haar leven gekomen in Krondor, toen ze haar roeping had omgezet van die van een novice in het priesterambt naar jonker-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken. Mathias had zich opgeworpen om haar als jonker aan te nemen toen het geschil tussen hogepriesteres Seldon en vader-bisschop Creegan netelig werd. Sandrina wist nu dat ze een nuttig hulpmiddel voor Creegan was en dat hij zijn eventuele persoonlijke genegenheid voor of verlangen naar haar gemakkelijk op zij kon zetten. Seldon zag haar eerder als gestolen bezit, een zoveelste tegenslag in haar eindeloze strijd tegen de orde en de leden ervan, vooral de vader-bisschop. Het kwam maar zelden voor dat iemand uit de krijgsordes opsteeg naar een gezagspositie binnen de tempel zelf, maar Creegan was een uitzonderlijk iemand.

'Hij is... tevreden,' zei Sandrina langzaam. 'De ziekte die zijn geheugen aantast heeft zijn plezier in de meeste dingen niet wegge nomen. Hij gaat graag vissen als het mag, of in de tuinen wandelen. Soms herkent hij me, soms niet.'

'Maar verder gaat het hem goed?' vroeg hogepriesteres Seldon, en even zag Sandrina oprechte bezorgdheid en genegenheid in haar blik. Broeder Mathias had in de loop der jaren promoties geweigerd, maar hij had groot respect verworven in de tempel.

'De genezers in het tehuis zeggen dat hij gezond is en dat hij nog jaren te gaan heeft. Het is alleen moeilijk... als hij je niet herkent.'

'Hij was als een vader voor je,' zei de hogepriesteres op vlakke, bijna achteloze toon, en het vonkje menselijkheid dat Sandrina had gezien was verdwenen. Sandrina behoorde Creegan toe, en dat zou de hogepriesteres nooit vergeten, evenmin als haar verraad. Sandrina wist dat een groot deel van de wrijving tussen de hogepriesteres en de vader-bisschop kwam doordat Seldon vond dat Creegan zich te veel gezag in Krondor had toegeëigend en niet zozeer omdat ze een getalenteerde novice aan de orde was kwijtgeraakt. Men zei dat de hogepriesteres zichzelf zag als een goede kandidaat voor de heiligste positie in de tempel wanneer de huidige Grootmeester kwam te overlijden. En als dat klopte, zou Creegan haar grootste obstakel zijn voor het ambt van Grootmeesteres.

Sandrina weerstond de verleiding om de hogepriesteres eraan te herinneren dat ze zich geen voorstelling kon maken van hoe hetvoelde om een vader te hebben. Haar moeder had geen flauw idee had wie Sandrina's vader was geweest, en wat ze als kind van andere vaders had gezien, had bij haar een niet al te beste indruk achtergelaten. In het beste geval waren het slechte vaders, in het slechtste waren het dronken, agressieve, op seks beluste, brute monsters. Nee, broeder Mathias was eerder een heilige dan een vader geweest. Hij was de enige man die ze tot op de dag van vandaag zonder meer vertrouwde. Zelfs vader-bisschop Creegan bekeek ze met enige terughoudendheid, omdat zijn behoeften altijd boven die van haar, of van wie dan ook eigenlijk, gingen.

Ze knikte alleen en maakte wat nietszeggende geluiden.

'En wat is je volgende opdracht, kind?'

Sandrina wist dat ze er maar beter niet omheen kon draaien. De hogepriesteres had haar bronnen in de tempel. Maar ze hoefde niet de hele waarheid te vertellen. 'De orde heeft gehoord dat piraten een dorp aan de Keshische kust bestoken. Schijnbaar heeft het keizerlijk hof het te druk om zich ermee bezig te houden, dus moet ik erheen, aangezien ik als ridder-adamant het dichtst bij het dorp ben.' Het gebruik van haar titel herinnerde de hogepriesteres eraan dat Sandrina ondanks haar vroegere ondergeschiktheid aan Seldon al leen uit beleefdheid bij haar op bezoek kwam, en verder niets. Ze dronk haar theekom leeg, stond op en zei: 'Ik moet gaan, hogepriesteres. Dank u dat u ondanks uw drukke bezigheden tijd voor me hebt vrijgemaakt.'

Ze wachtte op een formele reactie, waar ze recht op had, en na een onbehaaglijk moment neigde de oudere vrouw uiteindelijk het hoofd. Een priesteres of novice zou moeten blijven staan tot zij hun toestemming gaf voor vertrek, maar dat gold niet voor een ridder van de orde. Toen Sandrina bij de deur was aangekomen, zei de hogepriesteres: Toch is het jammer.'

Sandrina aarzelde even en draaide zich om. 'Wat is jammer, hogepriesteres?'

Ik heb het gevoel dat je, ondanks het werk dat je voor de godin doet, op de een of andere manier van het juiste pad bent afgedwaald.'

Sandrina bedacht meteen een tiental mogelijke reacties, allemaal onvriendelijk en snerpend, maar haar lessen van broeder Mathias pen haar na te denken voordat ze sprak. Kalmpjes antwoordde ze: 'Ik zoek altijd het pad dat voor mij is bedoeld, hogepriesteres, en ik bid dagelijks tot de godin dat ze mijn voeten op dat pad houdt.'

Daarop draaide ze zich om en vertrok. Terwijl ze woest door de lange gang beende, verlangde ze naar iets om een flinke mep tegen te geven; een schurk of gnoom zou haar wel passen. Omdat die niet voorhanden was, besloot ze dat het tijd werd om naar het oefenterrein te gaan en haar strijdknots op een houten oefenpop te gebruiken; eens kijken hoe snel ze het dikke hout tot splinters kon reduceren.

 

Sandrina stond te hijgen nadat ze haar woede bijna een uur lang op een oefenpop had gekoeld. Haar rechterarm deed pijn van het pak slaag dat ze het stilstaande houten doelwit had gegeven. Net als alle leden van haar orde droeg ze altijd een strijdknots bij zich. De traditie van het gebruik van wapens zonder scherpe randen was al heel oud. Naar men dacht maakte het deel uit van de geloofsleer van de orde, die altijd streefde naar evenwicht. Haar tegenstanders in het gevecht kregen alle kans om zich over te geven, zelfs tot aan het moment van de dood toe. Wapens met scherpe randen vergoten bloed dat niet teruggegeven kon worden. Ze had zich meer dan eens afgevraagd of de grondlegger van de traditie wel had geweten hoe veel schade je met een goed gehanteerde strijdknots kon toebrengen. Een ingeslagen schedel was even dodelijk als een doorgesneden slagader.

Een meisje in de kleding van de orde, iemands jonker of page, benaderde haar. Ze was heel mooi, en even schoot Sandrina droog jes te binnen dat ze ongetwijfeld deel uitmaakte van de privéstaf van de vader-bisschop. Sandrina knikte begroetend. 'Zuster.'

De jonge acoliet stak haar een klein kistje van zwart hout toe. 'De vader-bisschop heeft me gevraagd je dit te geven. Hij zei dat je het wel zou begrijpen.'

Sandrina lachte. Ze was inderdaad een lid van zijn staf.

Het meisje keek een beetje verward en Sandrina zei: 'Pardon, ik dacht toevallig aan iets grappigs. Ben je in opleiding voor de Orde Adamant?'

Ze schudde haar hoofd. 'Ik ben kopiist en klerk. Ik werk in de tempelbibliotheek.'

'Aha,' zei Sandrina. De vader-bisschop had een spionnetje op een positie gezet waar ze iedereen kon zien komen en gaan. De bibliotheek was niet alleen de plaats waar alle waardevolle boeken en schriftrollen van de orde werden bewaard, maar daar kwamen ook alle kopiisten naartoe om werk voor hun superieuren te doen. Ze pakte het kistje aan. 'Dank je.'

Ze volgde met haar blik het slanke meisje dat zelfverzekerd weg liep en vroeg zich heel even af hoe haar leven eruit had gezien voordat ze hierheen was gekomen. Had het meisje liefhebbende ouders gehad die graag kleinkinderen wilden? Was ze op de vlucht geslagen voor een harde en ongeïnteresseerde wereld? Ze zette die zinloze gedachten echter meteen weer van zich af en opende het kistje. Ze herkende onmiddellijk de inhoud ervan. Het was een doffe, parelwitte steen in een eenvoudige metalen zetting, hangend aan een simpel leren koordje. Ze haalde hem er met een gelaten zucht uit. Het was een zielspoort. Voordat ze vertrok zou Sandrina nu eerst een lange en moeilijke sessie bij een van de machtige broeders van de orde moeten doorstaan om haar steen voor te bereiden. Mocht ze tijdens haar missie komen te overlijden, dan kon haar geest worden teruggeroepen naar de tempel en worden ondervraagd door de priesters die met overledenen konden praten. Als de gebruikte magie sterk genoeg was, zou ze zelfs weer tot leven kunnen worden gewekt. Dit was de machtigste magie waarover de tem pel beschikte, extreem zeldzaam en bijzonder moeilijk uit te voeren. Ze vroeg zich af of ook haar littekens terug zouden komen als ze weer tot leven werd gewekt; het litteken op haar bovenbeen jeukte altijd op de meest ongelegen momenten. Toen bedacht ze dat het feit dat ze de steen had ontvangen, betekende dat datgene wat ze moest gaan onderzoeken belangrijk was. Zo belangrijk dat ook als ze het niet overleefde, ze geacht werd verslag uit te brengen in de tempel, ook al was het dan in onstoffelijke vorm. En misschien, als de behoefte groot was en Lims-Kragma wilde meewerken, kon ze zelfs geheel aan de dood ontkomen.

Ondanks de warmte en haar inspanningen voelde ze een kilte en de behoefte aan een bad.

 

Vanuit een raam hoog boven het oefenterrein achter de tempel keek de vader-bisschop Creegan naar het meisje dat met de zielspoort in haar hand stond en zei: 'Ze is nog zo jong.'

'Ja, maar even taai als elke andere ridder-adamant in de orde,' zei de man naast hem. 'Als Mathias nog gezond was, of als Kendall nog leefde, zou ik een van hen beiden hebben gekozen, maar op dit moment heeft zij de beste combinatie van vaardigheden, kracht en vastberadenheid.'

Creegan draaide zich om naar zijn metgezel, een man die hij al het grootste deel van zijn leven kende, hoewel hij hem pas in de afgelopen drie jaar goed had leren kennen. Hij droeg de kleding van een nogal haveloze burgerman, zijn haren zaten in de war en de sik op zijn kin werd omringd door de stoppels van enkele dagen. Zelfs zijn nagels waren vuil, maar de vader-bisschop van de Orde van het Schild van de Zwakken wist dat dit maar een van de vele vermommingen van James Dasher Jameson was.

'Handel je uit naam van de Kroon?'

'Bij wijze van spreken,' zei de man die wat Creegan betrof de gevaarlijkste in het Koninkrijk was. Niet alleen was hij de kleinzoon van de belangrijkste hertog van het Koninkrijk der Eilanden, maar er werd ook beweerd dat hij het meesterbrein was achter de inlichtingendiensten van het Koninkrijk en zelfs, volgens sommigen, de leider van de criminele broederschap die bekendstond als de Snaken.

Jim Dasher keek nog een tijdje uit het raam en zei toen: 'Een onmogelijk mooie vrouw.'

'En even gevaarlijk als mooi,' vulde Creegan aan.

Jim Dasher keek de geestelijke aan. 'Jullie twee...?'

'Nee,' zei de prelaat. 'Niet dat die gedachte niet af en toe bij me is opgekomen.' Hij gebaarde zijn gast naar een tafeltje met twee stoelen. 'Als ik één gebrek heb, dan is het mijn voorliefde voor mooie vrouwen.' Deze kamer werd niet voor een specifiek doel gebruikt, en Creegan had hem lang geleden opgeëist voor zijn clandestiene ontmoetingen en voor de momenten dat hij de behoefte voelde om even alleen te zijn, of wanneer hij wat tijd nodig had om ongestoord na te denken.

'Ik heb haar gekend,' zei Jim, 'toen ze nog hoer was.'

'Jij?' vroeg Creegan.

Jim Dasher lachte; een blaffend, beschaamd geluid. 'Nee, niet op die manier. Ik ben misschien niet de eerste die ze graag dood zou zien, maar ik sta ongetwijfeld hoog op haar lijst.'

'Werkelijk?' 

Dasher knikte. 'Ik heb haar verkocht aan die Keshische handelaar.'

Creegan slaakte een diepe zucht en schudde zijn hoofd. "Wat we toch niet allemaal doen in naam van het grotere belang.' Toen vroeg hij - 'Maar jij was ook degene die regelde dat broeder Mathias haar redde van de Keshiër, nietwaar?'

'Ik wou dat ik dat kon beweren,' zei Jim. Hij keek weer uit het raam, turend in de verte. 'Het was mijn bedoeling om haar een maand lang het gezelschap van dat vette monster te laten doorstaan, en daarna wilde ik contact met haar leggen en haar voor mijn eigen doelen inzetten. Ik wilde haar een veilige overtocht van Shamata naar het Koninkrijk bieden, en genoeg geld om een nieuw leven te beginnen, als ze me bepaalde documenten bezorgde die de koop man in zijn bezit had.'

'Dat heb ik nooit geweten,' zei Creegan. 'Ik dacht altijd dat het allemaal een of ander ingewikkeld plan van je was om van een Keshische spion af te komen, en nu blijkt dat Mathias gewoon bij toeval de kwaliteiten van dat meisje ontdekte.'

Jim lachte weer blaffend. 'Zacanos Martias was net zomin een Keshische spion als jij. Wat hij wel was, echter, was een flessenhals voor bepaalde...' Hij onderbrak zichzelf. 'Laten we het er maar op houden dat het sinds zijn verscheiden een stuk gemakkelijker voor me is geworden om bepaalde spullen Kesh in en uit te krijgen. Nu heb ik rechtstreeks contact met degenen bij wie Zacanos me voor heen weghield.' Hij trommelde met zijn vingers op de stoelleuning. Toch wou ik dat ik die documenten van hem had kunnen krijgen. Tegen de tijd dat mijn mensen bij zijn huis in Shamata aankwamen, had iemand anders al zijn spullen doorzocht en was er niets belangrijks meer te vinden.'

'Wie zou dat zijn geweest?' vroeg de vader-bisschop.

'De Keizerlijke Keshische Inlichtingendienst,' zei Dasher. 'Die natuurlijk niet bestaat.'

'Hè?'

Jim wuifde met zijn hand. 'Oud familiegrapje.' Hij zuchtte. 'Zolang de keizer zo slim is om zijn spionnen onder bestuur van Ali

Shek Azir Hazara-Khan te laten, heb ik er mijn handen aan vol.' Hij leunde naar voren, alsof hij zich onbehaaglijk voelde. 'Die familie is verantwoordelijk voor meer onrust tussen onze twee naties dan welke andere groepering ook.'

'Waarom worden ze dan niet gewoon uit de weg geruimd?' vroeg Creegan. 

'Nou, om te beginnen zou dat een oorlogsdaad zijn, en wij heb ben ongeveer evenveel behoefte aan een uitvlucht om met de hond soldaten van Kesh op de vuist te gaan als een brandend huis behoef te heeft aan een vat teer. Ten tweede is dat niet hoe zaken in de spionage worden aangepakt; de dood is in alle omstandigheden de laatste keus. En ten laatste mag ik Ali graag. Je kunt vreselijk met hem lachen, hij kan schitterend vertellen en is een uitstekende gokker.'

'Jij leeft in een wereld die ik nauwelijks kan begrijpen,' gaf de prelaat toe.

'Dat geldt andersom net zozeer, maar soms vereist het hogere belang dat we elkaar vertrouwen.'

'Dat is duidelijk, anders zou je hier niet zijn.' De vader-bisschop stond op. 'Ik moet terug naar mijn werkkamer.' Terwijl hij met zijn gast meeliep naar de deur zei hij: 'Als jij die ontmoeting tussen broeder Mathias en de Keshische koopman niet had geregeld, wie dan wel?'

'Je zou Sandrina moeten vragen wat ze zich herinnert, en of er nog iemand anders in het spel was, want ik heb geen idee.'

'Misschien was het gewoon het plan van de godin,' zei Creegan, en Jim zag dat hij het meende.

'Ik heb in mijn leven al te veel gezien om te denken dat er waar het de goden aangaat ook maar iets onmogelijk is,' zei Jim. Hij wierp een snelle blik naar buiten. 'Ik zal proberen even onopvallend te vertrekken als ik ben aangekomen.'

'Tot ziens dan,' zei de vader-bisschop toen Jim Dasher zich door de korte gang naar de zuidelijke trappen haastte. Creegan wist dat er, ondanks de drukte in de tempel, een goede kans bestond dat de agent van de Kroon weg zou kunnen komen zonder dat iemand de haveloos uitziende burger opmerkte.

Hij zuchtte; alles werd veel te ingewikkeld en hij was bang dat de enorme schaal van hun onderneming te veel zou blijken, zelfs voor de gecombineerde middelen van de Kroon en de tempel. Hij pro beerde die gedachte van zich af te zetten; het had geen zin om tijd en energie te verspillen aan zaken waar hij geen vat op had. Hij kon beter vertrouwen op de godin en zich met de dagelijkse beslommeringen bezighouden.

Creegan volgde Jim Dasher de trap af, en toen hij bij de buiten deur aankwam, zag hij, zoals hij al had verwacht, al geen spoor meer van hem op het uitgestrekte plein.