5
Uittocht
Laromendis begon zijn bezwering. Aan de overkant van het binnenplein stond een enorme ijzeren kooi, waarin zijn broer het zich in de bloedhete middag zon zo aangenaam mogelijk probeerde te maken. De soldaat die de kooi bewaakte had de magiër nog niet opgemerkt, dus toen Laromendis zijn bezwering voltooide en naderde, zag de man niet één maar twee gestalten: de bezweerder, vergezeld door een wachtkapitein.
De bewaker keek vragend naar de twee, zich er niet van bewust dat een van hen een fantoom uit zijn eigen verbeelding was, en toen ze voor hem bleven staan, hoorde hij de officier hem opdragen zich terug te trekken en de broers even onder vier ogen met elkaar te laten praten. De wachter knikte en deed wat hem werd gezegd.
Gulamendis keek zijn broer aan en glimlachte, hoewel hem dat overduidelijk moeite kostte: zijn lippen waren gebarsten van de hitte en bloedden.
'Hoe gaat het met je, broertje?' vroeg hij.
Laromendis schudde zijn hoofd terwijl hij een waterbuidel door de tralies van de kooi stak. 'Langzaam drinken,' waarschuwde hij. Mij gaat het zo te zien beter dan jou. Wat is er gebeurd?'
'Onze meester de regent was erg overstuur over het nieuws dat we de voorpost bij Sterrenbron hadden verloren en richtte zijn Woede op mij. Hij had me al in de kerker gegooid, en aangezien hij file niet kon doden zonder dat jij ontslag zou nemen, besloot hij me een beetje te folteren,' zei Gulamendis. Hij keek naar de zon, die nu naar het fort zakte. 'Over een uur is hier weer schaduw, en dan gaat het wel weer.'
Laromendis wees naar de waterbuidel. 'Verstop die; er zit genoeg in voor een paar dagen.' Hij keek over zijn schouder naar de bewaker die een eindje was weggelopen. 'Ik denk niet dat ze helemaal zullen vergeten je te eten en te drinken te geven, maar misschien laten ze je nog een tijdje lijden. Het zijn grimmige tijden.'
'Nee, er is niet veel lol aan,' beaamde de demonenmeester. Gulamendis schoof het oude stro waar hij op lag wat opzij en verstopte de waterbuidel. 'Het gaat me beter dan ik eruit zie. Elke nacht stuur ik Choyal naar de keuken om extra eten en drinken voor me te halen.' Hij grinnikte, maar het klonk droog en raspend. 'Maar impen zijn zo stom. De ene nacht brengt hij me heerlijkheden uit de voorraadkast van de regent zelf, de andere nacht komt hij met rotte groenten aanzetten.'
'Ik zal doen wat ik kan om je hier uit te krijgen.' Hij zweeg even, keek zijn broer in de ogen en zei: 'Ik heb het Thuis gevonden.'
Het gezicht van zijn broer verstrakte. Ze leken opvallend veel op elkaar, maar Gulamendis was een stukje kleiner, iets magerder en hij had lichter gekleurd, bijna oranjerood haar.
'Wat is er?' vroeg Laromendis.
'Als je het Thuis hebt gevonden, waar heeft de regent ons dan nog voor nodig?'
'Er zijn problemen,' antwoordde Laromendis terwijl hij ging staan. 'Ik moet weg, want de bewaker komt terug en ik moet weg zijn voordat er een echte officier komt. De regent heeft me nog een tijdje langer nodig, en daarom ben jij veilig, al is het hier niet erg comfortabel. En ik heb een plan.'
Zijn jongere broer glimlachte. 'Dat heb je altijd.'
'Jij moet ook naar het Thuis. Niet alleen is het daar veiliger voor je, het Volk zal ook behoefte hebben aan je kennis.'
'Demonen?'
'Misschien, maar meer kan ik er niet over zeggen. Als je wordt ondervraagd, is de onwetendheid je beste vriend.'
Hij draaide zich om en haastte zich weg bij de kooi, knikkend naar de bewaker die terugkeerde om Gulamendis in de gaten te houden. Hij verliet het plein zo snel mogelijk en liep naar zijn vertrekken. De regent had met tegenzin het nut van de bezweerder erkend door hem twee bescheiden kamers te gunnen, een om in te slapen en de andere als werkruimte.
Laromendis had hier weinig van waarde liggen, op zijn aantekeningen na, die hij had geschreven voordat hij op zijn laatste verkenningstocht was gegaan, de reis die hem Thuis had gebracht. Hij ging op zijn bed zitten en bladerde het dagboek door. Toen hij bij de laatste pagina was aangekomen, reikte hij naar een tafeltje om zijn schrijfveer en inkt te pakken. Ze lagen er niet. Iemand was in zijn kamer geweest en had zijn dagboek gelezen.
Hij onderdrukte een glimlach, want hij had niet anders van de regent verwacht. Hij had het moeilijk met wat hij had gehoord over zijn verre verwanten op Midkemia en wat er van zijn eigen volk was geworden. Er was veel bewonderenswaardig aan de prestaties van de taredhel, maar kennelijk was er ook veel verloren gegaan.
Een jager uit Yabon had Laromendis lange verhalen verteld over het elfenwoud ten westen van zijn woonplaats, zolang de vreemde ling maar had betaald voor het bier in de taveerne in Haviksholte. De verhalen die hij vertelde schilderden een beeld van een volk dat één was met het woud, dat tevreden of misschien wel gelukkig leefde, en dat moeiteloos kon komen en gaan door de bossen. Hij vertelde iets over de elfenmagie, maar zijn kleine beetje kennis sprak voor Laromendis boekdelen: de grote machtswevers en de oude eldar waren er nog!
Dat feit had hij niet in zijn rapport aan de regent opgenomen, en wel om twee redenen. Ten eerste had hij geen enkel bewijs dat het verhaal van de jager klopte, ook al voelde hij in zijn botten dat het zo was. Ten tweede wilde hij zelf ontdekken hoeveel magiegebruikers er in Elvandar waren en welke vaardigheden ze bezaten. Er was veel van hun oude kennis verloren gegaan toen ze de Sterrenbrug overstaken.
Zoveel ervan was geworteld geweest in hun spirituele banden met de aarde van hun Thuis, de energie die oprees uit het hart en de ziel van de planeet, die was geplooid en verfijnd om de edhel, het Volk, te dienen. Hun nieuwe wereld had andere magie gehad, en het Was moeilijk geweest om dat wat ze mee hadden genomen te combineren met wat ze hier aantroffen. De zeven grote bomen, de Zeven Sterren, waren hun anker geweest naar de oude magie van
Thuis. Maar hun nieuwe grond was die van een vreemde wereld, een wereld met zijn eigen regels en aard, en uit de mengeling was de schitterende kracht voortgekomen die de taredhel aanvankelijk met moeite konden beheersen, maar die ze uiteindelijk wisten te be dwingen.
De Machtsmeesters van de taredhel waren waarschijnlijk gelijk waardig aan iedereen behalve de allerbeste magiegebruikers onder de mensen en elfen op Midkemia, maar er waren er maar zo weinig over; veel van hen hadden met hun eigen bloed voor het overleven van het Volk betaald. Ze werden geëerd en herdacht in de annalen, maar elk verlies verzwakte het Volk oneindig veel meer.
Ieder jaar werden er meer studenten op pad gestuurd om te vechten tegen het demonenlegioen, en elke lichting was er minder klaar voor, had minder geoefend en was minder in staat de demonische magie te weerstaan. Als er een andere manier was geweest waarop de regent het Thuis had kunnen vinden, zonder gebruik te maken van 'onwettige' magiegebruikers zoals Laromendis en Gulamendis, dan had hij hen jaren geleden al ter dood laten brengen.
De relatie tussen magiegebruikers in het Sterrengilde, de erfgenamen van de oorspronkelijke machtswevers die het Thuis waren ontvlucht, en degenen buiten die organisatie was in het beste geval altijd al gespannen geweest, en in het slechtste geval regelrecht vijandig. Wilde magie, gebroken magie, en allerlei andere termen waren gebruikt om degenen te beschrijven die hun macht hadden verkregen zonder formele opleiding van het Sterrengilde.
Het Sterrengilde zorgde al generaties lang voor de Zeven Ster ren, probeerde de wilde magie van Andcardia te beteugelen en de vernietiging van het Volk te voorkomen. Hun werk had hen een plek in kringen van macht opgeleverd, en de meest begaafde onder hen - de belangrijkste magister van het Gilde - was in prestige en macht alleen ondergeschikt aan de regent.
In het verleden waren lieden zoals Laromendis en zijn broer opgejaagd en vermoord, of gevangengenomen en aan het gilde overhandigd als 'moddermagiërs' of iets van die beledigende strekking. Maar nu waren moddermagiërs zoals Laromendis, en 'demonenvriendjes' zoals zijn broer te waardevol om uit naam van de onverdraagzaamheid te verspillen. Deze regent was niet bijzonder veel vergevingsgezinder ten opzichte van afwijkende praktijken dan zijn voorouders, maar hij was wel veel pragmatischer in het gebruik van talent, waar het ook vandaan kwam.
Laromendis legde zijn dagboek weg, ervan overtuigd dat het zou worden gelezen zodra hij de stad verliet. Hij had ervoor gezorgd dat niets van wat hij had geschreven afweek van zijn rapport aan de regent.
Hij stond op en keek uit het raam. Het deel van het plein waar zijn broer gevangen zat kon hij niet zien, maar hij wist dat de kooi inmiddels in de schaduw stond. Het duurt niet meer lang, broertje. De regent zal binnen een uur na mijn vertrek mijn dagboek letten, en wat hij ook van onze kunsten en van ons persoonlijk vindt, hij heeft ons nodig. Binnenkort ben je vrij.
Hij borg zijn pen en inkt op, legde het dagboek op het tafeltje en ging op zijn bed zitten nadenken. Hij zou eigenlijk moeten proberen te slapen, maar zijn hoofd liep om.
Er was zoveel wat hij de regent niet had verteld, zoveel wat hij had willen delen met Gulamendis en een handjevol anderen; want de planeet die hij had gevonden was écht hun Thuis. Bovendien voelde hij in elke vezel van zijn wezen dat ten noorden van die vallei alle antwoorden lagen die het Volk zocht; als ze maar verstandig genoeg waren om hun redding te herkennen.
Hoewel Laromendis geloofde dat hij even toegewijd was aan de redding van het Volk als de regent, was hij zich ervan bewust dat Undalyn hem ervan verdacht zijn eigen plan te trekken.
Hij keek weer naar het dagboek en onderdrukte een glimlach; laat de regent en de Hoge Magister, en de andere leden van de Raad van de Regent, hem maar verdenken. Laat ze maar geloven dat zijn ambities persoonlijk waren: macht, glorie, rijkdom en de vrijlating van zijn broer, want die doelen zouden ze begrijpen. Zolang ze maar niet vermoedden wat zijn werkelijke doelstelling was. Zijn werkelijke doel zou hun even vreemd voorkomen als de aard van hun ver schrikkelijke vijanden in het noorden.
Zuchtend ondanks zijn ijzeren vastberadenheid, stond Laromendis op en verliet zijn vertrekken. Hij moest iets eten en dan snel aan het werk, want bij zonsopgang zouden er duizend strijders van de taredhel, magiërs en wetenschappers door de translocatiepoort naar die prachtige vallei gaan die lang geleden was verlaten door de Vergetenen.
De Clans van de Zeven Sterren zouden weldra terugkeren naar hun oude thuisland op de wereld die de mensen Midkemia noem den.
Laromendis stond naast de leider van de Clans van de Zeven Ster ren terwijl hij over de vallei beneden hen uitkeek. Het gezicht van de regent was een strak masker, maar de glans in zijn ogen en de verzachting van de lijnen eromheen vertelden de bezweerder alles wat hij weten moest: de valstrik was dichtgeklapt. Elke gedachte aan een laatste reddingspoging voor Andcardia was verdwenen toen de heerser van de taredhel het oude thuisland van zijn ras zag: Midkemia.
Undalyn wenkte zijn krijgsleider en zei zachtjes: 'Begin.'
Krijgsleider Kumal bleef een tijdje zwijgend naast zijn regent staan, in de greep van de intense emoties die elke elf die door de translocatiepoort stapte als een mokerslag raakten. Toen knikte hij, draaide zich om en liep de poort weer door. De regent stapte opzij. Achter hen vulde een gezoem de lucht, dieper dan voorheen, als het geluid van zware stenen die over de grond werden gesleept, waar door trillingen via de schoenzolen van de bezweerder omhoog trok ken. Hij wist dat zijn broeders aan de andere kant van de poort hun kunsten toepasten om de doorgang groter te maken, zodat de menigten die aan de andere kant stonden te wachten er sneller door heen konden komen.
Wijzend naar het wildspoor dat langs de rand van deze open plek tussen de heuvels door liep, zei de bezweerder: 'Heer, in de vallei daarbeneden is een leegstaande palissade van een bekend ontwerp. Ik vermoed dat de Vergetenen er ooit in woonden, en met slechts weinig inspanning kunnen wij het nu gaan gebruiken. Buiten de onmiddellijke omgeving zijn nog meer mogelijke plekken voor nederzettingen, want de palissade kan alleen tijdelijk als uw hof dienst doen, en niet meer dan duizend van uw onderdanen kunnen in de vallei wonen tot er meer onderkomens zijn gebouwd. Ik heb weg wijzers uitgezet zodat die plaatsen goed te vinden zijn. Ze zullen dienstdoen als verdedigingslinie tot de stadsmuren kunnen worden gebouwd.'
Undalyn sprak tegen zijn krijgsleider: 'Laat ze beginnen. Ik wil schildposten in de heuvels boven ons hebben, en ook in de passen beneden. Laat de arbeiders signaaltorens bouwen, zodat de buitenste nederzettingen indien nodig kunnen worden opgetrommeld. Stuur jachttroepen de bossen in en maak bekend dat geen enkel lid van de Clans zich moet laten zien aan mensen, elfen of dwergen, anders zet ik zijn hoofd op een staak voor mijn troon neer. Iedereen die ons ontdekt, moet sterven voordat anderen ter ore kan komen dat we zijn teruggekeerd. Wij bepalen wanneer onze neven in het noorden en de lagere rassen ontdekken dat de ware meesters van deze wereld terug zijn.
Op een dag ontdoen we dit land van onze vijanden,' zei hij, omkijkend naar de poort die nu was uitgedijd en waar de eerste soldaten doorheen kwamen. Ze droegen elk het pantser van de Clans: een zware metalen borstplaat, lichtgeel van kleur, met punten op de schouders. De goudtint was afkomstig van de metalen waar van de pantsers werden gesmeed, een legering die een goedbewaakt geheim was van de taredhelsmeden en die sterker en lichter was dan staal. De borstplaten waren afgezet met de clankleuren, één tint voor elk van de Zeven Sterren, één voor elke kleur van de regen boog. De vaandeldragers droegen helmen met kammen, die eerder voor de sier dan functioneel waren, met een pluim in de kleur van hun clan. De leden van de infanterie droegen hun meer functionele helmen aan hun riem.
De eerste honderd soldaten haastten zich weg bij de poort en deelden zich op in brigades, elk geleid door een spoorzoeker die hen naar verschillende plekken rondom de vallei leidde. Binnen enkele uren zouden er kampen en wachtstations zijn ingericht en zou er een veilige omtrek rondom de vallei zijn uitgezet. Dan was het bruggenhoofd van de taredhel voltooid.
Laromendis keek geduldig toe terwijl forse paarden enorme wagens door de poort trokken, beladen met vrouwen en kinderen. Dit waren vluchtelingen uit de verder weg gelegen dorpen en forten die al voor de demonenhorde waren gevallen.
De kinderen zwegen, maar hun ogen waren groot van verwondering. Er hing iets in de lucht van deze wereld dat tot elke elf sprak terwijl ze terugkeerden naar het land van hun voorouders; de bezweerder kon het alleen maar vergelijken met een ontwaken van iets wat generaties lang diep in hun ziel had gesluimerd.
De regent knielde neer, trok zijn handschoenen uit en pakte een handvol aarde op. Hij bracht het naar zijn neus, rook eraan en zei: 'Dit land is rijk aan leven. We zullen ons Thuis weer opeisen, wat er ook gebeurt.' Hij zweeg en dacht even na, en toen wendde hij zich tot Laromendis. 'Dit is onze wereld,' fluisterde de regent. 'Onze wereld.' Hij keek naar de eerste sjofele vluchtelingen en schudde zijn hoofd. Degenen in de stad zouden als laatste komen, en de verdedigers die de demonen nog op afstand hielden zouden hun leven geven om de laatsten van hun verwanten te redden. Er trokken verschillende emoties over het gezicht van de heerser voordat hij zijn strakke masker weer had hersteld. We moeten rusten, ons her stellen en groeien, want we zijn de afgelopen jaren te veel kwijtgeraakt.'
Hij trok zijn bontmantel uit omdat het warmer werd en haalde diep adem. 'De lucht hier is zoet, ook al wordt hij gebruikt door dwergen en ander uitschot.' Hij grinnikte om zijn eigen grapje.
De bezweerder stapte dichter naar zijn heerser toe en liet zijn stem dalen, zodat degenen die uit de poort kwamen hem niet kon den horen boven het gerommel van de wagens uit. 'Sire, er is nog één andere verontrustende zaak.'
'Vertel,' zei de regent.
'Zoals ik al eerder zei: ik heb geruchten gehoord over demonen...'
De regent sloot zijn ogen alsof hij pijn had. Zachtjes, alsof hij het amper kon verdragen de woorden te uiten, zei hij: 'Dat had ik uit mijn hoofd gezet.' Hij keek Laromendis aan. 'Hier ook?'
'Het zijn maar geruchten. Persoonlijk heb ik geen sporen van demonen gezien; en zoals u weet heb ik grondig gezocht naar elk teken dat ze hier zijn. Toch ontbeer ik bepaalde vaardigheden die anderen wel bezitten, waarmee we met zekerheid kunnen vaststel len of er geen demonen zijn.'
De regent keek naar de wagens die door de poort bleven komen, en er verschenen ook nog meer strijders, aan weerszijden van de karavaan met vrouwen en kinderen van de taredhel. Er was nauwelijks een strijder bij zonder verwonding of schade aan zijn pantser. Het Volk streed al bijna honderd jaar tegen het demonenlegioen; miljoenen waren er gesneuveld. Ooit hadden de taredhel over de sterren geheerst en door magische poorten van de ene naar de andere wereld gereisd. Maar de demonen hadden hun miljoenen teruggebracht tot duizenden, en nu zochten de allerlaatsten van hun soort hun toevlucht op een wereld die ze alleen uit oude overleveringen kenden, een wereld waarop ze in de heilige oudheid hadden geleefd, voor de tijd dat de goden oorlog voerden en de chaos regeerde.
De bezweerder glimlachte. 'Het is hier inderdaad rijk aan leven; en veel ervan is bekend. Er zijn herten en beren, leeuwen en gevleugelde draken; er is veel wild. De maïs smaakt hier merkwaardig zoet, maar niet onplezierig, en de dwergen, ondanks al hun walgelijke tekortkomingen, verkopen hun bier aan iedereen. De mensen en dwergen hebben kuddes koeien en schapen, en ook de zeeën zijn vruchtbaar. Hier ligt een rijkdom die we al een eeuw niet meer hebben gekend.' Toen zweeg hij.
De regent keek hem aan. 'Je hebt iets te zeggen. Voor de dag ermee.'
'Heer,' zei de bezweerder, 'als ik u beledig, neem dan mijn hoofd, maar aangezien ik heb gezworen u te dienen kan ik alleen de waar heid zeggen. Als de geruchten kloppen, of als de demonen ons hierheen volgen, hebben we twee keuzes: vluchten en de mensen, dwergen en onze primitieve neven tegen het legioen laten strijden, om zelf weer op zoek te gaan naar een andere wereld...'
'Waar?' onderbrak de regent hem. 'Ik heb alle verslagen gelezen. Je hebt geen alternatief gevonden, alleen maar onherbergzame, kale planeten waar leven amper mogelijk is... nee, we kunnen nergens anders naartoe.'
'... of we blijven hier en vechten.'
'Toen mijn vader een jongen was,' zei de regent, 'bestonden de Zeven Clans uit twee miljoen zwaarden.' Hij keek toe terwijl nog meer wagens en lastdieren uit de poort kwamen. Nu werd er vee doorheen gedreven, een kudde vlijmrugzwijnen, opgejut door wolfachtige schrikhonden. Een heel grote hond draafde door de poort en liep naar de regent toe, likkend aan de hand van de monarch terwijl hij met zijn pluizige staart kwispelde.
De regent aaide ruw over de enorme nek van het beest, knielde erbij neer en bromde: 'Sanshem, mijn goede vriend.' Hij keek vol warmte naar het dier, misschien wel het enige schepsel voor wie de regent oprechte genegenheid voelde.
Hij keek de bezweerder weer aan. 'Toen mijn vader de troon besteeg, konden vierhonderdtwintigduizend zwaarden de strijdhoorn van de taredhel beantwoorden.
Toen ik de kroon van mijn vader overnam, nadat demonen zijn nog kloppende hart uit zijn borst hadden gerukt' schreeuwde hij bijna, 'had ik minder dan een derde van dat aantal!' Hij stond op en klopte de hond op zijn enorme kop. 'Sinds onze laatste slag hebben we nog maar de helft daarvan over, en lang niet allemaal ervaren strijders.' Hij schudde spijtig zijn hoofd. We hebben onze jongelui opgeleid om te vechten; kinderen, amper meer dan kleuters, die al sinds hun geboorte ons bloed en de stank van demonen ruiken!'
Hij keek naar het weelderige woud beneden hen. 'Ik ben verscheurd, bezweerder. Het demonenlegioen lijkt eindeloos. Hoeveel we er ook doden, er komen steeds weer nieuwe. Als ze ons volgen, hoe moeten we dan hier in de vallei standhouden, achter houten wanden met modder ertussen? We konden de massieve muren van Sterrenbron niet eens verdedigen, of ze op afstand houden met de doodstorens langs de Kloof van Doem. De Pamalankoepel stortte al snel in en hun vliegers daalden als een kwaadaardige hagelstorm op de stad neer. Alle magie die de taredhel kennen is ingezet om Tarendamar te verdedigen, een ongeëvenaarde prestatie in onze geschiedenis, maar toch blijven de demonen komen.
Ik dacht dat we misschien een tijdje op deze wereld konden blijven terwijl we op zoek gingen naar een ander toevluchtsoord, maar toen kreeg ik dit hier te zien.' Hij keek naar de vallei, naar de bomen die ruisten in de wind en de vogels die door de hemel bui telden. Het enige andere geluid was het gerommel van de wagens en het gestamp van laarzen op de aarde. Hij haalde diep adem. 'Nee, hier zullen we standhouden; als ze ons volgen, hebben we geen andere keus. Hier zullen we leven of sterven, afhankelijk van de wil van de godin.'
De bezweerder knikte. Dit was niet het juiste moment om te zeggen wat hij moest zeggen. Binnenkort, maar niet vandaag. Niet nadat ze voor het demonenlegioen waren gevlucht over de toendra van Mistalik, maandenlang achtervolgd door zulke smerige, sterke wezens dat alleen de sterkste strijders hen konden vertragen en alleen de machtigste magie hen kon vernietigen.
Terwijl de rij vluchtelingen door de poort bleef stromen, wist de bezweerder één ding heel zeker: als het Volk in dit nieuwe land wilde overleven, hoe weelderig en vruchtbaar het ook was, zouden ze bondgenoten nodig hebben. Wat betekende dat generaties van oorlogvoeren tegen anderen dan leden van het Volk moest worden vergeten en dat hun agressieve levenswijze moest worden afgezworen.
De regent knikte naar een van zijn boodschappers bij de poort. De dienaar maakte een buiging en schoot door de magische door gang. Even later keerde hij terug, gevolgd door een twaalftal oudere elfen gekleed in de gildekleding van de geomantiërs.
Laromendis wist dat zij nodig waren om de schade aan de verdediging van de stad op Andcardia te herstellen, en hij wist ook wat hun aanwezigheid hier betekende: deze laatste nog overgebleven meesters van de aardmagie zouden een nieuwe stad gaan bouwen in het hart van deze vallei. De reparaties aan het laatste bastion van de Andcardiaanse verdediging waren overgelaten aan lagere meesters en leerlingen. Het betekende dat hun nederlaag werd erkend, hoe wel de regent die erkenning nog niet had uitgesproken.
Een groep ouderen liep tussen de kleine menigte door en kwam voor hun regent staan, waarna ze als één man een buiging maakten. Tegen de oudste van hen zei Undalyn: 'Zie toe op de bouw van ons nieuwe thuis. Begin meteen. Verdedig de vallei en begin daarbeneden.' Hij wees naar een heuveltje in de verte, dat uitkeek over het meertje midden in de vallei. 'Rondom dat meer planten we de Zeven Sterren. Op die heuvel bouwen jullie een nieuw paleis.' Hij keek om zich heen alsof hij het Thuis goed in zich wilde opnemen. 'Iedereen die hierheen kan worden gehaald zal hier binnen een maand zijn, en daarna verzegelen we deze poort achter ons.
Ik keer terug naar Andcardia om de strijd te leiden. We zullen proberen de demonen zo lang mogelijk op afstand te houden.' Daarop richtte hij zich tot de bezweerder. Wat heb je nodig om te ontdekken hoe het hier met de demonen zit?'
Laromendis haalde diep adem en antwoordde eenvoudig 'Mijn broer. Niemand van het Volk weet meer over demonen dan hij, heer.' Toen de regent wilde protesteren, was Laromendis hem voor. Ik weet dat velen hem zien als de oorzaak van de demoneninvasie...'
'Als dat zo was,' zei de regent, 'dan zou hij al dood zijn. Ik denk niet dat hij persoonlijk het demonenlegioen heeft opgeroepen, bezweerder. Maar ik geloof wel dat het door lieden zoals hij en jij komt, door jullie gerommel in rijken die door de bezweringsmakers verboden waren, dat er magische barrières zijn doorbroken.'
De bezweerder grimaste bijna, want hij wist dat er niets was doorbroken; ergens was een poort tussen de werelden opengezet, en als die kon worden gevonden...
De regent zei: 'Nee. Ik moet hem gevangen houden om jouw goede gedrag te garanderen.'
'U hebt mijn eed, heer.'
Met een diepe zucht keek de regent nog een keer naar het land schap en nam de natuur, de geuren en de geluiden van Midkemia in zich op voordat hij terug zou keren naar de strijd.
'Goed dan,' zei hij uiteindelijk. 'Ga met mij mee terug en ruil van plaats met hem, Laromendis. Jij zult zijn garantie zijn.'
'Eh...' begon de bezweerder.
De regent glimlachte. 'Als de allerlaatsten van het Volk door de translocatiepoort komen, dan zal ik je bevrijden zodat je bij je broer kunt zijn. Tot die tijd moet je je talenten inzetten voor de strijd tegen het demonenlegioen.'
Laromendis knikte; hij zou niet in een kerker of in een kooi op het plein belanden. Hij zou op de verschansingen staan om demonen terug te sturen naar de hel waar ze vandaan kwamen. 'Uitstekend, heer. Ik wil u dienen op elke manier die u wenselijk acht.'
De regent stapte om een wagen heen en ging door het magische gordijn. Met een uitgestreken gezicht volgde de magiegebruiker zijn heerser, tevreden nu zijn plan bijna een aanvang nam. Hij wist dat hij nog even alleen moest zijn met zijn broer, heel even, en dan zou hij met genoegen zijn leven geven om het Volk te redden. Maar hij bad tot een oude godin dat zijn offer niet nodig zou zijn om hun toekomst en hun kunsten werkelijk veilig te stellen, die van zijn broer en van vele anderen die door de regent als mindere elfen werden beschouwd.
Maar er zouden wel veranderingen moeten plaatsvinden, en snel.
En daarvoor was een beetje verraad nodig.
Hij stapte door de poort en verdween.