3


Taredhel

 

 

De lucht trilde van de hitte.

Een lichte bries streek door de vallei terwijl golven warme lucht opstegen van het hete gesteente van de heuvel en leeuweriken door de lucht buitelden. De middagzon had de nachtelijke kilte verdreven en hulde het gras in een warme deken. De lente was gearriveerd in Novindus. Een wijfjesvos die lag te zonnen tilde bezorgd haar kop op, want ze rook iets ongewoons. Ze sprong overeind en draaide haar kop naar links en rechts, op zoek naar de bron van de geur. De nieuwsgierigheid legde het al vlug af tegen de voorzichtigheid, en de wijfjesvos schoot snel het beschaduwde woud in.

De oorzaak van haar onrust, een eenzame gestalte, liep behoedzaam tussen de schaarser wordende bomen door. Op deze hoogte maakten de dichte wouden plaats voor alpenweiden en open terreinen waar de tocht gemakkelijker ging.

Een voorbijganger zou hem amper opmerken, met de grote hoed die zijn gelaatstrekken verborg. Zijn postuur leek niet overdreven fors of slank, en zijn kleding bestond uit een eenvoudige reis mantel gemaakt van ruwe grijze stof of linnen van een slechte kwaliteit. Hij droeg een zak over zijn schouder en steunde op een knoestige zwarte staf van eikenhout.

De man bleef staan en keek naar de bergen in het noorden en zuiden, en de kale toppen ervan boven de boomgrens. De bewoners van deze streek noemden die bergen de Grijze Torens, maar hij bewonderde niet hun woeste schoonheid, maar woog ze mee in een complexe beoordeling van de verdedigbaarheid van de vallei.

Ooit had hier een volk gewoond, maar indringers hadden hen verdreven. Toen vertrokken uiteindelijk ook de indringers, maar de oorspronkelijke bewoners van de vallei waren nooit teruggekeerd. Er waren sporen van hun nederzettingen in deze streek te vinden, van de diepe noordelijke pas, waarachter een groot dwergendorp lag tot het zuiden waar de hoge bergkammen plaats maakten voor glooiende heuvels, tot aan de kliffen die uitkeken over de straat tussen twee uitgestrekte zeeën.

Net als de rest van zijn ras wist de reiziger weinig over de dwergen in het noorden of over de schijnbaar talloze mensen. Van de genen die vroeger in deze vallei hadden gewoond kende hij alleen wat sagen en legenden. Het weinige wat hij over hen aan de weet was gekomen, had hem meer vragen dan antwoorden opgeleverd.

Hij reisde al drie maanden over dit continent en werd door de meeste mensen in het voorbijgaan amper opgemerkt; en zelfs wan neer hij werd gezien of wanneer iemand hem aansprak, herinnerden ze zich hem nauwelijks. Hij was een onopmerkelijk wezen, mogelijk lang of gewoon gemiddeld van lengte, een man van enige welvaart of wat bescheidener middelen. Zijn haar werd beschreven als bruin of zandkleurig, of soms als zwart. De vermomming die de reiziger met de Kunst toepaste maakte hem moeilijk op te merken of te onthouden.

De reiziger keek om zich heen om een gevoel voor deze plek te krijgen en ook om te controleren of hij niet werd gezien, reikte in een riembuidel en haalde er een kristal uit. Het had geen bijzondere intrinsieke waarde, maar het was zijn meest gekoesterde bezit; zijn enige middel om terug te keren naar zijn eigen volk. Hij hield het kristal stevig in zijn hand en liet zijn vermomming afglijden, waar door zijn ware uiterlijk werd onthuld voordat hij terug zou gaan. Als hij in zijn magische vermomming door de poort stapte, zou hem dat onmiddellijk zijn leven kosten.

De reiziger vond het vreemd dat, hoewel hij fysiek niet veranderde, hij het gevoel had alsof hij kleding uittrok die hem te klein was.

Hij nam even de tijd om zijn lange armen te strekken voordat hij de korte bezwering prevelde die het kristal activeerde.

Er klonk een plotseling gesis, als van een korte bliksemflits, gevolgd door een scheur in de lucht die leek op een langgerekt gordijn van trillende hete lucht, en vervolgens hing er een poort boven de grond: twaalf voet hoog en negen voet breed, een grijs ovaal van niets. Een tel later was de reiziger erdoor gestapt en verdwenen.

 

Hoog in de bomen zag een roerloze gestalte hem vertrekken. Hij was alleen door een zeer uitzonderlijk toeval in deze vallei beland, want die werd al sinds de Oorlog van de Grote Scheuring niet meer bewoond, maar de wildpaden en weggetjes langs de noordelijker gelegen bergkammen waren een snellere route naar zijn bestemming dan de vaker gebruikte wegen door het Groene Hart in het zuiden. Net als de meeste anderen van zijn soort vond de boodschapper eenzaamheid of de kans op gevaar niet erg, maar hij was wel erg gesteld op snelle doortochten. Van alle sterfelijke rassen hadden alleen de elfen betere woudlopervaardigheden dan de Vrij schutters van Natal.

Hij was een lange, slanke man, met een huid die door de zon donker was verbrand, hoewel er door diezelfde blootstelling strepen rood en blond in zijn bruine haren waren ontstaan. Zijn ogen waren donker en geloken, en zijn hoge jukbeenderen en smalle, rechte neus gaven hem een bijna havikachtig aanzien. Alleen als hij glim lachte verzachtte zijn grimmige gelaat, al gebeurde dat maar zelden buiten zijn eigen huis en alleen in het gezelschap van zijn eigen familie.

Vrijschutter Alystan voerde een dienst uit voor een consortium van handelaren in de Vrijsteden, die in onderhandeling waren met de graaf van Cars. Hij droeg een bundel documenten bij zich die voor beide partijen essentieel waren. Zijn donkere gezicht was ge spannen van concentratie, zijn donkere ogen werden spleetjes alsof hij alle details wilde overzien. In zijn haren was nog geen grijs te zien, maar hij was geen jongeman meer en had zijn leven lang mensen gediend met zijn steelsheid, snelheid en zwaard.

Hij was een uur geleden toevallig op het spoor van de vreemdeling gestuit, doordat de verse sporen in de vochtige lentebodem te zien waren. Aanvankelijk had hij niet echt stilgestaan bij de reiziger, die, aan zijn uitdossing en zware staf te zien, een magiër kon zijn, maar hij was de man toch gevolgd. Doorgaans trok hij zich niet veel aan van solitaire nomaden die door de wildernis van de Grijze Torens trokken - zelfs als het magiërs bleken te zijn - maar zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Niet zozeer toen hij de man voor het eerst zag, maar zodra hij zijn blik van hem afwendde.

Alystan kon zich niet herinneren hoe de man eruitzag. Was zijn mantel nu grijs of blauw geweest? Was hij lang of klein? Telkens als hij zijn blik van de gestalte afwendde, vergat hij de details van diens uiterlijk. Alystan was ervan overtuigd dat de man een magiegebruiker was en dat hij een of andere betovering gebruikte om zijn ware gezicht te verbergen. Tot zijn consternatie vond de Vrijschutter het gemakkelijker om de sporen van de magiër te volgen dan naar de man te blijven kijken. Telkens als hij dat deed, voelde hij een drang om zijn aandacht op iets anders te richten en verder te gaan met zijn eigen bezigheden, dus dwong hij zichzelf om de eenzame gestalte te blijven volgen.

En toen zag hij de verandering.

Op dat moment werden alle details van het ware uiterlijk van het schepsel in het geheugen van de Vrijschutter gegrift. Toen hij hem plotseling had zien vertrekken, wist hij dat hij nu een belangrijkere taak had. De laatste keer dat er door een scheuring in deze vallei vreemdelingen waren opgedoken, was dat het begin geweest van een twaalf jaar durende, bloedige oorlog. En te oordelen naar het uiterlijk van dat schepsel kon de geschiedenis zich wel eens herhalen.

Voor Alystan had het eruit gezien alsof een onopvallende man zich had getransformeerd tot de langste elf die hij ooit had gezien. Hij wenste dat hij er dichterbij had kunnen gaan om meer details te zien, maar de reiziger was te snel verdwenen.

Voor zover Alystan had gezien was het schepsel bijna zeven voet lang geweest, met brede schouders en een verbazingwekkend smal middel, waardoor zijn bovenlichaam een opvallende V-vorm had. Zijn benen waren geproportioneerd als die van een elf, hoewel ze gespierder waren. Een sierband hield zijn met grijs doorschoten rode haar uit zijn gezicht, en de rest viel tot over zijn schouders.

Maar vooral de opvallende kleur rood van het haar van het wezen zelf had hem verbaasd: het was geen natuurlijke, roodbruine kleur en , zelfs niet het oranjeachtige rood dat sommige mensen en elfen hadden, maar zijn haren hadden een felle scharlakenrode kleur. De wenkbrauwen hadden diezelfde tint, en ze leken wel met was behandeld: ze wezen in een boog omhoog en naar buiten, als de antennes van een vlinder.

Alystan liep behoedzaam verder, voor het geval er nog andere schepsels in de buurt waren, hoewel hij dat betwijfelde. De duistere elfen die hier ooit hadden vertoefd bleven tegenwoordig ver in het noorden, en Alystan had alleen de sporen van één man gezien. Of elf, corrigeerde hij zichzelf.

Hij bleef nadenken over wat hij had gezien terwijl hij naar de hogere wildpaden liep. Net als andere elfen die Alystan kende had de nieuwkomer een moeiteloze gratie over zich gehad toen hij door de magische poort was gestapt. Maar anders dan de elfen die de Vrijschutter kende liep deze met zware tred, alsof hij geen woudloperservaring had, of er gewoon niet om maalde of iemand hem zag of niet. Zelfs een zeer onervaren elf zou niet zulke eenvoudig te volgen sporen hebben achtergelaten.

En er was nog niets anders met dat schepsel geweest. Alystan had maar een heel korte glimp van zijn gezicht opgevangen, toen hij om zich heen had gekeken voordat hij verdween, maar het moment was lang genoeg geweest om zijn ogen op te merken. Die waren diepliggend en zo lichtblauw dat ze bijna de kleur van wolken had den. Zijn gezicht had iets kwaadaardigs uitgestraald. Alystan kon niet verklaren hoe hij het wist, maar hij was ervan overtuigd dat het geen Midkemiaanse elfensoort was die de Vrijschutters nog niet kenden, maar iets anders. Het schepsel was duidelijk intelligent genoeg om magie te gebruiken en door te gaan voor een mens, wat zelfs voor de machtigste magische wezens, de grote draken, geen geringe prestatie was. Niet alleen was dit elfenwezen een soort magiër, hij was waarschijnlijk bijzonder machtig.

Alystan peinsde ook nog over de uitrusting van het schepsel. Op zijn voorhoofd had hij een dunne ring van goud gedragen, met een grote geslepen robijn in het midden. Elfen droegen wel af en toe sieraden, maar alleen tijdens festivals; de rest van de tijd stelden ze zich tevreden met bloemenslingers of andere natuurlijke opsmuk. En dan was zijn kleding er nog.

De elf had een schitterend gemaakte mantel gedragen, en ook de band om zijn hoofd was van uitstekende makelij. Hoewel hij een opvallend gelaat en een gespierd lichaam had, zag hij er niet uit als een strijder of verkenner, en zijn menselijke vermomming wees erop dat het schepsel uit was op steelsheid, niet op een conflict. Alystan wist dat hij een soort magiër moest zijn, maar zijn kleding en illusionaire vermomming onderscheidden hem van de machtswevers van Elvandar of de sagenmeesters van de Eldar. Hun magie was evenzeer iets van de natuur als van de geest en de wilskracht, en deze betovering was als een mantel om de schouders gedragen en leek te veel op de duistere mensenkunsten.

De vreemde elf kwam overduidelijk voort uit een volk dat even zeer van materiële pracht hield als de mensen, want zijn gewaad was gemaakt van een glanzend materiaal, parelwitte satijn of zijde misschien, en de zomen waren versierd met robijnrode en azuurblauwe stiksels. Zijn eikenhouten staf, die eruit had gezien als een eenvoudige wandelstok, had zich op dat ogenblik onthuld als een magisch voorwerp, aan het uiteinde versierd met een grote glazen bol die zelfs in het felle zonlicht gloeide. Alystan was ervan overtuigd dat geen enkel mens - zeker geen Vrijschutter - deze elfensoort ooit eerder had gezien.

Terwijl hij zijn pas versnelde vroeg Alystan zich af wat hij hier deed. Hij wist dat zodra hij zijn zaken in Cars had afgehandeld, hij niet kon terugkeren naar Bordon. Hij zou naar de dwergen in het dorp Caldara in de Grijze Torens moeten gaan om met hen te overleggen. Zij wisten meer dan ieder ander buiten Elvandar over de elfenoverlevering, en deze elf was over de grens van hun land gelopen. Misschien wisten de dwergen waarom zo'n wezen deze streek verkende, hoewel dertig jaar ervaring in deze bergen en wou den aan beide zijden van de bergtoppen hem had geleerd dat niemand in de Vrijsteden of het Koninkrijk der Eilanden blij zou zijn met het antwoord.

 

Demonen jankten van woede en pijn terwijl ze de barricade aanvielen. Een regen van pijlen daalde op hen neer en raakte er tientallen die probeerden via de lijken van hun gevallen kameraden tegen de barricade op te klimmen.

Undalyn, regent van de Clans van de Zeven Sterren, wees naar een naderende golf demonen van rechts, die bijna de top van de barricade had bereikt, en schreeuwde: 'Daar! Teer!'

Twee tovenaars wachtten in de buurt, zo ver achter de voorste linies dat ze relatief veilig waren, geflankeerd door een dozijn boogschutters met de opdracht om eventuele vliegers die hen probeer den aan te vallen neer te schieten. Een enorme ketel met kokende teer stond boven op een brandende stapel balken te wachten, en de twee magiërs sloegen de handen ineen. Ze waren zeer bedreven in hun kunst en sloten allebei de ogen, omdat ze niet hoefden te zien om hun taak te volbrengen.

De ketel, zo groot dat een tiental mannen en twee trekpaarden nodig waren geweest om hem op de brandstapel te hijsen, rees de lucht in alsof hij rustig werd opgetild door een onzichtbare reuzenhand. Hij zweefde over de hoofden van de verdedigers en kieperde zichzelf leeg over de demonen beneden.

Een vlammende dood regende neer op de demonen nabij de bovenrand van de barricade, terwijl degenen beneden aarzelden toen er golven van hitte over hen heen spoelden en haren en wenkbrauwen schroeiden. De normaal al verschrikkelijke stank van de demonen werd nog verergerd door de brandlucht. De schepsels gingen achteruit, maar de regent wist dat de verdedigers in het midden en links van hen het nog altijd moeilijk hadden.

Hij wendde zich van de stapel kronkelende demonen af en inspecteerde hun toestand. Zijn strijders vochten moedig, net als hun vaders en grootvaders voor hen hadden gedaan. Al honderd jaar streden de Clans van de Zeven Sterren tegen het Demonenlegioen, en al honderd jaar lieten ze die monsters bloeden voor elke duim terrein die ze wonnen, voor elk dorp dat ze plunderden en voor elk leven dat ze namen.

Toch wist hij dat zijn middelen opraakten en dat die van de vijand grenzeloos leken te zijn. In de verte, aan de horizon, zag hij een donkere wolk, maar hij wist dat er geen regen in de lucht hing. Voordat hij kon spreken, schreeuwde een van de soldaten in de uitkijktoren boven hem: Vliegers!'

Hij wist dat zijn bevel overbodig was, want zijn magiegebruikers riepen hun krachten al op ter verdediging, maar toch voelde hij de behoefte om het te geven. 'Schilden!'

Het lag in Undalyns aard om niet te veel gezag aan anderen te willen afstaan. Hij wist dat dit ook beschouwd zou kunnen worden als een tekortkoming, maar een ander deel van hem was er fier op te beseffen dat elk van zijn strijders, priesters en magiërs zijn taak begreep en zonder aarzelen deed wat hem werd opgedragen. Hoe wanhopiger de strijd van zijn Volk werd, hoe trotser hij op hen was. Hij was Undalyn, leider van zijn Volk dankzij overerving en de wet, regent van de Clans van de Zeven Sterren. Hij was de machtigste elf van zijn soort.

Zijn uiterlijk was typisch voor zijn ras, hoewel zijn huid vanwege zijn passie voor de jacht en de jaren die hij buiten onder de zon had doorgebracht iets donkerder was dan die van de meeste anderen. Zijn blauwe ogen hadden de kleur van de oceaan, met groene spikkeltjes, en zijn voorhoofd droeg geen rimpels, ook al was hij al meer dan driehonderd jaar oud. Een lederen band versierd met vijf perfecte robijnen in gouden zettingen hield zijn sneeuwwitte haren in de knot van een edelman op zijn hoofd en liet een deel van zijn haar vrij over zijn rug vallen. Hij was knap, maar toch lag er een duister en gevaarlijk aspect in zijn gelaatstrekken dat op vreemde momenten zichtbaar werd, hoewel hij bijna nooit zijn stem in woede ver hief. Zijn ogen hielden die woede binnen in hem vast.

De Clans van de Zeven Sterren, de taredhel in de oude taal, be wezen hem het allerhoogste respect, want het was zijn last om hen te leiden, net als zijn voorvaders voor hem hadden gedaan. Maar geen enkele regent had ooit een dergelijke last hoeven torsen, en de verantwoordelijkheid begon zijn tol te eisen. Donkere kringen on der zijn ogen wezen op vele slapeloze nachten, eindeloze zorgen, frustratie en uiteindelijk een gevoel van verdoemenis.

Toen de energiebarrière omhoogkwam, doordat de overgebleven magiegebruikers een van hun krachtigste bezweringen gebruik ten, was dat eerder een gevoel dan iets wat feitelijk zichtbaar was. De demonen hadden deze barrière eerder ontmoet, maar toch bleven ze zich er hardnekkig tegenaan werpen.

Boogschutters stonden klaar voor het geval een van de schepsels de magische verdediging wist te doorbreken. Degenen op de muren bestookten de zich terugtrekkende horde demonen, die zich leek voor te bereiden op een volgende aanval op de muur zodra de vliegers waren doorgebroken. De regent haalde diep adem en ontblootte zijn zwaard weer. Hij keek naar zijn handen en zag dat ze vrij waren van bloed. Zijn schouders deden pijn, en hij voelde zich alsof hij wel een week zou kunnen slapen, hoewel hij nog niet één klap had uitgedeeld aan de vijanden van zijn volk.

Zijn soldaten hadden de horde demonen nog een dag op afstand weten te houden en hij was vrij geweest om de verdediging van de barrière te inspecteren, zonder zichzelf aan risico bloot te stellen. Op andere dagen had hij minder geluk gehad en had ook hij zijn aandeel geleverd in het doden van de vijand, waarna hij 's avonds besmeurd met hun kwaadaardige zwarte bloed naar zijn paleis was teruggekeerd.

Hij keek emotieloos toe toen de vliegers de barrière raakten. De hemel erboven fonkelde in regenbogen van kleuren toen de gevleugelde verschrikkingen van het demonenlegioen van het schild af stuiterden. De regent wist dat sommige van die monsters slim waren, maar degene die elke dag zijn verdedigingen aanvielen leken geen enkel sprankje intelligentie te bezitten. Als de demonen maar half zo sluw waren geweest als de elfen, dan zouden ze de Zeven Clans jaren geleden al hebben verslagen. Maar zelfs zonder organisatie vertrapten ze de Clans van de Zeven Sterren in het stof. Hele werelden waren al geëvacueerd, en nu probeerden ze het hier op de thuiswereld — hij schudde zijn hoofd, want dit was niet hun werkelijke thuisplaneet, alleen maar de hoofdstad van zijn natie - waar de elfen hun laatste stelling innamen. Hij wist dat hoe moedig ze ook streden, ze uiteindelijk zouden vallen.

De vliegers beukten woest tegen de barrière, maar die hield het. De laatste tijd verschenen er af en toe demonen die magie konden gebruiken, en dat had de elfen erg veel schade berokkend, maar vandaag leek het er in ieder geval op dat de overwinning naar de Clans zou gaan.

Uiteindelijk trokken de demonen zich terug en inspecteerde de regent de barrière. Terwijl de vliegers afdropen en de zon in het westen zakte, wist Undalyn dat voor vandaag de strijd voorbij was.

Hij zette zijn helm af, en er verscheen bijna ogenblikkelijk een assistent om die van hem aan te pakken. Een andere assistent kwam naar hem toe en zei: 'Heer, we hebben bericht gekregen dat bezweerder Laromendis is teruggekeerd.'

De regent vroeg niet welk nieuws hij bracht, want de bezweerder had strikte instructies om niets van zijn bevindingen openbaar te maken totdat hij zich bij het paleis had gemeld. Undalyn kon het zich niet veroorloven dat geruchten zich door de hoofdstad ver spreidden voordat de waarheid bekend werd. Het lot van de Clans van de Zeven Sterren hing af van wat de bezweerder zou melden.

'Ik keer onmiddellijk terug naar het paleis.'

'Daar wordt hij nu naartoe gebracht, heer,' zei de assistent, een jongeling die verbazingwekkend veel leek op een van Undalyns zoons, die jaren eerder was gesneuveld. De regent zette zijn gevoelens aan de kant; te veel zoons en vaders waren al gesneuveld. Ze deelden allemaal in de tragedie van deze oorlog.

Met een handgebaar stuurde de regent zijn assistenten opzij en liet de bewaker van de poort weten dat hij terugkeerde naar de hoofdstad. De magiër, die als enige taak het bemannen van de poort had, knikte en activeerde de doorgang met een eenvoudige bezwering. Het was ook zijn taak om de poort te vernietigen als de demo nendoor de barrière heen wisten te breken, en hij wist dat van hem werd verwacht dat hij zijn leven zou geven om te zorgen dat de monsters nog een paar dagen langer bij de hoofdstad uit de buurt bleven.

De regent stapte door de poort en kwam uit op het exercitieterrein bij zijn paleis. Twee compagnieën strijders stonden klaar om te worden ingezet voor het geval er versterkingen nodig waren. De regent wenkte de terreinofficier. 'Hoe gaat het bij de andere gevechten?'

'Goed, heer,' antwoordde de oude elf. Hij zag er nog altijd sterk uit, hoewel hij al zoveel letsel had opgelopen dat hij niet meer fatsoenlijk kon vechten; maar zijn geest was nog zo scherp als ooit en hij was een van de weinigen die bijzonder veel vertrouwen van de regent genoot. De elf heette Jaron en had volledige zeggenschap over waar versterkingen werden ingezet en wanneer. Mannen leef den of stierven op zijn bevel, en dat vertrouwen had hij verkregen na vele jaren van dienst. 'Ze hebben zich op alle fronten teruggetrokken, en dus houden we weer een dag stand.' Hij keek om zich heen en herhaalde: ‘Weer een dag.'

'We overleven weer een dag,' beaamde de regent.

'Ze zeggen dat de bezweerder terug is,' zei Jaron op gedempte toon.

'Zeg dat maar tegen niemand,' antwoordde de regent, die zonder verder commentaar wegliep.

Hij wist dat hij eerder in zijn vertrekken zou zijn dan de magiegebruiker, en hij wilde even de tijd nemen om zichzelf in alle rust voor te bereiden voor het geval het nieuws slecht was. En hij moest ook rustig zijn voor het geval het nieuws dat Laromendis bracht goed was. Undalyn liep zwijgend naar de grote deuren van het paleis en vervloekte de hoop.

 

De regent van de Clans van de Zeven Sterren zat zwijgend in een stoel en probeerde te genieten van een momentje eenzaamheid en rust na een dag vol geweld en lawaai. De vijand viel de barrièremuur elke minuut van elke dag aan, maar hier, in het hart van de hoofd stad, kon hij zichzelf even voorhouden dat de stad nog net zo was als toen hij nog een jongen was. Diep vanbinnen was hij zwak van verlangen naar de dagen van weleer, hoewel die nooit meer zouden terugkeren, maar het kalmeerde hem en gaf hem de hoop dat het Volk op een dag een toevluchtsoord zou vinden dat even vredig was als deze wereld ooit was.

Grote open vensters gaven de zon, wind en regen toegang tot de kamer. De regent ontmoette gasten altijd met open vensters, zodat het Volk en de geesten van hun voorouders er getuige van konden zijn, want dat was de wet. De enige versieringen in de kamer waren de strijdvaandels van het Leger van de Clans die van het plafond omlaag hingen, als een levendige herinnering aan de geschiedenis van het Volk terwijl ze rimpelden in de wind.

De lange strijder rustte op een simpele houten stoel, die al sinds het begin van de geschiedenis de machtszetel van zijn volk was.

Het Volk, zijn ras, was stervende, en zolang ze hier bleven kon hij niets doen om hen te redden.

Ondanks de warme dag droeg Undalyn wit bont om zijn schouders, als teken van zijn rang; het was de vacht van een sneeuwbeer die hij had gedood tijdens zijn rite van overgang hoog in de bergen van Madrona. Hij legde zijn hand op het gevest van het zwaard van zijn vader, Schaduwvloek, en streelde er afwezig over.

Onder zijn bontmantel droeg hij een lichte tuniek en een broek van donkergroene stof, met gouddraad versierd bij de manchetten en kraag maar verder eenvoudig; zijn voeten waren gestoken in goede bruinleren laarzen, nog bedekt met het stof van zijn ochtend ronde langs de verdedigingswerken van de stad. Datzelfde stof be dekte zijn bijna witte haren en hij wenste dat hij tijd had voor een bad, maar hij wist hoeveel er nog moest gebeuren voordat hij zich kon ontspannen.

Hij keek uit het raam naar de blauwe hemel en voelde de warmte van de zon op zijn armen en gezicht, en ook onder het bont van zijn mantel; hij verwelkomde het gevoel, dat probeerde de kou die zijn ziel in de greep had te verdrijven.

Toen kwam er een verkenner binnen, met zijn haren in een jagersvlecht gebonden. 'Hij is er, heer.'

Undalyn stuurde de jongeling weg en sprak met een lage, gezag hebbende stem: 'Laat je zien, bezweerder!'

De magiegebruiker beende de troonzaal in, gekleed in een hel witte mantel en met een staf die gloeide van kracht. Hij maakte een buiging. 'Hier ben ik, heer.'

'Laat zien,' beval de regent.

De magiër tilde zijn staf op en bewoog die langzaam door de lucht heen en weer, en terwijl hij dat deed verscheen er een beeld, alsof het was geschilderd op een onzichtbare muur, maar het beeld bewoog en leefde. Toen het trillen wegebde, leek het alsof er met magie een extra venster was geopend, maar terwijl de vensters van de kamer uitkeken over de in de zon bakkende plateaus van Andcardia, toonde het magische venster een heel ander landschap.

De regent bekeek het tafereel. Het leek alsof ze op een heuveltop stonden, en te oordelen naar de stand van de zon achter hen was het laat in de middag. Aan de overkant van een heel grote vallei waren nog meer heuvels. Overal waar hij keek zag hij natuurlijke over vloed. De bomen waren oud, met zware takken, en hij zag beneden in de verte twee grote weiden. Witte wolken dreven langs de hemel, bezwangerd met regen, en de wind voerde uitheemse geuren aan, vermengd met aroma's die hij kende: balsem, dennenhout, sparren en cederhout. De geluiden in het bos wezen op een rijkdom aan wild en in de bomen zongen vogels zorgeloos. 'Dit lijkt me een aange naam land,' merkte de regent op. Hij richtte zijn blik op de magie gebruiker en vroeg: 'Is het Thuis?'

Wetend dat zijn leven en waarschijnlijk ook dat van zijn broer van het antwoord afhing, weifelde Laromendis, Opperbezweerder van de Kring van Licht. 'Ik moet daarover eerst de sagenmeesters consulteren, heer.' Toen het gezicht van de regent betrok, voegde hij er haastig aan toe: 'Met het nodige voorbehoud durf ik wel te zeggen dat ik vermoed dat het inderdaad Thuis is.'

De gezichtsuitdrukking van de regent verried een glimmertje opluchting. Als dit hun voorouderlijke land was, dan was er nog hoop. 'Vertel me er meer over, over ons vroegere thuisland.'

'Het is een mooie wereld, heer, hoewel er ook problemen zijn.' Hij bewoog zijn staf en het tafereel verdween.

'Problemen,' herhaalde de leider van de Clans van de Zeven Sterren. 'Is er ooit een dag zonder problemen, op welke wereld dan ook?'

De bezweerder beantwoordde de retorische vraag niet.

'Noem ze,' zei de regent, toen een volgende persoon door de poort binnenkwam, met zijn hand op zijn zwaard. Hij was een strijder die bijna even lang was als de regent, en hij leek op het punt te staan iets te zeggen. Toen zag hij dat Undalyn zijn gehandschoende hand opstak om aan te geven dat hij stilte wenste. 

'Deze wereld is rijk aan wild, gewassen en metalen. Maar het is het thuis van anderen.'

'Anderen?'

'Dwergen.' Laromendis spoog het woord bijna uit.

'Dwergen,' herhaalde Undalyn. 'Bestaat er wel ergens een wereld zónder die modderkruipers?'

'Ik vrees van niet,' antwoordde de bezweerder. Hij had feitelijk in de afgelopen tien jaar meerdere werelden zonder dwergen gevonden, maar niet één daarvan was bewoonbaar geweest; dit was echter niet het moment om over dat soort details te debatteren. Sinds de ontdekking van de translocatiemagie en de zoektocht naar het thuis land, was alle hoop voor het overleven van het Volk erop gericht om hun mythische Thuis te vinden; een zoektocht waarvan de bezweer der had gedacht dat die zinloos was. Een willekeurige wereld vinden waar ze heen konden vluchten, of het nu een oude of een nieuwe was, dat was volgens hem de sleutel tot overleven voor een ras dat door dertig jaar strijd met het demonenlegioen was teruggebracht tot een handvol leden.

Dat hij op hun Thuis was gestuit was een gelukkig toeval, meer niet, of zo zag hij het althans; zijn ijdelheid was bijna even groot als die van de regent, en dus was het voor hem ondenkbaar om toe te geven dat iemand zonder enige kennis van de kunsten misschien wel gelijk had gehad. Laromendis, Meester van de Kunsten van het Ongeziene, hield het er maar op dat de regent simpelweg geluk had gehad.

En dat gold natuurlijk ook voor zijn volk, en dus voor Laromendis en zijn broer, vulde hij in gedachten aan.

'Er zijn ook mensen. Ze tieren er welig, als vliegen op een mest hoop. Hun steden zijn mierenhopen, met duizenden inwoners.'

'En ons volk? Houden ze stand?'

'Ja. Maar ze zijn... gevallen.'

'Wat bedoel je daarmee?' wilde de regent weten.

Alsof hij zijn woorden wilde onderstrepen, liep Laromendis naar het raam dat uitkeek op het noorden en uitzicht bood op de stad Tarendamar - Sterrenthuis — hoofdstad van de Clans van de Zeven Sterren en al generaties lang een monument voor de grootsheid van het Volk. De regent ging naast de roodharige magiër staan. De stad was nog onaangetast door de brute oorlog in het noorden en leek nog bijna onveranderd ten opzichte van toen Undalyn een jongen was.

De zaal van de Raad van de Regent lag op korte afstand van het paleis, en deze zaal, oeroud en geëerd, had een plek in een van Undalyns vroegste herinneringen. Zijn vader had ervoor gezorgd dat de volgende regent doordrongen zou zijn van de verantwoorde lijkheden van zijn erfgoed.

Hij kende deze buurt goed, want hij had in alle stegen en tuinen gespeeld en in alle vijvers en beken gezwommen, was tot woede van de priesteressen in de heilige bomen geklommen en was van deze stad gaan houden alsof het een levend wezen was... En het was ook een levend wezen, het hart van de Clans van de Zeven Sterren.

Tarendamar was gebouwd met magie en zweet en vormde het kroonjuweel van het Volk. Zeven immense bomen vormden een enorme ring rondom het hart van de stad, één mystieke boom voor elk van de heilige sterren aan het firmament. Zelfs in het schelle licht van de zon van Andcardia glinsterden de diepe schaduwen tussen de takken ervan met een grillig licht.

Het waren die zeven bomen, de 'Zeven Sterren', zoals ze werden genoemd, die de oorsprong waren van de kracht van de taredhel. Elke boom was gekweekt vanuit een stekje, dat van Thuis naar deze wereld was gedragen door de eerste golf vluchtelingen van de taredhel, het Volk van de Sterren', zoals ze zichzelf noemden.

Ze waren eeuwen eerder hun geboortewereld ontvlucht en had den hun toevlucht gezocht op deze droge, onherbergzame wereld met zijn kleine oceanen en meren, waar het alleen midden in de kortdurende winter niet bloedheet was. De planeet had zich met tegenzin geschikt naar de magie van de oorspronkelijke machtswevers, en de zeven magische bomen, meegedragen van Thuis, waren het anker geweest dat hen had helpen overleven. Het voortbestaan van die jonge bomen was betaald met het bloed van de taredhel zelf. Als de ziel van de Clans van de Zeven Sterren nog ergens anders dan op Andcardia huisde, dan moest het wel daar zijn: Thuis.

Toen de bomen begonnen te groeien, ging het ook de taredhel beter en kregen ze de beschikking over magie die ze Thuismagie noemden. Ze hadden die aanvankelijk gebruikt om Andcardia te onderwerpen aan hun wil. Daarna hadden ze hun magie verfijnd en die laten samensmelten met de natuurlijke harmonie, tot er een melodie ontstond die zowel voor de taredhel als deze planeet vertrouwd was. In de eeuwen daarna had die melodie deze wereld en ook de elfen veranderd.

Er groeiden nu weelderige bossen tegen de berghellingen, hoe wel bomen op de laaglanden nog niet wilden wortelen in de verzengend hete plateaus en uitgestrekte woestijnen daar. Maar zelfs die gebieden werden langzamerhand kleiner terwijl de Waterverzamelaars manieren vonden om met translocatiemagie water van andere werelden te halen. Tijdens zijn leven had Undalyn het peil van de zee geleidelijk zien stijgen en meren zien uitdijen. Waar zijn groot vader ooit op de grote, geschubde hagedissen van de rotsplateaus had gejaagd, groeide nu een boomgaard van roodfruitbomen die beschutting boden aan meloenranken, en riviertjes liepen door het hart van de vlakten helemaal naar de zee.

Undalyn wachtte ongeduldig tot Laromendis zou doorgaan, maar hij hield zich in. Hij wist dat de bezweerder hem iets duidelijk probeerde te maken. Uiteindelijk verbrak de magiër de stilte. 'Ze hebben niets zoals dit.'

De regent hield vragend zijn hoofd schuin. 'Geen steden?'

'Alleen voor de duisterste leden van onze soort, die in de overlevering de Vergetenen worden genoemd.'

De regent keek om. Er stond slechts één dienaar bij de deur, te ver weg om hen te horen; dat waar de bezweerder het over had grensde aan ketterij. Hij liet zijn stem dalen en zei: 'De...'

'Op de Thuiswereld worden ze moredhel genoemd.'

'Het duistere volk,' zei de regent knikkend. 'Hebben ze een stad?'

'Dat gerucht gaat.' Laromendis liep weg bij het venster terwijl hij zijn gedachten ordende. 'In het noorden hadden ze, in een slaafse nabootsing van de Meesters, een duplicaat gebouwd van de stad uit de overlevering. Hij werd door de mensen Armengar genoemd, en volgens de verhalen is hij vernietigd. Hoe ons eigen volk de stad noemde heb ik niet kunnen achterhalen, maar ik heb het verhaal vaak genoeg gehoord om te concluderen dat er een kern van waar heid in schuilt.

Ik heb mijn tijd grotendeels bij de mensen doorgebracht, want die zijn gemakkelijker te bedotten. De mensen floreren. In sommige opzichten lijken ze op ons, maar uiteindelijk zijn ze inferieur, net als de andere kortlevende rassen. En net als de andere rassen planten ook zij zich voort als muizen. Ze zijn overal. Wat ze over ons volk weten, grenst aan de mythen en legenden.

Ik heb door een van hun grotere naties gereisd en onderweg hun taal geleerd; gelukkig zijn er vele naties en talen op die wereld, dus ik werd met mijn wat merkwaardige tongval amper opgemerkt.

We weten zo weinig over die wezens, die mensen... Ik vond ze fascinerend.'

De regent keek met samengeknepen ogen naar de magiegebruiker. Terwijl de oude bezweringswevers werden vereerd en in aan zien stonden voor hun werk bij het transformeren van deze onherbergzame wereld, werden lieden als Laromendis en zijn broer Gulamendis bezien met een argwaan die grensde aan angst. Alles wat met duistere kunsten te maken had, of eigenlijk alles wat die bezweerders en demonenmeesters 'fascinerend' vonden, diende waarschijnlijk met wantrouwen te worden bezien. 'Waarom?' vroeg hij.

'Daar zijn vele redenen voor, heer, maar bovenal vanwege hun magie. Die is ongelooflijk gevarieerd. Ze grijpen de kracht van de wereld en onderwerpen die op zoveel manieren aan hun wil dat het je duizelt.

Er zijn erbij die kunsten gebruiken die veel op de onze lijken, zozeer zelfs dat ik me afvroeg of de elfen hun eerste leermeesters waren geweest, maar er zijn ook anderen... die magiërs van het Hogere Pad worden genoemd. Ze hebben geen subtiliteit, geen gratie, maar toch bezitten ze enorme macht. Het is moeilijk uit te leggen aan iemand die niets met magie van doen heeft.'

De regent knikte. Van nature waren elfen één met de natuurlijke magie van hun ras, maar de omstandigheden hadden het Volk ge dwongen zich aan te passen, hun gebruiken te wijzigen. Nu waren er onder de taredhel lieden die, net als de twee broers, hongerden naar macht. En er waren er die, net als de regent, elk begrip van de kunsten hadden opgeofferd zodat ze hun wilskracht uitsluitend konden aanwenden om het Volk op andere manieren te dienen.

'Vertel me later maar over die mensen,' kapte de leider van de Clans van de Zeven Sterren hem af. 'Ik wil eerst meer over ons volk weten. Je zei dat de... de Vergetenen daar bestaan?'

'Het lijkt erop,' zei de magiër. 'De mensen weten erbarmelijk weinig over ons ras, maar ik heb iets kunnen achterhalen van hoe het met onze broeders gaat.

De mensen noemen de Vergetenen "de Broederschap van het Onzalige Pad".'

De regent knikte. 'Een toepasselijke naam, als de geheime over levering klopt...' Hij aarzelde, beseffend dat hij per ongeluk een godslastering had geuit.

'Er is onder de verzieners vele keren gedebatteerd over de vraag of de geheime overlevering al dan niet letterlijk of metaforisch is.' Met die simpele uitspraak liet hij de regent weten dat hij diens opmerking begreep en er geen punt van zou maken. Gezien de huidige situatie onder het Volk was elk spoortje wanorde aanleiding tot snelle en strenge straffen; daarom zat zijn broer momenteel in een donkere cel. Aan de andere kant had Laromendis' jongere broer altijd al de neiging gehad om eerst te praten en pas later na te den ken; een slechte eigenschap voor iemand die zich verdiepte in de wetenschap van demonen in een tijdperk waarin demonen dreigden het Volk te vernietigen.

'Wat heb je over de Vergetenen ontdekt?'

'Weinig, want voor de mensen is de Broederschap bijna een mythe, hoewel ik wel een reiziger uit Yabon ben tegengekomen, een stad ver ten noorden van een rijk dat men "het Koninkrijk" noemt, en hij bezwoer me dat hij die... onuitsprekelijke schepsels een keer had gezien.

De Vergetenen strijden tegen onze broeders,' vervolgde de bezweerder, en in zijn stem klonk iets van woede en walging door. 'Ik heb het land doorkruist en geluisterd naar roddels in taveernes, ik heb zeelui getrakteerd op drank, gesproken met priesters en ieder ander die mogelijk oude overleveringen kende. Op één plek vond ik een abdij die was gewijd aan een god, maar de afweerbezweringen waren te sterk voor mijn vermomming, en dus kon ik er niet naar binnen. Gelukkig kwam ik onderweg een van de abdijleden tegen, en hem heb ik ondervraagd. Hij was een monnik met een gedisciplineerde geest, maar uiteindelijk heb ik van hem het meeste over hun oude overlevering geleerd, wat ik ook met u zal delen.'

'Heb je hem gedood?'

'Natuurlijk,' antwoordde de bezweerder. 'Hij was immers maar een mens.'

'Geen oneer,' beaamde de regent. Een gevangene doden was alleen oneerbaar als die van het Volk was, of van een ras dat als gelijkwaardig werd gezien.

'De Vergetenen strijden tegen degenen die het meest op ons lijken: de bewoners van een woud dat ze Elvandar noemen,' zei de bezweerder.

Bij dat woord begonnen de ogen van de regent te stralen van emotie. Hij herhaalde de naam zachtjes: 'Elvandar.' Het betekende 'Thuis van het Volk', maar er zat een diepere betekenis onder.

In voorbije rijden had het Volk een ander ras gediend, de ver schrikkelijke Valheru, en ze hadden slavernij en ontaarding gekend. Toen kwam er een grote opstand, een oorlog waarin de structuur van tijd en ruimte zelf werd verscheurd en er chaos regeerde.

De voorouders van de taredhel, die in hun eigen taal eldar werden genoemd, waren de machtigste dienaren van de Valheru. Zij waren de machtswevers, de meesters van de bossen, de hoeders van het land en de bibliothecarissen van de macht van hun meesters. Veel van degenen die hun meesters hadden gediend waren gesneuveld op andere werelden, hoewel men dacht dat enkelen van hen waren ontsnapt en een toevluchtsoord hadden gevonden. Het was de vage hoop dat er nog anderen zoals zij waren, ergens tussen de sterren, die een groep eldar hadden aangezet om via een scheuring In ruimte en tijd aan de Valheru te ontsnappen.

Ze waren naar Andcardia gekomen, een groep van niet meer dan tweeduizend magiërs, jagers en hun gezinnen. Het was een onherbergzaam land, maar uiteindelijk hadden ze het zich toegeëigend. Terwijl de eeuwen verstreken, floreerden ze en uiteindelijk telden ze in de miljoenen.

In de afgelopen eeuwen hadden ze de geheimen van de translocatiemagie geleerd waarmee ze de structuur van het heelal konden scheuren. Niet minder dan een dozijn magiegebruikers was gesneuveld bij het onder de knie krijgen van die kunst, maar ze konden de scheuringen nu stabiliseren en nieuwe werelden verkennen; sommige waren woest, andere nauwelijks in staat leven te herbergen. Enkele van die planeten hadden veelbelovend geleken, en daar hadden de Clans van de Zeven Sterren kolonies gesticht. Een aantal van die kolonies was gegroeid en floreerde zelfs.

Het Volk had een goed leven geleid. Als ze andere rassen tegen kwamen, tolereerden ze die, zolang die zich maar niet tegen hun wil verzetten. Schikten ze zich niet, dan werden ze verpletterd. Alles was voorspoed geweest, tot ze op de wereld van de demonen waren gestuit.

'De elfen in Elvandar dienen een koningin...' vervolgde de bezweerder.

De ogen van de regent werden groot. 'Die durft!'

'Ze overleefde haar koning,' zei de bezweerder snel. 'Hij... was misschien van het Geslacht.'

Die opmerking raakte de regent als een fysieke klap. Zijn ogen vulden zich met nog meer emotie. Een van de oudste, heiligste overleveringen van de taredhel was het verhaal over de eerste koning en koningin van het Volk, een stel dat hen veilig had geleid door de aanvankelijke chaos van de oorlog waardoor de eldar van Thuis waren verdreven.

Er was weinig over hen bekend, op hun daden en namen na, die nooit hardop mochten worden genoemd om hun geest niet te ver storen; maar ze waren opgetekend in de annalen, die gelezen wer den door elke sagenbewaarder en regent.

Wat is haar naam?'

'Ze zeggen dat ze Aglaranna heet.'

'Het Geschenk,' zei de regent.

'Ja,' zei de bezweerder, 'maar ook "Heldere Maan", want de grootste van de drie manen van die wereld staat ook bekend onder die naam, het Geschenk.'

'Haal de sagenmeester!' riep de regent ineens. Tegen de bezweerder zei hij: 'Ga door, maar spreek met geen woord hierover of over de Vergetenen tot ik de Raad bijeenroep.

En die mensen die zich voortplanten als muizen? Hebben die een regent?'

'De mensen leven in vele naties, met vele regenten. Ze voeren regelmatig oorlog tegen elkaar, schijnbaar.'

'Dat is mooi,' zei de regent kalmpjes. 'En verder?'

'De dwergen leven in vrede samen met hun buren en willen dat zo houden zolang niemand hen lastig valt. Er zijn ook gnomen en meer van dergelijke schepsels.'

'Gnomen?'

'Lea Orcha,' verhelderde Laromendis.

De regent schudde ongelovig zijn hoofd. 'Mijn vader heeft me opgevoed als een vroom man, net als ons hele geslacht, maar ik moet toegeven dat ik me schuldig heb gemaakt aan twijfel.' Lea Orcha, of gnomen, waren schepsels uit nachtmerries en enge kinderverhalen.

'Ze aanbidden duistere, oude goden en brengen bloedoffers. Ze gaan om met trollen en andere inferieure rassen.'

'Gnomen... hoe kan het dat die nooit zijn uitgeroeid?'

De magiër haalde zijn schouders op, een menselijk gebaar dat hij had overgenomen en waarbij de regent zijn voorhoofd fronste. 'Ik weet het niet,' zei hij zachtjes. 'Er is zoveel onmin en oorlog tussen de menselijke stammen dat ze amper de tijd schijnen te hebben om zich met gnomen bezig te houden.'

De regent gebaarde hem door te gaan.

'Deze wereld staat in verschillende talen onder verschillende na men bekend, maar meestal wordt hij Midkemia genoemd: een mensenwoord.

Het land dat ik u in mijn visioen heb getoond is een vallei in de bergketen die de Grijze Torens heet. Die vallei was ooit het thuis van de Vergetenen. Een mensenstam waarnaar wordt verwezen met de naam Tsurani heeft hen naar het noorden verdreven, en ze zijn nooit teruggekeerd. Ten zuiden ervan wonen dwergen, maar er zijn natuurlijke barrières tussen de vallei en het grondgebied van de dwergen. Er zijn hier en daar ook nog oude mijnen die een verbinding tussen de twee gebieden vormen, maar ze zijn verlaten en gemakkelijk te verdedigen. Ten noorden zijn paden naar waar onze kwaadaardige verwanten verblijven. Als we ons eenmaal in die vallei hebben gevestigd kunnen we ons tot in de verre omtrek verspreiden. Ten oosten van de vallei wonen mensen in een federatie die de Vrijsteden wordt genoemd. Ze zijn slecht georganiseerd en rijp om te worden veroverd.

Het gevaar ligt in het westen, want daar bevindt zich het buiten gebied van misschien wel de machtigste mensennatie...' Hij zweeg toen de regent zijn hand opstak.

Een oude man gekleed in een wijde mantel kwam de kamer binnen met een stokoud boek in zijn handen, waarin de geschiedenis van het Volk sinds het Voorafgaan was opgetekend. Zijn ogen waren troebel van ouderdom. Achter hem liep een jongere man, zijn erfgenaam, die als hij de sagenmeester niet assisteerde, zelf studeer de om zich voor te bereiden op de dag dat hij de verantwoordelijk heid van dat ambt op zich zou nemen.

De beide mannen maakten een buiging voor de regent, die met een van wal stak. 'Midkemia. Kennen we die wereld?'

De sagenmeester zweeg even terwijl zijn assistent zich naar hem toe boog om hem iets toe te fluisteren. 'Spreek hardop!' snauwde de regent. 'Niemand verbergt een woord voor mij aan mijn eigen hof.'

De jongere elf keek schuldbewust omlaag. 'Ik smeek om uw vergiffenis. Ik wenste u niet te beledigen. Ik heb alleen toevallig recent enkele oudere passages bestudeerd en herinner me die naam te hebben gezien.'

De sagenmeester wuifde de verontschuldigingen van zijn leerling weg. 'Hij heet Tandarae, heer regent; hij is jong en misschien wat overmoedig, maar zijn geheugen is zo scherp als dat van mij ooit was.' Het gezicht van de oude geschiedkundige was bleek en zijn ogen traanden. 'Straks zal hij dit ambt bekleden, en ik beveel hem bij u aan.'

De jonge historicus maakte een diepe buiging voor zijn meester en de regent.

'Goed dan,' zei hij tegen Tandarae. 'Wat weet je over die wereld?'

'In een tijd voor de tijd,' begon de jongere geschiedkundige, citerend uit de geritualiseerde woorden van de oeroude mythen, 'voordat het Volk de Toorn ontvluchtte, schikte men zich. Slaven waren we in ons eigen Thuis, geregeerd door wrede meesters: de Heren van Macht, of Drakenrijders.

Toen kwam de Toorn en werd de hemel verscheurd, en de Drakenrijders rezen op om een grote oorlog te voeren. Velen van het Volk sneuvelden en velen raakten verloren tussen de sterren, achtergelaten toen onze meesters terugkeerden naar het Thuis, om te vechten tegen de Toorn. Terwijl de oorlog voortwoedde,' zei de jonge sagenmeester die zijn ogen sloot alsof hij de oude tekst uit zijn hoofd opzei, 'kwamen vele lagere wezens, Dakan Shoketa, Dena Orcha en Dostan Shuli, over een gouden brug naar het Thuis, en zij voelden de Toorn toen die over de wereld neerdaalde.'

Hij zweeg even en vervolgde: 'Midkemia is een woord dat de Dakan Shoketa gebruiken, het oude woord van ons volk voor mensen. De mensen noemden onze thuiswereld "Midkemia".'

De regent sloot zijn ogen alsof hij stilletjes bad. Toen zei hij: 'Het is Thuis!' Hij wendde zich tot Laromendis. 'Vertel ons meer over die vallei die je me hebt laten zien.'

De magiegebruiker knikte. Ten westen liggen de meest westelijke garnizoenen van die natie waar ik het over had, het Koninkrijk. De mensen daar wonen voornamelijk in drie kleine steden, amper groter dan onze dorpen: Tulan, Cars en Schreiborg. Die zijn goed versterkt. We kunnen de landwegen ernaartoe wel isoleren, maar ze hebben een grote marine en kunnen zich bedruipen via de zee. We zullen alle drie de forten snel moeten aanvallen om ze te veroveren.'

'Alles op z'n tijd. Eerst hebben we een veilig toegangspunt op de Thuiswereld nodig en moeten we een plan bedenken waardoor we meer tijd krijgen.' Hij dacht aan de grote barrièrebezwering, de bol die het oprukkende demonenlegioen tegenhield, maar die in het noorden begon te verzwakken. Hij was de afgelopen tien jaar drie keer doorbroken, en volgens het laatste rapport was hij in het uiterste westen korte tijd helemaal doorboord. De gevechten waren ver schrikkelijk geweest en veel leden van het Volk hadden de aller hoogste prijs betaald terwijl de magiërs de breuk repareerden. Uiteindelijk zou de barrière overal falen, dus haast was geboden. Sluwheid en gezond verstand zouden hen moeten dienen tot er andere krachten in het geweer konden worden gebracht. Met een blik op Laromendis zei hij: 'We zullen dat veroveringsplan in over weging nemen, en misschien moeten er regelingen worden getroffen met degenen die het Thuis al bewonen, maar daar moeten an deren maar over nadenken. Jou moet ik andere lasten opleggen.'

'Ik zal dienen, heer,' antwoordde de magiër.

'We hebben het moeilijk. Onze vijanden hebben ons uit fort Thandar verdreven, dus Modaria is gevallen.'

De bezweerder zweeg, maar de lichte spanning rond zijn ogen was een onuitgesproken vraag.

'Er waren geen overlevenden,' vervolgde de regent zachtjes.

Modaria was de laatste van de buitenwerelden, dus nu was alles wat er van het Volk overbleef verzameld op Andcardia. We hebben ze laten boeten, maar voor elk van hen verliezen we als vanouds zelf drie strijders.' Zijn diepe stem nam een bijna klaaglijke toon aan. We hebben een veilig toevluchtsoord nodig, bezweerder. Is dit zo'n plek?'

Er viel een korte stilte, en Undalyn vroeg op dwingende toon: 'Zeg op! Is het een veilig toevluchtsoord?'

'Er zijn sporen van demonen. Niet recent, maar... er zijn demonen geweest.'

De regent gooide woedend en gekweld zijn hoofd in zijn nek en uitte een brul van barbaarse woede en pijn. 'Is er dan nergens een veilig toevluchtsoord?'

'Het waren alleen sporen, heer,' zei de magiër. 'Ik heb geen demonen gezien.'

'Hoe kan dat?' vroeg de regent terwijl hij zijn duistere blik op de magiër richtte.

'In mijn reizen heb ik vele landen gezien en vele verhalen gehoord. Een eeuw geleden kwam er een grote demon in dat land aan, maar hij had geen legioen bij zich. Hij nam het uiterlijk aan van een vrouw, een mensenkoningin, en veroverde een derde van die wereld voordat hij werd verslagen. Een magiër met enorm veel macht, geholpen door andere magiërs en een mensenleger, versloeg de demon en verbande hem.'

De regent ging achteroverzitten en hij schudde lichtjes zijn hoofd toen hij zei: 'Slechts één demon. Dat is ongewoon.' Hij zweeg een tijdje. 'Maar zelfs één demon kan betekenen dat er meer zullen volgen.'

'Ik breng ook hoop, heer. Want er zijn aanwijzingen in de verhalen die erop duiden dat de demon niet naar dat rijk was gekomen doordat hij was opgeroepen, maar door... een poort.'

'Weer die demonenpoort!' spuugde de regent. 'Dat verhaal wordt vervelend, bezweerder. Het is maar een fantasie om de aanwezig heid van demonen onder stervelingen te verklaren en lieden zoals je broer vrij te pleiten. Elke expert in de overleveringen en de geschiedenis heeft me bezworen dat demonen niet ongevraagd dit rijk binnen kunnen komen! Ik wil niets van die godslastering meer ho ren, anders wacht jou hetzelfde lot als je broer!'

Het gezicht van de bezweerder verstrakte.

De regent liet zijn stem dalen en zijn gezicht ontspande. 'Hij leeft nog.'

'In uw kerker, heer?'

De regent glimlachte warempel. 'In een kooi die ik op een bin nenplein heb laten plaatsen. De kerker leek me een al te grote aan slag op zijn gezondheid, zo zonder zonlicht. Ik wilde dat hij nog leefde als jij terugkeerde, zoals je nu hebt gedaan. Het zal er wat onbehaaglijk zijn in de middaghitte, maar verder maakt hij het vrij goed.'

Er trok iets van woede over het gezicht van de magiër, maar hij zweeg.

'Het leven van je broer is afhankelijk van jouw gehoorzaamheid, bezweerder,' vervolgde de regent.

De magiër neigde zijn hoofd. 'Gulamendis en ik dienen zoals het u behaagt, heer. Zo is het altijd geweest.'

De stemming van de regent werd duister. 'Je bent een gladde prater, bezweerder.' Hij wees naar het westen. 'De Vlakte van DelthAran ligt vol met de lijken van strijders die "mij dienden zoals mij behaagt", en ik zie elk van die verliezen als een belediging aan ons volk. Er zijn kinderen hier in Tarendamar die nooit het gezicht van hun vader zullen kennen.

Op vijf werelden hebben we gestreden tegen de demonenlegioenen, en elke wereld die we achterlaten ligt bezaaid met moedige strijders die "mij dienden zoals mij behaagt", en hun vrouwen, en hun kinderen.' Onder de woede in de ogen van de regent zag de bezweerder oprechte pijn. 'Mijn grootvader, en zijn vader voor hem, hield met vastberadenheid stand, en elke strijder die "diende zoals hun behaagde" gaf alles en liet ons met zijn offer achter. Ik wil hun nagedachtenis niet onteren door degenen die verantwoordelijk zijn voor deze verschrikkingen te vergeven. Nu zijn ze hier, op de Wereld van de Zeven Sterren, en wij kunnen nergens meer naartoe.' Toen verzachtte zijn stem en fluisterde hij: 'Behalve naar het Thuis.'

De bezweerder zei niets. Het was een oude discussie die ze al vele keren eerder hadden gevoerd. Laromendis en zijn broer beoefen den de mystieke kunsten, een roeping die in de beste tijden al amper werd getolereerd, en dit waren niet bepaald de beste tijden. Laro was een meester van de illusie, een bezweerder die een strijder kon do den met zijn wil en verbeeldingskracht, door illusies op te roepen die zo realistisch waren dat een ingebeelde fatale klap het leven van die strijder kon beëindigen. Gulamendis was een meester van demonen, en hij was een van degenen die de schuld kregen voor de verschrikkingen waar het Volk nu mee geconfronteerd werd. Laro en zijn broer waren door hun moeder grootgebracht in een afgelegen dorp; ze had geweten dat haar zoons grote en verschrikkelijke gaven hadden geërfd, het vermogen om magie te gebruiken.

'Maar is die wereld nu veilig of niet?' vroeg de regent.

'Ik denk van wel, heer.' Hij zweeg even en koos zijn woorden zorgvuldig. 'Zoals ik al zei, de kennis die ik heb vergaard wijst erop dat deze wereld machtige beschermers heeft: mannen en vrouwen die wel eens in staat zouden kunnen zijn om onze vijanden op afstand te houden.' Hij zweeg opnieuw en vervolgde toen behoedzaam: 'We hebben mogelijk bondgenoten gevonden.'

'Bondgenoten!' schreeuwde de regent. 'Dwergen, lagere elfen, mensen! Misschien moeten we ook maar onderhandelen met de gnomen? Moet ik soms de eerste heerser van ons volk worden die in onderhandeling gaat met lieden waar we al sinds het begin der tijden oorlog tegen voeren? Wil je dat ik bijstand ga vragen aan lui die alleen geschikt zijn om te overheersen en aan onze wil te onder werpen?'

Laromendis zei niets. Hij wist dat dit een discussie was die de leiders van de Raad van de Regent vele weken, zelfs maanden bezig zou houden. En hij wist ook dat als hij het leven van zijn broer wilde redden, hij ervoor moest zorgen dat als de Raad werd bijeengeroepen, de sagenmeesters en priesters zijn bondgenoten waren. Het lot van het Volk hing ervan af, en om zichzelf te redden moest dit ooit zo trotse ras gaan samenwerken met degenen die altijd als vijanden waren beschouwd.

De regent stelde hem nog een uur lang vragen en haalde details boven water die hij nodig had voor zijn volgende plan. Uiteindelijk zei hij: 'We verhuizen twee clans naar die vallei en laten ze het fort aan het noordelijke uiteinde bezetten.'

Laromendis knikte. De duistere elfen hadden alles intact gelaten. Hoewel het fort was overwoekerd en na honderd jaar in verval begon te raken, zou het toch een veilige plek zijn van waaruit ze de omgeving konden verkennen, en de verdediging zou er snel weer op orde kunnen worden gebracht.

'Laat de Solis en Matusic zichzelf in gereedheid brengen,' beval de regent.

De boodschapper maakte een buiging en vertrok. Laromendis hield zijn gezicht uitgestreken, maar vanbinnen glimlachte hij. De Solis stonden onder bevel van Sebolds, Undalyns lievelingszoon. Dat onverwachte besluit gaf Laromendis een klein voordeel, want als het zover was zou de regent minder geneigd zijn een veldslag als enige mogelijke oplossing te zien, aangezien dan de troonopvolger risico zou lopen. Net als zijn broer wist Laromendis dat het Volk moest veranderen om te overleven. Undalyn zou Midkemia het liefst veroveren en opeisen als rechtmatige thuiswereld van de taredhel, maar misschien kon hij het op een akkoordje gooien met degenen die in Elvandar woonden. Wellicht zou hij zelfs hun koningin als heerser aanvaarden en zijn eigen macht opgeven, al leek dat Laromendis onwaarschijnlijk. Maar de regent zou er hoe dan ook op aandringen dat ze een volk regeerde dat de baas was op de planeet en die niet met lagere wezens wilde delen.

Laromendis wist dat een dergelijke denkwijze drie generaties lang de levens van miljoenen leden van het Volk had verwoest. Om te overleven moest het Volk dromen van verovering opzij zetten en het eens worden met de dwergen en de mensen. Zijn eigen aanpak vereiste voorbereiding en geluk, want de twee broers werden ternauwernood getolereerd en niet bepaald vertrouwd, maar toch was het aan hen om de regent van gedachten te laten veranderen.

Er verscheen een boodschapper in de deuropening, ademloos van de lange klim langs de trappen vanuit de stalhof beneden. Ter wijl hij zich op zijn knieën voor zijn heerser liet vallen, boog hij zijn hoofd en stak een schriftrol uit.

Het gezicht van de regent betrok toen zijn grootste angst be waarheid werd. 'Garjan-Dar is gevallen. De demonen zijn door de breuk gekomen.'

Laromendis had twee overtuigingen: de demonen zouden weer worden verdreven, en de barrièrebezwering zou weer worden hersteld, maar tegen een hoge prijs. Hoe vaak konden ze de barrière echter nog repareren? Elke keer waren er strijders nodig om het terrein te verdedigen terwijl magiërs hun leven gaven om de bezwering in stand te houden. Nog één keer, misschien twee keer, maar uiteindelijk zou de barrière-bezwering het helemaal begeven, en dan zou de stad worden belegerd. De muren van Tarendamar stelden als obstakel voor het demonenlegioen weinig voor. Stenen en magie zouden hen een week of twee buiten houden, misschien een maand, maar de stad zou vallen, en daarmee het hart van de Zeven Sterren.

De regent zette zijn laars tegen de schouder van de knielende boodschapper en duwde hem weg. 'Eruit!' schreeuwde hij, en de boodschapper scheen niets liever te willen, overduidelijk opgelucht dat de toorn van de regent beperkt was gebleven tot een schop. In het verleden waren de hoofden van brengers van slecht nieuws wel eens geëindigd op een staak bij de ingang van het fort.

De regent liep naar het raam en staarde naar buiten. Hij haalde diep adem en vroeg: 'Op welke wereld ben jij geboren, bezweerder?'

'Deze, heer,' antwoordde Laromendis. 'Ver in het noorden in de sneeuwlanden, aan de voet van de IJzerbergen.'

'Ik ben ook hier geboren,' zei de regent, 'maar mijn oudste zoon is geboren op Utameer.' De bezweerder wist dat, maar als de regent de behoefte voelde om te vertellen, zou de magiër niet zo dom zijn hem in de rede te vallen. Toen hij nog maar tien seizoenen oud was, ben ik ten oosten van de stad Akar met hem op bovak en langhoorn-groensnuiten gaan jagen. Het was warm; de hele dag, elke dag. Regen kwam maar zelden voor in die streken, maar als het regende ging dat gepaard met onweer en was het een stortbui. Soms werden kinderen en dieren meegesleurd in overstromingen. De bliksemschichten schoten dan door de hemel alsof de goden zelf in oorlog waren.' Hij draaide zich om en keek de magiegebruiker aan. 'We raken deze wereld kwijt, bezweerder, net zoals we Utameer zijn kwijtgeraakt.' Hij leunde tegen het raamkozijn en staarde in de verte. 'Net zoals we Katan-jara, Shinbol en de andere zijn kwijtgeraakt.

In de tijd van mijn grootvader veroverden we de sterren. De Clans van de Zeven Sterren heersten over vele werelden!' Droevig voegde hij eraan toe: 'Nu is onze regeerperiode ten einde. Nu moeten we vluchtelingen worden.'

Hij wendde zich af van de sagenmeesters en de magiër en liep terug naar zijn stoel. We moeten naar ons Thuis. Het is onze enige redding.'

Hij keek Laromendis aan. 'Ga eten en uitrusten, en keer dan bij het ochtendgloren hier terug. Jij begeleidt onze strijdmeester en een compagnie verkenners morgen naar het Thuis. We moeten beginnen met de voorbereidingen daar.' Hij fronste zijn voorhoofd en blafte Laromendis toe: 'Nu!'

De bezweerder maakte een buiging, draaide zich om en haastte zich naar buiten. Hij had een heleboel te doen voordat het ochtend werd, en hij had niet de illusie dat hij rust zou krijgen. Het kostte een heleboel energie om verraad voor te bereiden.