14
Afspraken
Tomas keek uit over het bos.
Beneden hem spreidde het thuis dat hij het grootste deel van zijn leven had gekend zich uit. Vanaf het balkon van het koninklijk paar was het uitzicht adembenemend. De grote bomen van Elvandar stonden verspreid op een manier die er op het eerste gezicht grillig uitzag, maar er was een patroon, en zodra je oog eraan wende werd er veel zichtbaar. Van hieraf kon Tomas de grote weide zien waar kinderen onder toezicht van hun ouders speelden. Intussen hielden de ouders zich bezig met het repareren van bogen, het maken van pijlen, het weven van stoffen of het bereiden van voedsel. In de verte zag hij de top van een heuvel waar een waakvuur kon worden aangestoken indien er problemen aan de buitenranden van het bos ontstonden. Aan deze kant van de Grensrivier was geen waarschuwing nodig, want alleen zeer machtige magiërs konden on uitgenodigd het woud in het hart van Elvandar betreden, en dat zou worden bespeurd door iedereen die er leefde.
Toen hij jong was, in Schreiborg, fantaseerde hij vaak dat hij grote heldendaden en prestaties zou leveren als strijder in dienst van de koning, maar het lot had iets veel groters voor hem in gedachten gehad dan zijn jongens-fantasieën. Hij had het wit-met-gouden pantser van de Valheru geërfd, en daarmee ook alle kennis van een wezen dat al lang geleden overleden was — de Valheru Asschen-Sukar. Hij bewaarde in zijn geheugen de herinnering aan duizenden gebeurtenissen die hij in zijn leven niet had meegemaakt, maar ze waren desondanks even levensecht voor hem als dingen die hij met eigen ogen had gezien.
Zijn oude metgezel Dolgan, die bij hem was toen hij het pantser vond, stond zwijgend met zijn vriend naar het uitzicht te kijken. De dwergen en elfen hadden altijd een koele, maar beleefde relatie ge had, totdat Tomas het pantser had verkregen. Hij had vele dwergen gered tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring, toen er een pact was gesloten tussen de elfen van Elvandar en de dwergen van de Grijze Torens en Stenenberg, wat had geleid tot een veel warmere relatie dan voor die tijd.
Dolgan was al meer dan een eeuw Tomas' vriend, en hij was altijd een bron van goede raad, met een heel praktische kijk op de wereld. Tomas was blij met de aanwezigheid van zijn vriend, hoewel hij minder gelukkig was met de reden van diens bezoek.
Nadat hij zijn waarschuwing aan de elfenkoningin had overgebracht was Alystan van Natal vertrokken, want hij had veel verplichtingen, maar Dolgan had besloten te blijven. Het was bijna zes jaar geleden dat hij bij zijn elfenvrienden in het noorden op bezoek was geweest, en hij voelde de behoefte om een tijdje te blijven logeren.
Hij kende Tomas bijna even goed als Aglaranna of Tomas' jeugdvriend Puc, en dus wist de dwergenkoning dat zijn vriend net zo verontrust was over de aankomst van de buitenaardse elf als hijzelf. 'Het geeft stof tot nadenken, hè, jongen?' vroeg hij uiteindelijk.
Tomas moest altijd glimlachen als Dolgan hem 'jongen' noemde. 'Dat klopt, Dolgan.'
'Ik wist wel dat er iets aan de hand was, die dag in de mijnen van Mordeensens Kadaal, toen ik je vis zag eten met een draak.' De oude dwerg lachte. 'Dat leverde op zich al honderd avonden van verhalen bij het vuur op. Maar wat daarna kwam, Tomas... de Tsurani, wat er in jou veranderde en wie je werd...' Hij knikte ferm. 'Maar het is allemaal goed afgelopen.'
'Is dat zo?' De lange blonde strijder keek zijn oude vriend met blauwe ogen vol bezorgdheid aan.
'Je hebt heel wat meer gedaan dan wat je beloofd had, namelijk om je nieuwe thuis te beschermen, mijn vriend. Je hebt een goede zoon opgevoed en je hebt een prachtvrouw alle liefde gegeven die een man maar geven kan. Dat alleen is al lovenswaardig. Maar je bent ook een schild voor je volk geweest. Het is hier in Elvandar behoorlijk vredig gebleven, terwijl de rest van de wereld akelige tijden heeft beleefd.'
Tomas knikte. Elvandar was onaangeroerd gebleven toen het leger van de Smaragden Koningin het Koninkrijk had belaagd.
'Nou, ik heb je genoeg gegeven om over na te denken, maar lang niet zoveel als onze nieuwe vriend,' zei Dolgan met een knik naar het onderkomen van Gulamendis. 'Hij is een rare, dat staat vast, en als hij die oren en die elfenmanieren niet had zou ik hem aanzien voor een lang mens, en dat is een feit.'
Tomas glimlachte. Hij genoot van de bezoekjes van Dolgan, hoe zeldzaam die ook werden. De dwerg kon met een beetje geluk nog wel honderd jaar leven, maar niets was voor eeuwig en zelfs het sterkste van de langlevende rassen was sterfelijk.
De laatste tijd worstelde Tomas met een onheilspellend voorgevoel. Hij kon zich niet losmaken van het gevoel dat er iets te gebeuren stond, iets heel ingrijpends, dat de wereld die hij kende ingrijpend zou veranderen, en niet ten gunste. Dat gevoel was sterker geworden sinds de aankomst van de buitenaardse elf.
Hij keek Dolgan aan. 'Dus je gaat weer?'
'Ja, jongen. Ik denk dat ik maar eens naar Stenenberg ga om bij de oude Harthorn op bezoek te gaan. Hij is al wat op leeftijd en komt niet meer veel buiten. Ik moet even met zijn zoon Locklan over ditjes en datjes praten. Dwergendingen, je weet wel.'
Tomas knikte. 'Ik begrijp het. Heb je behoefte aan gezelschap onderweg?' Tomas wilde zijn vriend niet beledigen door te opperen dat hij bescherming nodig had. De dwerg was immers helemaal vanaf de Grijze Torens komen rennen met alleen Alystan als gezel schap.
'Nee. Het is niet ver en ik kan wel wat tijd op mezelf gebruiken, om na te denken. Bovendien is het tegenwoordig heel vredig sinds jij de zwarte elfen naar het noorden hebt verjaagd. De gnomen hier in de streek zijn dan misschien dom, maar ze zijn niet zo dom om mij lastig te vallen.' Hij klopte op de legendarische hamer aan zijn riem.
Tomas grijnsde. Dolgan had de Hamer van Tholin, het teken van zijn koningschap, in dezelfde grot gevonden als waar de toenmalige jongen uit Schreiborg het wit-met-gouden pantser had ontdekt.
Het sterke pantser dat zijn schakel met het verleden vormde lag veilig opgeborgen in zijn vertrekken, bij de ceremoniële gewaden en juwelen van zijn vrouw. Maar het pantser was niet nodig om de macht in hem zichtbaar te maken. Hij was misschien wel het gevaarlijkste wezen op deze wereld, alleen geëvenaard door zijn vriend Puc, die door zijn magie bijna een natuurkracht was. Maar Tomas' grote kracht en Valherumagie gaven hem niet het vermogen om de toekomst te zien.
'Vaarwel dan, oude vriend,' zei Tomas.
'Vaarwel, jongen.'
Op dat moment kwam Aglaranna aanlopen, en zei Dolgan: 'Ah, mooi. Dat bespaart me de moeite om u op te sporen om afscheid te nemen, vrouwe.'
'Ga je weg, Dolgan?'
'Ja, op bezoek bij familie in Stenenberg, en daarna naar huis voordat mijn zoon er een potje van maakt.'
'Goede reis dan, en kom snel weer eens langs, vriend,' zei ze.
Hij maakte een buiging en vertrok.
Tomas staarde weer uit over het bos, en zijn vrouw keek een tijdje naar hem. Ze kende zijn stemmingen en hield zoveel van hem dat ze het nauwelijks kon geloven. Ze had ook van haar eerste man gehouden, de vorige koning van de elfen, maar dat was een langzaam opgebouwde genegenheid geweest, een vertrouwd liefdesgevoel voortgekomen uit noodzaak, want het was al sinds haar geboorte haar lot geweest om aan zijn zijde te regeren. Maar de eerste keer dat ze Tomas als man had ontmoet, niet langer de jongen die ze de eerste keer had gezien, was er een passie in haar hart opgebloeid die ze zich nooit had voorgesteld. Sindsdien waren ze onafscheidelijk geweest, en ze wist dat hij nu nadacht over de nieuwe elf die bij hen was gekomen.
En ze wist ook dat hij ongerust was.
Aglaranna, koningin van de elfen en al meer dan een eeuw Tomas' echtgenote, ging achter hem staan en legde in een troostrijk gebaar haar armen om hem heen. 'Wat zit je dwars, lieverd?' vroeg ze zachtjes.
Hij draaide zich naar haar om. 'Heb ik je al verteld hoe mooi je bent?' vroeg hij.
Ze kon een glimlach niet onderdrukken. 'Alleen maar iedere dag.'
Hij grimaste. 'Nou, als het vervelend wordt...'
'Nee,' onderbrak ze hem. 'Ik sla me er wel doorheen als je het per se kwijt moet.'
De plagerij was precies wat hij nodig had om zich te ontspannen. 'Ik maak me zorgen,' zei hij.
'Weet ik. Je bent bezorgd vanwege onze gast.'
Tomas knikte. 'Mijn herinneringen van Asschen-Sukar zijn in compleet. Veel ervan is in de loop der jaren bovengekomen, maar er zijn nog leemtes. In al mijn herinneringen aan de edhel vind ik niemand zoals die Gulamendis terug.'
'Hij is heel vreemd,' beaamde de koningin. 'De moredhel lijken op ons, maar deze... elf is heel anders.'
'Dolgan zei dat hij een mens zou kunnen zijn als hij die oren niet had.'
Aglaranna lachte, een muzikaal geluid dat Tomas heerlijk vond om te horen. 'Lieverd, ben je al zo lang bij ons dat je bent vergeten dat jij ook een mens bent?'
Hij glimlachte en nam haar in zijn armen, waarbij ze haar hoofd in een vertrouwd gebaar onder zijn kin legde. 'Ik ben wat ik ben. Ja, ik ben als mens geboren, maar dat is vele levens geleden. Alleen onze zoon Caelis begrijpt hoe het is om half in de ene wereld en half in de andere te leven.'
'Ik dank onze voorouders dat hij Ellia en haar zonen heeft ge vonden.'
'Ja,' zei Tomas, 'een gezin kan je ziel redden.' Hij dacht aan dat van zichzelf, en aan hoe hij bijna voor de waanzin van de Drakenheersers door de knieën was gegaan. Zijn vrouw en zoon hadden hem een anker geboden om zich aan vast te klampen tijdens de woede die over hem kwam in de strijd, en als hij werd overvallen door het brandende verlangen om te domineren, een gevoel dat hem nooit helemaal verliet. Hij had een gezin waar hij heel veel van was gaan houden, en het had hem een reden gegeven om te léven, in plaats van alleen maar te overleven. En nu had zijn zoon hetzelfde.
Tomas zweeg en Aglaranna wachtte geduldig af. Na een tijdje waarin ze simpelweg van elkaars gezelschap genoten zei Tomas: 'Jij regeert in Elvandar, lieverd, dus alle besluiten zijn aan jou. Toch is het als Krijgsleider mijn plicht om waakzaam te zijn.'
'Dat begrijp ik, en ik stel altijd prijs op je advies.'
Hij glimlachte. 'Altijd?'
Ze lachte terug. 'Meestal.'
Acaila stapte het privébalkon van het koninklijke paar op, en Tomas wenkte hem. De oude elf was de leider van de groep die vanaf Kelewan naar Elvandar was teruggekeerd. Na de dood van Tathar, de meest vertrouwde raadgever van de koningin en oudste machtswever sinds de tijd van haar vader, was Acaila de leider van de raad van de koningin geworden. Hij maakte een buiging en groet te: 'Majesteit, heer Tomas.'
'Wat vind jij van die Gulamendis?' vroeg de koningin hem.
Acaila liep naar de stoel waar de koningin naar wees. De oude elf liet zich op de houten stoel zakken - twee grote U-vormige stukken hout die slim aan elkaar waren verbonden en waar een donzen kussen op lag - en glimlachte dankbaar. 'Het is heel lastig, mijn koningin,' begon hij. 'Er bestaat geen twijfel over dat hij van de eldar is. Hij weet weinig van onze oude overleveringen, maar dat valt te verwachten van iemand die niet is opgeleid als sagenbewaarder of machtswever. Maar toen we te horen kregen dat hij een meester van demonen is...'
Hij bracht zijn rechterhand naar zijn gezicht en tikte met zijn wijsvinger op zijn ingevallen wang. Acaila's leeftijd viel niet te schat ten, want hij was de oudste levende elf. Zijn haren waren nu zo wit als sneeuw, maar zijn blauwe ogen fonkelden nog steeds van weet gierigheid.
Wat mij verontrust,' vervolgde hij, 'is niet de kwestie van zijn duistere studies, want hij is niet de eerste onder de eldar die dergelijke praktijken fascinerend vindt. Het gaat mij om zijn andere... opvattingen.'
Welke opvattingen?' vroeg Tomas.
'Hij verbergt het goed, maar hij voelt zich superieur aan ons. Hij ziet zijn 'Sterrenvolk" als een superieure uitdrukking van de eldartraditie.' De oude elf ging achterover zitten en zuchtte. 'Hij ziet ons als primitief, of in het beste geval als onbeschaafd. Kennis over het woud is hem even vreemd als het was voor veel ocedhel die van overzee naar ons toe kwamen.'
'En wat zit je nog meer dwars?'
'Er zijn veel mysteries rond deze elf,' antwoordde Acaila. 'Hij is hier voor meer dan hij kenbaar maakt. Ik heb het gevoel dat hij wanhopig graag wil dat we zijn volk helpen, maar dat hij zichzelf minacht omdat hij om die hulp vraagt.'
Tomas kende de conflicten die moeilijke beslissingen vaak mee brachten uit eigen ervaring, dus hij vroeg: 'Komt die minachting alleen voort uit onze zogenaamde inferioriteit?'
'Nee, er zit meer achter. Terwijl ik met hem sprak over onze overleveringen en de verschillen daartussen, kon ik merken dat hij in veel opzichten een wetenschapper is, net als alle eldar; hij houdt van kennis om de kennis. Maar de kern van zijn problemen ligt erin hoe die kennis wordt gebruikt.' Zuchtend vervolgde de oude elf: 'Ik weet het niet, maar ik vermoed dat hij zijn eigen persoonlijke plannen heeft, en die moeten we ontdekken voordat we hem kunnen vertrouwen.'
Tomas en de koningin zeiden niets en wachtten af.
'Die elfen, die taredhel... die zijn onverwacht?' vroeg Acaila.
Tomas knikte alleen.
'Sire, u kent onze oorsprong beter dan wie ook. Kunt u zich voorstellen dat er eldar zijn geweest die het pad volgden waar die taredhel het over hebben?'
Tomas zweeg een tijdje terwijl hij de herinneringen bekeek die hij van de Drakenheerser Asschen-Sukar had geërfd. Uiteindelijk zuchtte hij. 'Nee, maar de Valheru waren arroganter dan andere rassen zich konden voorstellen. Ze zouden het verschil niet hebben begrepen tussen degenen die hen dienden en degenen die op de akkers werkten.'
De oude eldar knikte instemmend. 'Wij waren de sagenbewaarders en de meest vertrouwde dienaren. Toen de Drakenhorde mijn voorouders op Kelewan in de steek liet, namen we aan dat anderen hetzelfde zouden doen als wij: standhouden en hopen dat we op een dag zouden worden gevonden, zoals ook is gebeurd.
Toen we hier terugkeerden en zagen dat er een scheiding was ontstaan tussen de eledhel, moredhel en glamredhel... en zelfs de ocedhel ontdekten... wel, toendertijd leek het logisch, alsof onze basale aard was omgevormd door de omstandigheden. Maar die taredhel...' De oude elf haalde zijn schouders op. 'Ze zijn vreemd.' Hij zweeg.
Elfen waren een geduldig ras dat dacht in jaren waar mensen zich druk maakten over dagen. We hebben nog tijd genoeg om die dingen te ontdekken,' opperde Tomas.
'Daarin moet ik u tegenspreken, heer Tomas,' zei de oude elf. 'Die Gulamendis straalt een zekere haast uit, en ik vermoed dat het hart van deze kwestie zich binnenkort zal openbaren.' Hij zuchtte. Wat ik niet weet, is of wat we dan zien ons zal bevallen. Ik denk eigenlijk van niet.'
'Lijken die taredhel meer op de moredhel dan wij?' vroeg de koningin.
Acaila schudde zijn hoofd. 'Nee, ze zijn anders dan allebei, majesteit, anders dan alle andere eldar.' Hij keek om zich heen en maak te een handgebaar. 'Dit is de plek van zaden, vanwaar wij ontstonden aan het begin van de geschiedenis, nog voor de oorlog in de hemel en de bevrijding van het Volk. Net als bij zaden die worden verplaatst naar andere grond zal de boom die eruit groeit een andere vorm krijgen. Sommige groeien sterk en recht omhoog, andere zullen gebogen en klein blijven, en weer andere worden iets heel anders dan wat ze voorheen waren.' Het was Aglaranna en Tomas duidelijk dat hij sprak over de verschillen tussen eledhel, moredhel en taredhel. 'Degenen die in het noorden woonden zijn naar ons toe gekomen, en sommigen zijn naar Baranor verhuisd. Anderen van over zee zijn bij ons teruggekeerd. Is het niet redelijk om aan te nemen dat degenen die eeuwenlang op andere werelden hebben gewoond net zo verschillend van ons zullen zijn als degenen die alleen maar in een ander deel van deze wereld hebben gewoond?'
Tomas knikte. In de ogen van elfen die altijd in Elvandar hadden geleefd waren hun verwanten die ten noorden van de Tanden van de Wereld woonden, de glamredhel, barbaars en bijna primitief, terwijl de ocedhel, die aan de andere kant van de oceaan leefden, in hun gedragingen bijna overdreven menselijk leken. 'Ik snap wel dat ze vreemd op ons overkomen.'
'En toch zijn ze nog steeds een deel van ons,' zei de oude eldar. 'Ze hebben overleveringen die bij ons verloren zijn gegaan, net zoals wij overleveringen hebben die zij niet meer kennen. Het zou gunstig voor ons beiden zijn als we op de een of andere manier met hen samengingen.'
Tomas keek bedenkelijk. Hij wist veel over die overleveringen door zijn herinneringen van de oude Drakenheerser, en een deel ervan verdiende het om verloren te blijven. Daardoor schoot hem iets anders te binnen, en hij vroeg: 'Is hij ongerust over mijn aanwezigheid?'
'Misschien,' antwoordde Acaila. 'Gulamendis stelde vragen over u, maar niet meer dan elke andere nieuwkomer zou doen. Zijn angst en nieuwsgierigheid zijn met elkaar in evenwicht. Nee, er is iets anders dat hij meer vreest dan het vooruitzicht dat uw Valheru-aard zich laat gelden en dat u de macht over zijn volk wilt grijpen.
Eigenlijk denkt hij,' zei de oude elf met een droge glimlach, 'hoewel hij dat probeert te verbergen, dat u zou falen als u het zou proberen. Ik vermoed dat dit volk zo arrogant is dat ze zichzelf als het superieure ras zien.'
'Dat is nooit onze aanpak geweest,' merkte Aglaranna op.
'Niet die van ons, majesteit, maar wel die van de moredhel.'
Tomas knikte en de koningin zei: 'Ik moet toegeven dat je gelijk hebt.'
'De moredhel waren lagere huisslaven die eeuwen geleden door hun meesters werden gedwongen om de gruwel van Sar-Sargoth en de tweeling ervan, Sar-Isbandia, te bouwen,' vertelde Acaila.
Tomas schudde zijn hoofd. 'Je geeft me de indruk dat we op een ras van eldar zijn gestuit met de ambities van de moredhel.'
'Niet helemaal,' zei Acaila. 'Dat zou te simpel zijn. Deze elfen, deze Sterrenelfen, zijn iets nog gevaarlijkers geworden. Wat hij heeft verteld geeft me de indruk dat Gulamendis een afspiegeling is van zijn volk. Ze zijn fysiek groter, en ik denk dat ze veel sterker zijn dan wij.' Hij glimlachte en knikte naar Tomas. 'Met uitzondering van uzelf, heer.'
Tomas knikte, maar zijn gezichtsuitdrukking gaf aan dat het er niet toe deed. Ondanks zijn onvoorstelbare vermogens was hij niet ijdel. Hij had veel doorstaan en anderen veel pijn gedaan toen hij zijn krachten verkreeg, en hij prees zichzelf bijzonder gelukkig dat degenen die hij onrecht had aangedaan hem dat hadden vergeven. Het maakte hem nederig.
'Sterker nog,' zei Acaila, 'zijn magie is... duister.'
'Hoezo?' vroeg de koningin.
'Ik heb hem geen bezweringen zien toepassen, maar er schuilt macht in hem. Het is goed verborgen, maar het is er wel. Hij stelt goede vragen, hij is intelligent, opmerkzaam en heeft een scherpe geest, maar er is iets met hem wat me zorgen baart.'
'Mij ook,' zei Tomas. 'Hij brengt gevaar met zich mee.'
Zowel de koningin als Acaila keek de krijgsleider aan. Tomas zag hun vragende blikken. 'Ik denk niet dat hijzelf een gevaar is, maar hij verbergt iets, iets wat gevaar zal opleveren.'
'Hij is een rare,' zei de koningin. Ze zweeg even voordat ze eraan toevoegde: 'Ik voel geen verwantschap met hem.'
Acaila knikte. 'De taredhel zijn gedurende hun tijd tussen de sterren veel meer veranderd dan onze andere verwanten.' Hij keek peinzend omlaag. 'Hoewel hij wel gebiologeerd schijnt te zijn door onze grote bomen. Hij noemt ze "de sterren". Als hij niet bij de machtswevers is, loopt hij door het bos en raakt de boomstammen aan, bijna alsof hij niet kan geloven dat ze echt zijn.'
'Wij zijn voor hem misschien wel even vreemd en onverwacht als hij dat voor ons is,' zei Aglaranna. Wij denken dat we sinds de Chaosoorlog niet veranderd zijn, maar dat is waarschijnlijk niet waar.' Ze keek haar man aan, wetend dat Tomas herinneringen uit die tijd had.
'Jullie zijn sterker en nobeler geworden, meer een eenheid met de wereld om jullie heen. Jullie zijn beter geworden.' Hij keek weer naar het bos beneden. 'Die taredhel zijn ook beter geworden, maar op een heel andere manier.'
'Hij heeft het over steden,' zei Acaila. 'Grote steden van steen en glas, met dikke muren en hoge torens: elfensteden.'
'Dat klinkt mij vreemd in de oren,' zei Aglaranna.
'Hij verbergt dingen,' vertelde Acaila, 'maar hij spreekt ook over zaken waarvan hij aanneemt dat we die al weten, zoals hun machtswevers die met steen, rotsen en modder werken zoals die van ons met de levende magie van het woud werken; en anderen die vuur, water en lucht bevelen.'
'Elementalisten,' zei Tomas. 'Ik weet het nog.' Hij keek weer uit over het woud. Toen de Valheru in de greep waren van de waanzin van Dreeken-Korin en hun eerste stad Sar-Sargoth lieten bouwen, schonken ze hun uitverkoren bouwers die magie.' Hij draaide zich om en zag de koningin en Acaila aandachtig naar hem kijken. Hij glimlachte. 'Jullie dachten toch niet dat de Valheru zelf hun handen vuil hebben gemaakt aan het bouwen van die stad?' vroeg hij droogjes.
'Wat is er met de bouwers van Sar-Isbandia gebeurd?' vroeg Acaila.
Tomas haalde zijn schouders op. 'Degenen die hier bleven, die de moredhel werden, verloren hun kunsten. Hun magiegebruikers zijn nooit sterk of een dreiging voor ons geweest.' Tomas zweeg even, en toen concludeerde hij: 'Dit zegt mij dat de taredhel meer weg hebben van moredhel dan van edhel.'
We zijn allemaal edhel,' protesteerde Aglaranna.
Acaila neigde zijn hoofd op een manier die ze allebei opvatten als: Was het maar waar.
'Ja, het zou mooi zijn als alle stammen van de edhel één waren,' zei Tomas. Hij keek zijn echtgenote aan. "Voor elke moredhel die zijn weg hierheen heeft gevonden, die naar ons terugkeerde en het duistere pad achterliet, hebben we er twaalf gedood. Het ligt in hun aard om te verlangen naar macht.' Hij verplaatste zijn blik naar Acaila. 'En schijnbaar hebben de taredhel die macht gevonden.'
'Wat stel jij voor dat we doen, echtgenoot?' vroeg Aglaranna.
'Ik denk dat het tijd wordt dat ik even onder vier ogen met onze gast praat.' Hij wendde zich tot Acaila. 'Vraag Gulamendis om me te ontmoeten bij de ingang naar de Heilige Gaard.'
De oude eldar maakte een lichte buiging en vervolgens een diepere voor de koningin voordat hij vertrok. Toen hij weg was vroeg Aglaranna: 'Waarom de Heilige Gaard, Tomas?'
'Die Gulamendis schijnt ergens mee te zitten. Ik weet niet wat het is, maar ik weet wel dat geen enkele plek ter wereld een elf meer kracht geeft voor het nemen van moeilijke beslissingen dan de Heilige Gaard. Acaila zegt dat Gulamendis helemaal ondersteboven is van die oude bomen.'
Ze knikte. 'Ik begrijp het.'
Tomas zuchtte diep. 'En ik denk dat ik hem nog een extra duwtje moet geven.'
Ze keek zwijgend toe terwijl haar man hun vertrekken binnen ging om zijn wit-met-gouden pantser aan te trekken.
Gulamendis liep achter de elf aan die hem naar zijn bespreking met heer Tomas zou begeleiden. Hij vond haar een goed voorbeeld van de vrouwelijke leden van de edhel, hoewel hun vrouwen in het algemeen naar zijn smaak te tenger waren. De meeste vrouwen van de taredhel waren even lang als de mannen en waren heel opvallend, hoewel hij aannam dat het een kwestie van voorkeur was. Deze vrouw was op een ongepolijste manier aantrekkelijk.
Ze liepen over een pad in de bossen dat een eindje uit de buurt ging van het hart van Elvandar, weg van de majestueuze bomen die de demonenmeester in gedachten de Sterren noemde. Toen ze op een open plek aankwamen, bleef ze staan en zei: 'Heer Tomas komt zo bij je.'
'Dank je,' zei hij, en ze vertrok.
Op het eerste gezicht was er niets bijzonders aan deze plek, maar hij voelde wel een vage, zachte stroming van energie. Hij kon er de vinger niet op leggen, maar het voelde vertrouwd, als de echo van een lied dat hij zich niet goed kon herinneren. Het vertrouwde gevoel van conflict kwam ook weer bij hem omhoog. Zijn plannen waren allesbehalve simpel, maar wel rechtdoorzee: een relatie aan knopen met die primitieve elfen en ze gebruiken als middel om bondgenoten te rekruteren tegen het demonenlegioen, voor het geval dat dat de taredhel naar deze wereld volgde. Hij twijfelde er niet aan dat ze dat uiteindelijk zouden doen.
De schuld die hem en anderen die demonen bestudeerden in de schoenen werd geschoven was onterecht. Noch hij, noch enige andere magiegebruiker van de taredhel was er verantwoordelijk voor dat de demonen de eerste buitenkolonie op de wereld Estandarin hadden bereikt. Het was ook beslist niet de schuld van een demonenmeester dat de kolonisten de poort niet hadden vernietigd voor dat de demonen het translocatiecentrum van Shadin Stad op Dastin-Barin hadden bereikt. Van daaraf hadden ze zich verspreid als een kankergezwel en hadden ze vier andere werelden van de taredhel besmet.
Aanvankelijk waren de taredhel ervan overtuigd geweest dat ze de aanvallers konden verslaan, want ze hadden nog nooit een neder laag geleden in een conflict. Maar het aantal demonen leek einde loos. Ondanks de ontelbare slachtoffers die onder hen vielen, bleven de schepsels onophoudelijk aanvallen.
De demonenmeesters kenden de waarheid, maar niemand van de Raad van de Regent wilde naar hen luisteren. Ergens, misschien op Estandarin, was een poort waardoor de demonen dit rijk binnen kwamen. Gulamendis had geprobeerd andere demonenmeesters te vinden met wie hij kon overleggen, maar na jaren van isolatie en vervolging waren er nog maar zo weinig over dat het onmogelijk bleek een samenhangend beeld van het demonenrijk te schetsen.
Hij wist alleen wat hij zelf in zijn jaren van onderzoek naar een handjevol afgerichte demonen had ontdekt. Maar hoe de demonen ook in dit rijk waren gekomen, hij was ervan overtuigd dat ze op de een of andere manier de taredhel naar Midkemia zouden volgen. Zelfs als hij het mis had, dan nog kon het geen kwaad om deze elfen te bedotten en een bondgenootschap met hen aan te gaan; ze zou den kunnen dienen. Maar er was iets met hun koningin, die Aglaranna. Ze was misschien echt van het oude geslacht, want toen hij haar voor de eerste keer zag voelde Gulamendis iets dieps, basaals, en... overtuigends. Dit bos was nieuw voor hem, maar zij voelde heel vertrouwd aan.
Een stem achter hem scheen zijn gedachten te hebben gelezen. 'Het is het oude huis.'
Gulamendis draaide zich om en kreeg een schok te verwerken die bijna een fysieke klap was. Tomas, Krijgsleider van Elvandar, stond achter hem in een wit-met-gouden pantser. De gouden draak op zijn tabberd ving het oog van de demonenmeester, en toen hij eindelijk Tomas aankeek, zag hij achter diens ogen iets wat hij niet had gezien tijdens zijn gesprek met de koningin. In dit wezen huisde een oeroude macht, die hij nu liet doorschemeren.
De demonenmeester beefde. Instincten die lang in zijn volk had den gesluimerd ontwaakten, en hij merkte voor het eerst van zijn leven dat hij bang en vol ontzag was voor een ander wezen. Gene raties van arrogantie en superioriteit vielen weg. Zijn ervaring met het demonenlegioen had twijfel in hem gezaaid over de superioriteit van zijn volk, maar één blik op dit wezen, deze belichaming van een oude macht, maakte hem nederig.
Bijna fluisterend zei Gulamendis: 'Oude...'
Tomas stak zijn hand op en de demonenmeester zweeg. 'Laten we tot de kern van de zaak komen, Gulamendis.'
'Meester,' prevelde de taredhel. Hoewel hij bijna zes duim langer was dan Tomas, voelde de demonenmeester zich klein in de nabij heid van dit toonbeeld van het oude ras dat over alle elfen had geregeerd.
'Dit is de Heilige Gaard,' zei Tomas. 'Dit is het hart van Elvandar, en hier komt de fundamentele energie van jouw ras vandaan.'
Gulamendis draaide zich om en keek naar de jonge bomen, en toen pas besefte hij dat op deze plek de jonge Sterren werden ge plant en verzorgd. Hij had de enorme stammen van de volwassen bomen gezien, maar dit was de eerste keer dat hij jonge exemplaren zag. Hij was ervan overtuigd dat zijn voorouders de Zeven Sterren op deze plek hadden uitgegraven voordat ze die hadden meegenomen naar Andcardia.
'Ja,' zei de demonenmeester; meer kon hij niet uitbrengen.
'Hier zijn de edhel begonnen,' verhelderde Tomas.
'Ja,' herhaalde Gulamendis verdoofd.
'Het is tijd voor duidelijke taal. Waarom ben je hier?'
De taredhel wendde zijn blik van Tomas af en keek weer naar de bomen. 'Ik heb redenen voor wat ik doe, heer Tomas.' Zijn gevoel van overdondering in aanwezigheid van de man in zijn oude pantser nam af, hoewel het niet helemaal verdween. Hij haalde diep adem. 'We zijn op de vlucht voor een horde demonen die elke wereld heeft bestormd die wij hadden gekoloniseerd.' Hij keek Tomas aan. 'Hoe veel elfen wonen hier?'
Tomas dacht even na voordat hij antwoordde. 'In het hart van Elvandar minstens tienduizend.'
'En op de hele wereld?'
'Daar kunnen we alleen maar naar raden,' zei Tomas, 'maar waarschijnlijk zijn de moredhel in het noorden met meer, misschien wel met twee keer zoveel als wij.'
'Zijn er nog anderen?'
'Over de zee ongeveer vier of vijfduizend ocedhel, en in Baranor nog eens duizend, van wie de meesten van hieraf zijn verhuisd.'
'Er zijn vijftigduizend edhel, verspreid over verschillende stammen,' zei Gulamendis. Hij pakte Tomas' tabberd vast alsof hij de behoefte voelde zich ergens aan vast te klampen. Hees van emotie vervolgde hij: 'We waren ooit met miljoenen! Wij waren de eldar! Dat waren we, maar we hebben onszelf verheven tot zoveel meer dan u zich kunt voorstellen, Drakenheerser.'
Hij liet Tomas los en draaide hem de rug toe. Zijn ogen glansden van de tranen toen hij omkeek. 'Voor mij is dit een blik in het verleden. We kunnen nooit meer terug.' Hij maakte een weids ge baar en verduidelijkte: We kunnen nooit meer terug naar een leven in de bomen.' Er liepen tranen over Gulamendis' wangen. 'Hoe mooi, hoe aanbeden die bomen ook zijn. We zijn iets anders geworden.'
Hij keek Tomas recht in de ogen en vervolgde: 'We zullen nooit deze bossen in komen en vragen om te worden opgenomen in jullie samenleving, om te mogen terugkeren. De moredhel waren de laagsten bij ons; we noemen hen de Vergetenen, want zij waren de dienaren die óns mochten dienen, de eldar! Ze benijdden ons, hun meerderen. U weet het nog!'
Tomas knikte. Sinds hij voor de eerste keer het wit-met-gouden pantser van een allang overleden Valheru had aangetrokken, kwamen herinneringen ongevraagd bij hem boven, soms onder invloed van bepaalde omstandigheden of naar aanleiding van een woord, soms ook puur willekeurig. Zijn herinneringen van Asschen-Sukar waren niet volledig, maar hij wist dat veel dingen die Gulamendis zei klopten.
Gulamendis maakte een wegwerpgebaar. 'U hebt dit toegestaan, heer; u en uw broeders. Dit was de plek waar de elfen opkwamen om de Valheru te dienen! Zonder dit zijn we niets.' Hij draaide zich om en keek Tomas recht aan, met een opstandige blik. Wij hebben dit met ons meegenomen! We hebben zeven jonge bomen uitgegraven op deze plek, hun wortels ingebakerd zoals een moeder een kind inbakert, en we hebben ze over een brug naar een andere wereld gedragen.
Die reis is de basis van onze geschiedenis geworden. De tijd vóór die tijd' - hij gebaarde weer om zich heen - 'kan net zo goed een mythe zijn, want we kwamen op Andcardia aan met wat we bij ons hadden: zeven jonge bomen, wat gereedschap en onze kennis.
We hebben die zeven bomen geplant, onze Sterren, en we heb ben onze huizen daaromheen gebouwd. De eerste waren hutten van hout en dierenhuiden, maar we werden meesters van onze nieuwe wereld en nu lijken steden op andere werelden bij die van ons ver geleken wel primitieve huttenkampen. We zijn een trots ras, heer, maar die trots hebben we verdiénd.'
Tomas knikte. 'Ik maak geen probleem van wie je bent, Gulamendis. Ik moet alleen weten met welk doel je hier bent gekomen. Als jullie geen toevlucht zoeken van de demonenhorde, wat dan wel?'
'We zoeken een manier om te redden wat er over is van de Clans van de Zeven Sterren.'
'Leg uit,' zei Tomas, die zijn armen over elkaar sloeg.
'We kunnen niet overleven als het demonenlegioen ons naar Midkemia volgt. Niemand zal dat overleven.'
Tomas zei niets en keek Gulamendis koel aan.
'We hebben jullie nodig, en de mensen en dwergen ook. We hebben iedereen nodig die weerstand kan bieden aan het demonen legioen.'
Tomas bleef lange tijd zwijgen. Toen vroeg hij: 'Waarom heb je dit niet gewoon meteen gezegd?'
'Ik moest...' Hij zweeg, keek om zich heen en vervolgde: 'Dit roept tot me. Het is... sterk. Ik zie u, Valheru, en vrees, haat en afgrijzen gaan door me heen. Ik dacht...' Hij zweeg even om zijn gedachten te ordenen. 'Toen mijn broer en ik samen met enkele anderen ons plan bedachten, wisten we al dat we de bewoners van deze wereld, ons Thuis, snel moesten opzoeken en zich bij ons moesten laten aansluiten voor het geval het demonenlegioen komt.
Als u terugdenkt aan de tijd voorafgaand aan de chaos, toen de goden langs de hemel raasden en de Drakenheersers hen uitdaag den, dan weet u dat de taredhel in die tijd de hoogste onder uw dienaren waren.'
Tomas sloot zijn ogen even. 'De eldar waren onze meest ver trouwde dienaren.'
Het gebruik van het woord 'onze' ontging de demonenmeester niet. 'Acaila en zijn broeders stammen af van de bibliothecarissen. Zij strandden op...'
'Kelewan,' vulde Tomas aan.
'Kelewan,' herhaalde Gulamendis. 'Een lid van de Drakenhorde had hen daar achtergelaten. Wat zij hebben bereikt was opmerkelijk, gezien hun beperkte middelen.
Maar wij zijn de ware eldar. Wij waren jullie huismeesters, jullie gezanten als jullie moesten onderhandelen met een andere partij, en we waren jullie geliefden.'
Tomas sloot zijn ogen weer, en herinneringen aan de ongeloof lijk mooie elfenvrouwen met wie Asschen-Sukar zijn troon omring de kwamen bij hem boven. Hij knikte. 'Ja, jullie waren de hoogsten onder onze slaven.' Er klonk iets hards in zijn stem door, en hij begreep niet helemaal waarom hij de behoefte voelde om de positie van de elfen in relatie tot de Valheru te benadrukken.
Gulamendis kneep zijn ogen samen en trok een nog opstandiger gezicht. 'We zijn meer dan we waren, heer Tomas,' fluisterde hij dreigend. 'Ik twijfel er niet aan dat u me met dat gouden zwaard kunt neerslaan voordat ik een stap kan verzetten. Ik zal dat niet bestrijden, maar als u tegenover een dozijn van ons zou komen te staan, zou u het moeilijk krijgen. En wij zijn met duizenden.'
'Is dat een dreigement?'
'Nee, een waarschuwing, of misschien zelfs dat niet eens; laten we het een beleefdheid noemen. We komen niet als lagere wezens naar u toe. We komen naar u toe als gelijken.' Hij keek weer om zich heen naar de bomen. "Wij eerden degenen die de verantwoording voor deze plekken hadden gekregen. Zij waren de belangrijksten onder ons, degenen die het dichtst bij de aarde van deze wereld en bij het leven dat de natuur bood stonden.
Maar het waren tuiniers. De voorouders van uw koningin waren tuiniers, en meer niet.'
Tomas zweeg een tijdje. Nu begreep hij het volkomen. 'Jullie zien hen als jullie ondergeschikten.'
'Het zijn primitieven. Het zijn boeren, jagers en vissers. Dat zijn allemaal eerzame beroepen, maar ze zijn niet van toepassing op mijn volk, of op wie we zijn geworden.
Wij waren de wetenschappers, de academici, de ontdekkingsreizigers, de ambachtslieden en wapenmakers.' Hij wees naar Tomas' borstkas. 'Dat pantser, dat zwaard - mijn voorouders hebben die voor u gemaakt. De toestellen waarmee u naar andere werelden kunt vliegen, dat waren onze uitvindingen.
Hoe denkt u dat we tijdens die periode van waanzin wisten te vluchten en een veilig heenkomen hebben kunnen vinden op Andcardia? Wij hebben de translocatiepoorten gebouwd, en wij waren ook degenen die de gereedschappen, de schriftrollen en de boeken hebben meegenomen. De draken droegen u door de leegte naar andere werelden. Wij bogen voor uw macht, omdat wij geen draken konden bevelen ons te dragen, maar we hebben manieren gevonden om te bereiken wat u had bereikt, en dat hebben we zonder u gepresteerd!'
Hij keek weer naar de bomen. Zijn stem verzachtte. 'En van hier hebben we meegenomen wat ons aan onze wortels herinnerde.
We zijn niet meer wat we ooit waren, en we zijn hier alleen uit noodzaak teruggekeerd. Maar we zullen terugnemen wat van ons is, zonder u om toestemming te vragen.'
'Je schotelt een verontrustend beeld voor, Gulamendis, als die houding door je hele volk wordt gedeeld.'
'Ik ben nog gematigd in mijn opvattingen. De regent zal uw vrouw als een bedreiging zien,' liet de demonenmeester hem met een droge glimlach weten.
Tomas kneep boos zijn ogen samen. 'Je doet je zaak op deze manier weinig goed. Als iemand mijn koningin bedreigt, zullen ze merken hoe groot mijn macht is, Gulamendis.'
'Ik ben geen bedreiging. Maar u moet weten dat er anderen onder mijn volk zijn die ü als zodanig zullen beschouwen.
We dachten dat het vrij eenvoudig zou zijn. We namen aan dat de elfen die nog op deze wereld waren gebleven zouden evolueren, zoals wij duizenden jaren lang hebben gedaan, en dat elk ander ras waarmee we zouden besluiten om te gaan er weinig toe zou doen. Toen heeft mijn broer maandenlang dit land verkend.'
'Was dat je broer, die gezien is in de vallei ten noorden van het grondgebied van Dolgan?' vroeg Tomas.
'Is hij gezien?'
'Er zijn begaafde spoorzoekers onder de mensen, en je broer heeft zijn sporen niet goed verborgen. Een Vrijschutter van Natal stuitte erop en is ze uit nieuwsgierigheid gevolgd, ook al kon hij zich even nadat hij je broer had gezien al niet meer herinneren wie ze had gemaakt. En toen hij je broer een scheuring zag openen...'
'Scheuring?' vroeg Gulamendis.
'Zijn weg naar huis.'
'Wij noemen dat een poort,' zei de demonenmeester.
'Aha,' zei Tomas. 'Wel, toen heeft je broer zich laten zien.
Alystan was al in de buurt van het dorp van koning Dolgan, en van daaruit is hij naar mijn koningin gekomen. Je kunt je wel voor stellen dat het verschijnen van een elf zoals jij nogal wat onrust veroorzaakte.'
Toen Tomas de naam van Dolgan noemde, betrok Gulamendis' gezicht. 'We hebben in het verleden problemen met de dwergen gehad, en die zijn nooit tot een goed einde gekomen.'
Tomas kneep zijn ogen samen. 'Dolgan is een van mijn oudste vrienden, een dwerg met een goed hart en een ijzeren vastberaden heid. Ik heb mijn leven meer dan eens in zijn handen gelegd, en hij heeft zijn trouw bewezen. Ik vertrouw hem meer dan bijna ieder ander.'
Gulamendis neigde zijn hoofd lichtjes, alsof hij wilde aangeven dat het geen serieuze kwestie was.
'Over tot de kern van de zaak,' zei Tomas. 'Waarom ben je hier?'
'Om een bondgenootschap te sluiten voor het geval de demonen hierheen komen, en om u te laten inzien dat hoewel u en uw vrouwe ons respect afdwingen, het daarbij zal blijven; we bieden niet onze gehoorzaamheid aan.'
Nu was het Tomas' beurt om aan te geven dat hij dat punt niet belangrijk vond. 'Je voorouders vluchtten voordat degene wiens pantser ik draag over het land vloog en iedereen beneden vertelde dat ze vrij waren.
We willen over niemand heersen. Om redenen die verloren zijn gegaan hebben de moredhel ons uitgeroepen tot hun vijanden, dus verdedigen we ons als zij naar het zuiden komen, maar iedereen onder hen die wil terugkeren naar zijn voorouderlijke woonplaats is welkom. Velen van ons hebben hun jeugd in het noorden doorgebracht. We hebben de ocedhel van overzee verwelkomd, maar veel van hen zijn daar gebleven en wilden zich niet bij ons aansluiten. Wij hebben daar geen problemen mee. En toen we de anoredhel in het zuiden ontdekten, hebben we ook geen aanspraak op heerschappij over hen gemaakt.'
'Het Zonnevolk?' vroeg Gulamendis. 'Daar heb ik nog nooit van gehoord.'
'De beschermers van de Quor en de Sven'ga-ri.'
Hij keek Tomas vragend aan. 'Ik zou die namen moeten kennen, maar ik ken ze niet.'
'Dat is iets voor een ander moment,' zei Tomas. 'Goed, je stand punt is duidelijk. Je wilt onze hulp, maar je wilt niemand dienen. Aangezien wij geen behoefte hebben aan jullie diensten, zijn we het eens.' Zijn gezicht verstrakte. 'Maar elke poging van je Clan van de Zeven Sterren om heerschappij over anderen te krijgen zal worden gedwarsboomd. Niet alleen zal ik dan mijn zwaard trekken, ik zal ook mijn bondgenoten inschakelen.'
'Dwergen? Mensen?'
'Koene krijgers en machtige tovenaars, Gulamendis. Laat je geschiedenis je niet verblinden voor het feit dat ze in veel opzichten jullie gelijken zijn,' - hij dacht aan Puc - 'en dat sommigen jullie zelfs de baas zijn.
Zie dit maar als een waarschuwing. Midkemia is dan misschien jullie voorouderlijk thuis, maar het is ook het thuis van vele anderen, afstammelingen van degenen die hier tijdens de Chaosoorlog kwa men, en hun aanspraken zijn misschien gerechtvaardigder dan die van jullie. Jullie voorouders zijn vertrokken, terwijl die van hen zijn gebleven.
Maar eventuele geschillen tussen onze volkeren zullen terzijde moeten worden geschoven tot de dreiging van dat demonenlegioen uit de weg is geruimd. We zullen jullie niet lastigvallen zolang jullie ons niet lastigvallen, maar mocht er een dag komen dat we tegen over elkaar staan, dan zal ik geen mededogen hebben.' De uitdruk king op zijn gezicht liet er geen twijfel over bestaan dat het geen loos dreigement was.
De demonenmeester keek hem aan. 'Ik en enkele anderen wisten dat deze wereld anders zou zijn dan ons misschien lief was. Maar de regent en de priesters, de magiërs en de soldaten die de Raad van de Regent vormen zullen niet zo eenvoudig begrijpen dat ze concessies moeten doen. Als u hen hierheen zou laten komen, zoals u mij hebt laten komen, dan zouden ze dat zien als een uitdaging, een bedreiging, waarmee ze snel zouden moeten afrekenen.
De Clans van de Zeven Sterren kunnen hier niet standhouden als we niet veranderen en overeenstemming bereiken met de andere rassen van deze wereld. We hebben een verandering van leiderschap nodig om dat doel te verwezenlijken.'
'Verraad,' concludeerde Tomas.
'Rede,' weersprak Gulamendis. 'De sterke punten van ons ras zijn ook onze zwakke punten, want we waren nog nooit verslagen voordat de demonen kwamen. Het is voor ons ondenkbaar dat een ander sterfelijk ras gelijk aan ons kan zijn, laat staan dat ze superieur zouden kunnen zijn.
Het zou beter zijn als we openstonden voor een ander standpunt als het tijd wordt om hulp in te roepen.' Hij liet zijn blik nog eens over het hen omringende bos gaan. 'We moeten hier terugkeren en de lessen leren die we zijn vergeten, heer Tomas.' Toen keek hij de krijgsleider aan. 'Net zoals sommigen van jullie naar ons moeten komen om van ons te leren. Alleen op die manier kan een conflict worden vermeden.'
'Dat klinkt veelbelovend,' antwoordde Tomas. 'Al is het wel een van de weinige dingen die je hebt gezegd waar dat voor geldt.'
'Dat begrijp ik.'
'Kom,' zei Tomas, 'we moeten op reis.'
'Waarheen?'
'Er zijn nog anderen die je zou moeten ontmoeten: mensen die mijn vrienden zijn en die de veiligheid van deze wereld als het aller hoogste goed zien. Misschien kom je terug op je idee van superioriteit als je Puc en zijn metgezellen hebt ontmoet.'
Gulamendis keek bedenkelijk, maar hij zei niets.
Tomas sloot zijn ogen en sprak zachtjes, maar de woorden had den macht en Gulamendis voelde magie vorm krijgen. Ze bleven enkele minuten roerloos staan, en toen klonk het geluid van gigantische vleugels en schoot er een schaduw over hen heen. Gulamendis keek op. Als zijn eerste blik op Tomas al een schok voor hem was, dan dwong dat wat hij nu zag hem bijna op de knieën.
Een grote gouden draak zweefde boven hen, traag slaand met zijn vleugels. In een taal die alleen Tomas verstond scheen hij iets te vragen aan de mens die Drakenheerser was geworden, en Tomas antwoordde hardop in dezelfde taal.
'Hij stemt ermee in ons te dragen.'
'Ons dragen?' vroeg de demonenmeester benauwd.
De draak landde zachtjes als een vallende veer en liet zijn kop op de grond zakken. 'Kom,' zei Tomas, die naar het deel van de hals liep waar hij op de rug van de draak kon klimmen. 'Kom achter me zitten en aanschouw meer van deze wereld die jullie Thuis noemen.'
Gulamendis was met stomheid geslagen. Hij kon amper knikken, en het kostte hem al zijn vastberadenheid om deemoedig achter Tomas aan te lopen en achter hem op de draak te klimmen.