9


Waarschuwing

 

 

Brandos ijsbeerde.

Amirantha zat geduldig in een wachtkamer, wachtend op een oproep die niet scheen te komen. Dit was nu al de vierde dag dat ze hier zaten, in afwachting van een audiëntie bij generaal Kaspar, kanselier van de Maharadja van Muboya. Het nieuwe paleis in Maharta was een oefening in overdaad, iets wat Amirantha was gaan verwachten van lieden van koninklijken bloede, maar hij was gedwongen toe te geven dat er in de overdaad om hen heen aanzien lijk wat schoonheid school. Een deel van de inrichting was zelfs smaakvol, een rariteit onder lieden wiens voornaamste prioriteit het meestal was om te tonen hoeveel goud het had gekost om iets te bouwen.

Ze waren eindelijk in de hoofdstad van het bruisende nieuwe koninkrijk Muboya aangekomen. De Maharadja had twintig jaar van campagne voeren en annexeren afgesloten toen hij bij de zee aan kwam, nadat hij alle stadstaten langs de rivier de Vedra had verenigd, van de westelijke graslanden tot de Stad aan de Serpentrivier in het oosten. Het was nu de grootste politieke entiteit op het continent Novindus en net als alle jonge, grote naties bestond het uit diverse culturen, die bijna onmogelijk te besturen waren.

Tijdens het wachten had Amirantha een idee gekregen van de omvang van de taken die deze heer Kaspar te doen had. Edelen uit vele delen van de natie, afgevaardigden uit andere staten in Westland en zelfs van overzee, trokken door zijn wachtkamer naar zijn ontvangstruimte of privévertrekken of wat er dan ook achter die enorme houten deuren was.

Brandos en hij hadden zichzelf vier dagen geleden aangemeld, allebei in hun beste kleding zodat ze niet werden versleten voor zwervers of arme smekelingen. Ze hadden simpelweg tegen de secretaris, een druk en gewichtig mannetje, gezegd dat ze met heer Kaspar wilden praten over een zaak van enige urgentie en belang voor het Koninkrijk.

En drie dagen lang waren ze genegeerd.

Brandos ging voor de vijfde of zesde keer naast zijn vriend zitten - Amirantha was de tel kwijtgeraakt - en zei: 'Denk je dat we die secretaris moeten omkopen?'

'Heb ik gisteren al geprobeerd. Hij dreigde ons te laten arresteren.' Hij keek zijn metgezel aan en zei zachtjes: 'Het schijnt dat wat we over die Kaspar van Olasko hebben gehoord waar is; hij is erg principieel.' Hij leunde voorzichtig tegen de muur om zijn witte mantel niet te bevuilen. 'Vergeleken met de schurken en oplichters die op de meeste andere plaatsen voor overheidsagenten doorgaan is dit een verrassing, maar ik weet nog niet of het een plezierige is of gewoon verwarrend.'

'Nou, aangezien je ons niet met omkoperij bij die generaal binnen kunt loodsen en we een baard krijgen terwijl we zitten te wachten tot er iets gebeurt... heb jij nog andere ideeën? Niet dat ik er bezwaar tegen heb om dagenlang niks te doen...'

'Goed dan,' zei Amirantha. 'Ik neem aan dat ik hem wel een wat dwingender boodschap kan sturen.'

De zwarte magiër ging rechtop zitten en sloot zijn ogen. Hij tilde amper zijn rechterhand op, maar Brandos herkende meteen de ont bieding. Dit was niet bepaald de tijd of plaats om een demon op te roepen, maar de oude strijder vertrouwde op Amirantha's intuïtie; hoewel die hem een aantal keren bijna het leven had gekost, had die hem ook talloze keren het leven gered.

Een lichte 'plop' kondigde het verschijnen van een kleine gestalte aan, ongeveer kniehoog. Het was de imp Nalnar, de oudste van de schepsels die de tovenaar vaak opriep. Om goedgelovige lieden af stand te laten doen van hun goud hadden Brandos en Amirantha een stuk of zes schepsels achter de hand, allemaal met verschillende vaardigheden om verwondering en angst te zaaien, maar slechts enkele ervan vormden een echt gevaar. De donkerhuidige imp - zijn tint veranderde van diepblauw naar paars, afhankelijk van de lichtinval - was de intelligentste. Zijn felgele oogjes met zwarte irissen keken Amirantha vanonder vuurrode wenkbrauwen aan. Hij grijns de, waarbij hij een rijtje vlijmscherpe tanden onthulde, en wees met zijn klauw naar de zwarte magiër. 'Je hebt me opgeroepen, meester. Ik wacht op je bevelen.'

De secretaris keek op van zijn schrijftafel toen hij de eigenaardige stem van de imp hoorde, en zijn ogen werden groot. Amirantha wees naar Kaspars werkkamer en zei: 'Achter die deuren zit een belangrijk man. Hij heet generaal Kaspar, kanselier van de Maharadja van Muboya. Breng hem de boodschap dat ik, Amirantha van Satumbria, een audiëntie bij hem wil, want ik breng een ernstige waarschuwing en moet hem nu direct spreken.' Hij liet zijn stem dalen en vroeg: 'Kun je dat onthouden, Nalnar?'

'Ik zal het onthouden, meester,' zei de imp terwijl hij wegdraafde en met twee sprongen bij een raam was.

De secretaris bij de tafel stond op en schreeuwde: 'Wachters!'

Meteen kwamen de wachters uit de hoeken van de grote voorkamer en bij de deuren aanrennen om te kijken wat er aan de hand was, terwijl Amirantha weer op het bankje plaatsnam. Brandos keek met enig vermaak toe terwijl de secretaris probeerde uit te leggen dat de twee mannen, die daar rustig op het bankje zaten, zojuist een klein blauw mannetje tevoorschijn hadden getoverd, dat vervolgens uit het raam was gesprongen.

Omdat hij niet zeker wist wat hij moest doen, beval de secretaris de wachters om de mannen op het bankje te overmeesteren, waar de wachtsergeant nog meer van in verwarring raakte, want de twee mannen leken niet bepaald overmeesterd te hoeven worden. Toen besefte de secretaris pas dat het raam toegang gaf tot de werkkamer van de generaal en riep hij: 'Snel! Naar binnen! Bescherm zijne excellentie.'

De wachters renden de deur door, met de gepanikeerde secreta ris op hun hielen. Brandos en Amirantha keken elkaar aan, stonden langzaam op en volgden de opgewonden man de kamer van de generaal in.

Kaspar van Olasko, generaal van de legers van Muboya en kanselier van de koning, zat achter zijn werktafel, terwijl de imp Nalnar op zijn gemak maïswafels en kaas van een groot bord zat te eten. De generaal had zijn stoel naar achteren geschoven, overduidelijk van aanvankelijke schrik, maar nu zat hij rustig te kijken naar de etende imp.

De wachters bleven onzeker staan terwijl de secretaris riep: 'Excellentie, is alles in orde?'

'Het lijkt erop,' antwoordde Kaspar. Hij was een man met een rond gezicht, maar verder was hij slank en fit. Zijn haar was in de loop der jaren staalgrijs geworden en hij droeg weer het baardje dat hij als jongeman had gehad, zonder snor en bakkebaarden. Zijn mond was vertrokken in een gespannen, enigszins geamuseerde trek die zijn ergernis over de onderbreking liet blijken, maar er sprak ook uit dat hij het nieuwigheidje wel intrigerend vond. Het was duidelijk dat hij niets bedreigend aan de situatie zag. 'Hij kwam net door het raam naar binnen en sprong op mijn tafel. En toen begon hij mijn middagmaal op te eten.'

Amirantha en Brandos keken elkaar veelbetekenend aan. Nalnar was dol op kaas.

Terwijl de imp zich volpropte, wuifde Kaspar de wachters weg. 'Ik denk dat ik wel veilig ben,' merkte hij op.

De secretaris, nog steeds hysterisch, wees naar Amirantha en Brandos. 'Arresteer die mannen!'

Met een handgebaar stak Kaspar daar een stokje voor. 'Is deze van u?' vroeg hij aan Amirantha, wijzend naar Nalnar.

'Bij wijze van spreken,' antwoordde de zwarte magiër.

Met nog een gebaar stuurde Kaspar de wachters en de secretaris weg. Toen ze waren vertrokken, zagen Amirantha en Brandos een man ineengedoken in de hoek zitten. Kaspar stond op en sprak de man aan. 'Heer Mora, misschien is het beter als we ons gesprek een andere keer voortzetten.'

De man stond langzaam op, gretig knikkend maar niet bereid of in staat om te praten. Hij verliet snel de kamer en liet Kaspar alleen met de imp en twee vreemdelingen. 'Zo,' zei Kaspar, 'en wat moet ik hiervan denken?'

Amirantha deed geërgerd zijn ogen dicht. 'Nalnar!'

De imp sprong op. 'Meester?' siste hij.

'De boodschap?'

Beschaamd liet de imp zijn kop zakken. 'Amirantha van de Satumbria wil een audiëntie, want hij heeft een ernstige waarschuwing en moet u onmiddellijk spreken.'

'Was je het vergeten?'

'Hij had kaas,' zei de imp smekend.

Brandos haalde zijn schouders op. 'Het had erger gekund. Het had ook een bord cakejes kunnen zijn.'

'Cakejes,' beaamde Amirantha.

'Cakejes!' krijste de imp terwijl hij spiedend om zich heen keek.

Amirantha stak bevelend zijn hand uit. 'Vertrek, dienaar!'

De imp vervaagde en de zwarte magiër zei: 'Heer Kaspar, mijn verontschuldigingen, maar ik wacht al drie dagen in de voorkamer...'

'Vier,' corrigeerde Brandos, 'met vandaag erbij.'

Amirantha wierp zijn metgezel een duistere blik en een zwijgen de waarschuwing toe om hem niet nogmaals in de rede te vallen. 'Het begon erop te lijken dat het nog wel twee dagen zou duren als we geen stappen ondernamen.'

Kaspar knikte en ging weer zitten. 'Ik luister.'

Beknopt vertelde Amirantha Kaspar over zijn ontmoeting met de opgeroepen demon, waarbij hij niet inging op de reden waarom ze een demon in een grot hadden ontboden. Toch liet hij niets belangrijks weg en benadrukte hij hoe gevaarlijk het schepsel was geweest, en dat het verschijnen ervan een voorbode van veel groter gevaar was.

Toen hij was uitgesproken, zweeg Kaspar een tijdje. 'Eens kijken of ik het goed begrijp. Jullie zijn de twee zwendelaars die de dorpelingen ten oosten en noorden van hier het vel over de oren hebben getrokken door demonen te verbannen die jullie zelf hadden opge roepen.' Toen ze dat niet ontkenden, vervolgde hij: 'Maar dit gevaar is zo groot dat jullie het risico nemen om met mij te komen praten, ook al wisten jullie dat ik kon besluiten jullie streng te straffen voor jullie trucs?'

Amirantha keek naar Brandos, die zwijgend naast hem stond. 'Ja,' zei hij uiteindelijk. 'Deze kwestie is zo gevaarlijk dat ik het nodig vond het bekend te maken.

Magie heeft een signatuur die altijd uniek is voor degene die haar gebruikt, maar alleen de meest vaardigen onder ons kunnen dat verschil bespeuren. De man die mijn magie heeft verstoord om die strijddemon op te roepen, is een bekende van me.'

'Wie dan?' vroeg Kaspar.

'Mijn broer, Belasco.'

'Dus dit is een familieprobleem?' vroeg Kaspar, die zijn ogen toekneep alsof dit niet het antwoord was dat hij had verwacht.

Brandos verplaatste onbehaaglijk zijn gewicht. 'Het is... een vreemde familie, eigenlijk.'

'Blijkbaar,' zei Kaspar, die zich zuchtend uit zijn stoel hees. Hij liep naar het raam. 'Ik heb vroeger veel gereisd, naar plekken waar van zelfs u zou staan te kijken... zwarte magiër?'

'Het is een titel bij mijn volk,' verklaarde Amirantha, 'de Satumbria.'

'Nooit van gehoord,' antwoordde Kaspar.

'Ze bestaan niet meer,' zei Amirantha, en zelfs Brandos keek daarvan op. 'Ze zijn jaren geleden uitgeroeid door de legers van de Smaragden Koningin.'

Kaspar knikte. 'Ik heb verhalen over die tijd gehoord.' Het leek hem niet nodig uit te leggen dat hij had gediend met mannen die tegen dat leger hadden gevochten. 'Goed dan, zwarte magiër. Laten we even aannemen dat ik uw verhaal geloof. Het is me nog altijd niet geheel duidelijk waarom u zo bezorgd bent.'

'Ik dacht dat ik dat had uitgelegd,' zei Amirantha met iets van ongeduld in zijn stem.

'Zie me maar als een trage leerling,' zei Kaspar droogjes terwijl hij op de rand van zijn werktafel plaatsnam en de twee mannen aankeek. Hij gebaarde dat ze een stoel moesten pakken en ging weer achter zijn tafel zitten.

Amirantha nam plaats en staarde Kaspar van Olasko aan, de op één na machtigste man in het koninkrijk Muboya. Hij zag meteen dat dit geen normale hoveling was, maar een man die veel had gezien en die heel gevaarlijk zou kunnen zijn. Amirantha hield niet van gevaar en liep er liever met een wijde boog omheen. Het was de veiligste aanpak om deze man niet kwaad te maken.

Langzaam begon hij te vertellen. 'Ik ben geboren in een dorp ver in het noorden, een van de vele die werden bewoond door het volk dat de Satumbria werd genoemd. Ik neem aan dat we ooit nomaden waren, zoals de stammen ten oosten van ons, maar al vele generaties lang bewoonden we een mooie vallei en de omringende weidegronden. We betaalden schattingen aan de stadstaat of plaatselijke roofbaron die er aanspraak op maakte, maar meestal werden we met rust gelaten en hadden we een goed leven, of althans zo goed als arme boeren het in die tijd konden hebben. We hadden zelfs een gemeen tehuis en een soort van dorpsraad, al was dat meer een excuus voor de mannen om te bekvechten en te drinken.

Onze vrouwen zorgden voor de kinderen en onze voorouders, en we aanbaden onze voorouders even ijverig als we de goden dien den.' Hij zweeg even. 'Eigenlijk beknibbelden we misschien wel op onze toewijding aan de goden en besteedden we meer aandacht aan onze voorouders.' Hij keek naar Brandos, die aandachtig luisterde; sommige delen van dit verhaal kende hij nog niet.

'Mijn moeder had visioenen, het tweede zicht, zoals het werd genoemd. Daardoor werd ze zowel geëerd als gevreesd. Zoals gebruikelijk bij ons woonde zij alleen, in een hut op een heuvel buiten het dorp, maar ze kreeg voedsel en al het andere wat ze nodig had. Ze moest in afzondering leven en tegelijkertijd onze ogen naar de volgende wereld zijn, om begeleiding en wijsheid te bieden wanneer dat nodig was.

Eigenlijk hoorde ze ook een kuis leven te leiden, maar u ziet wel aan mij dat ze dat niet deed. Ze was een mooie vrouw, en mannen zochten haar op.

Ze kreeg drie zoons. Ik was de jongste. We kenden geen van drieën onze vader of vaders. Mijn moeder wilde nooit vertellen wie het was of waren geweest.

Uiteindelijk werden we alle drie opgevoed en onderwezen door onze moeder.' Hij verschoof in zijn stoel alsof hierover praten hem een onbehaaglijk gevoel gaf.

Als Kaspar ongeduldig was, liet hij daar niets van merken. 'Ga door,' was het enige wat hij zei.

We konden niet lezen, want dat leerden we pas later. We kregen onderwijs in magie. We hadden alle drie enkele van haar gaven geërfd, hoewel die zich op verschillende manieren bij ons manifesteerden.

We waren allemaal beoefenaars van de duistere kunsten, want mijn moeder was een vrouw met duistere geheimen. Ik vermoed dat ze heeft geboet voor haar gaven, dat ze misschien een pact had gesloten met duistere machten, maar daar kan ik nu alleen maar over speculeren.

Als kind kon ik de aanwezigheid van dingen voelen, dingen die ik niet kon zien, en ik wilde ze graag naar me toe roepen. Nalnar was de eerste die reageerde, en hoewel hij niet bijzonder kwaadaardig is, heeft hij geen zelfbeheersing. Hij heeft me ernstig verwond voordat ik hem wist te onderwerpen. Toen ik dat eenmaal voor elkaar had, werd hij mijn levenslange metgezel. Ik kan hem nu oproepen met één woord, en hij is me volkomen gehoorzaam. Van al degenen die ik uit het demonenrijk heb ontboden, is hij mijn meest betrouwbare dienaar.'

'Hebt u er nog meer?' vroeg Kaspar.

'Ja,' antwoordde Amirantha. 'Meerdere, waarvan ik de meeste volledig kan beheersen.'

'De meeste?'

'Er zijn er een paar die ik pas recent heb onderworpen en waar ik nog niet op kan vertrouwen,' zei de zwarte magiër. Hij verschoof weer in zijn stoel, onbehaaglijk omdat hij zijn kunsten met een vreemde besprak.

Brandos trok zijn wenkbrauwen op en zei op vriendelijk spotten de toon: 'Ze proberen nogal eens je hoofd eraf te bijten voordat je ze beter leert kennen.'

Kaspar zweeg een tijdje. 'Dit gaat me boven de pet. Er zijn andere mensen met wie u zou moeten praten, maar voordat het zover is wil ik graag de rest van uw verhaal horen.'

Amirantha liet langzaam zijn adem ontsnappen, niet zeker hoe hij door moest gaan, maar toen haalde hij zijn schouders op. 'Het is lastig uit te leggen. We werden meestal aan ons lot overgelaten; moeder was een beetje gek, vrees ik, maar ze was ook een vrouw met opmerkelijke gaven.

Zoals gezegd, we waren met ons drieën en ik was de jongste. Misschien is haar waanzin overgegaan op mijn oudste broer, want hij was... anders. Al op jonge leeftijd raakte hij geobsedeerd door de dood, of eigenlijk het moment van de dood, als het leven vervliegt, en hij was gefascineerd door de betekenis van die overgang. Hij doodde vaak dingen, gewoon om ze te zien sterven.

Onze middelste broer was niet zo waanzinnig als de oudste, maar gek was hij wel. Hij had zijn eigen waanzin: bij hem was het woede. Hij werd boos geboren en hij bleef boos. We hadden altijd ruzie, want hij was te bang voor onze oudste broer om tegen hem te vechten. Dus werd ik het doelwit van al zijn pesterijen. Mijn moeder heeft een paar keer weten te voorkomen dat hij me werkelijk letsel toebracht. Ironisch genoeg ben ik juist door zijn agressie zwarte magiër geworden. Op een dag, toen mijn broer me in elkaar sloeg, riep ik Nalnar om me te komen helpen, en hij verscheen. Hij is klein, maar hij kan heel akelig zijn en hij heeft genoeg vuurmagie om een huis af te branden als hij dat zou willen. Hij joeg mijn broer weg en bezorgde hem een naar stel littekens. Op dat moment sloeg Belasco's woede om in kille haat. En sindsdien probeert hij me te vermoorden.'

'Er zijn heel wat mensen die denken dat ze familieproblemen hebben, maar dit slaat alles,' zei Kaspar droogjes.

Amirantha keek de generaal een tijdje onderzoekend aan en glimlachte. 'Het klinkt allemaal wel heel absurd, nietwaar?'

'Een beetje wel, maar ik heb in de afgelopen twintig jaar veel dingen gezien waar ik vroeger om zou hebben gelachen. Maar toch,' voegde Kaspar eraan toe, 'u hebt nog niet uitgelegd waarom uw familieproblemen het koninkrijk Muboya aangaan.'

'Dat is lastig om in korte tijd uit te leggen...'

'O, neem gerust alle tijd,' zei Kaspar terwijl hij naar de deurope ning keek, waar zijn bewakers stonden te wachten op zijn bevelen. 'Ondanks alle problemen die u hebt veroorzaakt om mijn aandacht te trekken, zou het na wat ik tot dusverre heb gehoord dom van me zijn u die aandacht niet te geven. Als u niet met een overtuigende reden komt waarom u uw merkwaardige vriend in mijn werkkamer hebt losgelaten, zult u immers meer dan genoeg tijd hebben om uw domheid te overdenken terwijl u in de kerker van mijn koning aan de muur geketend zit. Dus ga vooral door,' besloot Kaspar minzaam.

Amirantha en Brandos keken elkaar aan. Toen zei de zwarte magiër: 'Na dat gevecht, toen Nalnar mijn broer had verjaagd, ontliepen we elkaar meestal, vooral toen we wat ouder waren. Ik ging vaak naar de grotten in de buurt van onze hut, om Nalnar op te roepen en van hem zo veel mogelijk over het demonenrijk te leren. Eigenlijk kwam er een heleboel geluk bij kijken. Een aantal keren kwam ik bijna om voordat ik die schepsels begon te doorgronden: hoe ze reageren op hun aanwezigheid in onze wereld, wat hen drijft.'

'Dit is allemaal heel interessant,' zei Kaspar. 'Ga door.'

'Intussen vonden mijn broers hun eigen... vakgebieden. Mijn oudste broer had waarschijnlijk van ons drieën het minste talent, maar hij was wel het meest gedreven. Mijn tweede broer had vlagen van genialiteit, maar geen discipline. Hij leert echter snel en is inmiddels een meester op zijn eigen terrein. Ik val er ergens tussenin, denk ik. Ik ben heel goed in wat ik doe, maar ik heb mijn grenzen.' Hij keek Kaspar aan. 'Ik heb niet veel verstand van andere soorten magie, om eerlijk te zijn.'

'Uw broer?' spoorde Kaspar hem aan.

Amirantha zuchtte. 'Het kost me moeite om ter zake te komen, omdat ik u ervan wil doordringen hoe moeilijk het was wat mijn broer heeft bereikt.'

'Welke broer?'

'De middelste, Belasco.'

'Ga door.'

'Het is geen opschepperij als ik beweer dat ik waarschijnlijk meer weet over demonen dan ieder ander,' zei Amirantha. 'Toch is mijn kennis onvolledig, zoals ik pasgeleden ontdekte toen die strijddemon die mijn broer had ontboden verscheen, in plaats van de demon die ik had verwacht. En daar draait het om, heer Kaspar; niet alleen wist mijn broer me te vinden - en ik ontloop hem al bijna vijftig jaar met succes - maar hij vond me midden tijdens een op roep die hij niet had moeten kunnen begrijpen, laat staan beïnvloeden. Bovendien voegde hij een component aan mijn magie toe waar ik me op dat ogenblik niet van bewust was en veranderde die - op zich al geen geringe prestatie - waardoor ik bijna omkwam, wat ik vermoed dat zijn bedoeling was.

Als hij zó machtig is geworden, had hij veel simpelere middelen kunnen gebruiken om zich van me te ontdoen, maar in plaats daar van besloot hij me te vermoorden op een manier die zowel ironisch als beledigend was. Hij wilde dat ik op het laatste moment wist dat hij me doodde, dat ik besefte dat hij mijn vakgebied beter beheerst dan ik.'

Kaspar zuchtte. 'Dus uw broer haat u en wil u vermoorden. Maar ik snap nog altijd niet waarom ik moet vrezen voor de veiligheid van dit koninkrijk.'

'De demon die mijn broer opriep was van een soort die ik nog nooit eerder had gezien.'

'En?' vroeg Kaspar, die het belang ervan niet inzag.

'Voor ons lijken demonen dom, is hun bestaan amper voorstel baar, en ik heb meer kennis over ze dan de meeste andere mensen. Ze leven voor de strijd, en daarbij leggen ze meer sluwheid dan berekening aan de dag. Het idee van een bedachtzame demon is... lachwekkend, eigenlijk.

Ze kunnen heel sluw zijn, maar de demon die ik zag was niet alleen sluw, hij was intelligent. Zodra hij besefte dat zijn fysieke kracht onvoldoende was, veranderde hij van tactiek en begon magie te gebruiken.'

'Ik weet helemaal niets van demonen, maar ik heb verhalen gehoord van mensen die ze vroeger wel zijn tegengekomen,' zei Kaspar.

Amirantha keek hem geïntrigeerd aan. 'Ik zou die mensen graag willen spreken als het mogelijk is.'

'Het is meer dan mogelijk,' antwoordde Kaspar. 'Maar het is me nog niet duidelijk waarom ik me zorgen moet maken over een intelligente, magiegebruikende demon.'

'Er bestaat een demonenrijk, generaal, een andere wereld dan die van ons. Ik heb een paar oude verslagen gelezen en er is weinig vastomlijnde kennis van hoe die plek eruitziet, maar een paar dingen weten we wel. Als demonen ertoe in staat waren, zouden ze graag naar onze wereld toe komen, want ons uitbundige leven is voor hen als een roesmiddel. Alle leven is hulpeloos tegenover hen. De sterkste krijger die ik ken,' zei hij, wijzend naar Brandos, 'kon die demon maar een paar tellen op afstand houden, net lang genoeg zodat ik hem kon vernietigen.

Stel u eens voor wat er zou gebeuren als er tien van die schepsels in dit paleis zouden verschijnen. Ik ben de machtigste demonenmeester die ik ken, en er zijn er hoe dan ook niet veel van ons, maar ik zou in de meest perfecte omstandigheden hooguit twee of drie van die wezens kunnen verslaan.'

'Het leven biedt maar zelden de perfecte omstandigheden,' merkte Brandos op.

'Goed,' zei Kaspar, 'ik denk dat ik u begin te begrijpen.'

'Ja,' zei Amirantha. 'Stel u nu eens een heel leger van die wezens voor...'

Terugdenkend aan zijn ontmoeting met de Doodsridders van de Dasati op de nu vernietigde wereld Kelewan, zei Kaspar: 'Ik denk dat ik het me wel kan voorstellen.' Hij was even in gedachten ver zonken. 'Hoe zou zo'n leger worden aangevoerd?'

Amirantha zuchtte en haalde zijn schouders op. 'Ik heb geen idee. Misschien hebben ze commandanten, of een gevoel van loy aliteit; mijn ervaring met de demonen die ik heb bedwongen heeft me de indruk gegeven dat alles in hun rijk wordt afgemeten aan macht of nut. Een lagere demon zal liever een sterke demon dienen dan te worden vernietigd; een sterke demon zal een lagere demon sparen als hij nuttig is. Verder heb ik geen idee hoe een leger van dergelijke wezens te besturen zou zijn.'

Kaspar zweeg een tijdje. 'Ja, u moet beslist met enkele vrienden van me praten.'

Hij liep naar de deur en wenkte zijn secretaris, die met de wachters bij de deur was blijven rondhangen voor het geval zijn meester hem nodig had. 'Regel kamers voor deze twee en geef ze een goede maaltijd. Morgen ga ik met ze op reis.'

'Op reis?' herhaalde de secretaris.

'Ja,' zei de generaal. 'Ik zal het de Maharadja vanavond persoonlijk vertellen.'

'Reist u over zee of over land?' wilde de secretaris weten.

'Over land, naar het oosten,' antwoordde de generaal. 'Ik zal zes lijfwachten nodig hebben.'

'Maar zes?'

'Zes is wel genoeg. Laat ook paarden zadelen voor deze twee heren,' zei Kaspar, wijzend naar Amirantha en Brandos. 'We zullen proviand nodig hebben voor een week. Dat is alles,' voltooide hij, terwijl hij de man met een handgebaar wegstuurde.

Hij liep terug naar zijn schrijftafel en nam weer plaats. 'Belasco, zei u?'

'Ja,' antwoordde de zwarte magiër.

'Hij is uw middelste broer?'

'Ja,' zei Amirantha. 'Hij is veel machtiger geworden dan ik had verwacht.'

'En uw oudste broer,' zei Kaspar, 'hoe zit het daarmee?'

'Dat weet ik niet,' antwoordde Amirantha. 'Hij was, zoals ik al zei, geobsedeerd door de dood en door sterven. Hij was een machtige doodsbezweerder tegen de tijd dat ik van thuis wegging. Ik had toen geen enkele reden meer om daar te blijven. Mijn oudste broer was gefascineerd door een ketting die mijn moeder had gevonden. Hij bleef die maar uit haar kistje met gekoesterde bezittingen pakken, waar ze altijd erg boos om werd.

Hij zei dat de ketting tegen hem praatte. Uiteindelijk heeft hij op een dag mijn moeder erom vermoord.' Hij sprak bijna afstandelijk, hoewel er toch wel enig gevoel in zijn woorden doorklonk. 'Het was een afgrijselijke, bloederige moord, maar hij kreeg er een heel krachtige uitbarsting van magie van.

Ik zag een glimp van hem, besmeurd met haar bloed en met die ketting om zijn hals, terwijl hij een of andere duistere macht opriep.'

'Alleen maar een glimp?' vroeg Kaspar.

'Ik vluchtte voor mijn leven,' zei Amirantha. 'Belasco was al ge vlucht met een of andere verplaatsings- of onzichtbaarheidsbezwe ring of zoiets. Ik moest mijn oudste broer voor zien te blijven, die gelukkig vermoeid was door de moord op moeder, anders had hij me vast ingehaald.

In mijn wanhoop riep ik een demon op die Wusbagh'rith heet, die me wegdroeg. Hij is een smerig schepsel, maar hij heeft enorme vleugels. Gelukkig had ik voldoende macht over hem om vele mijlen bij Sidi vandaan te komen voordat de demon me probeerde te ver moorden.'

Kaspars ogen werden groot. 'Wat zei u?'

'Ik zei dat ik voldoende macht over de demon had om mijlenver bij mijn broer vandaan te komen voordat het schepsel mij aanviel.'

'Nee, de naam. Hoe zei u dat uw broer heette?'

'Sidi. Hoezo?'

Kaspar haalde diep adem en liet de lucht langzaam ontsnappen. 'Kent u de naam Leso Varen?'

'Nee,' zei Amirantha. 'Hoezo?'

Kaspar keek de zwarte magiër aan. 'En u hebt uw broer Sidi nooit meer gezien nadat hij uw moeder had vermoord?'

'Jawel, nog twee keer, een keer in de Stad aan de Serpentrivier, en een keer aan de overkant van de zee in het stadje Nes, in het Koninkrijk der Eilanden.'

'Ik ken het,' zei Kaspar.

'Beide keren wist ik hem te ontlopen; ik heb hem nooit meer gesproken, als u dat bedoelt. Als het zou kunnen, zou ik met alle plezier zijn hart uitsnijden en aan een van mijn demonen voeren. Ze was dan misschien een rare heks, maar ze was wel onze moeder.'

'Uw broer is dood.'

'Kende u hem?' vroeg Amirantha, die meer emotie toonde dan sinds hij het paleis binnen was gekomen.

'Ik heb de pech gehad hem een tijdje als mijn gast te hebben. Hij gebruikte de naam Leso Varen en heeft me...' Kaspar zweeg even alsof hij zijn woorden afwoog. 'Hij heeft me groot persoonlijk leed toegebracht, en iemand die ik volkomen vertrouw vertelde me dat hij de doodsbezweerder Sidi was. Hij is nu onherroepelijk dood.'

'Alstublieft, generaal,' zei Amirantha, 'ik moet weten hoe hij is gestorven.'

Kaspar knikte en vertelde snel welke rol Leso Varen had gespeeld in de oorlog tegen de Dasati. Hij verzweeg het aandeel van het Conclaaf; Puc mocht besluiten in hoeverre hij deze zwarte magiër en zijn kameraad in vertrouwen wilde nemen.' Kaspar had veel mensenkennis en dacht dat de twee wel betrouwbaar waren als ze in de gaten werden gehouden, maar het besluit was niet aan hem.

Tien jaar na dato wisten de meeste mensen in het land wat er met de thuiswereld van de Tsurani was gebeurd; veel overlevenden had den hun heil gezocht in Muboya, en een grote groep Tsuranistrijders diende zelfs bij de elitetroepen van de Maharadja. Maar de precieze details waren gehuld in geruchten en speculatie, want zelfs degenen die de verschrikkingen van de Dasati-invasie hadden overleefd kenden niet de hele waarheid over die oorlog: dat een leger uit een ander bestaansniveau had geprobeerd alle leven op Kelewan weg te vagen om die wereld over te nemen.

Kaspar vertelde het verhaal zo goed mogelijk, verbaasd over de lang verdrongen emoties die dreigden boven te komen, want het was een van de moeilijkste en verschrikkelijkste ervaringen van zijn leven geweest. We denken dat uw broer uiteindelijk is gesneuveld op de thuiswereld van de Dasati, vermoord door een verschrikking die ons bestaansniveau binnen wilde komen, of dat hij is verdampt toen Kelewan werd vernietigd.

Er zijn meerdere getuigen die kunnen bevestigen dat hij op Kelewan was, in de buurt van wat wij de zwarte koepel noemden, de poort naar de Dasatiwereld. Mijn vrienden zijn ervan overtuigd dat hij nog één zielskruik had waarmee hij zijn dood had kunnen ontlopen, maar die had hij dan moeten verstoppen op Kelewan, en dus kan het niet anders dan dat die tegelijk met de planeet is vernietigd.'

Er trok een mengeling van emoties over Amirantha's gezicht. 'Ik... ik geloof wat u zegt, generaal, en zet... mijn oude haat van me af.'

Brandos liet van zich horen. 'Dat is me nogal een verhaal, generaal.' Hij keek omlaag, schudde langzaam zijn hoofd en zei: 'Ik had wel dingen gehoord... de hele planeet vernietigd?' De gezichtsuitdrukking van de oude strijder gaf aan dat hij het niet wilde geloven.

Kaspar knikte alleen zwijgend.

Amirantha keek even weg, maar toen draaide hij terug en keek Kaspar in de ogen. De pijn en het verdriet waren vervangen door overtuiging. 'Dit verandert niets. Ik moet benadrukken dat hoeveel ellende Sidi ook heeft veroorzaakt, het nog niets is vergeleken met waar Belasco toe in staat is.'

'Weet u dat zeker?' vroeg de generaal.

'Absoluut. Belasco was heel nieuwsgierig; hij stortte zich vol overgave op dingen die hem interesseerden, net zolang tot hij ze beheerste. En hoewel Sidi waanzinnig was, is Belasco waanzinnig en geniaal. Van de twee is hij veruit de gevaarlijkste.'

Kaspar zweeg een tijdje en overdacht de waarschuwing. Hij zuchtte. 'Leso was de gevaarlijkste man die ik ooit heb ontmoet, dus als u nu beweert dat uw andere broer nóg gevaarlijker is...' Hij zweeg weer even. Uiteindelijk zei hij: 'Ik zal u naar uw kamers laten brengen. We vertrekken zodra het licht is.' Hij liep de kamer uit en liet Amirantha en Brandos achter.

Even later verscheen er een page, met twee soldaten aan zijn zijde. Brandos stond op en keek zijn vriend aan. 'Nou, het lijkt erop dat we weer op reis gaan.'

'Het lijkt erop,' beaamde Amirantha.