1
Zwarte magiër
De demon brulde woedend.
Amirantha, zwarte magiër van de Satumbria, deinsde achteruit van de onverwachte explosie van mystieke energie die naar hem toe werd gesmeten. Als zijn beschermings-bezweringen niet stevig verankerd waren geweest, zou hij ogenblikkelijk zijn bezweken. De demon die hij tegenover zich had was sterk genoeg om door de barrière heen te dringen en de magiegebruiker tegen de grotmuur te dreunen. Amirantha stootte zijn achterhoofd zo hard dat hij er een nare buil aan zou overhouden.
Demonen droegen altijd een grote hoeveelheid mystieke energie met zich mee, voldoende om, zodra de monsters dit niveau van de werkelijkheid binnenkwamen, eventuele onvoorbereide stervelingen te doden die in de buurt stonden. Het was een van de redenen om afweerbezweringen op te zetten, en tevens kon de demon ermee op een specifieke plaats worden vastgehouden. Deze was gearriveerd met een veel indrukwekkendere explosie dan de zwarte magiër had voorzien, en het schepsel had hem verrast.
Amirantha sprak een enkel woord uit, een verzameling van ver der betekenisloze lettergrepen die samen een sleutel vormden, een machtswoord dat een veel ingewikkeldere betovering activeerde. Het was een truc die hij jaren geleden had geleerd, en die vaak het verschil betekende tussen het effectief beheersen van een opgeroe pen demon of erdoor te worden afgeslacht. Het woord versterkte de afweerbezwering die het schepsel nu vasthield.
De zwarte magiër krabbelde overeind. De demon bleef krijsen van woede omdat hij was opgeroepen en ingetoomd. De ervaring had de zwarte magiër geleerd dat demonen maar zelden bezwaar hadden tegen een oproep, aangezien deze wereld voor hen eenvoudig te plunderen was, maar ze hadden er een gruwelijke hekel aan om te worden vastgehouden en beheerst. Hun haat was het enige dat Amirantha's onderzoek problematisch maakte: zijn studieobjecten bleven maar proberen hem te vermoorden.
Hij haalde diep adem om rustig te worden en bestudeerde de woedende verschijning. De demon was niet van een soort die hij herkende, hoewel het overduidelijk een soort strijddemon was. Amirantha wist meer over demonen en hun aard dan elke andere sterveling op Midkemia, maar toch bezat hij nog maar een tiende van het inzicht dat hij wenste. Dit specimen was nieuw voor hem. Hij had geen uitputtende kennis over alle demonen in de Vijfde Cirkel, maar hij herkende het basistype: een massief bovenlichaam, ruwweg menselijk van vorm, met een stierenkop, of althans iets wat runderachtige trekken had, en lange, naar voren gedraaide hoorns die gewicht verleenden aan zijn minotaurusachtige verschijning. Terwijl hij een bezwering voorbereidde om elke willekeurige demon mee te immobiliseren, vroeg Amirantha zich af of een monster als dit aanleiding had gegeven tot de oude mythe van de Minotaurus.
Zijn poten leken wat op die van een geit, maar daar hielden de vage overeenkomsten op. Zijn lichaam was tot aan het middel be dekt met een soort zwarte substantie, hoewel het geen wol, haar of vacht was die Amirantha kende. Het bovenlichaam zag eruit alsof het van zwart leer was gemaakt, maar het was glad en glanzend, alsof de huid was gelooid, geverfd en opgewreven tot hij glom. De hoorns waren bloedrood en zijn ogen brandden als hete kolen.
Uit het gejank, dat de hele grot deed beven, leidde Amirantha af dat de demon almaar woedender werd. Het schepsel leek zelfs op het punt te staan afweerbezweringen te doorbreken die eigenlijk ondoordringbaar zouden moeten zijn - hoewel Amirantha daarmee in het verleden wel eens vaker nare ervaringen had gehad.
Hij was klaar met het versterken van zijn vasthoud-bezwering en zag de demon achteruit stappen, rillen en toen weer verder beuken tegen de barrière, terwijl hij zijn hernieuwde pogingen begeleidde met een nog luider gebrul.
Amirantha's ogen werden wat groter, het enige uiterlijke teken van verbazing. De demon had zojuist een bezwering ontkracht die bedoeld was om elke opgeroepen entiteit te bedwingen. Kijkend naar de tierende demon streelde de zwarte magiër van Satumbria zijn baard en overpeinsde wat hij zag. Hij was in alle opzichten een ijdel man, en hij liet zijn baard en haar iedere week bijknippen door een dienaar die precies wist hoe Amirantha eruit wilde zien. Zijn wijkende haarlijn was aanleiding geweest om zijn donkere haren tot zijn schouders uit te laten groeien, en zijn donkere wenkbrauwen en puntige baard verleenden hem een air dat passend was voor zijn roeping in het leven: het verbannen van demonen. Of althans, leek dat zo te zijn in de ogen van degenen die bereid waren goud te betalen voor zijn diensten.
Hij schikte zijn purperen mantel, verfraaid met fijn zilveren borduursel bij de kraag en op de mouwen, mompelde een betrouwbare incantatie en wachtte. De demon had ogenblikkelijk in volkomen gehoorzaamheid moeten neerknielen, maar in plaats daarvan voel de Amirantha dat de woede van het opgeroepen schepsel door het bevel nog intenser werd. Hij zuchtte met een mengeling van frustratie en verwarring, en vroeg zich af wat hij nu weer had opgeroepen.
De zwarte magiër negeerde het suizen in zijn oren en reikte in een grote riembuidel. Hij had de buidel jaren geleden zelf gemaakt, door geduldig magie te verweven in de draden onder toezicht van een meester-ambachtsman genaamd Leychona, in de grote Stad aan de Serpentrivier. Het was zijn eerste en enige poging geweest om magisch textiel te creëren. Hij was verheugd geweest over het resultaat: een buidel waarin hij zonder rampzalige gevolgen vele kracht stenen kon vervoeren. Hij was trots op het naaiwerk, maar hij had het hele proces zo verschrikkelijk saai en ergerlijk gevonden dat hij nu voor zijn benodigdheden liever ambachtslieden en kleermakers in de arm nam, die hij betaalde met zijn vaardigheden of met goud.
Amirantha's vinger streek zachtjes over een reeks geborduurde knopen, elk op een zakje dat hij in de buidel had ingenaaid. Snel vond hij het zakje dat hij nodig had en haalde er de steen uit die hij voor een moment zoals dit had voorbereid. Hij hield hem omhoog, prevelde een bezwering om de kracht die in de steen was opgeslagen naar buiten te halen en richtte die op de haastig versterkte barrière.
Terwijl hij dat deed, voelde hij een schokgolf door de bezwering trillen toen de demon opnieuw tegen de mystieke verdediging beukte.
Ineens stopte het schepsel met zijn aanvallen en keek naar de plek in de lucht waar de barrière zich bevond, alsof hij die daadwerkelijk kon zién. Hij bracht zijn reusachtige rechtervuist naar achte ren en sloeg toe met een klap waaronder een schild van stierenhuid zou zijn gebroken. Amirantha kon de schok ervan bijna door de lucht voelen zwiepen en hem raken. Daarop sloeg de demon nog harder tegen de afweerbezweringen, en Amirantha tilde zijn hand op om de barrière met nog meer kracht te versterken. Tot zijn verbijstering voelde hij deze keer de energie van de demon vertaald worden in een dreun die langs zijn arm omhoog liep. Hij stapte achteruit tot hij tegen de muur botste. 'Wat moet ik nu?' mompelde hij verstrooid.
Weer wierp de demon zich tegen de barrière aan en Amirantha, zwarte magiër van de Satumbria, concludeerde dat het schepsel er nu ieder moment doorheen kon komen. Hij onderdrukte een plot selinge neiging om te gaan lachen - een effect dat onverwachte en gevaarlijke gebeurtenissen vaak op hem hadden — haalde een ander voorwerp uit zijn buidel en gooide het stuk op de vloer.
Er steeg een giftig gas uit op. Terwijl dat zich verspreidde, vlucht te Amirantha weg uit de diepe grot waarin hij het monster had opgeroepen. Het was een ontbiedingsruimte die hij speciaal voor dit ritueel had voorbereid, beschermd door meerdere afweer-bezweringen en andere beveiligingen die hij tegen dergelijke ongelukjes had opgericht. Hij haastte zich door een smalle tunnel en mompelde in zichzelf: 'Wat nu?'
Toen hij in een grote open grot aankwam, dichter bij de ingang van het stenen labyrint, bleef hij vloekend staan. Al zijn krachtigste voorwerpen lagen nog in de ontbiedingsgrot. Hij was zo verrast geweest door de verschijning dat hij ze op de vloer had laten liggen. Hij had gedacht dat hij klaar was voor alle mogelijke gebeurtenissen die bij het oproepen van een demon konden plaatsvinden, en het was nooit bij hem opgekomen dat er plotseling een demon kon verschijnen die hij niet eens had ontboden.
Hoofdschuddend om zijn eigen domheid bleef hij staan peinzen. Gelukkig had hij hier in ieder geval een lantaarn neergezet;
hoewel die simpelweg was bedoeld om de weg naar buiten te vin den, niet zozeer ter voorbereiding op een mogelijke vlucht voor zijn leven nadat hij zijn andere lantaarn had vergeten. 'Soms wou ik dat ik echt zo slim was als ik altijd bewéér te zijn,' mompelde hij in zichzelf.
Amirantha draaide zich weer om naar de tunnel, beseffend dat als hij de demon niet hier tegenhield, het schepsel de vrije keus uit uitgangen zou hebben. Niet alleen zou dat rampzalig zijn voor iedereen die in de buurt woonde, volgens de laatste volkstelling bijna tienduizend mensen, het zou ook noodlottig zijn voor Amirantha's reputatie.
De gouverneur van Lanada wachtte op hen bij een specifieke grotingang, vergezeld door een aanzienlijk gevolg van soldaten, maar ook zij zouden het monster niet kunnen tegenhouden als het hun kant op kwam. Het hof van de Maharadja zou bijzonder ontstemd zijn over een ambulante zwarte magiër die verantwoordelijk was voor het binnenstebuiten keren van een regionale gouverneur, en Amirantha zou ook bijna zeker niet worden betaald voor het uitvoeren van deze verbanning.
De zwarte magiër haalde een lange staf van essenhout achter zijn riem vandaan en bereidde zich voor. Hij had de staf besteld bij de beste stavenmaker in het koninkrijk Muboya en hij kon er zeven effectief theatrale stunts mee uitvoeren, er stuk voor stuk op gericht om 'oohs' en 'aahs' van verwondering aan zijn publiek te ontlokken. Maar er scholen ook vier heel krachtige betoveringen in die in nood gevallen ernstige schade konden aanrichten. Amirantha was er vrij zeker van dat dit gold als noodgeval.
Hij werd begroet door de stank van het gas dat zich vanuit de ontbiedingsgrot door de gangen verspreidde. Het was ontworpen om demonen te verzwakken en uiteindelijk uit te schakelen, maar ook voor mensen was het geen pretje om het in te ademen. Hij wist dat het waarschijnlijk betekende dat de demon zich had bevrijd en naar hem onderweg was. Plotseling liepen Amirantha de rillingen over de rug.
Het was niet de stank waardoor hij rilde, maar een plotseling geluid waarvan de grot beefde; een combinatie van klanken en tril lingen waardoor zijn hart tegelijkertijd opsprong en ineenkromp. Het kwade gekrijs bezorgde hem kippenvel, en het klonk alsof een smid een zwaard sleep op een slijpwiel. In ieder geval kreeg de gouverneur van Lanada een spectaculairdere voorstelling dan Amirantha oorspronkelijk voor hem in gedachten had gehad.
Toen kwam de demon recht op hem af.
Een stem achter Amirantha vroeg: 'Hulp nodig?'
'Ik zou het op prijs stellen,' zei de zwarte magiër tegen Brandos. Zijn metgezel had bij de grotingang staan wachten om hem eventueel bij te staan, en om te voorkomen dat de gouverneur uit nieuws gierigheid zijn wachters naar binnen zou sturen zodat die de zwarte magiër konden 'helpen' de demon te verbannen.
Amirantha greep zijn ingewikkeld bewerkte staf vast en sprak een enkel woord uit in een taal die maar heel weinig mensen kenden. Een verzengende vlaag van hitte spoelde over de twee mannen heen toen een reusachtige vuurbol door de tunnel schoot, de demon raakte en hem achteruit dwong.
'Ik heb wat tijd nodig om hem te verbannen.'
De oude strijder Brandos was nog steeds sterk, hoewel hij bijna vijftig jaren telde, en hij had meer ervaring met demonische tegen standers dan hem lief was. Dit schepsel zag eruit als het gevaarlijkste dat hij tot nu toe tegenover zich had gehad. Waar is de rest van je speelgoed?'
'Nog in de ontbiedingsgrot.'
'In de grot?'
'Ja,' antwoordde Amirantha zachtjes. 'Dat besefte ik zelf ook net.'
'Nou, dan zullen we dit op de moeilijke manier moeten oplossen, nietwaar?' Hij droeg een beukelaar, een klein rond schild, om zijn linkerarm, en hij trok een zwaard uit de schede om zijn middel. 'Op dit soort momenten wou ik dat ik bakker was geworden.'
Brandos wist dat hij de demon niet hoefde te verslaan, alleen maar lang genoeg hoefde op te houden zodat Amirantha hem terug naar het demonenrijk kon drijven. Het was slechts een kwestie van enkele minuten, maar de oude strijder wist dat zelfs een paar tellen al een heel lange tijd konden lijken. 'Laten we naar binnen gaan voordat hij weer hierheen komt. Ik wil hem liever niet uit die zijtunnels weg hoeven houden. We kunnen hem beter in een kleine ruimte opsluiten.'
Amirantha bleef achter zijn vriend toen Brandos door de tunnel liep en een paar meter van de plek waar de demon zich had terug getrokken bleef staan. De stank van het gas in de grot was bijna overstelpend, maar het had het gewenste effect. De demon naderde hen behoedzaam en bleef toen roerloos naar de twee mensen staan kijken.
Toen opende hij zijn muil en maakte geluiden. Dit was geen woest gebrul van woede. De klanken die hij voortbracht leken betekenis, een ritme en opzettelijke intonatie te hebben.
'Zegt hij nu een bezwering op?' vroeg Brandos.
Amirantha weifelde toen zijn nieuwsgierigheid het won van de behoefte om dit rijk te ontdoen van de demonische bezoeker. Hij luisterde slechts even voordat hij besefte dat Brandos gelijk had: de demon was een magiegebruiker!
'Daar kunnen we beter een stokje voor steken, denk ik,' besloot Amirantha. Hij uitte een enkel woord, een andere heksentoer die hij had voorbereid voor dergelijke gevaarlijke ontmoetingen. Het woord deed dienst als ondersteuning voor een lange, ingewikkelde bezwering, en het uitspreken ervan gaf onmiddellijk de volle kracht van de betovering vrij. Als resultaat ervan was de woedende demon plotseling niet meer in staat te spreken. De effectiviteit van de bezwering hing van verschillende factoren af, maar het meest van hoeveel sterker of zwakker dan Amirantha de magische tegenstander was. De zwarte magiër kon een gemiddelde dorpsbezweerder net zo lang het zwijgen opleggen tot hijzelf besloot de bezwering op te heffen. Een sterke magiër daarentegen zou maar korte tijd gedwongen zijn te zwijgen, en een nog sterkere magiër kon de bezwering met weinig moeite afwerpen. De kracht van deze demon was vooralsnog een onbekende factor.
Amirantha begon aan de verbanningsbezwering en was pas hal verwege de incantatie toen de demon zijn stem hervond en weer met zijn eigen incantatie begon.
'Krijg nou wat,' mompelde Brandos terwijl hij naar voren sprong en een trage, wijde bovenhandse slag naar de kop van de demon inzette. Op het laatste moment verplaatste hij zijn zwaard, liet zich op een knie zakken en sloeg de demon tegen zijn linkerpoot. De schok van de slag liep door zijn arm omhoog alsof hij de stam van een dikke boom had geraakt, maar toch was de demon gedwongen zijn bezwering te onderbreken. Hij brulde van pijn en deinsde achteruit, dieper de tunnel in. Het schepsel was gewond en knielde even neer om zijn poot te bekijken. Jaren geleden had Amirantha een magiër in Maharta betaald om het zwaard van Brandos te betoveren, zodat demonen de pijn extra zouden voelen. Nu wenste hij dat hij had betaald voor een bezwering die werkelijk letsel toebracht in plaats van alleen maar voor afleiding zorgde.
Terwijl Amirantha zijn bezwering voltooide, leek de lucht tot leven te komen met een sissende energie. De demon krijste opstandig en de stenen onder hun voeten beefden.
'Hij is er nog,' merkte Brandos op.
'Dat zie ik ook wel,' kaatste de zwarte magiër terug. 'Hij gebruikt zijn eigen magie om hier te blijven.'
'Wat nu?' vroeg Brandos.
'Een krachtiger verbanningsbezwering, natuurlijk. Maar we zullen hem moeten uitputten.'
'Schitterend,' gromde Brandos hoofdschuddend. 'Dus ik bloed en jij kletst.'
'Probeer niet te veel te bloeden.'
'Ik zal kijken wat ik kan doen,' zei Brandos terwijl Amirantha een groot voorwerp dat op een edelsteen leek uit zijn zak haalde en op de vloer stukgooide.
Een ijl gordijn van robijnrode energie sprong op en deelde de tunnel in tweeën. 'Terug door de afweren!' beval Amirantha, en Brandos aarzelde niet. Hij had te veel van dit soort confrontaties meegemaakt om de instructies van de zwarte magiër naast zich neer te leggen.
De lage stem van de zwarte magiër resoneerde door de smalte van de tunnel terwijl hij snel de nieuwe afweerbezweringen met een heksentoer versterkte en weer in zijn buidel tastte. Een klein lichtje pulseerde op zijn handpalm toen hij die uitstak. Hij vouwde zijn vingers om het lichtje terwijl dat snel uitgroeide tot een bonzende rode bol, en hij smeet die naar de demon net toen het schepsel vastberaden op de twee mannen af beende.
De demon werd onmiddellijk overspoeld door een fonkelend web van rode draden, die withete ontploffinkjes veroorzaakten waar ze zijn huid raakten. De stenen tunnel beefde van zijn gebrul, waardoor fijn zand en kleine steentjes losraakten en op Amirantha en Brandos neerkletterden.
Brandos keek snel om zich heen om te zien of misschien de hele heuvel op het punt stond ineen te storten, maar toen hij ervan overtuigd was dat het zaakje relatief stabiel bleef, richtte hij zijn aandacht weer op de woedende demon. 'Ik geloof dat hij kwaad is,' zei hij droogjes.
'Hoe kom je erbij?' vroeg de zwarte magiër.
Brandos haalde weer uit toen het schepsel naar voren kwam, om Amirantha wat extra tijd te geven om de ingewikkelde verbannings-bezwering voor te bereiden. Voor de zekerheid legde de zwarte magiër snel nog een tweede stel afweerbezweringen achter de eerste, als noodmaatregel. De demon deinsde terug voor het zwaard, maar Brandos probeerde hem niet aan te vallen, alleen in zijn bewegingen te belemmeren. 'Achteruit!' beval Amirantha, en de oude strijder trok zich terug achter de volgende onzichtbare drempel.
De zwarte magiër uitte een aanroepwoord, en een muur van pulserende violetkleurige energie sprong op en omcirkelde de demon in de tunnel. De sissende zuil van licht was doorschoten met roze en goudkleurige tinten, en toen de demon tegen het oppervlak opbotste, deinsde hij achteruit alsof hij een stenen muur had ge raakt. Rook kringelde op van zijn vlees, dat was verkoold op de plekken waar hij contact had gemaakt met de energiezuil.
Brandos wist dat het demonen energie kostte om zichzelf te genezen, dus elke keer als ze gewond raakten, verzwakten ze verder. Maar demonen hadden ook de irritante hebbelijkheid om zich te voeden met andere energiebronnen als ze de kans kregen, dus was het verstandig om ze zo snel mogelijk te verzwakken zodat de ontbieder ze naar het demonenrijk terug kon sturen. 'Moet ik hem nog een paar keer raken?'
'Dat zou geen slecht idee zijn,' antwoordde de zwarte magiër terwijl hij een volgende reeks bezweringen voorbereidde.
Brandos voerde een wijde, hoge schijnaanval uit, zodat de demon zijn handen boven zijn hoofd stak. Toen dook de strijder ineen en sloeg toe, waarbij hij de linkerpoot weer onder het schepsel vandaan maaide. Met een brul waarvan de stenen beefden viel het enorme monster naar achteren en sloeg tegen de vloer, terwijl zijn donkere bloed de lucht in spoot. Het rookte en er kwam een smerige zwavelstank vanaf toen het op de stenen spetterde. Brandos stapte achteruit.
'Dat was een goeie,' merkte de zwarte magiër op.
'Ik streef naar het grootste resultaat met de geringste inspanning; ik word ook een dagje ouder,' zei de strijder bescheiden. Brandos trok zich terug achter de plek waar Amirantha de volgende reeks bezweringen had opgericht. Hij haalde diep adem, terwijl het zweet van zijn gezicht droop, en voegde eraan toe: 'Op een dag kost die hobby van jou een van ons het leven.'
'Zeer waarschijnlijk,' beaamde de zwarte magiër.
'Of ons allebei,' vervolgde Brandos, die zijn beukelaar optilde en zijn zwaard hief voor het geval er weer nieuwe onverwachte problemen ontstonden.
De demon genas zijn nieuwste wond langzaam, en beide man nen vatten dat op als een goed teken. Hij had ongestoorde tijd nodig om zichzelf te repareren, en hoe ernstiger gehavend hij was, hoe meer tijd hij nodig had. Hij gebruikte zijn innerlijke magische ener gie om sneller te genezen, waardoor hij minder magie over had om tegen Amirantha en Brandos te gebruiken.
'We putten hem uit,' merkte Brandos op.
'Mooi,' zei Amirantha, 'want het is wederzijds.'
'Kun je hem al verbannen?'
'Nog heel eventjes.'
'Goed dan,' zei Brandos, en hij stapte weer naar voren, tot aan de grens van de afweerbezweringen, en haalde krachtig uit naar de demon. Het was een eenvoudig te anticiperen slag, en het schepsel stak zijn hand uit om Brandos' zwaard opzij te meppen. Maar de oude strijder had die beweging verwacht, want demonen waren voorspelbaar waar het op niet-magische strijd aankwam. In hun rijk overwon de grootste, sterkste demon een kleinere, zwakkere tegen stander bijna altijd door hem simpelweg fysiek te overrompelen. Slechts zelden stonden demonen van gelijk postuur tegenover el kaar. In het sterfelijke rijk gaven hun formaat en woeste inborst hun een groot voordeel tegen zo goed als alle andere wezens. Een grote draak zou korte metten maken met een dergelijke tegenstander, maar een gewone zwaardvechter moest brute kracht tegengaan met intelligentie. Brandos draaide zijn pols toen de demon probeerde zijn aanval af te weren en liet zijn kling langs de uitgestoken linker arm van het monster schrapen, wat leidde tot een reeks snijwonden waardoor de demon gedwongen was een halve stap achteruit te zetten. Toen haalde het monster met zijn ongedeerde rechterarm uit naar de beukelaar, waarmee hij bijna Brandos' schouder uit de kom sloeg.
Brandos sprong weer achter de drempel van afweerbezweringen en zette zich schrap voor een volgende aanval. De demon aarzelde maar even, toen viel hij aan. Toen hij de magische barrière overstak krijste hij van pijn, maar hij bleef komen. Drie passen van waar Brandos klaarstond, bleef de demon staan om magie te verzamelen. Amirantha voelde dat er een bezwering met aanzienlijke kracht werd gemanifesteerd.
'Verdomme,' zei Brandos, 'nóg meer magie.' Hij liet zijn schouder zakken en stormde naar voren.
De bezwering van de demon werd opnieuw verstoord toen Brandos zijn beukelaar tegen de borst van het schepsel ramde. Het voelde alsof hij een stenen muur had geraakt, maar de demon werd een eindje achteruit gedreven en Brandos had net genoeg tijd om weg te komen voordat een enorme klauwhand hem kon onthoofden.
Brandos haalde uit met zijn zwaard en raakte de blote arm van de demon. Weer veroorzaakte de aanraking van het betoverde staal een rokende wond, en de demon schreeuwde van woede. Terwijl Brandos achteruit liep om voor Amirantha te gaan staan, schreeuw de hij: 'Hij is voor het eerst in Midkemia; hij heeft geen bescherming tegen koud metaal.'
Soepel en bedreven maakte Brandos zijn hand los uit de hand greep van zijn beukelaar en liet die aan zijn arm bungelen. Meteen gooide hij zijn zwaard van zijn rechterhand naar zijn linker en griste een dolk van zijn rechterheup. Hij gooide het mes met zo veel kracht dat het de rechtervoet van de demon doorboorde en die op de grond vastpinde. Zwarte rook en een zwavelstank vulden de grot, en het opgeroepen schepsel krijste. Toen zweeg hij, met gloeiende rode ogen kijkend naar de twee mensen, en ging kalmpjes verder met zijn bezwering.
'Dit zou wel een mooi moment zijn om het af te ronden,' zei Brandos, die zijn zwaard teruggooide naar zijn rechterhand en zijn linker weer door de riem van de beukelaar stak. 'Die knaap is ver rekte halsstarrig!'
Amirantha had amper de tijd om zijn keus te maken: hij kon zijn verbannings-bezwering voltooien en het risico nemen dat Brandos werd geraakt door een mogelijk dodelijke vlaag van magie, of ermee ophouden en een bezwering gebruiken die hij tegen dergelijke ge varen achter de hand had.
Zijn genegenheid voor zijn vriend won het van zijn verlangen om dit op een ordelijke manier af te ronden en hij onderbrak zijn bezwering. 'Doe je ogen dicht!' riep hij.
Dat hoefde hij Brandos geen twee keer te zeggen. De strijder dook onmiddellijk ineen achter de povere bescherming van zijn beukelaar en sloeg zijn hand over zijn ogen.
Amirantha sloot zelf ook zijn ogen terwijl hij een woord van vijf lettergrepen prevelde en een heel krachtige en destructieve energie schicht losliet. De zwarte magiër wist uit pijnlijke ervaring dat de energie in die rode schicht, die uit zijn opgestoken hand vloog en de demon raakte, door de huid van het schepsel zou dringen en hem van binnenuit in brand zou steken.
Ze voelden een plotselinge flits van verzengende hitte die slechts enkele tellen aanhield, maar die zo heet was dat het haar op Brandos' arm erdoor werd verschroeid. De stank van iets smerigs dat werd gebakken vulde de tunnel en prikte in hun neus. Toen was het stil.
Brandos liet zijn armen langs zijn lichaam zakken en zuchtte diep. 'Ik wou dat je dat niet hoefde te doen.'
'Ik ook,' zei Amirantha. 'Een ordelijke verbanning is zoveel min der inspannend...'
'... en minder pijnlijk,' onderbrak de strijder hem terwijl hij naar zijn verschroeide arm keek.
'En minder pijnlijk,' beaamde Amirantha, 'dan het vernietigen van een demon.'
Brandos schudde zijn hoofd en slaakte nog een diepe zucht. 'Heb je wel eens overwogen je talenten op een andere manier in te zetten dan om demonen op te roepen zodat je die tegen betaling weer kunt verbannen?'
Amirantha glimlachte berouwvol. Wel eens, maar hoe moet ik anders het nodige geld verdienen om mijn kennis van het demonen rijk te verbreden? Ik heb al alles geleerd wat er te leren viel over de bekendere schepsels.'
Waarom zijn die trouwens geen van alle verschenen?'
Amirantha haalde zijn schouders op. Weet ik niet. Ik wilde eigenlijk Kreegrom oproepen... Hij is nu bijna even tam als een huis dier.'
Brandos knikte. 'En lelijk als de nacht. Je laat hem een beetje achter je aan rennen zodat de mannen van de gouverneur hem kunnen zien, lokt hem weer mee naar binnen, geeft hem wat lekkers en stuurt hem terug. Goed plan.' Hij keek zijn vriend boos aan. 'Als het was gelukt!'
'Ik had niet verwacht een strijddemon op te roepen.'
'Een strijddemon met magische vermogens,' corrigeerde Brandos terwijl hij zijn zwaard wegstopte.
'Een strijddemon met magische vermogens,' herhaalde Amirantha. Hij keek de tunnel in, die nu gevuld was met stinkende, vettige zwarte rook. Verkoolde stukjes demonenvlees tooiden de wanden en vloer van de tunnel en de stank was zo afgrijselijk dat zelfs een gepokte en gemazelde oorlogsveteraan ervan over zijn nek zou gaan. De linkerpoot van het schepsel lag een klein eindje bij hen vandaan. 'Laten we ons geld gaan halen bij de gouverneur, deze pittoreske provincie achter ons laten en naar huis gaan.'
'Naar huis?' vroeg Brandos. 'Ik dacht dat we eerst nog een eindje verder naar het noorden zouden gaan.'
'Nee,' antwoordde Amirantha. 'Dit heeft iets wat me bekend voorkomt en tegelijkertijd verontrust, iets wat ik moet overpeinzen in mijn eigen werkkamer, waar ik mijn boeken kan raadplegen. Die kamer is nu voor ons de veiligste plek.'
'Sinds wanneer maak jij je druk over veiligheid?' vroeg de oude strijder.
'Sinds ik een bekende... aanwezigheid achter die demon herken de.'
Brandos sloot even zijn ogen, alsof hij dit overpeinsde. 'Ik zal niet blij zijn met wat je me nu gaat vertellen, zeker?'
'Waarschijnlijk niet,' zei Amirantha, die de inhoud van zijn riem- buidel bekeek om te zien wat hij zou moeten vervangen. Toen die demon ontplofte, tuimelde er een aantal magische... noem het sig naturen, kenmerken van bezweringen, van hem weg. De meeste waren van mij, van de afweren en bezweringen die ik had gecreëerd, maar twee stuks niet. Een ervan was van de demon, die had ik verwacht, buitenwerelds en onbekend, maar de laatste behoorde toe aan een andere speler.' Hij zweeg een tijdje en voegde er toen aan toe: 'Een speler met een signatuur die ik even goed ken als die van mezelf.'
Brandos was al bijna zijn hele leven bij Amirantha en had vele verhalen van de zwarte magiër gehoord. Hij wist wat er ging komen. Zachtjes vroeg hij: 'Belasco?'
Amirantha knikte. 'Belasco.'
'Sodeju,' vloekte de oude strijder zachtjes. Zijn gezicht was als zongebruind leer, gelooid door jaren van ontberingen en strijd. Zijn haar, ooit goudblond, was al meer dan twintig jaar grijs, maar zijn opvallend blauwe ogen waren nog altijd jeugdig. Hoofdschuddend zei hij: 'Het enige wat je kan zeggen over reizen met jou, Amirantha, is dat het altijd interessant is.'
'Jij hebt een rare opvatting over wat interessant is.'
'Komt door het gezelschap waarin ik verkeer,' zei Brandos.
Amirantha kon daarop alleen maar knikken. Ze waren al een heel lange tijd samen. Hij had Brandos gevonden als straatschoffie in de stad Khaipur, bijna tweeënveertig jaar geleden inmiddels. Nu, ondanks het feit dat hij jaren ouder was dan zijn metgezel, zag de zwarte magiër er twintig jaar jonger uit dan Brandos. Beide mannen wisten dat de magiegebruiker zeker twee keer zo lang zou leven als de strijder, maar ze spraken er nooit over, behalve dat Brandos af en toe grapte dat Amirantha's bezigheden hem voortijdig het leven zouden kosten. Ondanks hun uiterlijke verschijning zag Brandos Amirantha als een vader.
Hoe een beoefenaar van een bijzonder duistere vorm van magie in de rol van pleegvader voor een analfabetische straatjongen te recht was gekomen, was nog een beetje een mysterie voor Amirantha, maar op een of andere manier had Brandos de genegenheid van de magiegebruiker weten te winnen en waren ze sindsdien altijd samen geweest.
Amirantha leidde Brandos langs de verkoolde overblijfselen van de demon naar de ontbiedingsgrot en pakte twee grote leren zak ken, waarvan hij er een aan de strijder overhandigde. Beide mannen hingen hun last over hun schouder. De zwarte magiër keek om zich heen naar de omgevallen afweerstenen, de potten met brandende wierook en de andere benodigdheden voor het oproepen van demonen. 'Niet om het een of het ander, maar waarom ben je de grot in gekomen?'
'Het duurde een beetje langer dan normaal en de gouverneur werd onrustig. Toen hoorde ik die herrie, dus leek het me een goed idee om te gaan kijken wat er mis was gegaan.'
De zwarte magiër schudde lichtjes zijn hoofd. 'Dat is maar goed
ook.'
Ze verlieten de grot, een diepe holte in de heuvel een paar mijl buiten het dorp Kencheta. Ze werden opgewacht door de gouverneur van Lanada, gezeten op zijn schitterende paard. Hij vroeg: 'Is de demon dood?'
Amirantha stak zijn hand op in een achteloos saluut naar de regent van de streek. 'Morsdood, excellentie. U vindt de resten er van verspreid in de tunnel, ongeveer honderd meter naar binnen.'
De gouverneur knikte en wenkte een van zijn lagere officieren. 'Ga kijken.'
Amirantha en Brandos wisselden een blik. Plaatselijke regenten stelden zich doorgaans tevreden met hun woord. Aan de andere kant kregen ze ook meestal een glimp of twee van het monster te zien, en hoorden ze niet alleen gebrul en gekrijs uit een donkere grot komen.
Korte tijd later kwam de jonge officier terug, met een bleek, bezweet gezicht.
'Ik had misschien iets moeten zeggen over de stank...' zei Amirantha.
'Inderdaad,' beaamde Brandos.
'... want daar moet je even aan wennen.'
'En?' vroeg de gouverneur.
De officier knikte. 'Het is waar, excellentie. Het grootste deel van het schepsel ligt in de tunnel verspreid, in stukjes, maar één poot was nog intact, en die was... niet van deze wereld.'
'Breng me die poot,' droeg de gouverneur hem op.
Weer keken Brandos en Amirantha elkaar vragend aan.
Deze keer wenkte de officier twee van zijn soldaten en zei: 'Jullie hebben de gouverneur gehoord. Ga die poot halen.'
Uiteindelijk kwamen de twee soldaten uit de grot tevoorschijn, met de enorme, verkoolde poot tussen hen in. De stank pleegde een aanslag op zelfs de sterkste maag en de gouverneur stuurde zijn paard een stukje naar achteren en stak zijn hand op. 'Blijf daar,'
Vanaf zijn plek zag hij de bovenkant van een dijbeen, bedekt met verbrand haar, en de voet met drie dikke tenen die eindigden in vlijmscherpe klauwen. Wat het ook was, het was niet van deze wereld, en de gouverneur knikte, eindelijk tevreden. We hadden van het hof van de Maharadja gehoord over charlatans die misbruik maakten van goedgelovige mensen. Ze beloofden afgelegen dorpen te ontdoen van niet-bestaande demonen, duistere geesten en andere boosdoeners. Als u dat was geweest, dan zouden we u hebben op gehangen aan die boom daar,' zei hij, wijzend naar een stevige iep op een paar meter afstand. Aangezien dit zonder twijfel een demonenpoot is, ben ik er nu van overtuigd dat uw komst zo snel nadat wij over deze demon hoorden alleen maar een gelukkig toeval was, en ik zal die mening dan ook overbrengen aan mijn heren en mees ters in Maharta.'
Amirantha maakte zijn meest welgemanierde buiging, en Brandos volgde zijn voorbeeld. 'Dank u, excellentie,' zei de zwarte magiër.
Toen de gouverneur aanstalten maakte om zijn paard te wenden, vroeg Amirantha: 'Excellentie, wat de kwestie van betaling aangaat?'
De gouverneur antwoordde over zijn schouder. 'Kom naar mijn paleis en vraag naar mijn seneschalk. Hij zal u uw inspanning ver goeden.' Daarop reed hij weg, op de hielen gevolgd door zijn wapenlieden.
'Nou, we komen er toch langs op weg naar huis,' zei de zwarte magiër.
De strijder haalde zijn schouders op en plukte de schouderransel van zijn metgezel van de grond. 'Soms moet je genoegen nemen met kleine meevallers, mijn vriend. Deze keer krijgen we in ieder geval betaald. Misschien was het maar goed dat die nieuwe demon opdook. Kreegrom is best afzichtelijk, maar voor een demon is hij ongeveer zo angstaanjagend als een jong hondje. Als die gouver neur had ontdekt dat hij alleen maar tikkertje speelde en je niet echt probeerde te vermoorden... nou, persoonlijk heb ik niet zo'n zin om te hangen.' Hij keek naar de boom toen ze erlangs liepen. 'Hoewel ik moet toegeven dat het best een mooie is.'
'Jij ziet altijd het positieve van een situatie, hè?'
'Iemand moet het doen,' zei Brandos, 'gezien de ongebruikelijke aard van ons vak.'
'Dat is waar,' gaf Amirantha toe terwijl ze de weg op liepen die hen naar het paleis van de gouverneur in Lanada en vervolgens naar hun verre thuis zou voeren.
Het dorp was het enige thuis dat Amirantha de afgelopen dertig jaar had gekend. Ongeveer vijf maanden per jaar woonde hij in een stenen toren op een rotspunt een mijl ten noorden van het dorp. De rest van de tijd waren Brandos en hij op reis.
Zijn toren stond op de top van een oude heuvel, Gashen Tor, de hoogste van de heuvels die uitkeken over het dorp Talumba, twee dagen rijden ten oosten van de stad Maharta. De kleine boerenge meenschap was prijs gaan stellen op de aanwezigheid van zo'n ster ke magiegebruiker, ook al werd zijn vakgebied dan door de meeste mensen bezien als grenzend aan het boosaardige. Ze geloofden dat de zwarte magiër vanuit een ander land naar hier was gezworven en dat hij op deze eenzame heuvel was gaan wonen om vervolging te ontlopen. Ze zeiden dat hij de toren waar hij woonde had gebouwd met de hulp van demonen, en dat hij beschermingen om de rots punt had gelegd om te voorkomen dat indringers hem zouden lastigvallen.
De waarheid was veel prozaïscher. Amirantha had inderdaad magie gebruikt, zij het niet die van zichzelf, om de eenvoudige toren te bouwen. Twee magiërs, meesters van de geomantie, hadden hun kunsten aangewend om rotsblokken zodanig te verplaatsen dat Amirantha daarna alleen nog een plaatselijke timmerman hoefde in te huren om twee houten vloeren te leggen, deuren aan te brengen en wat meubels te maken, waaronder de grote tafel en de zware stoel waar hij nu in zat.
Hij las een oude tekst die hij bijna een eeuw geleden had geschreven, en hij zuchtte spijtig toen hij hem van zich afschoof. Hij keek uit het raam van zijn werkkamer naar het dorp beneden, nu gevan gen in de rossige gloed van de zonsondergang, en overpeinsde hoe bijna idyllisch zijn leven in de afgelopen twintig jaar was geworden, als hij niet te veel stilstond bij een incidenteel ongelukje zoals drie dagen geleden bij Lanada.
Hij dacht terug aan toen hij hier pas was aangekomen, met een jonge Brandos en diens vrouw, en hoe hij in een opwelling had besloten hier te gaan wonen. Hij keek over het dorp uit naar de zonsondergang en vroeg zich af in welke mate dat besluit was voortgekomen uit zijn liefde voor dit uitzicht. Een zonsondergang, overpeinsde hij, was een vreemd iets om een beslissing op te base ren, maar zoveel van zijn leven was een reeks van keuzes geweest die af en toe willekeurig of zelfs grillig leken; zoals onderdak geven aan een brutale straatjongen die had geprobeerd hem te beroven.
Dit dorp was het enige thuis dat hij sinds zijn jeugd had gekend, een tijd zo ver in het verleden dat hij diep moest nadenken om zich er iets van te herinneren. De dorpelingen waren aanvankelijk bang geweest voor de zwarte magiër op de Heuvel, zoals ze hem noem den, maar sindsdien had hij het dorp meer dan eens tegen plunderaars beschermd. Hij had zelfs het leger van de ambitieuze Maharadja van Muboya ervan weerhouden de nederzetting te bezetten toen die opbloeiende natie de streek wilde annexeren. Hij was er trots op dat hij alleen misleiding en sluwheid had gebruikt en dat er geen levens verloren waren gegaan. Hoewel hij geen van de dagelijkse zorgen van de meeste mensen had, had Amirantha wel scrupules als het op het overschrijden van bepaalde grenzen aankwam.
Sommige van zijn dilemma's waren praktisch van aard, want rommelen met duistere kunsten wekte aandacht die kon leiden tot vervolging. Maar de meeste van zijn morele zorgen betroffen zijn eigen welzijn. Hij had al vaak gezien dat een reis over duistere paden een magiër veel meer kostte dan alleen de afkeuring van anderen. Hoewel hij geen gelovig man was, wilde Amirantha straks toch tegenover Lims-Kragma staan in de overtuiging dat hij geen grote smetten op zijn blazoen had; hoewel hij een klein smetje hier en daar wel aan haar wilde uitleggen. Sommigen zouden hem vanwege zijn verkozen kunst misschien een slecht mens vinden, maar hij had principes. Bovendien had hij betere mensen dan hijzelf ten prooi zien vallen aan de verleidingen van de duistere kunsten. Het was voor de meeste magiërs een roesmiddel.
Hij verschoof een stukje in zijn stoel en nam zich voor, zoals hij al bijna twee jaar lang iedere dag deed, om binnenkort eens naar de stad te gaan en nieuwe kussens te kopen. Hij keek om zich heen in zijn werkkamer. Zoals altijd als het koud was, brandde er een vuur dat de kamer in een warme gloed hulde. Het slaapvertrek hieronder was vaak tochtig in de winter, en de zwarte magiër sliep dan meestal hierboven bij het vuur. Hij was ervan overtuigd dat de tochtigheid iets te maken had met de manier waarop de schoorsteen was gebouwd, maar hij vond nooit de tijd om er iemand naar te laten kijken, dus drie maanden per jaar sliep hij gehuld in dekens op de vloer van zijn werkkamer.
Brandos sjokte de stenen wenteltrap op die tegen de binnen muur van het ronde gebouw was aangebracht, en kwam de kamer binnen. Wat heb je gevonden?' vroeg hij plompverloren.
'Wat ik al vreesde,' antwoordde de zwarte magiër terwijl hij ging staan. Hij gebaarde naar de oude boeken op de tafel. 'Ik denk dat we een reisje moeten maken.'
'Gaan we dan winkelen in Maharta?'
Amirantha keek zijn oudste vriend aan. Met zijn bijna vijftig jaar was de strijder nog steeds een sterke kerel, ook al grensde het grijs in zijn haar nu aan wit. Zijn door de zon gelooide gezicht sprak van jaren van veldtochten, en hij had een indrukwekkend aantal littekens. 'Eh, ja, want ik heb echt een nieuw stoelkussen nodig. Maar dat zal nog even moeten wachten.' Hij keek naar de oude boeken en vervolgde: 'Ik denk dat er iets heel ergs aan de hand is, en daar moeten we met iemand over praten.'
'Had je een specifiek iemand in gedachten?'
'Vertel me eens over die Kaspar.'
Brandos glimlachte en knikte. Hij ging op een krukje bij het vuur zitten. 'Ik zal je vertellen wat ik weet. Ongeveer een maand nadat generaal Alenburga verdween, inmiddels alweer tien jaar geleden, kwam die Kaspar van Olasko bij het hof van de Maharadja aan met een legertje soldaten uit de Tsuraniwereld. De jonge regent van Muboya gaf Kaspar de titel Generaal van het Leger, verkondigde dat Alenburga met pensioen was gegaan op een verre plek en richtte zijn aandacht op het consolideren van zijn territorium en het voor bereiden van nog meer veroveringen.
Maar dan wordt het interessant. Kaspar schijnt het vertrouwen van de Maharadja te hebben gewonnen. Hij heeft diplomatieke op lossingen aangedragen voor twee conflicten, een moeizame relatie opgebouwd met enkele stammen die heersen in de Stad aan de Serpentrivier, en hij heeft zonder bloedvergieten twee stadstaten in het noorden geannexeerd. En na een lange oorlog heeft hij ook een bondgenootschap gesloten met Okanala via een paar slim bedachte koninklijke huwelijken, waarmee hij er effectief voor heeft gezorgd dat zijn kleinkinderen en die van de koning van Okanala uiteindelijk over beide rijken zullen regeren. Hij heeft Okanala geholpen twee opstanden neer te slaan, en nu willen Okanala en Muboya samen ten strijde trekken tegen die moorddadige dwergen die de graslanden in het westen bewonen.'
'Een aanzienlijke lijst van prestaties voor zo'n korte ambtsperiode.' Amirantha klopte met zijn rechterwijsvinger op zijn kin, een nerveus gebaar dat Brandos al sinds zijn vroege jeugd van hem kende. Wat nog meer?'
'Speculatie en geruchten. Kaspar is een buitenlander, van ver over zee in het noordwesten, een natie die Olasko heet, zo is me althans verteld. Hij was daar regent voordat hij werd afgezet, en hij is een paar jaar spoorloos geweest. Op de een of andere manier is hij bevriend geraakt met generaal Alenburga, maar daar is weinig over bekend. Ze zeggen ook dat hij vaak zomaar ineens een week verdwijnt uit Muboya's nieuwe hoofdstad, en dan duikt hij weer op alsof hij helemaal niet weg is geweest.'
'Magie,' zei Amirantha. 'Hij gaat ergens naartoe, maar niemand ziet hem weggaan of terugkomen.'
'Of hij doet heel langdurig tukjes in zijn eigen vertrekken,' grapte de oude strijder.
'Misschien samen met iemand; ze zeggen dat hij nogal een rokkenjager is.'
Kloppend op zijn kin zweeg Amirantha een hele tijd terwijl hij zijn opties afwoog. Brandos wist dat zijn pleegvader de voorkeur gaf aan stilte wanneer hij nadacht, dus stond de oude strijder op en verliet de werkkamer, waarna hij de trap afliep.
De toren was een eenvoudig rond gebouw van drie verdiepingen, waarvan de middelste uit twee grote kamers bestond: een voor de zwarte magiër en een voor Brandos en zijn vrouw Samantha. Brandos liep door het halletje dat de twee slaapvertrekken van el kaar scheidde en vervolgde zijn weg naar beneden, waar de keuken, proviandkast en garderobe waren. In de keuken rook het naar vers gebakken brood en iets wat borrelde in de ketel boven het vuur, zo te ruiken Samantha's geliefde kipstoofpot.
Brandos bleef even naar zijn echtgenote staan kijken. Ze was een forse vrouw die nog steeds haar man kon verleiden door eenvoudigweg wat woordjes in zijn oor te fluisteren, hoewel de jaren hun tol hadden geëist van de vroegere taveernemeid uit het Oostland. Ze droeg een simpele groene jurk met een blauwe hoofddoek, in de stijl van haar geboorteland. Brandos had haar ontmoet in de reus achtige taveerne in Shingazi's Steiger, langs de Serpentrivier waar die een bocht maakte bij de oostkust, minder dan een mijl ten westen van het Grote Klif, uitkijkend over de Blauwe Zee. Na veel flirten en veel goede wijn had ze er uiteindelijk mee ingestemd zijn bed te delen.
Maar in plaats van haar te vergeten, zoals zoveel andere liefjes vóór haar, bleef hij terugdenken aan de aantrekkelijke, wulpse jonge vrouw uit het Oostland. Na maanden van onophoudelijk zwijmelen had Amirantha zijn pleegzoon toestemming gegeven haar te bezoe ken.
Hij was een maand later teruggekeerd met zijn kersverse echtge note. Ondanks Amirantha's aanvankelijke bedenkingen was hij gaan inzien dat Brandos bij deze taveernemeid uit het Oostland iets heel zeldzaams had gevonden. Brandos wist dat de zwarte magiër hen benijdde, hoewel hij dat nooit hardop had uitgesproken.
Brandos kende zijn pleegvader beter dan ieder ander, en hij wist dat de oude magiegebruiker slechts eenmaal in zijn leven voor de charmes van een vrouw door de knieën was gegaan. Terugdenken aan die ontmoeting bracht nog altijd een glimlach op zijn gezicht; als Amirantha niet oprecht gekwetst was door hoe dat avontuur was afgelopen, zou het een schitterend schunnig verhaal voor een bard zijn geweest.
Samantha keek naar haar man op en glimlachte. 'Honger?'
'Ja,' zei hij, en hij lachte naar haar terug.
Toen hij aan tafel zat, werd haar glimlach een frons. 'Nou, vertel: wanneer gaan jullie weer weg?'
Brandos schudde zijn hoofd en glimlachte berouwvol. Ze kon hem lezen als een proclamatie aan de muur van het stadsplein. 'Binnenkort, denk ik. Amirantha is erg verontrust over wat er in Lanada is gebeurd.'
Ze knikte alleen maar. Een van haar talenten was dat ze kon negeren hoe haar echtgenoot en zijn pleegvader hun brood verdien den, door demonen op te roepen in verre landen en die vervolgens tegen betaling te verbannen. Ze deden af en toe ook echt werk, gevaarlijk werk, voor mensen die bereid waren ervoor te betalen, maar dat kwam maar zelden voor en de rest van de tijd gedroeg het stel zich weinig beter dan een paar zwendelaars.
Over sommige dingen waren Brandos en zij bereid in discussie te gaan, maar andere dingen lieten ze liever onuitgesproken; daarom hield hun huwelijk al drieëntwintig jaar stand.
'Heeft het nog zin om te vragen waarom?' vroeg ze koel. 'Het is niet meer zoals het was toen de kinderen hier nog woonden.' Ze zweeg en keek haar man beschuldigend aan. 'Bethan is op zee, en wie weet waar hij uithangt. Meg woont met haar man in Khaipur.'
'Donal woont met de kleinkinderen in het dorp. Je kunt erheen wandelen en bij ze op bezoek gaan wanneer je maar wilt,' kaatste hij snel terug. Hij wist waar dit op zou uitdraaien.
'Alsof zijn vrouw daarop zit te wachten,' zei ze.
'Wat is dat toch met twee vrouwen onder één dak?' vroeg Brandos retorisch.
'Ze draait wel bij als de kleine is geboren en ze een extra paar handen goed kan gebruiken, maar tot die tijd ziet ze me als een indringer.' Hij wilde haar tegenspreken, maar ze was hem voor, met haar levendige blauwe ogen op hem gericht terwijl ze verstrooid een lok grijs haar wegstreek die aan haar hoofddoek probeerde te ontsnappen. 'Het is hier eenzaam, Brandos, als jij wekenlang of soms zelfs maandenlang weg bent...' Ze zuchtte diep. 'Je hebt geen idee hoe blij ik was toen je eerder thuiskwam dan ik had verwacht. Wan neer hou je nu eens op met al dat reizen? Ik weet hoe welvarend we zijn. Je hoeft dit niet meer te doen.'
'Dat zou inderdaad zo zijn als Amirantha zich niet altijd druk maakte over hoeveel die... toestellen van hem kosten, of een oud boek met bezweringen, of wat er verder nog zijn aandacht trekt,' zei haar man. 'Bovendien is het welvaart, hè?'
'Ook die van jou,' kaatste ze terug. 'Jij hebt er meer dan genoeg voor gedaan.'
Hij wist dat het onderwerp niet te vermijden viel. 'Luister, meest al zou ik je bezwaren wel bij hem aankaarten. Je hebt gelijk, we zijn net terug, nadat we meer dan een maand zijn weggeweest. Maar deze keer moeten we echt weg.'
Samantha zette haar handen in haar zij. 'Waarom?' Ze klonk opstandig en bijna boos, en Brandos wist dat hij het haar moest vertellen.
'Het gaat om Amirantha's broer.'
Ze keek hem stomverbaasd aan. Ze knipperde met haar ogen en vroeg: 'Belasco?'
Hij knikte.
'Dan zal ik een reistas voor je inpakken,' zei ze. 'Genoeg voedsel tot jullie in de stad zijn. De rest kunnen jullie onderweg kopen.'
Haar plotselinge omslag in stemming en gedrag waren volkomen begrijpelijk. In de vele jaren dat ze nu bij elkaar waren, had zij naar dezelfde verhalen geluisterd als Brandos terwijl Amirantha onder het eten vertelde. Ze wist dat Belasco een machtig magiër was, met gemak Amirantha's gelijke, en dat hij al sinds voor Brandos of Samantha was geboren probeerde Amirantha te vermoorden.