16
Bondgenoten
De draak steeg op.
Tomas had afscheid genomen van de draak en gezegd dat hij hem weer zou oproepen als hij hem nodig had, hoewel hij na een bezoek aan Puc meestal werd thuisbracht door een van de magiërs, op een veel snellere, zij het wat minder theatrale manier. Iedereen keek vol zwijgend ontzag naar de grote gouden draak die de blauwe hemel in vloog.
Puc keek naar de anderen om zich heen en voelde een steek van onrust. Dit waren enkelen van de mensen van wie hij het allermeest hield: zijn vrouw, zijn kinderen en zijn beste vriend. Zoals in het verleden al vaker was gebeurd, dreigde het nare voorgevoel dat hij kreeg hem te overstelpen. Alleen Nakur, inmiddels overleden, had geweten wat Puc wist. Miranda had er het meeste wel van ontdekt, hoewel hij één pijnlijk en angstaanjagend feit voor haar verborgen had weten te houden: hij was gedoemd om iedereen van wie hij hield eerder te zien sterven dan hij.
Hij had Tomas een deel van de waarheid over de manipulaties van de god Banath verteld, en een klein deel aan vader-bisschop Creegan, namelijk dat de Bedrieger hem het grootste deel van zijn leven als pion had gebruikt om te zorgen voor het voortbestaan van deze wereld. Hij twijfelde er niet aan dat als de God van Dieven en Leugenaars niet rechtstreeks achter de huidige gebeurtenissen zat, hij er in ieder geval op een of andere manier bij betrokken was.
Hij zette zijn bedroefdheid van zich af toen hij besefte dat die gedeeltelijk voortkwam uit het feit dat hij weer een deel van de waarheid aan iemand zou moeten vertellen. Er was niemand meer die de volledige last kende die Puc elke dag van zijn leven met zich meedroeg.
Hij wenkte Tomas en diens metgezel en zei: 'Kom, we hebben veel te bespreken.' Toen wendde hij zich tot vader-bisschop Creegan. 'Ga met ons mee, alstublieft.' Met een knik naar Amirantha gaf hij aan dat ook hij welkom was. Tegen Sandrina zei hij: 'Ik geloof dat jij wel nieuwe kleding en wapens kunt gebruiken?'
Ze knikte, nog altijd aangedaan door wat ze net had gezien.
Puc gebaarde naar een van de studenten die naar Tomas en zijn draak hadden staan kijken en droeg hem op met Sandrina mee te gaan om haar te voorzien van wat ze nodig had.
Puc verontschuldigde zich bij zijn gasten en sprak even onder vier ogen met Miranda. Na hun korte overleg knikte ze en liep snel weg naar een ander deel van het huis.
Puc wenkte zijn gasten mee en ging ze voor naar de vertrekken die aan zichzelf en zijn familie waren voorbehouden. Een open tuin met diverse bankjes diende als plek voor ongedwongen samenkom sten, en hoewel deze bijeenkomst geen sociale bedoelingen had, hadden ze behoefte aan de afzondering hier. Er was niemand op het eiland die Puc niet vertrouwde, maar veel van zijn studenten waren jong, en ze hielden van roddelen.
'Als iemand wat wil eten of drinken,' zei Puc, 'dan kan ik iets laten komen.'
Amirantha en vader-bisschop Creegan hadden net gegeten, en Tomas en Gulamendis sloegen het aanbod af.
'Goed dan,' zei Puc. Hij keek de anderen om beurten aan. 'Ik ben te vaak in mijn leven uitgegaan van toeval, om dan later te ontdek ken dat er een hogere macht aan het werk was geweest. Ik ga nu misschien dingen zeggen die jullie verbazen of waar jullie van schrikken, maar ik beloof je dat het geen speculatie is. Alleen de waarheid. Iets heeft ons allemaal hier samengebracht, iets zoals de goden, of misschien het lot.' Hij keek naar de vreemde elf van een andere wereld. 'Laten we beginnen bij onze nieuwste gast. Vertel ons je verhaal, Gulamendis.'
De elf keek naar de drie mensengezichten om zich heen, en zijn eigen gezicht vormde een onpeilbaar masker. Maar hij wierp een snelle blik op Tomas, die subtiel knikte dat hij moest meewerken, en vervolgens begon de elf zijn verhaal te vertellen. Hij begon langzaam, bij de geschiedenis van zijn volk tot aan deze huidige crisis.
De tijd leek voor Amirantha, vader-bisschop Creegan en Puc stil te staan terwijl de elf beelden schilderde met woorden. Hij sprak over een groep vastberaden vluchtelingen, die van deze wereld naar een andere waren vertrokken, en de paar duizend overlevenden die hun nieuwe land hadden bedwongen. Hij riep beelden op van de eerbiedige elfen die de jonge loten van de grote bomen die ze de Zeven Sterren noemden plantten en hun eerste stad bouwden, en zich vervolgens over de hele wereld verspreidden.
Zijn vertelling nam epische proporties aan toen hij vertelde hoe de elfen die naar de sterren waren gevlucht meesters werden van al wat ze overzagen. De kunsten, muziek, geneeskunst en wetenschap bloeiden op. Ze kwamen andere rassen tegen, en Gulamendis ver telde onomwonden hoe die ontmoetingen leidden tot conflicten en hoe doortastend en meedogenloos de taredhel waren. Degenen die zich niet wilden onderwerpen, werden vernietigd. En er waren er niet veel die zich onderwierpen.
De oorspronkelijke rassen namen in aantal af en stierven uiteindelijk na vijf eeuwen op alle werelden van de Clan van de Zeven Sterren uit, en alleen de elfen bleven over.
Puc bleef stoïcijns tijdens het relaas, maar Tomas, zijn oudste vriend, zag de subtiele tekenen van zijn onrust terwijl de lange elf vertelde. Ze waren een hard en rancuneus volk, even meedogenloos van aard als de moredhel, maar zoveel machtiger.
'Bijna duizend jaar lang leefden we in vrede en voorspoed,' zei Gulamendis. Toen kwamen we op een nieuwe wereld aan. Er was geen leven, maar dat was er wel ooit geweest. We zagen de ruïnes van gebouwen en de resten van een beschaving. We gingen op onderzoek uit en vonden nog een poort, die wij niet hadden gemaakt. Onze aremantiërs bestudeerden die terwijl anderen de wereld ver kenden op zoek naar aanwijzingen over wat er was gebeurd. Degenen die met de poort werkten, onthulden de geheimen ervan, en we openden hem. Hij gaf toegang tot weer een andere wereld. En daar ontmoetten we de demonen.'
Hij keek de anderen om beurten aan en vroeg: 'Is er iemand onder ons die nog nooit een demon heeft gezien?'
'We hebben allemaal wel eens een of andere demon gezien,' antwoordde Puc.
Kijkend naar Amirantha vroeg Gulamendis: 'Jij bent ontbieder?'
Amirantha knikte. 'Dat klopt.'
'Dan begrijp jij beter dan deze anderen wat ervoor nodig is om een demon over de andere rijken heen naar onze eigen dimensie te halen.'
'Ja,' zei Amirantha. 'De magie is complex en moeilijk onder de knie te krijgen.'
Met een glimlach die alleen maar ironisch kon worden genoemd zei de elf: 'Daarom zijn we maar met zo weinigen. Degenen die talent te kort komen overleven het leerproces niet.'
Hij zweeg even. 'Wij zijn verkenners, en eeuwenlang hebben we onze translocatiepoorten, die jullie scheuringen noemen, gebruikt om andere werelden te bereiken. Er zijn daarbij vele verkenners gesneuveld, en de meeste werelden die we vonden waren onbewoonbaar, maar in de loop der eeuwen zijn we door het rijk van de sterren getrokken.
Al ongeveer tweehonderd jaar lang wordt er door sommigen van ons gesproken over de zoektocht naar deze wereld, ons Thuis, de wereld waar we vandaan kwamen. Sommigen waren ertegen, omdat ze dachten dat deze wereld was vernietigd in de oorlog tussen de Valheru' - hij keek naar Tomas - 'en de nieuwe goden.
Anderen droomden ervan deze wereld vrij van onmin aan te treffen, zoals hij in onze oudste mythen was.' Opnieuw keek hij naar Tomas. 'Maar het leek hun waarschijnlijker dat we weer oog in oog zouden komen te staan met onze vroegere meesters.' Hij haalde diep adem. Totdat ik heer Tomas ontmoette dacht ik net als de meeste leden van mijn volk dat we zo verheven waren geworden dat we de Valheru zouden kunnen verslaan als ze er nog waren.' Hij sloeg zijn ogen neer. 'Ik vrees dat onze trots juist de reden is dat we ten prooi vallen aan de demonen.'
'Vertel ons eens over die demonen,' spoorde Puc hem aan.
'Een van onze verkenners vond een wereld die volkomen verlaten was. Kale rotsen en lege oceanen, maar ooit was hij vruchtbaar geweest.'
'Hoe konden jullie dat zien?' vroeg vader-bisschop Creegan.
'De wereld was bewoond geweest; we vonden de ruïnes van grote steden, en we vonden voorwerpen die hadden toebehoord aan het volk dat ooit op die wereld had geleefd. In de steden lagen uitgestrekte tuinen die ooit op slimme wijze werden geïrrigeerd. Gezien de schaal van de watervoorziening namen we aan dat die hete, stoffige wereld ooit groen was geweest. Enorme terreinen die ooit akkers waren, ook weer met mijlen aan resten van irrigatiesystemen, lagen nu onder de meedogenloze hete wind en waren tot rotsen en zand verweerd. Uit de ouderdom van de voorwerpen en gebouwen leidden we af dat de wereld minder dan een eeuw gele den was ontvolkt.
Maar er was geen spoor van leven. Van het ras dat er ooit had gewoond vonden we helemaal niets, zelfs geen beenderen; er was weinig over om aanwijzingen te leveren over wie ze konden zijn geweest. Ze waren klein van stuk, denken we, omdat hun deuropeningen laag waren en hun kamers naar onze maatstaven klein, maar ze bouwden schitterende monumenten en grote piramides van steen. We hebben kunst gevonden, schilderijen en wandkleden, hoewel ook die geen aanwijzingen leverden over de makers ervan; het waren meestal abstracte ontwerpen met diepe kleuren. We von den een paar portretten, en we denken dat het een ras was dat iets weg had van de dwergen.
Er waren misschien ooit bibliotheken of grote scholen, maar daarvan vonden we niets dan as. Er hadden grote branden in hun steden gewoed, in alle straten, en we vroegen ons af wie of wat die catastrofe op planetaire schaal had veroorzaakt.
In de diepste kelder van een van die grote stenen gebouwen vonden we woorden, haastig over een muurschildering heen gekrabbeld. Woorden die waren geschreven met de meest duurzame verf die ze hadden, zodat dat kleine erfgoed zou standhouden.
Onze sagenbewaarders hebben er jaren over gedaan om de betekenis van die woorden te achterhalen, maar er stond simpelweg: "Waarom hebben onze goden ons verlaten? Waarom moeten we sterven?" En toen een woord dat we niet konden vertalen, gevolgd door:"... zijn buiten deze zaal. Dus nu is het afgelopen. Wie dit leest: huil om de..." en nog een woord dat we niet konden vertalen.'
'Demonen?' vroeg Amirantha.
'Latere ervaringen leidden ons tot die conclusie.'
'Als er op een of andere manier demonen naar die wereld waren gekomen en hun gang konden gaan, zouden die uiteindelijk alle leven zoals wij dat kennen beëindigen,' zei Puc. Toen hun prooien opraakten, hebben ze ongetwijfeld elkaar aangevallen, en uiteinde lijk bleef er dan één over, en die laatste was gedoemd te verhongeren.'
Amirantha en Gulamendis wisselden een vragende blik, en de zwarte magiër zei: 'Ik heb nog nooit een demon opgeroepen die lang genoeg bleef om te verhongeren.'
De elf glimlachte en knikte instemmend. 'Ik heb er wel eens een paar te eten gegeven, maar net als jij verban ik ze terug naar hun eigen rijk als ik met ze klaar ben. Tot we het demonenlegioen tegen over ons kregen had ik er nooit zelfs maar bij stilgestaan hoe een vrije demon zich in ons rijk zou gedragen.'
'Ik heb er een paar ontmoet,' zei Amirantha. Hij wierp een blik op vader-bisschop Creegan. 'Niet alles wat ik doe is zwendel. Ik heb deze wereld van een paar zeer kwaadaardige wezens ontdaan.'
'Ongetwijfeld,' reageerde de geestelijke droogjes.
Amirantha richtte zijn aandacht weer op Gulamendis. 'Als één beginnende demonenmeester met een zwakke wil zijn beperkingen vergeet, kan er gemakkelijk een demon worden bevrijd. Ik heb er in de loop der jaren minstens twaalf opgejaagd en vernietigd.'
Jommy verscheen in de deuropening en stapte de tuin in. Puc wenkte hem. 'Miranda is weggegaan; ze vroeg me je dat te vertellen. Ze komt straks weer terug.'
De roodharige jongeling keek om zich heen en vroeg: 'Moet ik weg?'
Puc schudde zijn hoofd. 'Nee, blijf maar. Jij wordt straks even nauw betrokken bij wat er gaat komen als wij.'
Jommy ging zitten op een bankje vlak bij de plek waar Tomas stond.
Gulamendis vertelde verder. 'Onder mijn volk word ik gezien als een soort van verschoppeling.' Hij zag Amirantha's flauwe glimlach van herkenning. 'Veel leden van mijn volk geven ten onrechte mij en andere geïnteresseerden in de demonenoverleving de schuld voor de aanvallen.'
'Ook al hadden jullie tientallen jaren voordat jullie het demonen legioen ontmoetten al bewijs gevonden dat er demonen in andere werelden waren binnengedrongen?'
Gulamendis knikte droevig. 'Het ligt in de aard van het beestje dat velen liever met de beschuldigende vinger wijzen dan het probleem zelf op te lossen.'
'Wij zien de problemen waar jij het over hebt pas sinds kort op grotere schaal,' zei Amirantha. Hij leunde achterover. 'Ik weet niet eens zeker of het nu al wel zo is. Het is bijna zeker dat veel van wat ik de laatste tijd aan onverwachte demonenontmoetingen heb mee gemaakt het werk is van één iemand, een ontbieder met zijn eigen redenen, die het vermogen heeft om vernietiging te zaaien.' Hij haalde zijn schouders op.
'Hoe zeker ben je daarvan?' vroeg Gulamendis.
'Ik ben ervan overtuigd, want hij mengde zich in een ontbieding van mij en dat kostte me bijna het leven. Ik wilde een bekende demon oproepen en kreeg in plaats daarvan de meest agressieve strijddemon die ik ooit had gezien.'
'Fascinerend,' zei de elf. 'Ik had nog nooit van ontbiedingen gehoord die op die manier zijn verstoord. Bij mij zijn ze ook wel eens onderbroken, soms abrupt, maar nooit... op zo'n manier ver wrongen.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Daar zou onvoorstelbaar krachtige magie voor nodig zijn.'
'En subtiliteit,' voegde de zwarte magiër eraan toe. 'Wijzigingen in de ontbieding zouden op cruciale momenten moeten worden ingebracht.'
De twee demonenexperts schenen op het punt te staan op de specifieke details in te gaan toen Puc daar een stokje voor stak. 'Ik vind dit even fascinerend als jullie, maar we moeten de belangrijkste vraag beantwoorden: Waarom?'
'Waarom?' herhaalde Amirantha. 'Nou, zoals ik al heb gezegd: mijn broer probeert me al jaren te vermoorden.'
'Je broer?' vroeg Gulamendis.
'Dat zal ik je later nog uitleggen,' antwoordde Amirantha. Toen vervolgde hij tegen Puc: 'Ik sta ervan te kijken dat hij de nodige vaardigheden heeft ontwikkeld, maar niet van het feit dat hij pro beert me te vermoorden.'
'Maar waarom nu?' vroeg Puc. Waarom na al die jaren, en op een manier die hoogstwaarschijnlijk tot chaos zal leiden? Als hij zo machtig is als jij zegt, en hij weet waar je bent, waarom laat hij dan niet gewoon een vuurbol op je hoofd vallen?'
'Vuurbezweringen horen tot de proactieve bezweringen,' ver klaarde Amirantha terwijl Gulamendis instemmend knikte. 'Maar ik snap wat je bedoelt. Hij had ook een groot rotsblok op mijn hoofd kunnen laten vallen toen ik die grot inliep.'
'Behalve als hij u niet kon zien,' merkte Jommy op. Toen iedereen naar hem keek zei hij: 'Pardon.'
'Je hoeft je niet te verontschuldigen,' zei Puc. 'Dat was een goeie opmerking.'
'Het betekent dat hij me door middel van magie ziet, niet met zijn ogen,' concludeerde Amirantha.
'Dus hij kan overal zijn,' voegde Gulamendis eraan toe, 'maar pas als jij je magie bedrijft, weet hij precies waar je bent.'
'Dat dacht ik ook. Maar hoe hij je kan bespioneren of kan weten wanneer je actief bezig bent met het oproepen van een demon...?' Puc haalde zijn schouders op.
Gulamendis schudde langzaam zijn hoofd. 'Dat is heel subtiele en heel krachtige magie, zelfs voor mijn volk.'
'Ik bestudeer al het grootste deel van mijn leven de magie, al zo'n twee eeuwen, maar er is zoveel dat we nog niet weten,' zei Puc. 'Ik kan me ook niet goed voorstellen hoe je broer hiertoe in staat kan zijn.'
'Mijn magische signatuur, bij gebrek aan een betere term, is voor Belasco even vertrouwd als de zijne dat voor mij is,' zei Amirantha. 'Net zoals je zoon Magnus die van jou en je vrouw kent.'
'Maar hoe kan hij weten waar je zult zijn als je begint met je bezweringen?'
'Dat,' zei Amirantha schouderophalend, 'is de vraag.'
'Spionnen?' opperde Jommy.
'Alleen Brandos, en misschien zijn vrouw Samantha, weten waar ik zal zijn als ik een demon oproep. En hen vertrouw ik alsof het familie is,' antwoordde Amirantha.
'Misschien demonische spionnen?' vroeg Jommy. 'Ik bedoel, ik weet niet hoe dat oproepen van demonen werkt, maar misschien heeft hij ergens een demon zitten die hem waarschuwt als u een andere demon oproept.'
Amirantha en Gulamendis leken allebei met stomheid geslagen. De menselijke demonenmeester reageerde als eerste. 'Ik weet niet...'
'Is dat mogelijk?' vroeg de elf.
Jommy haalde zijn schouders op. 'Jullie zijn degenen die verstand hebben van demonen. Weten jullie het niet?'
Gulamendis scheen beledigd, maar hij zei niets. Amirantha antwoordde: 'Zoals Puc al opmerkte: er is nog zoveel te leren.'
Jommy haalde zijn schouders op. 'Waarom vragen jullie het dan niet?'
'Wie moeten we dat nou vragen?' Gulamendis klonk kil.
Jommy grijnsde. 'De demonen.'
Amirantha keek hem stomverbaasd aan. Toen begon hij bulderend te lachen. 'O, goden en vissen!' riep hij uit. De elf leek ook verbaasd over het voorstel, en toen begon hij te grinniken.
'Ik vermoed dat mijn nieuwe vriend hier' - hij wees op Gulamendis - 'ten prooi is gevallen aan hetzelfde gebrek als ik,' zei Amirantha. 'We zijn zo gericht op het beheersen van onze kunsten - dat moet wel als je in leven wilt blijven - dat het nooit in ons is opgekomen méér te willen weten over de kleinere schepsels die we taken voor ons laten uitvoeren.'
'Wat gaan jullie dan doen?' vroeg Creegan.
Amirantha stond op. 'Nou, we roepen een demon op en stellen hem vragen!'
Met een enkel gebaar en een woord begon hij een bezwering. Puc en Jommy voelden de haartjes op hun armen overeind komen. Tomas bleef staan, maar zijn hand ging naar zijn zwaardgevest toen de machtige bezwering actief werd.
Creegan stapte achteruit op het moment dat een zwarte rook wolk optrok en er een kleine imp met een blauwe huid in de kamer stond. 'Nalnar!' riep Amirantha hem toe. 'Ik heb je ontboden.'
'Meester,' bevestigde het wezen, om zich heen kijkend naar de groep.
Gulamendis lachte vrolijk. 'Dat is Chokin!'
'Chokin?' vroeg Puc.
'Ik heb ook een imp die me dient, of eigenlijk twee: Choyal en Chokin. Deze lijkt op Chokin.'
Toen de imp die naam hoorde, keek hij Gulamendis aan. 'Chokin?' vroeg hij met een hoge stem.
'Ken je Chokin?' vroeg Amirantha.
Nalnar knikte heftig en antwoordde: 'Zelfde bloed, en hij is mijn oudere. Choyal is mijn jongere.'
'Broers?' vroeg Gulamendis.
'Wat is broers?' vroeg de imp.
'Van dezelfde vader en moeder,' verhelderde de zwarte magiër.
'Vader? Moeder? Begrijp niet, meester.'
'Kennelijk hebben ze geen ouders,' zei Jommy, gefascineerd door zijn eerste ontmoeting met een schepsel uit het demonenrijk dat hem niet probeerde te doden.
'Hoe bedoel je? Dat ze hetzelfde bloed hebben?' vroeg Amirantha.
'Zelfde gebroed. Choyal, Chokin, Lanlar, Jodo, Takesh, Tadal, Nimno, Jadru en Nalnar! Wij negen. Jodo en Lanlar niet meer. Ze ven nog maar.' Hij liet zijn kop zakken en er trok een volkomen onverwachte droevige uitdrukking over dat buitenissige gezicht.
'Wat is er met je... broers gebeurd?' vroeg Amirantha.
'Opgevreten,' antwoordde hij. Kijkend van de een naar de ander vroeg de imp: 'Meester had Nalnar nodig?'
Amirantha keek Puc aan. 'Hebben we iets te eten voor Nalnar? Hij werkt beter mee als we hem te eten geven.'
'Zeker, wat heb je nodig?'
Kijkend naar de imp, die nu een gretige uitdrukking op zijn blauwe gezicht had, antwoordde Amirantha: 'Een bordje brood en kaas, een stukje worst en wat fruit houden hem wel bezig.'
De imp leek dolblij met het vooruitzicht van voedsel. Puc gebruikte zijn kunsten om een studente te roepen en stuurde de jonge vrouw naar de keuken om eten te halen.
Terwijl ze wachtten verscheen Sandrina, nu in nieuwe kleding en een mooi, glanzend gewreven pantser. Ze droeg zelfs een nieuwe tabberd met het symbool van haar orde erop.
Vader-bisschop Creegan keek Puc aan. 'Indrukwekkend. Hoe komt het dat je die tabberd had liggen?'
Sandrina vulde dat aan met: 'Sterker nog, hoe komt het dat u een heel pantser had liggen dat me perfect past?'
Puc glimlachte. We hebben zo onze bronnen.'
De imp begon opgewonden op en neer te springen. 'Sandrina! Nalnar dol op Sandrina.'
De vrouwelijke ridder-adamant keek met grote ogen naar de imp. 'Nalnar?' Toen richtte ze haar blik op Amirantha en kneep haar ogen tot spleetjes. 'Zijn we een voorstellinkje aan het opvoeren?'
Amirantha besloot daar niet op in te gaan.
Puc legde het uit. 'We hebben ontdekt dat ondanks Amirantha en Gulamendis' ervaring met demonen, we nog steeds te weinig weten over hun rijk. We dachten dat we konden beginnen met het verhoren van een van de handelbaardere bewoners ervan.'
Sandrina ging zitten. 'Nou, mijn ervaring met dat monstertje heeft me geleerd dat hij amper intelligenter is dan een hond, minder betrouwbaar, en dat hij zich soms heel onbeschoft en ongepast gedraagt.' Ze keek Amirantha aan. 'Waarom Darthea niet? Je hebt vast veel gesprekjes met haar gehad.'
Amirantha keek onbehaaglijk, maar hij bleef zwijgen.
'Darthea?' vroeg Jommy.
Sandrina's blik was giftig terwijl ze naar Amirantha loerde, en de zwarte magiër scheen zich oprecht te generen. 'Niet alle inwoners van het demonenrijk zijn afzichtelijk. Sommige zijn... mooi,' zei ze.
Jommy kneep zijn ogen dicht uit medeleven voor de zwarte magiër, terwijl vader-bisschop Creegan hem ontdaan aankeek. 'Een succubus?'
'Succubus?' vroeg Jommy, met grote, gefascineerde ogen.
'We geloven de verhalen niet echt, maar de succubi zijn heel mooie vrouwelijke demonen die de rechtschapenen verleiden tot verdorven daden en erger,' verklaarde vader-bisschop Creegan.
Amirantha haalde diep adem. 'Die legenden zijn vreselijk over dreven.' Hij keek naar de gezichten om zich heen. 'Een demon probeert te overleven hoe hij of zij kan, met de middelen die ze tot hun beschikking hebben. De succubi zijn... begiftigd met het ver mogen om het uiterlijk aan te nemen van mooie vrouwelijke leden van vele rassen. Het is maar een illusie.'
Gulamendis glimlachte. 'Mijn broer zou eindeloos gefascineerd zijn door zo'n illusie. Dat is zijn vakgebied.'
'Genoeg,' zei Amirantha. 'Ik ben meer dan honderd jaar oud en heb mijn schaamte over mijn persoonlijke beheptheden achter me gelaten; ik heb een tiental geliefden overleefd, dus als ik besluit troost te zoeken bij iemand van wie ik weet dat ze er over honderd jaar nóg zal zijn, dan is dat mijn zaak.'
Sandrina bloosde en haar woede was zichtbaar, maar ze zei niets.
Hij keek haar aan. 'Nogmaals, zoals ik al drie keer heb gezegd: als ik je heb gekwetst, dan spijt me dat oprecht.' Toen werd zijn gezicht hard en zijn stem nam een ferme klank aan. 'Maar ik had je niets beloofd. Als je me niet kunt vergeven, dan is dat een last die jij moet dragen, niet ik.' Hij keek Puc aan. 'Kunnen we weer terug naar ons oorspronkelijke gespreksonderwerp?'
Puc leefde al te lang om dit soort gesprekken nog interessant te vinden. Hij knikte en zei: 'Praat maar met je dienaar.' Toen hij zag dat het eten voor de imp was gearriveerd, wenkte hij de studente met het dienblad en beduidde dat ze het voor Nalnar neer kon zetten.
Zonder op toestemming te wachten begon de imp kaas, brood en fruit te verorberen. Amirantha zuchtte en gaf met een lichte hoofdknik aan dat hij Pucs ongeduld over Sandrina's woede be greep. 'Nalnar, vertel eens over die anderen uit je gebroed.'
'Ja, meester?' vroeg de imp.
'Misschien moet je specifieker zijn?' opperde Gulamendis.
Amirantha knikte. 'Vertel eens over Choda, Nimno...' - hij probeerde zich nog andere namen te herinneren - '... en de anderen uit je gebroed.'
'Vertellen?' vroeg de imp. Wat vertellen, meester?'
'Vertel over jullie leven, wat jullie doen als jullie niet hierheen worden geroepen.'
'We leven, we sterven, we vechten...' Er leek een lichtje in de ogen van het schepsel te verschijnen. 'We begonnen. We waren niet, en toen waren we wel. Met honderden, zwemmend op de beginplek. We vochten. We aten, we groeiden. Van de honderden bleven er vijftig over. Vijftig kropen uit de beginplek, en we vochten voor grotere en gulzigere. Wij waren slim, wij negen. We hielpen elkaar, doodden degenen die wachtten en vraten ze op. We werden sterk en we waren negen samen. Degenen die wachtten renden weg en zochten de zwakken op die elkaar niet hielpen.' Hij haalde zijn schoudertjes op. We gingen bij de beginplek weg en verstopten ons.'
'Verstopten jullie je?' vroeg Amirantha. 'Voor wie?'
'Allen die groter waren, sterker en gulziger,' antwoordde de imp die een stuk kaas op zijn klauw pinde en het opat. 'Nalnar dorst!' Met toegeknepen oogjes keek hij naar Amirantha en vroeg: 'Wijn?'
'Nee!' zei Amirantha. Hij keek Puc aan. 'Je wilt hem niet dronken zien.' Toen richtte hij zich weer tot de imp. 'Water.'
'Water,' herhaalde de imp.
Puc gebaarde naar de studente, die gefascineerd toekeek, en moest heftig wuiven om haar aandacht te trekken. De jonge vrouw knikte en haastte zich weg, en even later keerde ze terug met een beker water.
De imp dronk gretig en liet de lege beker vallen. Toen keek hij om zich heen en kwetterde vrolijk. Amirantha zuchtte en verbande het wezen met een handgebaar terug naar zijn eigen rijk.
'Waarom?' vroeg Puc zachtjes.
Gulamendis was degene die antwoordde. 'Ze raken bedwelmd door ons voedsel, zelfs door water, en dan worden ze brutaal. We voeren ze meestal alleen als beloning, als we ze niet meer nodig hebben. Daarom heeft hij hem verbannen.' Hij knikte goedkeurend naar Amirantha.
'We hadden verder niets meer aan hem, want hij zou onhandelbaar worden en gaan liegen. Hij moet eerst weer nuchter worden in zijn eigen rijk,' vulde Amirantha aan.
'Ik heb gelijksoortige problemen met impen gehad,' bevestigde de elf.
'We hebben meer informatie nodig,' zei Tomas zachtjes.
Gulamendis neigde respectvol zijn hoofd. 'Ja, Oude, en ik zie nu in hoe verkeerd het van me was om niet nieuwsgieriger te zijn.'
'Ik ook,' beaamde Amirantha. 'Maar in jouw geval vraag ik me iets af,' zei hij tegen Gulamendis. Toen jullie volk werd bestookt door demonen, is het toen niet bij je opgekomen om naar informatie op zoek te gaan?'
'Hoe betrouwbaar zijn jouw bronnen onder de demonen?' was Gulamendis' wedervraag.
Amirantha haalde zijn schouders op. 'Ik heb nog niet de behoef te gehad om dat vast te stellen.'
'Precies,' zei Gulamendis.
Puc bekeek de sterrenelf en dacht iets van gepikeerdheid te be speuren omdat er werd gesuggereerd dat hij beter zijn best had moeten doen. 'Ik ben ervan overtuigd dat Gulamendis zijn eigen dringende zorgen had.'
Met de zelfbeheersing die Puc ook kende van Aglaranna's volk knikte Gulamendis alleen lichtjes. 'Inderdaad. Ik heb nooit een hoge status gehad onder mijn volk, en zodra de aard van het demonenlegioen bekend was... Nou, laten we het erop houden dat we geen kans kregen om te helpen. Sommigen werden meteen terechtgesteld...'
'Terechtgesteld?' onderbrak Tomas hem. 'Hoe is dat mogelijk?'
Gulamendis leek van zijn stuk gebracht door die vraag. 'Op bevel van de regent. Sommigen van ons werden gevangengezet, ondervraagd en gemarteld, terwijl anderen gewoon meteen werden terechtgesteld. De Raad van de Regent, of althans de meerderheid daarvan, geloofde dat wij verantwoordelijk waren voor de invasie.'
Tomas' gezichtsuitdrukking was een mengeling van ongeloof en woede. Terechtgesteld,' fluisterde hij. 'Elfen die elfen doden.' Hij sloeg zijn blik neer alsof hij werd overstelpt door droefheid. Toen keek hij de demonenmeester van de taredhel aan. 'Ik denk dat ik de komende dagen maar eens moet gaan praten met je heerser, met die regent.'
Gulamendis was niet verheugd over de richting waarin het gesprek ging. 'Ik heb wel geprobeerd informatie over het demonenlegioen te krijgen van de demonen die ik had opgeroepen, maar de tijd stond niet aan mijn kant. Ik ben gevangengenomen en een tijdlang bewaakt. Ik kon weinig anders doen dan 's avonds Choyal oproepen, een van mijn impen, en hem naar de keuken sturen om voedsel en water te stelen zodat ik niet zou verhongeren in mijn kooi.'
'Waarom ben je gespaard?' wilde Puc weten.
'Om te garanderen dat mijn broer zich zou gedragen.'
'Dat moet je uitleggen,' zei Puc.
'Terwijl het demonenlegioen ons onder druk zette, werd de zoektocht naar een veilig toevluchtsoord dringender. Onze hoofd wereld, Andcardia, zou uiteindelijk vallen; de regent en de Raad van de Regent wisten dit al lang voordat het tot de rest van de bevolking doordrong.
Er werden grote bijeenkomsten gehouden op de pleinen in onze steden, er werden glorieuze banieren uitgerold en bloemen regen den neer op hen die tegen de demonen ten strijde trokken. Alle soorten elfenmagie werden ingezet. We hebben wapens die bezweringen tegengaan, zodat demonische magiërs aan het wankelen worden gebracht en onze gewapende strijders hen kunnen doden. We hebben doodstorens die enorme schichten kwaadaardige energie afschieten, waarmee het vlees van demonen wordt vernietigd. Ver schrikkelijke oorlogsmachines werden gebouwd en tegen hen gebruikt. Maar nog steeds bleven de demonen komen.'
Puc stak zijn hand op. 'Laten we even teruggaan naar de wereld die jullie volk ontdekte, die waar geen leven meer was. Als dat niet de plek was waar jullie voor het eerst op de demonen stuitten, waar dan wel?'
'Onze translocatiepoorten werken met een kleine mate van imprecisie. Ik begrijp het probleem niet, want die magie ken ik niet.' Hij neigde zijn hoofd naar Puc. 'Jij zou ongetwijfeld begrijpen wat de poortmeesters bedoelen, maar ik niet.
Ik weet alleen dat er op enig moment is besloten een centrum te bouwen, waardoor alle werelden met elkaar verbonden werden. Een centrale zaal van magie waar iedereen die tussen de werelden van de Clans van de Zeven Sterren heen en weer wilde reizen eenvoudig de weg kon vinden.
Dus je hoefde alleen maar door een poort op de centrale wereld te stappen, de planeet Komilis, en van daaraf kon je alle bestemmin gen bereiken.'
Puc knikte en zei peinzend: 'Dat neemt de behoefte aan tientallen scheuringen weg, want er zou er op elke wereld maar één nodig zijn, en alleen de magiërs op Komilis moesten voor meerdere poorten tegelijk zorgen.'
'Precies,' bevestigde Gulamendis. 'Maar toen ons verkennings team de wereld van de demonen vond...'
Toen bestormden die de poort en kregen ze toegang tot jullie doorvoerwereld,' concludeerde Sandrina. Haar toon liet er geen twijfel over bestaan dat ze dit een militaire blunder van de eerste orde vond.
Gulamendis zei niets, maar zijn gezichtsuitdrukking bewees dat hij het met haar eens was. Toen vervolgde hij zijn verhaal. 'De strijd om de centralestad op Komilis duurde jaren. Maar uiteindelijk kregen de demonen het doorvoerpunt lang genoeg in handen om hun weg naar al onze werelden te vinden.'
'Hebben jullie niet geprobeerd de poorten te vernietigen?' vroeg Puc.
'Ja,' antwoordde Gulamendis, 'maar het was al te laat. Ze wisten de weg al.'
'En als ze de poort van Andcardia naar Midkemia bestormen voordat jullie die kunnen sluiten,' zei Puc, 'dan komen ze ook hier heen.'
'Of misschien zijn ze er al,' zei Amirantha.
'Ik denk dat jij dat dan wel zou weten,' opperde Gulamendis droogjes.
'Niet per se,' antwoordde Amirantha. 'Die demon waar ik je over vertelde, die mijn broer had opgeroepen, heb jij zoiets wel eens gezien?'
'Ik weet het niet zeker, maar ik denk van niet,' antwoordde Gulamendis.
'Een strijddemon die ook magie gebruikt?'
'Nee,' zei de elf. 'Zoiets heb ik nog nooit gezien.'
'Ik heb een theorie,' zei Amirantha peinzend. 'Het is maar speculatie, maar het past in wat we tot dusverre weten.'
'Ik zou hem graag horen,' zei Puc.
'Er is een andere instantie aan het werk,' vertelde de zwarte magiër.
'Je broer?' opperde Puc.
Hij schudde zijn hoofd. 'Misschien, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk. Belasco is vele dingen, maar hij is geen fanaticus. Maar hij zou wel bereid zijn om fanatici te dienen.
Sandrina's beschrijving van die mislukte oproep wijst erop dat iemand wanhopig probeert om demonen naar dit rijk te halen en bereid is het risico van fouten te nemen - zelfs catastrofale fouten - om dat doel te bereiken.
Wat ik had moeten zeggen, is dat als de oproeper iets vaardiger was geweest, die demonen die hij opriep veel langer in onze wereld hadden kunnen blijven.'
'En sterker hadden kunnen worden,' voegde Gulamendis eraan toe.
'Maar dat doet er eigenlijk niet toe,' zei de zwarte magiër. Waar het om gaat, is dat die groepering weet dat deze wereld bestaat en probeert demonen hierheen te halen, en dat ze bereid zijn om waan zin te ontketenen om dat doel te bereiken. Bovendien heeft het misschien helemaal niets te maken met het gevaar waar onze elfen vriend ons voor komt waarschuwen.'
'Hoe kom je daarbij?' vroeg vader-bisschop Creegan, die zijn twijfels over Amirantha's aanwezigheid even terzijde had geschoven.
'Omdat als ik de chronologie goed heb, deze gebeurtenissen meer dan tien jaar voor de aankomst van zijn volk plaats vonden.' Hij keek Jommy aan.
'Ja,' bevestigde de roodharige jongeman. We kwamen die Zwarthoeden ongeveer tien jaar geleden bij de kust van het schiereiland tegen.'
'En je broer is hier nog geen jaar geleden voor het eerst gekomen?' vroeg Amirantha aan Gulamendis.
De elf knikte. Hij keek naar de anderen en zei: 'De demonen probeerden hier al te komen voordat ze zijn thuiswereld bereikten.'
'Ik ben er niet van overtuigd dat deze problemen ongerelateerd zijn,' zei Puc, 'maar zelfs als het wel zo is, ze moeten allebei worden opgelost. We kunnen geen gestoorde lui laten rondlopen die proberen demonen naar ons rijk te halen omdat ze daar toevallig zin in hebben.'
Amirantha's gezicht onthulde dat hij niet zeker wist of Puc hém ook tot die categorie rekende.
'En als het demonenlegioen de sterrenelfen naar deze wereld volgt...' Puc maakte de gedachte niet af.
'Twee problemen, dus,' zei Jommy.
'Wat moeten we doen?' Tomas richtte zijn vraag aan Puc.
Puc weifelde even. Als leider van het Conclaaf der Schaduwen werd al tientallen jaren van hem verwacht dat hij bevelen uitdeelde, maar hij vond het soms nog altijd moeilijk om mannen met veel macht en ervaring te commanderen, omdat hij liever van hen wilde horen wat zij als het beste plan van aanpak zagen. Uiteindelijk zei hij: 'Vader-bisschop Creegan, Amirantha, Sandrina, en wie jullie verder nog wensen mee te nemen, moeten teruggaan naar Akrakon om te zoeken naar sporen van degene die probeert demonen hier heen te halen.'
'Ik ga wel mee, als je er geen bezwaar tegen hebt,' zei Jommy. 'Ik heb tien jaar geleden dat eerste monster aan land zien komen, en ik vind het tijd worden om eindelijk eens uit te zoeken wie die Zwarthoeden zijn.'
Puc knikte. Hij keek Tomas aan. 'Ik denk dat jij en ik met Gulamendis mee moeten gaan om de nieuwkomers te begroeten en in te schatten of het demonenlegioen hen hierheen zal volgen.'
'Er kunnen moeilijkheden van komen,' waarschuwde Gulamendis.
'Dat heb je al duidelijk gemaakt,' antwoordde Tomas, 'maar we hebben geen keus. We kunnen een intocht van dit formaat niet negeren. Bovendien zal het Koninkrijk der Eilanden die ook niet negeren zodra Alystan van Natals verslag zijn weg vindt naar de prins in Krondor. Er zal zeker een groep ruiters vanuit Cars of Tulan worden gestuurd om onderzoek te doen. En Dolgans dwergen zullen ook iemand sturen om een oogje op je volk te houden.'
'Dat zou onverstandig zijn,' zei Gulamendis.
'Hoezo?' wilde Puc weten.
'Omdat de regent heeft bevolen dat iedereen die onze vallei in komt meteen moet worden gedood.'
'Wát?' riep Tomas uit. 'Júllie vallei?'
'We zijn een volk dat met uitsterven wordt bedreigd!' kaatste Gulamendis terug. 'En we zullen vechten als we bedreigd worden, of dat nou mensen, dwergen of zelfs onze eigen verre verwanten zijn. Het zou beter zijn als jullie mij eerst naar de Raad van de Regent laten gaan om hun te laten weten dat ik contact met jullie heb gemaakt en dat jullie ons willen helpen voorkomen dat de demonen hierheen komen.'
Tomas keek naar Puc, die knikte.
'Goed dan,' zei de Krijgsleider van Elvandar. 'Ik kan een draak roepen en je een stukje van jullie buitenposten vandaan laten afzet ten.'
'Niet nodig,' antwoordde de demonenmeester. 'Ik kan zelf een vlieger oproepen.' Hij zag Pucs gezichtsuitdrukking en voegde er snel aan toe: 'Hij zal volledig in mijn macht zijn en ik stuur hem weg zodra ik er ben.'
'Reis erheen zoals je wilt,' zei Tomas, 'maar zeg tegen je leiders dat ik over drie dagen kom. Ik keer eerst terug naar mijn koningin en dan kom ik naar jullie nieuwe thuis. Ik zal ook leden van de raad van mijn vrouwe meenemen, en dan zullen we met je regent bespreken wat we moeten doen als het demonenlegioen doorbreekt.
Maar ik raad je leiders aan hun houding ten opzichte van lieden die de grenzen van jullie kamp in de vallei benaderen te heroverwegen, Gulamendis. Ondanks het feit dat je volk in hun eigen superioriteit gelooft, gaan jullie gebukt onder een schijnbaar eindeloze oorlog en zullen jullie hulp nodig hebben. Degenen die naar jullie toe komen kunnen per ongeluk op jullie stuiten of uit nieuwsgierig heid komen kijken, dus ik wil dat ze met respect worden behandeld.' Tomas zei niet dat als de regent zijn boodschap niet ter harte nam, hij daar ontstemd over zou zijn, en zelfs een Valheru met zo'n vreemde afkomst was een schepsel dat respect of zelfs vrees af dwong.
De demonenmeester knikte en maakte een buiging naar de an deren in de tuin. Tegen Amirantha zei hij: "Wij moeten ook binnen kort overleggen; we hebben veel te bespreken en veel te leren.'
'Akkoord,' zei de zwarte magiër, die opstond en een respectvolle buiging maakte.
Terwijl hij zich voorbereidde op zijn vertrek zei Gulamendis: 'Er zijn zoveel dingen die ik van jou en je metgezellen wil leren, Puc. Maar ik ben geen typisch voorbeeld van mijn ras.' Hij keek naar Tomas. 'Uw oude vriend zal u vertellen over een gesprek dat wij hebben gehad, en dan zult u beseffen dat ik het oprecht meen dat we de toenadering van uw volk niet zullen verwelkomen totdat we zeker weten dat we veilig zijn.' Hij keek op naar de hemel. Thuis. Het is een mythe, en toch sta ik hier; onder dezelfde hemel waar mijn voorouders naar opkeken.'
Hij richtte zijn blik weer op Tomas. 'En ik ben niet de beste tussenpersoon die u had kunnen kiezen, heer Tomas, want de mees te leden van mijn volk geven mij en mijn vakgenoten de schuld voor de demoneninvasie. Wat we ook zeggen, ze willen niet geloven dat er ergens daarbuiten een demonenpoort is waar die schepsels door heen komen.'
'Demonenpoort?' vroeg Puc. 'Daar had je niets over gezegd.'
'Het is bijna een mythe; een gerucht. Ze zeggen dat een demonenmeester vlak voordat hij werd terechtgesteld smeekte de Raad van de Regent te vertellen dat hij wist dat de demonen ons rijk binnenkwamen door een demonenpoort. Hij zei niet hoe hij dat wist, hoewel hij die informatie kan hebben verkregen van een schepsel dat hij had opgeroepen. Maar het is de hoop waar mijn vakbroeders en ik ons aan vasthouden: dat we op een dag vergiffenis krijgen voor deze verschrikking waar ons volk mee te kampen heeft.'
'Ik weet dat er een demonenpoort is,' zei Puc kalmpjes.
Voor het eerst begaf Gulamendis' zelfbeheersing het en was er hoop op zijn gezicht te zien. 'Hoe weet je dat?'
'Omdat ik er ben geweest.'