11
Oproer
Gulamendis brulde.
Het primitieve geluid scheurde door zijn keel omhoog ter wijl hij zijn hoofd in zijn nek gooide en zijn frustratie uitte op de enige manier die hij kon verzinnen. Het gebeuk van de golven op de rotsen overstemde het geluid al snel. De demonenmeester van de taredhel had geweten dat dit moment zou komen, maar hij had doorgewerkt in de hoop de bron te vinden van de demonensporen die hij had ontdekt.
Hoewel ze een emotioneel volk waren, konden de taredhel zich goed beheersen als het nodig was. Op de rotsen van deze wildernis, mijlenver van elke beschaving van mensen, dwergen of iets anders wat ook maar in de verste verte intelligent was, voelde Gulamendis die behoefte niet. Hij stak zijn hand op en riep een kolkende massa energie op, een wervelende bal van mystieke zwarte tentakels in een donkerpaarse bol, en smeet die naar de rotsen beneden.
De bol raakte een groot rotsblok en ontplofte in een bevredigen de knal van verblindend fel vuurwerk. Er stegen wolken donkere rook op en een regen van zilveren vonken schoot alle kanten op. Toen de oceaanbries de rook had weggeblazen was alles weer zoals voorheen. Het enige spoor van Gulamendis' uitbarsting was een kale plek op de rotsen, waar het korstmos was weggebrand. Verder bleven de oceaan en de rotsen beneden hem onverschillig.
Gulamendis grinnikte om zijn kinderachtige reactie en ging zit ten om zijn volgende zet in dit verschrikkelijke, gevaarlijke spel te overdenken. Zijn oorspronkelijke plan was simpel geweest: de de monensporen net zolang volgen tot hij precies had vastgesteld met wat voor soort demon hij te maken had. Hij was er bijna zeker van dat hij een bezwering had bespeurd, want het residu ervan had een ander karakter, een afwijkende smaak dan wat er overbleef wanneer een demon ongevraagd een rijk betrad. Hij had dat feit voor het eerst opgemerkt toen hij demonen was tegengekomen langs de grens met Diazialan, toen het eerste conflict was uitgemond in deze lange en bittere oorlog.
Hij was geïntrigeerd. Wie was deze ontbieder van demonen? Op zijn reizen had Gulamendis maar heel weinig magiegebruikers ontmoet die dergelijke schepsels naar dit rijk konden laten komen, en niet een van hen had zijn eigen vaardigheden kunnen evenaren. Hij zou de eerste zijn om toe te geven dat hij ook veel geluk had gehad, maar hij had de kansen die zijn geluk hem had geboden aangegrepen. Hij was een even kundige student als zijn broer.
Hij zuchtte en stond op. De demon was aan de overkant van de zee, en hoewel hij er niet zeker van kon zijn, vermoedde hij dat de overkant een heel eind weg was, misschien zelfs wel aan de andere kant van de wereld. Hij kon wel demonen oproepen die het vermogen hadden om hem te dragen, maar geen ervan kon over zo'n uitgestrekte zee vliegen.
Bovendien waren er belangrijkere zaken dichterbij dan het bevredigen van zijn wetenschappelijke en beroepsmatige nieuwsgie righeid. Hij zou die andere demonenmeester later maar moeten gaan zoeken.
Nu moest hij zich richten op de taak die de regent hem had gesteld: onderzoek doen naar de elfen in het noorden, op een plek die Elvandar werd genoemd. Er kwam een vreemd verlangen in hem op bij het vooruitzicht om hen te vinden, want hoewel de taredhel hun eigen orde hadden, hun eigen kijk op het heelal, waren ze in hun hart nog steeds edhel, en oude banden hielden stand.
Staand op de rotskliffen met uitzicht op zee, in een land dat de Verre Kust werd genoemd, overpeinsde Gulamendis wat hij over deze streek wist. Hij dacht dat hij in de buurt was van een stad die Cars heette, even ten zuiden van een andere mensennederzetting die Schreiborg werd genoemd, en als de inlichtingen van zijn broer klopten moest het elfenbos ten noorden van die stad liggen. Hij ging in gedachten na wat hij in zijn reistas bij zich had en oordeelde dat de tocht te zwaar was om te voet te maken.
Hij keek lange tijd om zich heen, nog altijd behoedzaam, sloot zijn ogen en begon een oproep. Binnen enkele ogenblikken ver scheen er een demon. Het schepsel kwam dan wel uit de hel, en het was er een van een lagere kaste, maar het kon rennen als het snelste paard, en hij kon het berijden. Het bood echter nogal een bizarre aanblik.
De demon knipperde met zijn enorme zwarte ogen in het dag licht. Hij keek om zich heen en snoof. Hij was al eens eerder door deze elf opgeroepen en wist wel beter dan hem aan te vallen of een ontsnappingspoging te wagen, want dit was zijn meester. Hij liet zijn kop zakken en wachtte af.
Hij leek evenzeer op een enorme hond als op een paard, hoewel zijn poten langer waren en zijn lijf slanker. Hij had een puntige snuit, bijna als van een hagedis, en zijn oren lagen plat tegen zijn schedel zoals bij een kwade kat. Zijn stompe staart kwispelde niet begroetend maar trilde een beetje; een waarschuwing dat het monster klaar was voor de aanval.
Gulamendis sloot zijn ogen en gebruikte een bezwering die zijn broer hem had geleerd, een illusie waardoor iedereen die hem op merkte, behalve iemand met uitzonderlijk grote magische vermogens, een paard zou zien in plaats van een demon. Het was een gelijksoortige bezwering als die Laro had gebruikt om zichzelf als mens te vermommen tijdens zijn reizen, en die had hem goed gediend.
De elf greep zich vast aan de schubben van de demon, sprong op zijn rug en stuurde hem met zijn benen naar het noordoosten. Over een paar mijl zou hij op een fatsoenlijke weg aankomen die hem naar de mensenstad Schreiborg zou leiden. Daar wilde hij misschien nog wat op onderzoek uitgaan voordat hij verder naar het noorden reisde om een bezoek te brengen aan zijn verloren verwanten.
Gulamendis stuurde zijn demonische rijdier door de akkers. Hij was de weg afgegaan en had een pad gevonden tussen de landerijen van de hoeven die verspreid ten zuiden van Schreiborg stonden. Hij had de Koningsweg achter zich gelaten toen hij had gemerkt dat de mensen naar hem staarden. Eerst was hij bezorgd geweest dat de vermomming van zijn rijdier niet goed genoeg was - hij was niet zo'n meester als zijn broer - maar de tweede keer dat mensenkinderen riepen en naar hem wezen, besefte hij dat hun opwinding voort kwam uit het feit dat hij een elf was. Hoewel deze streek dicht bij het elfenwoud lag, werd hem duidelijk dat de bewoners ervan maar zelden ten zuiden kwamen van wat de Grensrivier werd genoemd, waardoor hij veel aandacht trok.
Voor zover hij kon bepalen zagen de mensen geen verschil in zijn kleding, gedrag of rijdier ten opzichte van die van de plaatselijke elfen. Toch besloot hij dat steelsheid hem beter zou dienen dan te proberen een plaatselijke elf te imiteren, en bij de eerste mogelijk heid wendde hij naar het oosten en ging van de weg af.
Hij kon tussen de buitengrenzen van deze boerenlanden rijden, in het zicht van de weg, zonder al te veel aandacht te trekken. De gewassen waren nog niet helemaal rijp voor de oogst dus er waren weinig mensen op de akkers, en als hij al af en toe een mens zag, kon hij die gemakkelijk ontwijken. Zijn zintuigen waren superieur aan die van hen, dus hij was niet bang voor ontdekking.
Toen hij bij een groepje boerenhuizen aankwam reed hij naar het oosten, het bos in dat overging in het diepere woud dat het Groene Hart heette, en toen reed hij weer naar het noorden. Hij voelde een vreemde onrust in deze wouden, een aanwezigheid die zowel vertrouwd als buitenaards was. Hij wenste dat hij meer tijd had gehad om met zijn broer te overleggen en te horen wat Laromendis over deze plek had ontdekt.
Toen hij weer op boerenpaden aanbelandde, creëerde de zonsondergang in het westen een schitterend palet van rood, oranje, roze en gouden tinten tegen de donkergrijze wolken aan de horizon. Gulamendis raakte geëmotioneerd, want dit was de eerste zonsondergang die hij boven een oceaan op Midkemia zag. Toen hij nog een laatste blik over de zee wierp, was de dag grijs en somber en werd de grens tussen zee en hemel verborgen door nevel.
Elke dag die hij op deze wereld doorbracht versterkte die ene gedachte: dit was hun Thuis. Maar er was iets mis.
Hij kon niet aangeven wat er precies mis was, maar hij voelde zich gewoon niet helemaal op zijn plaats hier. En hij vermoedde dat die gebrekkigheid in hemzelf lag. Misschien was zijn ras veranderd tijdens de vele generaties die ze op andere werelden hadden geleefd, weg van de voedende magie van Midkemia. Hij was er niet zeker van, maar hij wist wel dat zijn zorgen minder belangrijk waren dan het vinden van zijn verre verwanten en het ontdekken of zij mogelijke bondgenoten konden zijn.
Terwijl hij op zijn vermomde demon zat en door de schemering reed, wist hij dat hij de enige was die de dreiging begreep die klaar stond om deze wereld aan te vallen. En hij had nog een andere overtuiging: dit zou hun laatste strijd zijn. Als het demonenlegioen de weg naar Midkemia ontdekte, als ze een pad van Andcardia naar deze wereld vonden, hun Thuis, dan zou dat het einde betekenen van alle edhel, alle elfen die op deze aarde waren geboren.
Schreiborg was een interessante en vermakelijke afleiding geweest. Gulamendis had er geen enkele moeite mee gehad om de lawaaiige en slecht georganiseerde stadswacht te vermijden, die zonder veel aandacht voor detail om de stadsgrenzen marcheerde. Het was hem duidelijk dat men hier al enkele jaren geen problemen meer had gehad. Hij was stilletjes door een donkere straat gereden, langs een of twee gebouwen waar het licht aan was, maar hij had geen aan dacht getrokken.
Bij de haven was het er ordelijk aan toe gegaan. Een landtong strekte zich uit naar de noordelijke grens, met aan het eind een stenen toren die eerder een uitkijktoren dan een vuurtoren leek. Er brandde wel licht, maar het was waarschijnlijk een kolenbrander, want hij verspreidde slechts een gedempte gloed. Gulamendis nam aan dat hier na het donker geen schepen aankwamen, en dat onverwachte bezoekers maar voor anker moesten gaan en wachten op de ochtend als ze niet het risico wilden nemen bij dat karige licht de haven binnen te varen.
Hij stuurde zijn rijdier naar het noordoosten, weg bij de haveningang, en reed langs de noordelijke grens om de stad heen. Hij was nieuwsgierig naar het kasteel op de steile helling boven de stad, maar hij wist dat het waarschijnlijk werd bewaakt door soldaten die professioneler waren dan die van de stadswacht die hij zo gemakkelijk had ontlopen. Hij wist niet veel over die mensen, maar hij had scherpe zintuigen en een heldere geest.
Hun sociale structuur gaf aan dat ze deze streek stevig in de hand hadden. Buren die hun misschien in het verleden problemen had den bezorgd - elfen, dwergen, gnomen of trollen - waren verdreven of uitgeschakeld; en dat betekende dat de mensen gevaarlijk waren.
Zijn ras had al eeuwen niets meer met mensen van doen gehad, en hun ontmoetingen in het verleden hadden altijd tot bloedige oorlogen geleid. Hoewel sommige mensenstammen relatief vreedzaam waren geweest, was een groot aantal van hen strijdlustig en agressief gebleken, en na diverse mislukte verdragen hadden de taredhel pogingen tot vreedzame onderhandelingen gestaakt en waren ze ertoe overgegaan andere volkeren preventief uit te roeien.
De dwergen waren in bepaalde opzichten lastiger geweest. Ze waren veel taaier en moeilijk uit hun ondergrondse nederzettingen te krijgen, maar ze waren ook veel minder agressief en bereid om zonder last te veroorzaken op hun eigen grondgebied te blijven. Slechts twee keer was er oorlog uitgebroken met dwergenclans, maar dat waren dan wel beide keren langdurige, bloedige oorlogen geweest.
Gulamendis realiseerde zich met een zucht dat die geschiedenissen er nu niet meer toe deden, want het demonenlegioen had die werelden overspoeld. Met een hopeloos gevoel vroeg de demonenmeester zich af of hij bezig was met een zinloze onderneming. Zelfs als hij mogelijke bondgenoten kon vinden bij de andere rassen van Midkemia, zou zijn volk hun hulp dan wel willen aanvaarden?
Hij wendde zijn rijdier en reed langs de plaatselijke herberg, waar het druk scheen te zijn. Op de weg hoorde hij er stemmen, gelach en muziek vandaan komen. Als je het muziek kon noemen. Musici van de taredhel speelden doorgaans zachte, lyrische stukken die bedoeld waren om de verheven emotionele ervaringen van magiërs te verbeelden, om die vreugde te delen met andere elfen die geen magie bezaten. Aangezien Gulamendis' magie geen lyrische emotie bevatte, was hij op festivals altijd even geroerd geweest door de muziekstukken van de grote artiesten als de soldaten, boeren en arbeiders; niet dat er sinds de komst van het demonenlegioen veel gelegenheid tot feesten was geweest.
De priesters hadden ook traditionele liederen van gebed en wel kom, en andere, primitievere muziek en instrumenten, als manier om de oorspronkelijke cultuur van de edhel te behouden. Die werd gezien als verhevener of academischer, afhankelijk van hoe je tegen het geloof aankeek, en was maar zelden buiten de tempel te horen.
De muziek die uit de herberg klonk was onstuimig, luid en dis sonant, maar het klonk vrolijk. De zangers schenen zich uitstekend te vermaken. Hij verstond er geen woord van, want hij was de mensentaal amper machtig. Zijn broer had verschillende bezweringen waarmee hij elke taal kon verstaan, maar er was nooit tijd of gelegenheid geweest om die ook aan Gulamendis te leren. Als hij niet jaren geleden de vermommingsbezwering had geleerd, dan zou Gulamendis de hele weg door het bos hebben moeten reizen.
Gulamendis liet Schreiborg achter zich en vroeg zich af hoe het met zijn broer ging, en toen, met een somber gevoel, of hij nog wel leefde.
Laromendis richtte zijn staf op een demon die tegen de muur op klom en schoot een energieschicht in het gezicht van het schepsel. Klauwend naar zijn ogen viel de demon achterover. Een magiër die Sufalendel heette had hem de staf gegeven, waar Laromendis hem eeuwig dankbaar voor was, want zijn eigen subtiele magie was hier zo goed als nutteloos.
Hij stond op de meest noordelijke muur van Tarendamar, schouder aan schouder met soldaten, priesters en magiërs, die allemaal probeerden de vierde demonenaanval van vandaag af te slaan ter wijl de schepsels de borstwering bestormden en toegang zochten tot het laatste bastion van de taredhel op Andcardia.
De grote barrière was in een enorme cirkel rondom de stad Tarendamar opgericht, met een omtrek van meer dan honderd mijl. Andere verdedigingswerken waren overal op de planeet geplaatst, reusachtige vallen met als doel honderden demonen tegelijk te do den, doodstorens die een kwaadaardig magisch vuur los lieten op iedereen die zich binnen honderd meter afstand begaf, en een net werk van tunnels onder de bergen ten noorden van de stad, maar niets ervan had veel uitgehaald.
De demonen hadden de planeet afgeschuimd en niets in leven gelaten. Binnen een jaar nadat ze de poort naar Andcardia hadden gevonden, hadden ze de verspreide wereldbevolking naar Tarendamar gedreven, waarbij meer dan vierhonderd steden, talloze dorpen en boeren-gemeenschappen op de planeet geheel waren ontruimd.
Hele bossen waren ontbladerd en meren en zeeën klotsten nu tegen stille kusten waar geen sterveling meer woonde. De demonen lieten niets in leven en vraten elk schepsel op dat ze tegenkwamen, hoe klein ook. Verkenners hadden gemeld dat er niet eens meer insecten te vinden waren als de demonen waren gepasseerd.
Het enige voordeel dat de taredhel hadden, naast hun superieure kunsten, was de doelbewustheid van de demonen. Die hadden be sloten de barrière op één plek aan te vallen, een ravijn dat hen naar de sterkste positie van de verdedigers leidde, alleen maar, zo werd aangenomen, omdat het de kortste weg naar de stad was. Aan het begin van de oorlog hadden ze op vele fronten tegelijk aangevallen, maar nu kwamen ze in een rechte lijn naar de stad.
Laromendis keek uit gewoonte omhoog. Als er vliegers nader den, dan zou er een waarschuwingskreet te horen zijn geweest. Hij verwonderde zich weer over deze krachtige magie, een enorme, onzichtbare muur van energie, die alleen zichtbaar werd wanneer hij werd geraakt door de magie van een demon of een vallend lichaam. De machtswevers hadden aanvankelijk met reusachtige inspanning een koepel opgericht, maar later ontdekten ze dat er een hoogte was waarboven de demonen kennelijk niet konden vliegen. De bezwering was aangepast en ingeperkt, waardoor de verdedigers weken en zelfs maanden hadden gewonnen voordat de magie die de barrière van energie voorzag uitgeput was.
Laromendis probeerde op adem te komen en hield zijn gedachten voor zich. Overal rondom hem wachtten soldaten, magiërs en priesters met grimmige gezichten op de volgende aanval, hoewel ze allemaal hetzelfde dachten: dit was zinloos. Uiteindelijk zou de stad vallen. Maar de bezweerder wilde niet de eerste zijn die die woorden hardop uitsprak, anders zou misschien iemand zich tegen hem keren. Hoewel de stad ongetwijfeld zou vallen, gaf elk uur hier op de muur meer taredhel de kans om door de poort naar Midkemia te vluchten. Denkend aan Thuis wenste Laromendis vurig dat hij daar nu bij zijn broer was.
Toen schreeuwde een stem: 'Daar komen ze aan!'
Sinds voor zonsopgang waren er al drie aanvallen van de demonen afgeslagen, waardoor er nu duizenden rottende lijken op de vlakte voor de muur verspreid lagen. De karkassen lagen zo hoog opgestapeld dat de laatste golf van aanvallers tegen de lichamen van hun gevallen kameraden op rende alsof het een helling was, waar door ze twintig voet dichter bij de muur konden komen.
Laromendis hield een dolk in zijn linkerhand, voor het geval magie niet voldoende was, en keek met ingehouden adem toe terwijl een volgende groep vliegers naderde, laag en snel. Zij waren de gevaarlijkste en onvoorspelbaarste van het demonenlegioen, want niemand wist precies waar ze zouden aanvallen. Er was in de afgelopen twee dagen iets veranderd, want de vliegers - althans enkele ervan — waren nu in staat om de barrière te doorboren.
Gevechten van elf tot monster waren nu aan de orde van de dag, en wederom hadden de taredhel het voordeel. Hoewel elke demon fysiek even sterk was als twee elfenstrijders, hadden de elfen de beschikking over ongeëvenaarde magische kunsten. Niet alleen konden ze bezweringen inzetten waardoor demonen ter plekke ver schrompelden of verdoofd of verward raakten, maar veel van de gebruikte wapens waren betoverd om veel meer schade aan te richten dan verwacht. Zwaarden openden vurige wonden die meteen etterden en helse pijn veroorzaakten, pijlen verdoofden met magische schokken, en hoog boven hen regenden groene doodsvlammen neer op de aanvallers, vanuit doodstorens die in de afgelopen maand waren gebouwd. De demonen zouden uiteindelijk hier over winnen, maar daarvoor moesten ze dan wel een onvoorstelbare prijs betalen.
De vliegers doken omlaag. Tijdens vorige aanvallen hadden ze de bovenkant van de muur geraakt om een breuk in de verdediging te maken zodat de kruipers - zoals Laromendis de schuifelende demonen die als spinnen tegen de stenen muur opklommen noemde - de bovenkant konden bereiken, naar de poorten konden komen en die konden openen. Eenmaal waren de vliegers over de muur geschoten en op het open terrein tussen de verdedigingswerken en de buitenrand van de stad geland, waarschijnlijk om de aanval op de poort in te zetten. De weinige demonen die de tocht door de barrière hadden overleefd, werden snel uitgeschakeld door mobiele compagnieën, brigades van de beste soldaten die klaarstonden om op elke positie in te springen.
De doodstorens begonnen naar de naderende vliegers te spugen, en Laromendis keek gefascineerd toe. Doodsbezwering was een zo duistere kunst dat geen enkele respectabele magiegebruiker toegaf er belangstelling voor te hebben, maar dit toestel was zo anti-leven dat het alleen met doodsbezwering kon zijn gemaakt. Ze moesten de verboden boeken uit de kluizen van de bibliotheek van de regent hebben gehaald. Geen enkel beschaafd wezen had zich deze afgrijselijke doodsmachines kunnen indenken, laat staan ze kunnen bouwen.
De reusachtige zwarte torens waren langs de muur gebouwd, elk met een kristal erop dat zo zwart was dat het alle licht leek te absorberen. Er weerspiegelde helemaal niets op het oppervlak ervan, maar ze pulseerden met kwaadaardige energieën en konden groene schichten op de vliegers afschieten. Het groene licht hoefde alleen maar in de buurt van de schepsels te komen om hun vreemde energie op te zuigen. Zilveren lichten, als kleine bliksemschichten, vlo gen van hun lichaam naar de groene stralen, de vliegers verstijfden in de lucht en vielen dan te pletter. Degenen die uit de buurt van de doodsschichten bleven, werden gedood door de elfen op de stads muren.
Dit gevecht was het bloederigste dat de oorlog tot nu toe had gezien. Alles werd in het werk gesteld om de monsters zo lang mogelijk buiten de stadsmuren te houden. De translocatiepoort in het centrum van de stad werd gebruikt om de Zeven Sterren te evacueren, en alle magiërs die niet bij dat werk aanwezig hoefden te zijn waren al hier op de muren.
Er kwam een kruiper tegen de muur omhoog, zo snel dat Laromendis zich bijna liet overrompelen. Hij stak zijn rechterhand naar voren, maar de schicht uit zijn staf miste het schepsel volkomen. Snel haalde hij met zijn dolk uit naar de nek van het monster. Die was zo dik als een boomstam en het mes drong nauwelijks door de huid, maar de demon werd afgeleid door de pijn; hij verloor zijn houvast en viel achterover op een andere kruiper. Laromendis vroeg zich af of anderen hadden opgemerkt wat hij had gedaan, maar de vliegers kwamen nu met alarmerende regelmaat door de energiebarrière heen.
'We houden dit niet veel langer vol,' zei hij tegen niemand in het bijzonder.
Een veteraan naast hem gromde, wat hij opvatte als instemming. De strijder had zijn handen vol aan het afhakken van de kop van een vlieger die de stralen van de doodstoren had ontweken. Hij negeer de ook een wond in zijn linkerschouder, waardoor hij gevaarlijk veel bloed zou verliezen als hij er niet snel naar liet kijken.
'Laat je schouder verbinden!' schreeuwde hij. 'Ik hou ze wel te gen!'
Hij riep een illusie op, waarvan hij er een aantal had voorbereid voor dit soort noodgevallen. Er verscheen een wezen in de lucht boven hem: een koninklijke toornvogel. De vogel had een vleugel spanne van zeventien voet en bestond uit pure agressie en spieren. Plotseling stonden de demonen op de muur oog in oog met klauwen zo scherp dat ze een lichaam konden doorboren, en een snavel zo sterk dat die door een pantser kon bijten. De illusie was zo realistisch dat ze aarzelden, en dat was alles waar Laromendis op had gehoopt. Hij richtte zijn staf op de dichtstbijzijnde en schoot hem een schicht in zijn gezicht. Het monster klauwde naar zijn ogen en stierf.
De illusie was zo levensecht dat ook verdedigers vlakbij afstand namen. De toornvogel was een van de meest gevreesde roofdieren op alle planeten van de Clan van de Zeven Sterren, en ze roken de stank van aas op zijn adem, voelden zijn vleugelslagen en zagen de felle, robijnrode vleugen van kleur in zijn zwarte veren. De snavel van de vogel droop van het bloed en zijn ogen fonkelden van woede en haat. Het fantoom zou nog minstens een minuut zijn gestalte behouden voordat het zou oplossen.
De bezweerder gebruikte zijn staf nog een keer en een andere demon viel. Boogschutters vuurden nu op de monsters op de mu ren terwijl de zware machines stenen en hete olie, kokend water en brandend afval op de demonen onder aan de muur smeten. De hoog opgetaste lijken vatten vlam en zowel de aanvallers als de verdedigers hoestten van de smerige rook die opkringelde.
De aanval haperde en de aftocht begon. Hoestend liep de bezweerder naar een emmer water toe, tilde hem op en dronk eruit. Hij had niet verwacht dat hij zo'n droge keel zou krijgen. Hij negeer de de bittere metalige smaak, want het leek hem verstandiger om er niet bij stil te staan waardoor het water zo smaakte. Terwijl hij op adem kwam keek Laromendis uit over het slagveld en zag iets nieuws: een stuk of zes grotere demonen langs de slaglinie, op gelijkmatige afstanden van elkaar, die de andere demonen opdrachten gaven. Hij was geen expert, maar hij had alle mogelijke verslagen gelezen en in geen daarvan had gestaan dat het demonenlegioen georganiseerd was. Meestal doken ze gewoon onverwachts op: een vloed van schepsels die vlogen, kropen, renden en sprongen en in golven op de verdedigers af kwamen. De meeste hadden geen andere wapens dan hun tanden en klauwen, maar enkele hadden zwaarden van een buitenaards materiaal of droegen primitieve pantsers.
Maar deze figuren leken wel veldcommandanten. Ze droegen mooiere pantsers en andere demonen stonden aan hun zijde met een soort banier. Er hing te veel rook op het slagveld, de schemering was al te diep, en de vaandels waren te ver weg om er afbeeldingen of patronen op te kunnen zien.
Hij keek om zich heen en vroeg zich af of hij de enige was die hen had opgemerkt. Hij zag geen officieren of soldaten van de regent of de stadswacht wegrennen om dit nieuws aan de regent over te brengen en ook geen magiërs of priesters de lange stenen trap naar het open terrein afdalen. De meesten probeerden enkel op adem te komen, dronken water of verzorgden de gewonden. Een paar anderen zaten met hun rug tegen de muur en hadden uitgeput de benen gestrekt. Iedereen wachtte op de volgende aanval.
Laromendis keek nog eens om zich heen en besloot zelf actie te ondernemen. De officier die hem in de gaten moest houden was niet in zicht. Kennelijk was hij weggeroepen voor andere taken, of hij was dood. Hoe het ook zij, er was niemand die Laromendis kon opdragen hier te blijven, dus besloot hij dat zijn tijd op de muur erop zat.
Hij liep de lange stenen trap naar de open plek af en zag enkele officieren om een gestalte staan die hij goed kende: generaal Mantranos, onderbevelhebber van het leger van de regent en een belang rijke figuur in de Raad. Zijn haren waren grijs en hij had vele littekens van de strijd, maar hij was nog altijd het grootste militaire genie dat het Volk ooit had gekend. Jaren van strijden tegen het demonen legioen hadden zijn vaardigheden op het slagveld zo goed als geperfectioneerd. Hoewel hij nooit in staat was geweest de demonen te verslaan - geen enkele commandant van de taredhel had ooit een overwinning op hen behaald - had hij ze afgeweerd, vertraagd en meer van hun bloed vergoten dan elke elfencommandant die hem was voorgegaan.
Laromendis wist wei beter dan te proberen de generaal rechtstreeks aan te spreken, dus bestudeerde hij de groep om hem heen.
Zes hooggeplaatste commandanten staarden naar een haastig getekende kaart van de noordelijke verdediging, bezaaid met krijttekens. Achter hen, klaar om hun bevelen naar plekken langs de verdedigingslinie te brengen, stond een groep lagere officieren. Toen Laromendis zag dat niemand naar hem keek, gebruikte hij zijn kunst om zich te vermommen als boodschapper, besmeurd met bloed en met een gewonde arm. Hij liep naar een lagere officier toe en meldde zich.
De jonge commandant draaide zich om en zag wat de bezweer der had gewild dat hij zou zien. 'Rapport!'
'Van de muur, commandant. Ik moet u vertellen dat het legioen officieren heeft!'
Dit ving de generaal op. Hij richtte zijn aandacht op Laromendis en zei: 'Wat? Herhaal dat nog eens!'
'Generaal,' zei Laromendis, die zijn stem verdraaide alsof hij verrekte van pijn door zijn nepverwonding. 'Er zijn zes demonische officieren op het slagveld, met vaandragers naast zich. Ze bereiden de schepsels voor op een volgende aanval.'
'Wie heeft je naar ons toe gestuurd?' wilde de generaal weten.
Zogenaamd verzwakt en gedesoriënteerd antwoordde Laromendis: 'Eh... een officier... heer...' Hij zwaaide in de richting van de muur. 'Daarboven.'
De generaal riep een van zijn jongere officiers. 'Ga kijken of het waar is.' Toen wendde hij zich weer tot Laromendis. 'Laat je wonden verzorgen; zo hebben we niks aan je. Als je niet fit genoeg bent, ga dan naar de poort en vertrek met de anderen.'
Laromendis maakte zo goed en zo kwaad als het ging een buiging en liep weg. Zodra hij uit het zicht was, liet hij zijn illusie varen en haastte zich naar de translocatiepoort. Wat de bezweerder betrof had hij zojuist van de hoogste militaire commandant van heel Andcardia toestemming gekregen om naar het Thuis te vertrekken, en hij had niet de behoefte om daarover nog met iemand in discussie te gaan.
Toen hij bij de translocatiepoort was aangekomen, zag hij iets werkelijk ontzagwekkends. Een enorme boom, met de vorm van een eik maar met grotere, glanzend gouden bladeren, werd op magische wijze boven de grond voortbewogen, zwevend op enkele meters boven de aarde, bevestigd met touwen aan het juk van godo's, de reusachtige osachtige wezens van deze wereld. De boom werd door de translocatiepoort getrokken terwijl een stroom vluchtelingen aan weerszijden meeliep. De bezweerder ging in de rij van wachtenden staan en keek toe terwijl de laatste twee van de Zeven Sterren de lucht in zweefden en aan de spannen godo's werden gebonden. Binnen een uur zouden de bomen veilig terug zijn in hun geboortegrond, nadat ze duizenden jaren weg waren geweest, en op dat moment zou Andcardia een herinnering worden.
De regent zou de overgebleven soldaten op de muur opdragen om door de poort te vluchten. De elfen die er eerder waren dan de demonen waren veilig, en degenen die te laat kwamen zouden op deze wereld sterven. Twee priesters keken toe terwijl de bezweerder en andere vluchtelingen naar voren stapten. Laromendis wist dat zij uiteindelijk hun leven zouden geven, want het was hun taak om het translocatietoestel te vernietigen. De demonen zouden hun eigen weg naar Midkemia moeten vinden.
Tot aan deze strijd waren de demonen altijd slim genoeg geweest om poorten naar elke wereld die ze aanvielen te vinden en open te houden, maar deze keer was het anders. Of dat hoopten de regent en alle taredhel in ieder geval, vooral Laromendis. Want er was maar één poort naar Midkemia, en ondanks de enorme afmetingen ervan was die gemakkelijk te vernietigen. Als ze de machine onklaar maak ten, stortte de poort ineen. Zonder de machine was hun bestemming niet na te gaan. Dat was althans de theorie.
Toen hij door de poort stapte, zag Laromendis een aanblik waar door hij even stilstond. Toen hij de vorige keer op de heuvel had gestaan, had er een vredige vallei voor hem gelegen. Nu verrees er een stad en, zo te zien, nogal snel ook.
De magiër liep over de weg naar de pasgebouwde muren die over nog eens een week de hele stad zouden omsluiten. Er waren een paar onderkomens neergezet; vooral houten hutten en canvas ten ten die beschutting boden, maar terwijl de nacht inviel zag hij daar een waar tapijt van kampvuren. Hij had geen idee hoeveel leden van zijn volk al door de poort waren gekomen, maar het moesten er tienduizenden zijn. Waakvuren boven op de hellingen wezen op nog meer kampementen, en hij was ervan overtuigd dat de commandanten hier al groepen op pad hadden gestuurd om de dorpen in te nemen die hij tijdens zijn vorige tocht door deze streek had gezien. Er was ruimte voor minstens vijftigduizend taredhel in deze vallei en de weiden erboven.
Zonder enig schuldgevoel omdat hij zijn positie op de muur had verlaten, was de bezweerder alleen maar blij dat hij nog leefde. Hij was er vrij zeker van dat geen enkele gezagdrager hem zou vragen wat hij hier deed, want ze hadden het zo te zien allemaal erg druk.
Hij keek om zich heen. 'Zo,' fluisterde hij in zichzelf, 'welke kant is Gulamendis opgegaan?'
Gulamendis reed op een sukkelgangetje langs de rivieroever. Hij was eerder die dag bij de Grensrivier aangekomen en op zoek ge gaan naar een oversteekplaats. Toen hij er een vond, had hij een vreemd ongemak bespeurd en had hij niet kunnen oversteken naar het elfenwoud, dus had hij besloten naar een ander pad te gaan zoeken.
Nu, uren later, was hij bij de derde doorwaadbare plaats aangekomen, maar hij kon zich er nog steeds niet toe zetten over te steken. Hij hield zijn rijdier in en steeg af. Misschien was er een soort betovering waardoor hij niet met zijn rijdier dit oude en heilige woud in kon. Hij stuurde de demon met een handgebaar weg en wachtte.
Hij spitste zijn oren. De wind door de takken zong luider tot hem dan op elke andere plek die hij had bezocht, maar er was iets vreemds met het geluid, iets wat hij niet helemaal begreep. Dit was het geboorteland van zijn ras, maar hij voelde zich hier een vreemdeling, alsof hij er niet paste.
Hij zuchtte en ging op de oever zitten om te overdenken wat hij moest doen. Hij keek naar de rivier, op minder dan honderd meter afstand, met snelstromend water dat over rotsen klaterde. Het zou hem geen moeite moeten kosten om het water in te waden en naar de overkant te komen. In gedachten kon hij zichzelf dat heel eenvoudig zien doen.
Maar toen hij het water in had willen stappen, kon hij dat niet.
Hij sloot zijn ogen en gebruikte zijn vaardigheden om te detecteren of er afweerbezweringen waren aangebracht. Er was wel iets, maar het was geen magie zoals hij die kende. Dit was meer een gevoel, alsof hij luisterde naar een oude melodie waarvan hij zich de naam niet kon herinneren. Er was iets spookachtigs aan dat hem verontrustte en dat tegelijkertijd tot hem riep.
Achter zich hoorde hij een stem die vroeg: 'Kun je niet oversteken?'
Het was een merkwaardig accent, maar hij begreep de woorden en kwam snel overeind, graaiend naar zijn gevest. Gulamendis stond tegenover een elf die een paar duim kleiner was dan hijzelf. 'Nee,' zei hij langzaam, 'ik kan niet oversteken.'
De elf hield zijn hoofd schuin, verwonderd over hoe Gulamen dis sprak. Net als de rest van zijn volk was hij geduldig, dus hij zweeg enige tijd. 'Ik ken jou niet, maar toch ben je aan me verwant; dat kan ik duidelijk zien. Wie ben je en waar kom je vandaan?'
'Ik ben Gulamendis, van een bescheiden maar oud geslacht, tot voor kort inwoner van de stad Tarendamar.'
'Sterrenthuis,' vertaalde de elf. 'Daar heb ik nog nooit van gehoord. Zeg eens, waar ligt dat?'
'Op een andere wereld.'
De elf haalde zijn schouders op. 'Ik heb wel eens lieden van andere werelden ontmoet, maar nooit verwanten van een andere wereld, behalve de edhel die naar ons terugkeerden vanaf Kelewan...'
'Edhel?' vroeg Gulamendis. 'Zijn hier nog andere edhel naartoe gekomen?'
De kleinere elf knikte. Hij droeg groen leer, van zijn tuniek tot zijn laarzen, en op zijn rug hing een schitterend gemaakte boog. 'Ja. Ben jij ook van de edhel?'
'Vroeger,' zei Gulamendis, 'was mijn volk dat, hoewel we onszelf nu de taredhel noemen.'
'Het Volk van de Sterren,' zei de elf. Hij glimlachte. 'Dat is mooi. Kom, je mag Elvandar betreden en we heten je welkom. Ik neem aan dat je de koningin wilt spreken?'
'Ja,' antwoordde Gulamendis terwijl hij nu met het grootste ge mak het water in waadde. 'Ik dacht dat ik er niet door kon vanwege de een of andere bezwering.'
'Sterker nog,' zei de elf, 'het woud van Elvandar zelf laat niemand binnen zonder dat hij welkom is, behalve als er krachtige magie Wordt gebruikt. Slechts eenmaal zijn er indringers doorgedrongen tot in het hart van ons land, en dat waren magiërs met enorme macht.'
Plotseling verschenen er twee andere elfen vanachter de bomen, en Gulamendis bleef staan. De eerste elf stelde de anderen voor. 'Ik heet Cristasia, en dit zijn mijn vrienden Lorathan en Gorandis. We houden je al een tijdje in het oog.'
'Zijn alle leden van je volk zo lang als jij?' vroeg de elf die Gorandis heette.
Gulamendis zag dat hij zeker zes duim langer was dan Cristasia, de langste van de drie, en hij knikte. 'Ik ben van gemiddeld postuur. Er zijn erbij die nog langer zijn dan ik, maar niet veel.'
De elfen wisselden blikken. 'Nou, het is drie dagen lopen naar het hof van de koningin, dus we kunnen beter gaan,' besloot Gorandis. Tegen Cristasia en Lorathan zei hij: 'Blijven jullie hier. Ik ga wel met hem mee.'
Ze knikten en leken te versmelten met de bomen toen Gorandis een pad in ging en begon te rennen. Gulamendis aarzelde even, maar rende toen achter de elf aan. Hij haalde hem al snel in. 'Hebben jullie geen rijdieren?'
'Jawel,' antwoordde de boself, 'maar die gebruiken we zelden, behalve als we een lange reis moeten maken. Drie dagen is amper de moeite waard.'
'Ik ben niet gewend aan rennen,' zei Gulamendis, die besefte dat hij moeite zou krijgen om deze boself bij te houden.
Ze volgden kronkelige weggetjes door het bos en renden over smalle wildpaden. Tweemaal struikelde Gulamendis en één keer viel hij, en Gorandis zei: 'Je bent niet thuis in het bos, hè?'
'Nee,' gaf de elf toe. 'Ik ben in de stad geboren, en tot nu toe heb ik het niet erg naar mijn zin in de wildernis.'
De boself lachte. 'Een stadself! Zoiets heb ik nog nooit gehoord. Zelfs degenen die van overzee kwamen woonden op boerderijen of in kleine dorpen. Nou, je bent nooit te oud om te leren, zeggen ze.' Hij draaide zich om en rende weer verder. 'We vroegen ons al af of je simpelweg opgemerkt wilde worden, zoals je langs de rivieroever sjokte.'
'Hadden jullie me gezien?'
We hielden je al bijna de hele dag in de gaten,' antwoordde hij.
Gulamendis ergerde zich eraan dat hij werd bespot door een bosbewoner. Maar nog irritanter was het feit dat die bosbewoner gelijk had; hij had geen sjoege van het bos, en dat wilde hij ook niet hebben.
Sandrina werd wakker met haar strijdknots in haar rechterhand. Ze stond al overeind, met haar helm op, voordat ze helemaal besefte waardoor ze was gewekt.
Ze kroop uit haar raampje en liep geruisloos naar de schuur. Als het vals alarm was, zou ze de rest van de nacht wel op de grond naast haar paard doorbrengen. Wat haar betrof was er weinig verschil tussen het bouwvallige schuurtje en de kamer die ze van Enos en Ivet had gehuurd. De vloer bestond in beide ruimtes uit aarde en was recent nog als latrine gebruikt, in allebei lag stro om op te slapen en krioelde het van de beestjes.
Bovendien was haar paard goed getraind en zou het haar waar schuwen voor eventueel gevaar, wat ook net was gebeurd. Anderen zouden waarschijnlijk niet wakker zijn geworden van het gesnuif en het gekrab op de grond, maar voor Sandrina was het even duidelijk als een alarmklok in een waaktoren. Iemand kwam op de kleine herberg af sluipen, en diegene had ongetwijfeld niets goeds in de zin voor de enige gast die er logeerde.
Zoals haar gewoonte was als ze reisde, had ze in haar pantser geslapen. Het was niet de meest comfortabele manier om te slapen, maar ze was er in de loop van de jaren aan gewend geraakt. Ze bewoog zich geruisloos voort, met haar schild hoog op haar linker arm en haar strijdknots in haar rechterhand, en ze hield haar gelaatsmasker omhoog zodat ze zo veel mogelijk kon zien voordat ze de vijand tegenover zich had.
Zoals ze al had vermoed slopen er twee in het zwart gehulde gestalten door de open tuin achter het huis, op weg naar haar raam. Ze aarzelde niet, want ze had maar een ogenblik de tijd voordat ze haar zouden zien; ze sloeg haar vizier omlaag en viel aan.
De twee zagen haar uit de schemering opduiken toen ze nog maar drie passen van haar eerste doelwit verwijderd was. Voordat hij zich naar haar kon omdraaien, sloeg ze de eerste sluipmoordenaar hard op zijn hoofd. Sandrina betwijfelde of hij nog zou op staan om het haar weer lastig te maken. De andere aanvaller had zich snel omgedraaid en volgde haar beweging. Hij haalde naar haar uit met een lang zwaard. Ze ving de zwaardpunt op haar schild op en gaf er een vakkundig een draai aan, zodat zijn kling langs het schild schraapte. Door de beweging werd de man in het zwart naar haar toe getrokken, en ze beukte hem op zijn gezicht met haar rechter vuist, die nog altijd haar strijdknots omklemde. De kracht ervan dreef de man naar achteren; bloed stroomde uit zijn gebroken neus en hij was verblind van pijn. Sandrina zwaaide haar strijdknots om laag, raakte zijn hak en kegelde hem omver. Hij stootte zijn hoofd hard op de grond en bleef verdoofd liggen.
Ze stond rustig op en schopte hem tegen zijn slaap, en hij werd slap. Het kon haar niet echt schelen of hij door haar trap omkwam, maar ze zou een van die Zwarthoeden wel willen ondervragen.
Enos en zijn gezin waren zo gesloten geweest dat ze had gedreigd hen te laten opdraaien voor de man die zij had gedood. Dat joeg ze nog meer angst aan dan de beschuldiging dat ze haar zouden hebben geholpen.
Ze had geen medelijden met ze, want zij wisten niet dat Sandrina hen nooit in de steek kon laten, ook al waren het nog zulke onbeleefde en irritante mensen. Ze vermoedde dat ze zelfs in de beste tijden vijandig stonden ten opzichte van vreemdelingen.
De eerste man bleek dood te zijn. De tweede was bewusteloos en zou dat nog wel een tijdje blijven. Ze sleepte hem onder wat oud stro aan de andere kant van de vervallen schuur. Misschien waren de twee vrienden geweest.
Ze knielde bij de bewusteloze man neer en merkte dat zijn ademhaling oppervlakkig en snel was. Ze had meer schade aangericht dan haar bedoeling was geweest. In het heetst van de strijd had ze zich zelf vaak slecht in de hand; misschien zou ze als het licht werd twee lijken moeten begraven.
Terwijl ze opstond voelde ze iemand achter zich en ze draaide zich snel om, maar ze kreeg een ferme klap tegen haar slaap, die omlaag schampte en doordreunde op haar schouder. De kracht ervan dwong haar op haar knieën, en alleen haar pantser had een gebroken schouderblad of erger voorkomen. Maar de klap tegen haar helm had haar zodanig gedesoriënteerd dat ze zich niet verdedigde tegen een volgende mep van achteren. Haar laatste gedachte voordat ze half bewusteloos raakte was: Maar het waren er maar twee!
Na een volgende hete uitbarsting van pijn werd haar hele zijkant gevoelloos; ze voelde nog ergens anders pijn, al wist ze niet zeker waar, en toen werd ze verzwolgen door duisternis.
Na drie dagen rennen wist Gulamendis dat hij blij zou zijn als hij nooit meer een voet in een bos hoefde te zetten. Hij zou teruggaan naar de nieuwe stad, naar Thuis, en de beschutting van die muren nooit meer verlaten. De verwondering die hij aanvankelijk had gevoeld was nu verdwenen en vervangen door vermoeide benen en pijnlijke voeten. Hij hield zijn bosbewonende verwant alleen op wilskracht bij, en dankzij een klein beetje magie dat hij gewoonlijk gebruikte bij het africhten van demonen, om de pijn te verdoven.
Zijn metgezel had niet veel gezegd, 's Avonds als ze kampeerden had de jongere elf - Gorandis schatte dat hij nog geen vijftig was - zich er tevreden mee gesteld bij het vuur te zitten en gedroogd fruit en vlees te eten, en hij had op Gulamendis' vragen gereageerd met korte, vage antwoorden. De demonenmeester wist niet of Gorandis heel knap gesprekken wist te ontwijken of dat hij gewoon dom was. De tweede avond was Gulamendis al snel uitgeput in slaap gevallen.
De hele volgende dag hadden ze gerend, en Gulamendis was gewend geraakt aan het slopende tempo. Hij moest met tegenzin toegeven dat zijn verre verwanten indrukwekkende vaardigheden bezaten, waar hij tot dan toe op had neergekeken. Het waren dan misschien primitieve elfen, maar ze wisten uitstekend hun weg te vinden in het bos en waren vast ook uitmuntende jagers.
Toen het begon te schemeren, voelde hij de verandering om zich heen.
Hij bespeurde iets in de lucht van dit bos. Dezelfde trekkracht aan zijn emoties, zo buitenaards en toch zo passend, die hij had gevoeld toen hij voor het eerst op deze wereld was aangekomen. Het gevoel werd nu almaar sterker, alsof ze de bron van dat wonderbaarlijke gevoel naderden.
Toen kwam hij de open plek op en zag hij Elvandar.
Aan de overkant van de open weide stond een enorme stad van bomen; de gigantische takken waren onderling verbonden, als sier lijk gebogen bruggen waarover hij elfen zag lopen.
Gulamendis keek op en zag boom na boom, tot ze verloren gingen in een zee van diepgroen gebladerte, bijna blauwzwart in de avondschemer maar op een of andere manier met een geheel eigen, zachte schittering. Hier en daar zag hij een boom met glinsterende gouden, zilveren of zelfs witte bladeren. Een zachte gloed hing over het geheel en hij liet zich op zijn knieën vallen terwijl de tranen over zijn wangen biggelden. 'Ik had geen idee,' fluisterde hij.
Gorandis bleef staan en keek zijn metgezel aan. Toen hij de emoties zag die over het gezicht van de taredhel trokken, kon hij het niet over zijn hart verkrijgen hem te manen om door te lopen. Dit was een moment van diepe, persoonlijke gevoelens.
'De sterren,' fluisterde Gulamendis. 'Jullie hebben er zoveel.'
'Sterren?' vroeg Gorandis.
Hij wees. 'De bomen. Wij noemen ze... Wij hebben er zeven, eeuwen geleden meegenomen vanaf deze wereld. Dat zijn de Zeven Sterren. Wij zijn de Clan van de Zeven Sterren.'
Gorandis hield zijn hoofd schuin alsof hij zich iets probeerde te herinneren. Toen zei hij: 'Elvandar is altijd zo geweest.'
De demonenjager zag een groep enorme bomen, zoveel dat hij niet kon zien tot hoever ze zich in het diepe woud uitstrekten. Hij telde er minstens twintig, en er waren er daarachter nog meer. Bo vendien zag hij dat ze bladeren hadden in kleuren die hij nog nooit had gezien. Een van de Zeven Sterren had koperbronzen bladeren, twee hadden een felgeel bladerdak, en een ervan stond te fonkelen in het zilver. Maar hier zag hij blauwe bladeren, diepgroen, rood, oranje, zilver én goud. Bij hun pracht verbleekte de lichte gloed van de Zeven Sterren die hij kende.
De demonenmeester krabbelde overeind. 'Het zijn er zoveel.'
Gorandis haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet hoeveel het er zijn, maar het zijn er inderdaad een heleboel. Toen we kinderen kregen en meer ruimte nodig hadden, hebben de machtswevers jonge loten geplant en heeft de meester van het groen die aangespoord om snel te groeien.' Hij wenkte Gulamendis mee. 'Kom zelf maar kijken.'
Gulamendis torende boven de meeste elfen die hij passeerde uit, omdat hij bijna zeven voet lang was. Alleen zijn kleding was al een aanwijzing dat hij een vreemdeling was. Niemand anders had zijn felrode haarkleur. Hij zag donker roodbruin haar en veel blonde elfen, maar de meesten hadden bruin of donkerbruin haar; hun wenkbrauwen waren minder gebogen en hun gelaatstrekken minder verfijnd. In zijn ogen was het een onooglijk, onaantrekkelijk volk.
De boself leidde hem een trap op die uit het levende hout van een enorme boom was gehakt, langs takken zo dik dat de boven kanten ervan vlak waren gemaakt om als looppaden te dienen. Ze klommen omhoog, dieper het woud in, tot ze uiteindelijk op een reusachtig platform aankwamen.
De demonenmeester kreeg een nog grotere schok te verwerken toen hij voor het eerst het hart van Elvandar zag.
Langs de buitenranden van het platform zat de raad van elfen: de machtswevers, de eldar en vele anderen, maar in het midden stonden twee tronen. De vrouw die op de hoogste troon zat had een koninklijke houding, hoewel haar kleding volgens de normen van Gulamendis eenvoudig was en niet getooid met de delicate versie ringen die hij bij adellijke vrouwen van de taredhel gewend was te zien. Haar gezicht was prachtig, al was het misschien een beetje zacht, en ze droeg een gouden band om haar voorhoofd.
Maar het schepsel dat naast haar zat was pas echt een schok voor de demonenmeester. Hij zat op een iets lagere troon, en het was duidelijk dat hij haar gemaal was. Ze hielden afwezig elkaars hand vast, zoals stellen doen die lang bij elkaar zijn. Maar hij was zoveel meer dan dat. Hij was een geboren strijder en straalde een macht uit zoals geen enkel ander wezen dat de demonenmeester ooit had ontmoet. In zijn botten en tot in de kern van zijn wezen wist Gulamendis dat dit schepsel een Valheru was.
'Welkom,' zei de koningin. 'Vertel ons je naam en waar je vandaan komt.'
Zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de man naast de koningin, antwoordde hij: 'Ik ben Gulamendis, vrouwe. Ik ben demonenmeester bij de Clan van de Zeven Sterren. Ik ben op zoek...' Hij brak zijn zin af en keek om zich heen, zowel aangetrokken als afgestoten door deze lieden. Er was iets heel vertrouwds aan hen, maar er was zoveel dat hij niet begreep. Uiteindelijk zei hij: 'Ik wil uw hulp vragen.'
'Hoe kunnen we je helpen?' vroeg de elfenkoningin, maar daarbij keek ze naar haar metgezel.
Gulamendis haalde diep adem. 'Onze overlevering vertelt ons dat wij hiervandaan zijn gekomen in de tijd van de waanzin, toen de goden streden in de hemelen.' Zijn blik kruiste die van de gezel van de koningin. We zijn hiervandaan gevlucht, over een brug naar de sterren, en daar zijn we lange tijd gebleven.'
Een elf in een lang gewaad stond op en zei: 'Mijn volk ook, Gulamendis. Wij waren de sagenbewaarders, de eldar, en we hebben eeuwenlang op een andere wereld geleefd voordat we hier terugkeerden.'
'Neef,' zei Gulamendis, 'ook wij waren volgens onze overlevering ooit eldar. We hebben de naam "de Clan van de Zeven Sterren" aangenomen en noemen onszelf nu taredhel.'
Toen sprak de Valheru: 'Zijn jullie nog voor het einde van de oorlog vertrokken?'
Gulamendis knikte, want hij durfde niets te zeggen. Die wezens uit de legende waren de ultieme meesters van het Volk, en het was angstaanjagend om er hier een aan te treffen.
'Ik ben Tomas, Krijgsleider van Elvandar,' zei de man terwijl hij opstond. Toen hij naderde, zag Gulamendis dat er iets anders aan hem was. 'Ik draag de mantel van iemand uit een ver verleden, en ik heb zijn herinneringen, maar ik ben meer dan hij. Dat verhaal zal ik je een andere keer nog wel vertellen, maar voorlopig wil ik alleen dit zeggen: jullie zijn een vrij volk. Dat werd gezegd ten tijde van de Chaosoorlog, en het is nu nog even waar. Blijf hier, rust uit en deel je verhaal met ons, Gulamendis van de taredhel, want je zult hier vriendschap vinden als je die wilt aanvaarden.'
Hoewel hij bijna een halve kop groter was dan Tomas, voelde Gulamendis zich toch klein in diens aanwezigheid. Hij begreep niet helemaal wat de man bedoelde, maar hij vond zijn woorden gerust stellend. Als dit inderdaad een Valheru was, dan maakte hij geen aanspraak op heerschappij over dit volk of over de taredhel.
Toen drong er een vreemde geur tot de zintuigen van de demonenmeester door. Hij had die ook geroken toen hij door de mensenstad was gereden. Het was een kruid dat ze verbrandden en inhaleerden. Hij keek naar de troon en zag toen pas dat er een kleine gestalte in de schaduw ervan stond. Een oude dwerg met bijna wit haar stapte naar voren, keek Gulamendis sceptisch aan en nam een lange haal van zijn pijp.
'Het werd eens tijd dat je kwam opdagen, jongeman,' zei de dwerg. 'We hadden hun al bijna een maand geleden over je verteld; ik werd het wachten al beu.'
Tomas glimlachte en de koningin lachte met vrolijke groene ogen, maar de demonenmeester was van slag. Hadden ze geweten dat hij zou komen? Hoe was dat mogelijk? Drie weken geleden zat hij in een kooi terwijl zijn broer onderhandelde voor zijn leven.
Gulamendis verborg zijn verwarring en knikte. Hij kon zichzelf er niet toe zetten naar een dwerg te glimlachen. Hij wendde zich tot de elfenkoningin en zei: 'Vrouwe, ik kan niet meer helder nadenken en heb rust en voedsel nodig. Als we morgen verder zouden kunnen praten, kan ik u meer vertellen.'
'Uitstekend,' antwoordde koningin Aglaranna. Ze wenkte Gorandis en zei: 'Wijs hem een bed en breng hem een maaltijd, dan ontmoeten we elkaar morgen weer.' Toen wendde ze zich weer tot Gulamendis. 'Rust uit en herstel, want we hebben tijd genoeg om vele dingen te bespreken.'
De demonenmeester knikte, maakte een buiging en liet zich meevoeren door zijn woudgids. Hij hoopte dat de koningin de waar heid sprak, want dat zou betekenen dat ze echt aan Andcardia waren ontkomen en dat de weg tussen de werelden voor altijd was afgesloten. Maar diep vanbinnen vreesde hij dat het niet zo was, en dat het moment waarop een gevaar van onvoorstelbare schaal op deze idyllische plek zou arriveren snel naderde.