18


Verkenning

 

 

Sandrina stak haar hand op.

Ze was niet op haar gemak geweest met de selectie van de tovenaar, en ook niet met het feit dat de vader-bisschop was gedegradeerd tot een soort adviseur. Maar die mensen hadden haar goed behandeld, haar verpleegd en haar zonder vragen of verplichtingen alles gegeven wat ze nodig had. Ze was hierheen gebracht door de vrouw, Miranda, die haar een magiër met aanzienlijk wat macht en vaardigheid leek, samen met Amirantha, die wel de laatste was die ze ooit weer terug had willen zien.

Nu liepen ze het pad op naar de plek waar de mensenoffers waren gebracht, nog geen twee weken geleden, hoewel het een eeuwigheid leek. Ze zag beweging verderop en gaf de anderen een teken om te blijven staan. Brandos liep achteraan, want ondanks de krachtige magie van Amirantha en Miranda was een tweede zwaard altijd welkom. En ondanks haar bedenkingen ten aanzien van Amirantha was Sandrina erg gesteld op de oude strijder, die trouw en eerlijk was, of althans zo eerlijk als een vriend van Amirantha kon zijn. Ze moest hem nageven dat hij in ieder geval had geprobeerd haar te waarschuwen dat ze niet aan Amirantha gehecht moest ra ken. In de afgelopen vijf jaar had je meer dan eens gewenst dat ze naar hem had geluisterd.

Het waren zachte geluiden: ofwel een dier in de schemerige struiken, of iemand die er niet zo best in was zich te verstoppen. Ze beduidde dat zij zou verkennen en niet voor het eerst wenste ze dat ze een minder onhandig pantser had uitgekozen. Maar na jaren van oefenen kon ze zich er vrij geruisloos in bewegen.

Ze liep voorovergebogen tot ze haar hoofd hoog genoeg op durfde te tillen om te zien wat er verderop was. Zoals ze had ver wacht stond er een schildwacht die niet erg oplette, maar die geen tekenen vertoonde dat hij slaperig was of gemakkelijk te besluipen zou zijn. Ze draaide zich om en sloop terug naar de andere drie.

'Eén uitkijk,' fluisterde ze. 'Hij is te ver weg om te benaderen zonder hem te alarmeren.'

'Ik reken wel met hem af,' zei Miranda.

Ze ging de anderen voor in de richting van het kamp, zonder de moeite te nemen dat geruisloos te doen. Hoewel haar zwarte ge waad in de avondschaduwen van het smalle ravijn effectief als camouflage diende, maakte ze toch vrij veel lawaai en zag de schild wacht haar toen ze op tien meter afstand was.

'Huh?' was alles wat hij kon uitbrengen.

Met een handgebaar stuurde Miranda een energieschicht naar hem toe die de lucht voor zich uit stuwde, en de man kreeg een ferme mep in zijn gezicht. Hij duikelde achterover en belandde op de rotsen achter zich, waar hij zijn hoofd zo hard stootte dat hij bewusteloos raakte.

Ze liepen snel verder. 'Is hij dood?' vroeg Amirantha.

Sandrina knielde bij de gevallen wachter neer. 'Nee, maar hij gaat de eerste paar uur nergens naartoe.'

'Ga jij nog even verderop verkennen,' verzocht Miranda.

Sandrina deed wat haar was opgedragen en kwam binnen enkele minuten met een wasbleek gezicht terug. 'We moeten opschieten!' Ze wenkte de anderen mee en begon te rennen, zonder een poging te doen om verborgen te blijven.

Het gezelschap kwam bij de heuvel aan vanwaar Sandrina het ritueel had gezien toen ze hier de vorige keer was. Ze wenkte de anderen haar naar boven te volgen. Toen ze de top van de heuvel bereikten, begrepen de anderen waarom Sandrina geen moeite meer had gedaan haar aanwezigheid te verbergen.

Er klonken stemmen in gezang, en het waren er wel honderd. Er brandde een groot kampvuur, waarvan de vlammen dertig voet de lucht in sprongen, en daaromheen stonden twaalf mannen en vrouwen, gehuld in mantels. De anderen stonden in een halve kring achter hen, mannen en vrouwen in verschillende kledingstijlen uit alle delen van de wereld: uit Kesh, het Koninkrijk, Novindus en de Oosterse Koninkrijken. Wat ze gemeen hadden, was dat ze allemaal iets zwarts op hun hoofd droegen: sjaals, slappe hoeden, petten, leren mutsen, als het maar zwart was.

'Nou, daar zijn je Zwarthoeden,' zei Miranda, 'en het lijkt erop dat ze zich hebben verzameld voor iets belangrijks.'

'Het is een ontbieding, maar een afwijkende,' zei Amirantha.

'Hoezo afwijkend?' wilde Miranda weten.

'Weet ik niet. Het is gewoon... anders.' Hij fluisterde, maar zijn stem klonk dringend. 'Er gaat iets heel ergs gebeuren.' Hij keek Miranda aan. 'Hou je gereed.'

'Waarvoor?' vroeg ze.

'Weet ik niet, maar wat het ook is, het zal heel erg zijn.' Hij had kippenvel en voelde dat duistere krachten zich verzamelden, ver schrikkelijker dan alles wat hij in zijn lange leven van omgang met helse wezens had ervaren.

Drie mannen verschenen vanaf het andere uiteinde van de laag te, de een in een felrode mantel afgezet met zwart en zilver. De andere twee liepen aan weerszijden van hem en waren in het zwart. De twee in het zwart geklede gestalten droegen kappen en hun gezichten gingen verborgen in de diepe schaduwen ervan. De man in de rode mantel droeg geen hoofddeksel, en hij glimlachte breed toen hij voor de halve kring van volgelingen ging staan. Hij stapte naar een groot rotsblok toe en stak zijn hand op om stilte te vragen. Meteen hield het gezang op.

'Dienaren van Dahun...' begon hij.

'Verdomme,' vloekte Amirantha.

'Wat is er?' vroeg Miranda.

Sandrina gaf antwoord. 'Dahun is een demonenprins.'

'Een van Maargs kapiteins,' vertelde Amirantha, 'als ik alles wat me de afgelopen paar dagen is verteld tenminste goed begrijp.' Hij wees. 'Maar zelfs als dat niet zo is, ik ken die man en ik weet dat alles waar hij bij betrokken is hoe dan ook heel slecht is.'

'Wie is hij dan?'

'Dat,' zei Amirantha, 'is mijn broer Belasco.'

'Die rotzak ziet er kwaadaardig uit,' vond Sandrina. 'Ik kan wel zien dat jullie familie zijn.'

Miranda wierp haar een duistere blik toe, maar toen besefte ze dat dit de manier was waarop de jonge ridder met haar angst om ging. Miranda had niet zoveel ervaring met demonen als Sandrina of Amirantha, maar ze had in haar leven genoeg duistere magie gezien om aan te voelen dat deze situatie verschrikkelijk uit de hand kon lopen.

'Over vier nachten,' riep Belasco, 'begroeten we onze meester en begint de transformatie van deze wereld tot zijn domein. Dan zullen wij, zijn gezegende dienaren, de eerste uitverkorenen zijn en aan zijn zijde regeren.'

'De eerste om te worden opgevreten zal je bedoelen,' gromde Brandos.

'Nou, ik kan moeilijk iemand veroordelen die goedgelovige mensen voorliegt, maar ik heb alleen hun goud afgepakt, niet hun leven,' zei Amirantha.

'En dat kleine verschil zou net kunnen zijn waardoor Lims-Kragma je naar het leven laat terugkeren als iets dat een beetje hoger staat dan een kakkerlak,' zei Sandrina droogjes.

'We hebben vier nachten om te besluiten wat we moeten doen,' zei Miranda.

'Nee, we hebben tot die wachter bijkomt,' wierp Amirantha tegen.

'Zal hij weten dat hij is geraakt met een bezwering?' wilde Sandrina weten.

'Normaal gesproken zou hij wakker worden met het gevoel alsof hij drie dagen lang had gezopen,' antwoordde Miranda. 'Maar zoals hij zijn hoofd stootte...'

'Nou,' fluisterde Brandos, 'we zouden de klus op de terugweg kunnen afmaken en het erop kunnen laten lijken dat hij simpelweg is gevallen en zijn kop heeft gekraakt op de rotsen.'

'Iemand van dat stel is vast een spoorzoeker en zal zien dat wij hier zijn geweest,' wierp Sandrina tegen.

'Was er maar een manier waarop we die kerel ervan konden overtuigen dat hij gewoon in slaap is gevallen,' wenste Miranda.

'Ik heb een idee,' zei Amirantha. 'Kom, we moeten opschieten.'

Hij leidde hen terug langs het pad naar de plek waar de bewuste loze wachter op de rotsen lag. Amirantha wenkte hen verder en liep nog ongeveer dertig meter door.

'Stil blijven,' fluisterde hij. 'Kun je de wachter wakker maken als ik het zeg?'

'Ik denk van wel, maar waarom zou je dat willen?' vroeg Miranda.

'Wacht even en doe het als ik het zeg, en dan moet iedereen bukken.'

Hij sloot zijn ogen, stak zijn hand in zijn riembuidel en pakte er een kristal uit. Hij hield het stevig vast en mompelde een bezwering, en plotseling kwam er een wolkje donkere, stinkende rook uit de grond omhoog.

Uit die rook stapte een lange vrouw, beeldschoon en spiernaakt.

De opgeroepen demon keek met grote, expressieve bruine ogen om zich heen. Miranda was gedwongen toe te geven dat ze waarschijnlijk de perfecte mannenfantasie was: lange benen, een rond achterwerk, een platte buik, pronte borsten en een smetteloze huid. Haar dikke bruine haren golfden tot aan haar onderrug omlaag en ze had een prachtig gezicht. Haar volle lippen weken vaneen in een verheugde glimlach en ze zei: 'Meester! Ik hou van je!'

'Darthea?' zei Sandrina. Ze wendde zich tot de zwarte magiër. 'Vind je het daar nu echt het moment voor, Amirantha?' Haar gezicht stond giftig en haar wangen kleurden van woede.

'Kop dicht,' snauwde Amirantha ongeduldig. Hij stak zijn hand op en zei tegen de demon: 'Niet nu. Ik heb een taak voor je.' Hij pakte de mooie demon bij haar elleboog en wees naar de bewuste loze man. Nadat hij haar instructies had ingefluisterd vroeg hij: 'Kun je dat onthouden?'

'Ja, meester,' antwoordde ze, en met lichte pasjes, zonder zich iets aan te trekken van de scherpe rotsen onder haar voeten, haastte ze zich naar de schildwacht toe.

'Maak hem wakker als ze bij hem is,' zei de zwarte magiër.

Miranda wachtte, en toen de vrouwelijke demon bij de bewuste loze man neerknielde, gebaarde Amirantha naar haar.

Miranda sloot haar ogen, stak haar hand uit en werd beloond met een kreun van de schildwacht.

Amirantha beduidde de anderen te bukken en dook ineen.

'Ach, jij arme man,' zei Darthea tegen de bijkomende strijder. 'Het spijt me zo. Heb ik je zo laten schrikken dat je van die rots viel en je hoofd stootte? Hier, ik help je wel even overeind.'

De prachtige naakte vrouw hielp de man opstaan, en toen hij haar aankeek werden zijn ogen groot van ongeloof. Amirantha sprak een korte, geruisloze frase uit en plotseling was Darthea weg, verdwenen in een rookwolkje.

De verwarde schildwacht keek knipperend met zijn ogen om zich heen, liet zich door zijn bibberige knieën zakken en wreef over zijn pijnlijke hoofd.

Amirantha kroop terug naar de anderen en wenkte hen mee. Toen ze ver genoeg weg waren om zich te verplaatsen zonder dat ze werden gezien, zei Miranda: 'Dat was interessant.'

Brandos lachte zachtjes. 'Nu is hij ervan overtuigd dat hij is uit gegleden en zijn hoofd tegen een steen heeft gestoten, want wie zou ooit geloven dat hij was geschrokken van een naakte schoonheid op deze sombere rotplek in het heelal? En ik heb medelijden met hem als hij probeert zijn verhaal te vertellen aan een van die smeerlappen waarmee hij samenspant.'

'Die houdt zijn mond wel,' gaf Sandrina met tegenzin toe.

'Nu hebben we dus nog drie nachten extra,' zei Miranda. 'Wat nu?'

'We keren hier over vier nachten terug en kijken hoeveel magie ervoor nodig is om een heel machtige ontbieding te verpesten.'

'Daar hebben we zoveel van als je nodig hebt.'

'Daar twijfel ik niet aan,' zei de zwarte magiër, 'maar ik wil het liefst dat het gebeurt zonder dat jij, ik of iemand anders daarbij omkomt.'

'Er is altijd een risico,' benadrukte Miranda.

'Laten we ergens anders heen gaan om dat te bespreken,' opper de Amirantha.

'Pak zijn arm,' zei Miranda tegen Brandos, die gehoorzaamde. Ze pakte Sandrina en Amirantha beet, en plotseling stonden ze weer in de tuin op Tovenaarseiland.

'Dat wil ik ook leren,' zei Amirantha bewonderend.

'Het duurt jaren,' antwoordde Miranda.

Hij glimlachte. 'Maakt me niet uit.'

'Nou, als we dit overleven misschien. Nu moet je besluiten wie of wat we nodig hebben en hoe we het beste met deze puinhoop kunnen omgaan. Ik kan met deze manier van vervoer misschien nog één iemand erbij hebben.' Ze leek verontrust toen ze vervolgde: 'Als Magnus hier was, zouden we samen wel negen of tien mensen naar die plek kunnen krijgen. Als hij en Puc hier waren... nou ja, als Puc hier was zou ik me niet zulke zorgen maken.' Ze zweeg.

'Naast magie zijn daar een heleboel zwaarden, en kwaadaardige kerels die ze graag willen gebruiken,' zei Brandos. 'Ik ga al lang genoeg met magiërs om om te weten dat je geen tijd hebt om meer dan één bezwering te gebruiken als iemand probeert je hoofd eraf te hakken.'

'We hebben twee plannen nodig,' beaamde Miranda. 'Eén voor als we dit alleen moeten doen, en nog een voor als Puc en Magnus voor die tijd terugkomen.'

'Zijn hier nog anderen die voor je man en zoon kunnen invallen?' vroeg Amirantha.

'Alle magiërs die ons bij zo'n soort gevecht zouden hebben kunnen helpen, zijn ofwel dood, ofwel op Nieuw Kelewan. De meeste studenten hier hebben nog nooit een gevecht meegemaakt, laat staan een veldslag.' Ze dacht even na. 'Sandrina, hoeveel magisch begaafde priesters in je orde kunnen demonen aan?'

'Een paar. Ik ken zelf een paar verbanningsbezweringen, en dat geldt voor de meesten van ons. Het is onderdeel van onze opleiding.'

Amirantha beaamde dat. 'Als ze al een zwakte heeft, dan is het dat ze het liefst als eerste haar strijdknots gebruikt, maar als ze wil kan ze even goed een lagere demon verbannen als ik. Ik heb het haar zien doen.'

Sandrina fronste haar voorhoofd, onzeker of het een compliment of een belediging was.

'Dan ga jij met ons mee,' besloot Miranda.

'Ik zou het niet willen missen,' zei de ridder-adamant.

'Ga rusten,' droeg Miranda de anderen op, 'en neem iets te eten als jullie honger hebben. Ik moet nog meer plannen maken.' Ze haastte zich de min uit.

'Nou, iets te eten klinkt goed,' zei Brandos opgewekt. 'Ga je mee?'

'Ik kom er zo aan,' antwoordde Amirantha.

Brandos keek van de zwarte magiër naar de jonge vrouw, knikte, draaide zich om en liet hen alleen.

Verwachtingsvol vroeg Sandrina: 'Wat is er?'

Hij haalde diep adem. 'Ik heb geen idee wat er over vier dagen gaat gebeuren, en ik weet dat ik je niet kan overhalen om niet mee te gaan.'

'Waarom zou je dat willen proberen?' vroeg ze.

'Ik weet dat het slecht is geëindigd tussen ons...'

'Er was geen "tussen ons",' onderbrak ze hem. *We zijn een tijdje met elkaar omgegaan en je hebt tegen me gelogen om me je bed in te krijgen.'

'Eigenlijk was het jouw bed,' zei Amirantha. 'En ik heb niet gelogen, ik heb je alleen niet de hele waarheid verteld.'

'Een subtiel onderscheid, maar we hebben op het moment wel andere dingen aan ons hoofd, vind je ook niet?' Hij knikte. Waarom zou je willen proberen me over te halen niet mee te gaan?'

'Jij bent de vindingrijkste vrouw die ik ken,' zei Amirantha, 'maar je hebt nogal de neiging om halsoverkop op de dingen af te stormen.'

'Ik ben ridder-adamant,' bracht ze hem in herinnering.

'Dat weet ik maar al te goed, maar soms onderschat je de risico's. Luister, je hebt me niet verteld wat er is gebeurd voordat je hierheen kwam, maar je hebt er wel eens beter uitgezien. Je bent weer bijna omgekomen, hè?'

'Ik stel je bezorgdheid op prijs, maar het is te laat.' Ze draaide zich naar hem toe en porde hem met een gehandschoende vinger hard tegen zijn borstkas. Hij grimaste, maar hij zei niets. 'Ik ben hoer geweest, Amirantha, en geen enkele man behandelde me anders dan met minachting, tot ik broeder Mathias leerde kennen. Daarna was het bloedvergieten en rotzooi, en ik vond mijn roeping, maar zelfs toen keken mannen alleen maar naar me met haat of met lust.

Toen kwam jij, met je verdomde charme en grappen, en je gaf me het gevoel alsof je daadwerkelijk verder kon kijken dan je neus lang was...' Ze haalde diep adem om rustig te blijven en vervolgde: 'Je demonen kan ik wel aan, Amirantha. En een zaal vol gewapende moordenaars kan ik ook wel aan. Maar je leugens niet.' Ze zette een stap achteruit om te vertrekken. 'Eén ding nog: Darthea. Goed van je dat je haar uiterlijk hebt aangepast. Hoewel ik haar met die geitenhoeven en hoorns wel iets exotisch vond hebben.'

Zonder nog iets te zeggen draaide ze zich om en liet de zwarte magiër alleen in de tuin achter. Amirantha was altijd bereid geweest gebruik te maken van de goedgeefsheid van vrouwen als hem dat uitkwam, want vaak beloonden ze zijn vriendelijkheid met het enige betaalmiddel dat ze bezaten, namelijk hun lichaam. Maar toen hij negentig was kwam hij toevallig een jeugdliefde tegen; ze was veranderd in een oude, weggeteerde oma die in de schaduw wol zat te kaarden terwijl haar dochters en hun gezinnen hard werkten op een boerderij. Ze herkende hem niet toen hij om een beker water vroeg en die ook kreeg.

Hij had naar haar gekeken, en zij op haar beurt had naar haar kleinkinderen gekeken, en hij had beseft dat hij er waarschijnlijk nog onveranderd zou uitzien als haar kleindochters oud en aan het eind van hun leven waren; misschien zou hij hen dan wel zien kijken naar hun kleindochters.

Op dat moment was elk vonkje van genegenheid dat hij nog voor de mensheid voelde gedoofd. De enige vrouw om wie hij nadien nog werkelijk had gegeven was Samantha geweest, maar alleen om dat ze Brandos gelukkig maakte.

Zijn gevoelens voor Brandos waren nog steeds een mysterie voor de zwarte magiër. Misschien omdat hij in hem de zoon zag die hij nooit zou krijgen. Maar als ze nu ergens samen waren, dacht iedereen dat de strijder ouder was dan hij. Amirantha wist dat er een dag zou komen dat zijn vriend zou sterven in de strijd, of het avontuurlijke leven vaarwel zou moeten zeggen om naast Samantha te gaan zitten terwijl ze wol kaarde, kijkend naar hun kleinkinderen.

Hij haalde diep adem. Sandrina was een raadsel waar hij geen antwoord op had. Er was iets met haar wat hem diep raakte, iets waardoor hij wanhopig graag wilde dat ze hem zijn gedrag van enkele jaren geleden vergaf. Hoofdschuddend van ergernis om zichzelf ging hij op zoek naar Brandos en iets te eten.

 

Gulamendis wist dat zijn leven aan een zijden draadje hing toen hij de regent over het aanstaande bezoek van Tomas ging vertellen. Het was vanaf het allereerste moment duidelijk geweest dat de regent en de aanwezige leden van de Raad bereid waren de oorlog te verklaren aan hun neven in het noorden. Aangezien de meeste raadsleden door de regent persoonlijk waren geselecteerd om degenen te ver vangen die in de loop der jaren aan demonen ten prooi waren ge vallen, wist Gulamendis dat hij geen steun zou krijgen voor een standpunt dat afweek van dat van de regent.

Zelfs Tandarae zou alleen maar subtiel invloed kunnen uitoefenen, wat kleur kunnen geven aan hoe hij de zaken presenteerde, maar ook hij liep het risico te worden weggevoerd, mocht de regent een van zijn onvoorspelbare woede-uitbarstingen krijgen. Hij was nog niet de nieuwe sagenmeester, eerste onder de sagenbewaarders, hoewel het gerucht ging dat hij die positie binnenkort zou krijgen. Gulamendis wist dat als het op een keuze tussen zijn ambitie en steun voor de demonenmeester aankwam, Tandarae met alle plezier zelf het vuur onder Gulamendis' voeten zou aansteken.

Langzaam, stap voor stap, vertelde Gulamendis de regent over zijn reis: zijn frustratie omdat hij de demonenbron niet kon vinden, zijn tocht naar de Verre Kust en zijn uiteindelijke gesprek met de koningin en haar gemaal. Het leek hem beter om zijn bezoek aan Tovenaarseiland nog niet te noemen, tot hij zeker wist dat hij zou overleven wat hij nu moest vertellen.

'De koningin stuurt overmorgen haar gemaal om u te begroeten, heer,' zei Gulamendis.

'Haar gemaal?' Hij keek op. 'Is er geen koning?'

'Haar koning heeft jaren geleden zijn reis naar de Gezegende Eilanden gemaakt, en om te zorgen dat zijn zoon zou erven heeft haar tweede echtgenoot zijn aanspraak op de troon verworpen. Prins Caelin zal na zijn moeder in Elvandar regeren.'

'Vreemd,' merkte de regent op. 'Je zou toch verwachten dat elke elf in Elvandar zou willen regeren.'

Gulamendis zag de radertjes in het hoofd van de regent al draai en. Als hij deze wereld op de een of andere manier kon ontdoen van die gemaal, zou hij de logische kandidaat zijn voor de hand van de elfenkoningin; na een gepaste rouwtijd, natuurlijk. Lang voordat hij op deze reis was vertrokken was Gulamendis al gaan vermoeden dat de spanning van de dertigjarige oorlog, van het verliezen van zoveel onderdanen, van zien hoe zijn volk systematisch werd uitgeroeid, zijn tol had geëist van de regent. En nu hij de elfenkoningin, Tomas, Puc en anderen had ontmoet, wist hij het zeker: de regent was ongeschikt om te regeren en was misschien zelfs wel krankzinnig.

De grappenmakerij tussen hem en zijn broer, hun subversieve ideeën, leken nu te luchtig; de taredhel hadden eerder behoefte aan verraad. Gulamendis had niet de nobele geest die hij bij Tomas had bespeurd - van wie hij vermoedde dat die graag bereid zou zijn om zijn leven te geven voor de verdediging van Elvandar - maar als hij op dit moment een kans zou zien om het leed van zijn volk te beëindigen door de regent te vermoorden, zou hij dat doen.

De afweerbezweringen rondom de regent waren echter al actief om hem te beschermen tegen het aanvallende demonenlegioen of anderen, en die werkten even goed tegen Gulamendis' krachten. Misschien kon een van de menselijke magiërs deze zaal in een vuur zee veranderen voordat de wachters van de regent konden reageren, maar Gulamendis wist dat hij dood zou zijn voordat hij halverwege een ontbieding was.

Gulamendis verzamelde moed om te zeggen wat hij te zeggen had en sprak zachtjes: 'Hij is geen elf, heer.'

De regent knipperde met zijn ogen alsof hij zijn oren niet geloof de. 'Wat?' vroeg hij.

'De gemaal van de koningin is geen elf.'

Met een toon die grensde aan regelrechte walging vroeg de re gent: 'Wat is hij dan?'

'Hij is als mens geboren,' antwoordde Gulamendis rustig.

De woede van de regent begon op te borrelen. 'Elke aanspraak die ze mogelijk had op het meest nobele geslacht uit onze geschiedenis is onherroepelijk besmeurd door zo'n huwelijk. Een mens!'

Gulamendis haalde diep adem. 'Ik zei dat hij was geboren als mens, heer, maar tegenwoordig is hij veel meer. Hij draagt het pantser van een Oude.'

De regent keek Gulamendis aan alsof die hem in het gezicht had geslagen. Bijna fluisterend zei hij: 'Hoe durft hij?'

'Er is nog meer,' zei Gulamendis, die de tijd rijp vond om de volledige waarheid te vertellen, in de hoop dat de regent verbaasd genoeg zou blijven om de boodschapper dit nieuws niet kwalijk te nemen. Voorbijgaand aan het vreselijk ingewikkelde verhaal dat Tomas hem had verteld, zei Gulamendis: 'Hij heeft het pantser gekregen van de grootste van de grote gouden draken, als beloning voor een heldendaad.' Hij wist dat dit niet klopte, maar hij moest Tomas zo positief mogelijk afschilderen om de regent voor te bereiden op de schok als die hem zou ontmoeten. 'De magie van het pantser transformeerde de mens, en nu draagt hij niet alleen Asschen-Sukars schild, hij draagt ook zijn... krachten. In alles behalve hart en geest is hij Valheru.' Op het laatste moment had hij besloten weg te laten dat Tomas ook de herinneringen van de Oude had.

De regent zat met zijn oren te klapperen. Hij keek om zich heen in de bijna volgepakte vergaderzaal, liep naar de grote stoel die op een verhoging stond en liet zich er langzaam in zakken.

Van alle mogelijkheden waarop hij voorbereid was geweest sinds Laromendis deze wereld had ontdekt, was deze nooit bij hem op gekomen. Ze hadden gevreesd dat de Valheru mogelijk de Chaosoorlog hadden overleefd, maar toen Gulamendis' broer niets over hen meldde, was die vrees verdwenen. Maar nu was hij plotseling terug, al werd die angst getemperd door het feit dat de demonenmeester groeten overbracht.

'Vertel me over hem,' fluisterde de regent, en Gulamendis wist dat zijn leven voorlopig veilig was. Hij vertelde over Tomas en veranderde het verhaal van de jongen die was verdwaald in een grot in een verhaal over een dappere jongen die een kwaadaardige demon wilde doden, wat goed viel bij de Raad, vooral omdat hij ook alle verwijzingen naar de dwergenkoning wegliet.

Toen Gulamendis klaar was, vroeg de regent: 'Die mens die Oude is geworden, wil hij niet regeren?'

'Het is heel merkwaardig,' antwoordde Gulamendis behoedzaam, 'maar hij schijnt er tevreden mee te zijn om Elvandar te beschermen en het bestuur over te laten aan zijn vrouw, de koningin.' De demonenmeester legde wat meer nadruk op haar titel om de regent eraan te herinneren dat de oude banden nooit moesten worden vergeten. De elfen in Elvandar waren misschien in de ogen van de taredhel nogal primitief, maar ze waren bloedverwanten, en na de verliezen die ze door de demonen hadden geleden, hadden ze alle verwanten nodig die ze konden vinden. Als er maar eenmaal met het demonenlegioen was afgerekend, dan kon de regent zich bezighouden met de heerschappij over deze wereld.

De regent bleef hem bijna een halfuur lang vragen stellen over Tomas en de elfenkoningin, maar toen stuurde hij Gulamendis weg. Terwijl hij en Tandarae de Raadsbijeenkomst verlieten, zei de sagenbewaarder: 'Je hebt jezelf goed vrijgesproken, mijn vriend.'

Gulamendis zei niets, maar hij dacht: Nu ben je misschien mijn vriend, maar alleen hoe lang het jou uitkomt. 

 

Twee dagen later stonden de verzamelde leden van de Raad van de Regent op het centrale plein van de pas gedoopte stad E'bar, wachtend op de aankomst van de gemaal van de koningin. Gulamendis was uitgenodigd om aanwezig te zijn, maar hij was door lieden met een hogere rang naar de zijkant gedrongen. Van korte afstand knikte Tandarae begroetend naar de demonenmeester, een flauwe erkenning van zijn aandeel in het tot stand brengen van deze onderhandeling tussen de regent en zijn titulaire koningin.

Gulamendis had met opzet verzwegen hoe Tomas waarschijnlijk zou aankomen, omdat het hem gunstig leek als de Raad van de Regent geïmponeerd was. Ze stonden te wachten op een teken van de buitengarnizoenen dat er ruiters aankwamen.

In plaats daarvan schoot er plotseling een grote schaduw over hen heen en doemde er een enorm vliegend silhouet boven hen op. De meeste leden van de Raad van de Regent bleven roerloos staan, hoewel Gulamendis enkelen van hen ineen zag duiken in de verwachting dat er iets boven op hen zou vallen. Toen drong het besef tot hen door: een gigantische gouden draak daalde op het centrale plein neer.

Met een donderend geraas van vleugelslagen remde de draak af en landde zachtjes. Hoewel het enorme schepsel zo groot was als een gebouw, was het een sierlijke, schitterende verschijning. Een kop zo groot als een wagen boog op een verrassend soepele nek omlaag, en twee gestalten stegen af.

Gulamendis' ogen werden groot van blijdschap toen hij de twee de passagier herkende: het was zijn broer. Laromendis knikte heel even naar zijn broer om te laten merken dat hij hem gezien had, maar hij bleef dicht bij de Drakenheerser.

Zijn aankomst met Tomas garandeerde dat Laromendis de strenge straf ontliep die de regent hem vanwege zijn afwezigheid anders beslist zou hebben opgelegd. Gulamendis had navraag gedaan naar zijn broer nadat hij afscheid had genomen van Tandarae, maar niemand had hem meer gezien sinds hij te werk was gesteld voor de verdediging van Tarendamar, wat betekende dat hij ofwel dood was, of was gedeserteerd. Gulamendis was ervan overtuigd dat het dat laatste moest zijn geweest, behalve als zijn broer vreselijke pech had gehad.

Tomas had zich ingehouden toen hij Gulamendis bij de Heilige Gaard had ontmoet, maar nu deed hij dat niet terwijl hij van de draak stapte. Hij gebruikte zijn magie om de volledige kracht van zijn Valheru-aura te laten blijken. Hoewel Gulamendis dit voor een deel al had ervaren en Laromendis met de Drakenheerser mee was gekomen uit Elvandar, waren ze niettemin allebei geroerd.

De leden van de Raad van de Regent waren volkomen ontdaan. Enkelen lieten zich meteen op de knieën vallen, anderen huilden en jammerden. Weer anderen stonden te beven en konden zich niet verroeren. Alleen de regent en twee van zijn meest vertrouwde raad gevers bleven zwijgend staan wachten.

Tomas beende naar hen toe, waarbij hij met elke stap macht uitstraalde, met zijn linkerhand op het gevest van zijn zwaard. Hij droeg een gouden pantser en een helm met een kam in de vorm van een draak, waarvan de vleugels de wangbeschermers vormden. Zijn tabberd en schild waren allebei wit met een gouden draak erop, en al zijn bewegingen waren soepel en gracieus.

Hij was schitterend en angstaanjagend; een legende die voor hun ogen tot leven was gekomen. Hoe arrogant de taredhel ook waren, hoe overtuigd ze ook waren van hun eigen suprematie, het smolt allemaal weg voor de ongelooflijke macht van Tomas in de uitdossing van een Valheru.

Hij ging voor de regent staan, zei 'heer,' en wachtte af.

'Hoe moet ik u aanspreken?' vroeg de regent bijna fluisterend.

Tomas glimlachte - en het leek wel alsof er een wolk voor de zon wegtrok - toen hij simpelweg zei: 'Mijn naam is Tomas. En voordat we verder gaan moet ik u dit vertellen: In vroeger tijden, toen er oorlog woedde in de hemelen, zat de drager van dit pantser op een draak zoals mijn vriend Sarduna, en hij verklaarde aan de wereld dat iedereen die ooit had gediend, iedereen van de edhel, nu vrij was.' Met een vluchtige glimlach vervolgde hij: 'Uw voorouders zijn deze wereld ontvlucht voordat die stem klonk, dus herhaal ik nu tegen u: jullie zijn een vrij volk. Laat duidelijk zijn dat ik geen aanspraak op jullie maak, noch zijn jullie verplicht te dienen omdat ik dit pantser en deze mantel draag. Ik kom naar u toe in de hoop op vriendschap, uit naam van mijn vrouwe, koningin Aglaranna, die u ook welkom heet in uw voorouderlijk thuis en niets anders dan vriendschap en vrede tussen ons wenst.'

Het bleef even stil. 'Dat is mooi gezegd... Tomas. U bent wel kom,' zei de regent.

Na de introductieronde trokken ze zich terug in de raadszaal, waar Tomas twee dingen met de Raad zou bespreken: het gevaar dat het demonenlegioen de taredhel naar Midkemia zou volgen, en de mogelijkheid tot een bondgenootschap met de huidige bewoners van Midkemia.

Tandarae bleef nog even staan toen de twee broers waren herenigd. 'Jullie hebben het allebei goed gedaan,' zei hij snel. 'Maar nu moet ik naar onze meesters, om de boel te sussen voor het geval er lieden boos worden.'

'Denk je dat die kans bestaat?' vroeg Gulamendis.

De sagenbewaarder stond zichzelf een flauwe glimlach toe. 'Gezien heer Tomas' aanwezigheid zal dat pas gebeuren als hij weg is. Hij is... indrukwekkend.' Hij keek naar de weglopende goud-met-witte rug, die hoewel hij kleiner was dan alle elfen van de Raad toch boven hen uit scheen te torenen. 'Verbluffend, zelfs.' Hij keek de twee broers weer aan. 'Ik heb werk te doen, maar denk eraan dat de sancties die jullie in het verleden waren opgelegd nu niet meer van toepassing zijn.' Hij wees naar het noorden. 'Zoek onderdak. Er is een magistraat op die heuvel die jullie vele stomme vragen zal stellen, maar geef hem dit maar.'

Hij gaf hun een penning met het zegel van de regent erop en draaide zich om.

Terwijl de sagenbewaarder zich haastte om de regent en zijn gast in te halen, zei Gulamendis: 'Dat was me nogal een entree.'

'Ja, dat zal best,' reageerde zijn broer.

'Hoe is het je vergaan?'

'Kom, dat vertel ik je terwijl we op zoek gaan naar een paar aangename kamers.' Ze lieten het centrale plein achter zich en onderweg zei Laromendis: 'Ik wist eerder weg te komen bij de slag om Tarendamar; mijn positie werd weggevaagd, en toen we ons terug trokken werd ik samen met een groep vluchtelingen naar de poort begeleid. Ik droeg geen uniform, iedereen die me had kunnen her kennen was al dood, en mijn nieuwe commandant beval me om zo snel mogelijk door de poort te gaan, dus wie was ik om te protesteren?'

'Dus je was niet vermomd als oud vrouwtje?' vroeg de demonenmeester droogjes.

'Nee, ik zweer het je: geen illusies. Ik kreeg niet eens de kans om te protesteren.' Hij glimlachte. 'Al was ik dat natuurlijk ook niet bepaald van plan.'

'Hoe gaat het met de strijd?'

'Die is voorbij, en alleen de poort moet nog worden gesloten.' Hij keek op naar de helling in het westen, waar nog altijd vluchtelingen arriveerden. 'Ze sluiten hem binnenkort, en iedereen die dan nog aan de andere kant is zal sterven.'

Gulamendis veranderde van onderwerp. 'Hoe komt het dat je meekwam op de rug van die draak?'

'Ik was op zoek naar jou, en na een paar dagen zwerven in het westen concludeerde ik dat je uiteindelijk naar de elfenkoningin zou moeten gaan, dus ben ik naar haar hof gegaan. Ik heb een vrij rechtstreekse route gevolgd en was er snel.' Hij sloeg zijn broer op de rug. 'Heer Tomas en de koningin zeiden dat je alweer weg was en hoogstwaarschijnlijk hierheen was gegaan; hij bood me een lift aan en ik heb ja gezegd. Op de rug van een draak! Kun je het je voor stellen?'

'Eigenlijk heb ik er al eens op meegevlogen,' zei Gulamendis lachend, heel blij om zijn broer weer te zien. 'Jij!'

'Ja, en dat is me nogal een verhaal. Ze maken hier een uitstekende wijn; als ik daar een fles of zak van kan bemachtigen zoeken we een rustig plekje op, drinken wat, en dan zal ik vertellen over mijn ver blijf op een heel bijzonder eiland.' Hij liet zijn stem dalen. 'Ik denk dat jij daar ook heen zult willen, heel binnenkort.'

Terwijl ze noordwaarts liepen, op zoek naar de magistraat die hen van onderdak kon voorzien, zei Laromendis: 'Ik realiseer me net dat wij de enige taredhel zijn die ooit op een draak hebben gereden!'

'Ironisch, eigenlijk,' zei zijn broer, 'vooral als je nagaat hoe graag de regent er eentje als huisdier zou willen hebben.'

Beide broeders lachten en gingen op zoek naar wijn en onderdak.

 

Er stond een bitterkoude wind op het plateau. Puc en Magnus stonden daar roerloos, samen met twee andere magiërs. Randolph, een man van middelbare leeftijd uit een dorp in de buurt van Tulan, was Magnus' beste student in de strijdmagie, en dat was hem aan te zien. Hij was een vechter met een stierennek en brede schouders, met een kalend hoofd en een tonronde borstkas. Als hij niet zo razendsnel bezweringen van ontzagwekkende kracht kon oproepen, zou Puc hem nooit voor een magiër hebben aangezien.

De andere magiër, Simon uit Krondor, was qua uiterlijk zijn tegenpool: hij was lang en sober, iets ouder en met voortijdig grijzend blond haar, en hij leek wat op Magnus. Hij was een meester in de veel subtielere macht van het detecteren. Hij en Puc probeerden allebei te voelen of er een mysterieuze kracht in de buurt was.

Niks,' zei Simon. Als er magie in deze buurt is gebruikt, dan is het jaren geleden.' 

'Ik krijg ook niks door,' bevestigde Puc. Hij wees naar het noord westen. 'Daar vinden we Ahsart, de Priesterstad.'

Het had Puc het grootste deel van een dag gekost om de scheuring naar Shila opnieuw te berekenen. Hij was vergeten hoe moeilijk het was om een oude scheuring opnieuw te definiëren als er niet doorlopend contact mee was gehouden. Zijn inspanningen hadden geleid tot twee mislukte pogingen en bonzende hoofdpijn voordat hij er uiteindelijk ijk was geslaagd. Hij was blij dat hij in de loop der jaren gedisciplineerd zijn aantekeningen had bijgehouden, en alles had opgeschreven over Shila en hoe hij er moest komen.

Zodra de vier magiërs waren gearriveerd, had het Puc nog een paar uur gekost om zich te oriënteren. Ze waren met een langdurig proces begonnen waarbij Magnus hen magisch naar andere plaatsen transporteerde, in sprongen over de planeet, om te zoeken naar sporen van demonische activiteit.

Die hadden ze niet gevonden.

Pucs theorie was erop gebaseerd dat als de poort vanaf het demonenrijk nog gesloten was, er geen leven op Shila zou zijn. Als dit de planeet was waar de verkenners van de taredhel de demonen voor het eerst waren tegengekomen, dan zou er beweging moeten zijn geweest tussen de oorspronkelijke poort en de plek waar de scheuring naar de centrale wereld van de taredhel was. Er zou dan een constante stroom demonen uit Ahsart moeten vliegen en rennen.

Maar alles was rustig.

Magnus gebruikte zijn vaardigheden en bracht hen naar een heuvel die over de Priesterstad uitkeek.

De stad was ooit een immense metropool geweest, een uitgestrekte plek waar miljoenen zielen hadden gewoond. De oude nederzetting die het hart van Ahsart was geweest, werd omringd door een enorme muur, maar daarna was hij tot vijf keer de originele grootte uitgedijd, wat erop wees dat er sinds de oorspronkelijke stad was gesticht eeuwenlang vrede in deze streek was geweest. Overal waren brede straten te zien, en hier en daar rezen hoge torens op. Puc wees naar een pad, en ze liepen ernaartoe.

'In vroeger tijden, nog voor de opgetekende geschiedenis, werd er een poort gemaakt tussen het demonenrijk en deze wereld. Die was verzegeld, daarom kon deze plek ook worden bewoond. Dit was de woonplaats van de sjamanen en priesters van de Saaur die de poort bewaakten. Anderen kwamen hierheen om te studeren, en zo werd het een heilige plek,' vertelde Puc. 'De Saaur zijn een ras van nobele strijders, en ze waren met miljoenen. Ze reden over eindeloze grasvlakten en joegen.' Puc wenkte hen mee naar een bepaalde laan. Toen veranderde er iets.'

'Het moet hier heel bijzonder zijn geweest,' zei Simon. 'Het is bijna even groot als Kesh-Stad.' Hij keek Puc aan. Wat is er gebeurd?'

'Een waanzinnige priester, volgens de verslagen,' zei Puc, 'heeft het zegel geopend en de eerste demon toegelaten, en als dank daar voor werd hij verslonden. Maar voordat de andere priesters de poort weer konden sluiten, werden ze bestormd.'

'Dat klinkt alsof de demonen al klaarstonden om een offensief te beginnen zodra de poort openging,' zei Randolph.

'Precies wat ik ook dacht,' bromde Puc.

Toen ze de nu verlaten ruïnes binnengingen, was het enige geluid dat ze hoorden dat van de wind. In de uren dat ze nu op deze wereld waren, hadden ze geen teken van leven gezien. Voor zover ze kon den bepalen was op deze planeet zelfs niet het kleinste insect meer te vinden. Op enige moment waren ze door een gebied gekomen waar het net had geregend. Puc had opgemerkt dat er iets ontbrak in de geur ervan. Simon had geantwoord dat het kwam doordat normaal gesproken de aarde en het mos wemelden van het leven en sporen van allerlei soorten organismen, waarvan de geuren vrijkwamen door de regen: maar niets van dat alles bestond hier.

Ze liepen over verlaten boulevards, die in de ogen van mensen immens waren. De Saaur waren een groot ras, en dat was te zien aan de schaal van hun stad. Zelfs de paarden van de wezens hadden een schofthoogte van vijfentwintig handbreedtes gehad. Het was ook een nomadisch volk dat zich niet snel aanpaste aan het leven in de stad. Geen enkele ruiter van de Saaur zou zich ooit ver bij zijn paard uit de buurt begeven, dus er moest hier ook ruimte zijn om die enorme dieren onder te brengen.

Puc bleef staan om zich te oriënteren. Toen wees hij. 'Die kant op is de hoofdtempel.' Onder het lopen vertelde hij: 'Voor zover ik het begrepen heb, reden de grote hordes van de Sha-shahan, de ultieme leider, door de hele wereld. Er zijn hier kleinere oceanen dan op Midkemia, en op een paar grote eilanden na kun je elk deel van de wereld te paard bereiken.

Deze stad was oorspronkelijk een heilige plek, en dus lieten de hordes hem met rust. Enkele sjamanen kwamen hierheen om te studeren, heb ik gehoord. Maar om de een of andere reden veranderden de hordes van gedachten. Nadat ze deze stad eeuwenlang hadden gerespecteerd, besloten ze dat het tijd was dat de stedelingen schattingen gingen betalen. Toen de hordes hier kwamen om die op te eisen, waren de priesters en sjamanen in de stad het niet eens over wat ze moesten doen. Sommigen wilden hun werk in vrede voortzetten en waren bereid zich te schikken, maar anderen weigerden dat, en voordat er een consensus werd bereikt, brak er oorlog uit.' Kijkend naar Randolph voegde hij eraan toe: 'Jij bent hier de expert in de strijdmagie. Stel je voor: vijfduizend priesters en sjamanen met hun magie, tegenover honderdduizend bereden strijders.'

'Bloederig,' zei de man met de stierennek. 'Als die magiërs echt goed waren, konden ze hen waarschijnlijk een week buiten de deur houden. Daarna zou de uitputting in het voordeel van de aanvallers gaan werken. De buitenmuren zouden uiteindelijk worden doorbroken, en eenmaal binnen zou er een slachtpartij ontstaan.'

'En dat is dan ook precies wat er is gebeurd,' antwoordde Puc. Hij wees. 'Daar ergens is een poort uit de scharnieren gebeukt, en de verdedigers werden bestormd. Priesters en tempelwachters kon den niet op tegen de soldaten van de horde.

Als ze zich op dat ogenblik hadden overgegeven, zou het nog vrij goed zijn afgelopen. Na een paar openbare terechtstellingen om zijn ijzeren vuist te tonen zou de Sha-shahan, die Jarwa heette, de rest kwijtschelding hebben verleend om zijn genadigheid te tonen, en daarna zou de horde verder zijn gereden, met achterlating van weinig meer dan een garnizoen en een belastinginner.

Maar een priester maakte de demonenpoort open in de gestoorde hoop dat de demonen de horde zouden verdrijven en dat hij de poort daarna weer kon sluiten.' Puc schudde zijn hoofd. 'Hij was de eerste die werd verslonden.' Hij zuchtte toen ze de trap naar de grote tempel opliepen. De trap had vijftig treden; op de uiteinden van de brede stenen treden stonden pilaren met erbovenop lege stenen ketels, waar offers voor de goden en voorouders konden worden gebrand. 'Natuurlijk verdreven de demonen de horde, maar ze verwoestten ook de enige mogelijkheid die de inwoners hadden om de demonen weer weg te krijgen, want de priesters en sjamanen van de Saaur waren uitgeput.

Een heel dappere en intelligente sjamaan met de naam Hanam wist met een briljante truc de macht over een demon te krijgen en gebruikte die om bij de demonen te infiltreren en je moeder en mij te bereiken,' vertelde hij tegen Magnus. 'Hij was doorslaggevend bij het verslaan van de demonenkapitein, Tugor, terwijl Macros, je moeder en ik tegen Maarg streden om hem aan de andere kant van de scheuring te houden.'

'Was Tugor verslagen?' vroeg Magnus. 'Ik dacht dat ik een van die impen zijn naam hoorde noemen... maar misschien vergis ik me.'

'We zullen het Amirantha vragen als we terug zijn. Ik heb het vermoeden dat demonen moeilijker te doden zijn dan we dachten,' antwoordde Puc. Hij leidde hen door een groot paviljoen naar een voorkamer. Terwijl hij om zich heen keek zei hij: 'Het ziet er zo anders uit.'

De stenen van de stad waren nu vrij van het roet en de as die de vorige keer dat Puc hier was aan hadden gekleefd. Er had toen nog overal brand gewoed, maar een eeuw van wind en regen had de vlekken weggevaagd, overal behalve in de onbereikbaarste hoeken.

Puc herkende iets, een enorm stenen bas-reliëf waarop een legende van de Saaur was afgebeeld, en hij liep naar een diep gewelf toe. Zodra ze binnen waren, werden ze opgeslokt door het schemerduister. Magnus bewoog automatisch zijn hand en er sprong een aangename cocon van licht rondom hen op.

Om redenen die hij niet kon verklaren had Puc de neiging om te fluisteren. Hij weerstond die en zei: 'Daar.' Hij wees naar een reus achtige deuropening die naar de verzegelingsruimte leidde, waar de demonenpoort was. Toen hij hier de laatste keer samen met Miranda, Macros en de Saaur-sjamaan Hanam was, had het buitenaardse ras van de Shangri geprobeerd een scheuring naar Midkemia recht voor de ingang naar het demonenrijk te manoeuvreren. Ze waren gedwarsboomd en vervolgens gevlucht. Daarna hadden Macros en Hanam hun leven gegeven om de invasie van de demonen tegen te houden. Puc had de Shangri gedood die de scheuring had gemaakt, en hij had aangenomen dat de poort naar het demonenrijk ook was gesloten.

Toen ze de plek van de demonenpoort bereikten, verstijfden alle vier de mannen van verbazing. Er lag een lichaam voor de muur waarin de poort had gezeten. Het was verdroogd en amper groter dan een mens, maar Puc herkende hem meteen. 'Dat is Maarg,' fluisterde hij.

Toen hij de demonenkoning voor het laatst had gezien, was het een reusachtig wezen geweest van bijna vijfendertig voet lang. Er hadden enorme wangzakken van zijn jukbeenderen omlaag gehangen, waardoor hij er bijna had uitgezien als een buldog. Gloeiende ogen hadden Puc aangekeken met een haat die in golven van hem afstraalde; hij was de belichaming van het kwaad geweest.

'Alles is nu zoveel kleiner,' zei Puc zachtjes. Hij draaide Maarg om en merkte dat die bijna niets meer woog. Zijn gezicht leek wel van perkament, over holle beenderen gespannen, en het leek te zijn gemaakt van de huiden van levende wezens. De vorige keer had elk stukje van zijn gelaat bewogen en getrild, alsof de zielen die hij had verzwolgen probeerden te ontsnappen. Het naakte lichaam dat hier lag was een ding van rafelige huiden die als een lappendeken aan elkaar leken te zijn genaaid.

Puc stond op. 'Hij had vleugels die deze hele zaal omspanden en...' Hij keek naar de muur. 'Ongelooflijk.'

Het steen droeg diepe klauwsporen, alsof Maarg toen de demonenpoort was gesloten had geprobeerd zich een weg naar zijn eigen rijk terug te klauwen.

'Hoe kan dit?' vroeg Magnus.

Toen je grootvader stierf, dacht ik dat de poort dicht was, maar Maarg moet op de een of andere manier terug zijn geglipt naar dit rijk, slechts enkele tellen voordat de doorgang werd gesloten. Je moeder en ik waren toen alweer op Midkemia.' Hij haalde zijn schouders op. 'Hij moet alle leven op deze wereld hebben verslonden, en toen de honger hem nog waanzinniger maakte dan hij al was moet hij hier zijn teruggekeerd om te proberen thuis te komen...' Puc schudde zijn hoofd. 'Ik kan geen medeleven opbrengen voor zo'n schepsel, maar het moet een verschrikkelijke dood zijn ge weest.'

'Eén ding, vader,' zei Magnus.

'Wat dan?'

'Amirantha's imp was doodsbang voor Maarg. Maar als Maarg dood is, wie doet dan alsof hij Maarg is en overtuigt de andere demonen ervan dat hij hun koning is?'

Puc keek hem vol ontzetting aan.