15


Plannenmakerij

 

 

Sandrina werd wakker.

Haar hand reikte al naar het handvat van haar strijdknots voordat ze helemaal ontwaakt was, om degene aan te vallen die over haar heen gebogen stond. Een ferme hand greep haar pols vast en voorkwam dat ze haar wapen pakte, en ze merkte dat ze niet sterk genoeg was om die hand af te schudden. Een zachte stem zei: 'Rustig nou maar. Je bent veilig.'

Toen besefte ze dat er geen strijdknots naast haar lag. Die was meegenomen door de Zwarthoeden, wie dat ook waren. Ze had een zwaard gehad, maar nu was het weg. Ze knipperde met haar ogen om haar omgeving beter te zien en probeerde zich te herinneren waar ze was.

Ze lag in een eenvoudig houten bed, op een stromatras op een onderbed van touw, in een kleine monnikencel. Haar geheugen keerde terug. Ze was in de tempel in Ithra. Ze was hier bijna doodop aangekomen, en haar paard was er nauwelijks beter aan toe ge weest... maar ze wist niet meer wanneer. Ze probeerde te praten tegen het gezicht boven haar, dat onduidelijk was in het schamele licht in de kamer.

'Hoe lang?' kraste ze.

'Bijna een dag,' antwoordde de stem. Nu hoorde ze dat het een man was. De hand liet haar pols los en schoof naar haar achter hoofd, om haar overeind te helpen terwijl een kommetje koud, schoon water haar lippen beroerde. Ze nam een slokje en begon gretig te drinken zodra haar dorst werd aangewakkerd door het vocht. Toen ze de kom leeg had, kon ze duidelijker praten. 'Meer.'

De man stond op. Hij had op zijn knieën naast haar bed gezeten, en nu kon ze hem pas goed zien. Hij was een donkerharige man van ergens halverwege de dertig. Hij was zwaar, maar niet dik. Hij droeg een donkerpaarse tuniek en een simpele, fijn geweven broek, en ook zijn laarzen waren goed gemaakt. Hij leek ongewapend. Zijn gezicht was onopvallend en niet knap, maar iets in zijn donkere ogen wees erop dat ze hem niet moest onderschatten.

'Wie ben jij?' vroeg ze zwakjes.

'Ik heet Zane.'

Na nog een slokje water vroeg ze: 'Alleen maar Zane?'

Hij haalde zijn schouders op en glimlachte. Het was een eenvoudige gelaatsuitdrukking, maar zonder bedrog. Dat maakte hem of wel heel eerlijk, of gevaarlijk. Ze zou van het laatste uitgaan tot het eerste was bewezen. 'Nou, als je daar prijs op stelt heb ik wel een paar titels. Een uit Roldem, een uit het Koninkrijk der Eilanden, en ik geloof dat ik ook nog aanspraak kan maken op een of andere eretitel in Kesh, maar daar ben ik niet helemaal zeker van. Zane is wel goed genoeg.'

Hij draaide zich om en wees naar de gestalten voor de deur. 'De monniken hebben me verteld dat je Sandrina heet en dat je ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken bent. Klopt dat?'

'Ja,' zei Sandrina. 'Ik neem aan dat je onschadelijk bent, anders hadden de broeders je nooit mijn kamer in gelaten terwijl ik bewusteloos was.'

Hij veinsde een gekwetste blik. 'Onschadelijk?' Hij schudde lichtjes zijn hoofd. 'Voor jou ben ik zeker geen dreiging, maar onschadelijk?' Hij zuchtte terwijl hij weer naast haar ging zitten. 'Je hebt je rust nodig, maar voordat je weer in slaap valt wil ik een paar dingen weten.'

Ze voelde zichzelf alweer afglijden naar de bewusteloosheid. 'Dat moet misschien even wachten...'

 

De man was er nog toen ze weer wakker werd, maar hij droeg andere kleding. Ze zag dat het licht dat door het hoge venster boven haar mar binnen viel nu een grijzige kleur had.

'Ah, daar ben je weer,' zei Zane. Hij had bij de deur naar haar staan kijken en kwam op de rand van haar bed zitten. 'Water?'

'Ja, dank je,' zei ze, en ze liet zich wat water toedienen. Ze zette haar gedachten op een rijtje en vroeg: 'Wie was jij ook alweer?'

'Zane,' antwoordde hij.

'Ik bedoel, wie heeft je gestuurd?'

'O, dat,' zei hij. Hij stond op omdat ze nu meer bij kennis was en zonder hulp kon drinken. 'Ik ben een vriend van vader-bisschop Creegan. Of eigenlijk is partner misschien een beter woord.'

'Maar je bent geen lid van de tempel?' vroeg ze.

'Nee,' antwoordde hij met een spijtige glimlach. 'Ik bid vaker tot Banath of Ruthia.' Hij keek haar aan. 'Ik wil liever niet aan de kant komen te staan van degenen die de interventie van Dala nodig hebben.'

'En als partner van de goede vader-bisschop,' zei Sandrina, die zich op haar ellebogen overeind werkte, 'neem ik aan dat je hier bent om te vragen wat ik heb ontdekt?'

Hij reikte onder het bed en haalde er een opgevouwen deken onder vandaan. Terwijl hij die als een kussen achter haar rug stopte zei hij: 'Ja, dat klopt. Ben je in staat om te praten?'

'Ik heb een beetje honger, maar ik kan wel praten.'

Hij knikte en liep naar de deur om iets tegen iemand buiten te zeggen. Terwijl Sandrina ging zitten, bekeek ze zichzelf. Iemand had haar gewassen en haar wonden opnieuw verbonden, die nu jeukten alsof ze bijna geheel genezen waren. Ze droeg een eenvoudig hemd van gebleekt linnen, en zelfs haar haren roken schoon.

Ze was bijna dood geweest toen ze de stad binnenreed. Ze had een week gereisd zonder voedsel en had alleen water kunnen drinken als ze op een zeldzaam kreekje stuitte. Ze herinnerde zich vage lijk dat ze een bessenstruik was tegengekomen, maar de bessen hadden haar misselijk gemaakt.

Ze had geen duidelijke herinnering aan haar reis naar het zuiden. Ze wist nog dat ze een heuvel had bereikt en dat ze Ithra had zien liggen, en toen niets meer totdat ze staande werd gehouden door iemand bij de stadspoort, misschien een soldaat of stadswacht. Toen herinnerde ze zich dat ze bij de ingang van de tempel had gestaan en iemand had aangesproken, en daarna alleen haar ontwaken van vandaag.

De week onderweg was een waas. Haar wonden waren stram geworden, zoals ze ook verwacht had, want ze had nauwelijks tijd gehad om te herstellen in die vochtige grot en ze was vreselijk ondervoed. Ergens onderweg was de tijd betekenisloos geworden. Kennelijk had haar training de overhand gekregen, want ze had het op de een of andere manier gered om haar paard van water te voorzien en onderweg te laten grazen. Misschien had zij geslapen terwijl het dier at. Hoe dan ook, het was Sandrina duidelijk dat de godin over haar had gewaakt.

'Dus jij werkt voor Creegan,' zei ze. Elk stukje van haar lichaam deed pijn en ze voelde zich schokkend zwak. Het was een gevoel dat haar niet beviel.

'Eigenlijk werk ik met hem samen,' zei Zane. Hij keek achterom naar haar terwijl hij wachtte tot haar eten zou worden gebracht. 'Of eigenlijk werk ik voor mensen die met hem samenwerken.' Hij zag een monnik naderen en hield zijn mond totdat er een dienblad op Sandrina's schoot was gezet. Terwijl zij at, zei Zane: 'Je orde komt op het ogenblik wat mankracht te kort en jij was kennelijk de enige hoge tempelridder die beschikbaar was, dus had de vader-bisschop ons gevraagd naar je uit te kijken.'

'En jij was toevallig in Ithra?'

'Hier was ik heen gestuurd. We hebben ook mensen in Dosra, Min en Wijzershoofd, voor het geval je daarheen zou gaan. Als we over een week niets van je hadden vernomen, zou er iemand anders naar het noorden worden gestuurd. Er bestaat een sterk vermoeden dat er iets belangrijks gebeurt in dat afgelegen dorp waar jij naartoe ging...'

'Akrakon,' hielp ze hem herinneren. Toen concentreerde ze zich weer op de groentesoep en het donkere brood dat haar was voor gezet. Ze dacht niet dat deze man in het klooster zou zijn als hij een risico vormde, maar zijn bewering dat hij werkte voor de tempel in Krondor hoefde niet waar te zijn. Zoals hij had gezegd, er waren geen andere hoger geplaatste leden van de orde in de buurt; de monniken en lekenbroeders van de orde in dit gebedshuis stonden ver van de tempelpolitiek en -intrige vandaan.

Toen ze een tijdje niets zei, glimlachte Zane. 'Geen probleem. Je mag rechtstreeks aan de vader-bisschop verslag uitbrengen als je wilt. Ik heb geen opdracht gekregen om je uit te horen, alleen om te zorgen dat je veilig thuiskomt zodat je een betere kans maakt om de inlichtingen over te brengen... die we nodig hebben.'

Ze vroeg zich af over welke 'we' hij het had: de tempel, de vader-bisschop, of wie zijn meesters dan ook waren. 'Mooi,' zei ze. 'Rij je met me mee naar Krondor?' vroeg ze tussen mondenvol soep en brood door.

'Zoiets,' zei hij glimlachend. 'Ik wacht wel tot je klaar bent.'

Ze at zwijgend haar eten op en daarna nam hij haar dienblad mee. Toen hij terugkeerde, was ze op bibberige benen opgestaan. 'Ik ben zo zwak als een jong katje,' merkte ze op.

Een monnik kwam kleding voor haar brengen, en Sandrina was geërgerd te zien dat het een jurk was. Toen hij haar blik van afgrijzen zag, haalde Zane zijn schouders op. 'Het was het beste wat we op korte termijn konden vinden. Ik heb hem van een winkeliersvrouw gekocht.' Hij liet zijn stem dalen toen de monnik vertrok. 'En ik geloof niet dat de broeders ooit hadden verwacht dat je liever een tuniek en broek zou dragen. Ik denk dat jij de eerste ridder-adamant bent die ze in jaren hebben gezien.' Hij sprak nog zachter en keek over zijn schouder terwijl hij haar de jurk aangaf. 'En zeker de eerste vrouw.'

Ze verruilde haar linnen hemd voor de jurk, zonder zich iets van Zanes aanwezigheid aan te trekken. 'Er zijn er ook niet zoveel,' gaf ze toe. 'Het is ondankbaar werk en je moet er hard voor zijn. Er zijn niet veel mensen, mannen óf vrouwen, die het willen doen.' Ze trok de zijkanten van de jurk naar buiten, die haar een paar maten te groot was. 'Hoe moet ik hierin rijden?'

'Ah, nee,' zei Zane. Hij haalde een voorwerp uit zijn riembuidel. 'Kom naast me staan.'

Ze ging een stap dichterbij toen hij zei: 'Deze manier is wat sneller.'

Plotseling waren ze in een kamer op een andere plek. Het was er vroeger op de dag, te zien aan de felheid van het licht, en merkbaar warmer. Er waren drie mannen in de kamer.

Sandrina keek om zich heen en haar ogen werden groot. Ze stapte naar een van de mannen toe en bracht haar vuist naar achteren. Voordat iemand kon reageren, gaf ze hem een snoeiharde stomp op zijn kaak. Hij sloeg achterover, schoof over de vloer en dreunde tegen de muur.

Hoofdschuddend en met zijn ogen knipperend keek Amirantha van de vloer naar haar op. 'Ach, Sandrina. Het is ook fijn om jou weer te zien.'

 

Puc keek stomverbaasd toe. Op zijn leeftijd was hij niet snel verrast, maar de plotselinge verschijning van Zane en de vrouw, die daarop onmiddellijk Amirantha door de kamer mepte, was een verrassing geweest.

Brandos grijnsde. 'Je bent vast een beetje roestig, meisje. Nor maal zou je zijn kaak hebben gebroken.'

Toen ze de oude strijder zag, lachte ze terug en omhelsde hem. 'Jij ouwe boef! Hoe gaat het met je?'

Hij beantwoordde haar omhelzing. 'Goed, hoor. Ik denk wel eens aan je.'

'Blijkbaar hoef ik niemand aan elkaar voor te stellen,' zei Puc.

'Alleen uzelf,' zei Sandrina.

'Ik heet Puc en dit is mijn eiland.'

Ze fronste haar voorhoofd. 'De Zwarte Tovenaar?'

Hij glimlachte flauwtjes. 'Lang verhaal. Laten we het er voorlopig maar op houden dat wij allemaal belangen vertegenwoordigen die een gemeenschappelijk doel dienen.'

'En dat is?'

Amirantha krabbelde overeind, wreef over zijn pijnlijke kaak en zei: 'Uitzoeken waar die demonen vandaan komen.'

Ze keek hem dreigend aan. 'Is dit weer een van je zwendeltjes?'

Hij stak zijn handen naar haar op. 'Nee, eerlijk niet. Eigenlijk ben ik een paar weken geleden bijna verscheurd door een onverwachte demon.'

'Jammer,' zei ze.

Brandos grijnsde. 'Ik heb je gemist, meisje.'

Ze keek hem bedenkelijk aan. 'Je bent een goeie vent, Brandos, maar het gezelschap waarin je verkeert is niet veel soeps.'

'Als we de persoonlijke vijandschappen even opzij kunnen zet ten? Er komen nog anderen hier naartoe,' mengde Puc zich erin.

'Wie bent u?' vroeg Sandrina nogmaals. 'Ik bedoel, wat geeft u het recht om me hierheen te halen?'

Puc herkende ergernis als hij het hoorde. 'Vader-bisschop Creegan komt zo dadelijk ook. Ik denk dat ik het maar aan hem overlaat om jouw rol hierin uit te leggen. Maar voordat hij komt wil je ons misschien bijpraten over wat je in de Pieken van de Quor hebt gezien.'

'Nee,' zei ze, 'dat wil ik niet.'

Puc schudde zijn hoofd en zei: 'Zane, als jij Sandrina haar kamer wilt wijzen, wachten wij op de rest van de gasten.'

'Ja, grootvader,' zei hij, en hij wenkte Sandrina mee. Ze wierp nog een dreigende blik op Amirantha terwijl ze de kamer verliet.

Toen ze door de gang liepen, keek ze om zich heen. Het was een laag gebouw met deuren die toegang boden tot tuinen. 'Grootvader?' vroeg ze. 'Hij ziet er niet meer dan tien jaar ouder uit dan jij.'

'Schijn kan bedriegen,' antwoordde Zane. 'Puc is de vader van mijn stiefvader en hij is oud genoeg om...' Hij haalde zijn schouders op. 'Je zult het wel zien.' Hij leidde haar een kamer in. 'Hier kun je uitrusten, en als je honger hebt rinkel je gewoon met die bel daar. Dan zal iemand je naar de eetzaal brengen.' Hij wees naar een tulpvormig belletje dat op een tafeltje naast het bed stond. 'Is er intussen nog iets wat ik voor je kan doen?'

Ze plukte aan haar afzichtelijke jurk en antwoordde: 'Als je passende kleren voor me zou kunnen vinden, zou ik je heel dankbaar zijn. Een broek en tuniek, alsjeblieft?'

'Ik zal kijken wat ik kan doen. Ik ben zo terug.'

Ze ging op het bed zitten toen hij weg was, zette haar ellebogen op haar knieën en sloeg haar handen voor haar gezicht. 'O, godin,' zei ze zachtjes. Waar heb ik dit aan verdiend? Alweer Amirantha?'

Toen Zane terugkeerde met schone kleding lag ze te slapen, opgerold op het bed als een kind, en hij kon aan de sporen van opgedroogde tranen op haar wangen zien dat ze had gehuild.

 

Puc zat aan een tafel bij de deur naar de keuken te eten met zijn vrouw, twee zonen, Amirantha en Brandos. De tafel was zo groot dat hij aan twee keer zoveel mensen plaats bood. Een grote ketel stoofpot stond dampend in het midden, met borden vers brood, kaas, vlees, fruit en groenten eromheen.

'Dit is... een fascinerende plek,' merkte de zwarte magiër op. 'Ik had altijd aangenomen dat je in Sterrewerf werkte.'

Puc neigde zijn hoofd een beetje en antwoordde: 'Dat is wat we willen dat de mensen denken. Mijn voorganger hier op het eiland, Macros, creëerde de legende van de Zwarte Tovenaar om wat privacy te krijgen. We hebben de illusie in stand gehouden om die privacy te bewaren. Bovendien is het druk in de Academie in Sterrewerf, en hoewel daar veel wordt bereikt, is dit de plek waar het echte werk, het onderzoek en de opleiding van de buitengewone studenten plaatsvindt.'

Met een mondvol brood en kaas zei Brandos: 'Ik neem aan dat je ofwel hebt besloten ons te vertrouwen, of van plan bent ons te vermoorden.' Hij wees naar zijn bord stoofpot. 'Dit is trouwens heel erg lekker.'

Miranda glimlachte. De oude strijder had iets heel ontwapenends over zich, dat haar erg aansprak. 'Als we je dood hadden willen hebben, Brandos,' zei ze, 'dan zou je nu niet aan de goede stoofpot van de kok zitten.'

'Dat is een hele opluchting,' zei hij. 'Hoewel het als galgenmaal tijd ook niet gek zou zijn.'

Magnus en Caleb lachten allebei, en Amirantha zei: 'Nou, als we dan niet worden vermoord, worden we dan vertrouwd?'

Puc keek de zwarte magiër aan. 'Ik weet niet of "Vertrouwd" het woord is dat ik zou gebruiken. Ga er voorlopig maar van uit dat je geaccepteerd wordt. Demonen zijn op het ogenblik een probleem voor ons, en wij hier in Sterrewerf weten er weinig van.'

'De monniken in Dat Wat Eens Sarth Was waren niet bijzonder hulpvaardig,' vertelde Magnus. 'De meeste van hun verslagen zijn vrij simpel: "Op die en die datum verscheen er een demon, die door broeder Iganthal of vader Boreus is verbannen." Of de een was erdoor opgegeten en de ander verbande hem. Maar wat de aard en gewoonten van demonen aangaat waren ze verrassend vaag.'

'Niet echt,' zei Amirantha. Hij keek Puc aan, alsof hij het specifiek tegen hem had. 'Onderhandelen met demonen is lastig, en de macht die ze bieden is verlokkelijk, zelfs verslavend. Maar er is een prijs, en die prijs heb ik nooit willen betalen.'

'Je leven?' vroeg Caleb.

De zwarte magiër schudde zijn hoofd. 'Mijn ziel, bij gebrek aan een betere term. Ik ben misschien geen uitzonderlijk goed mens, maar ik ben bereid om voor Lims-Kragma te gaan staan als het mijn tijd is en rekenschap af te leggen voor alles wat ik heb gedaan, goed of slecht. Ik zal aanvaarden wat er onder de goden voor gerechtigheid doorgaat; ik wil mijn eeuwige plek in het Wiel des Levens niet opgeven alleen voor winst in dit bestaan.'

'Het zou wel een heel goede ruil moeten zijn,' vond Magnus ook.

'Zo simpel is het niet, zeker?' vroeg Puc.

Amirantha schudde zijn hoofd terwijl hij zijn lepel neerlegde; kennelijk was hij uitgegeten. 'Als een agent van het kwaad naar je toe komt en je een overeenkomst aanbiedt, hangt de uitkomst daarvan af van hoe sterk je in je schoenen staat, maar de agenten van het duister gaan veel subtieler te werk.

Er is daarbuiten een kracht,' vervolgde hij, terwijl hij zijn beker wijn oppakte en er een slokje uit nam, 'die niet bepaald openlijk te werk gaat.

Ik ben ervan overtuigd dat mijn broer, de man die jullie kenden als Leso Varen, al meer dan halfgek was toen hij onze moeder ver moordde. Iets had zijn hart al aangeraakt en daar een bereidwillige dienaar gevonden. Ik kende mijn broer goed; zijn ijdelheid zou hem nooit toestaan voor een ander op de knieën te gaan, maar die ijdel heid leidde er ook toe dat hij gemakkelijk te manipuleren was.'

Terugdenkend aan een gesprek met de God van de Dieven, toen Banath had onthuld dat Macros' ijdelheid zijn grootste bondgenoot was geweest bij het manipuleren van deze verder zo sluwe tovenaar, kon Puc alleen maar instemmend knikken.

'Hoewel mijn broers en ik niet veel met elkaar spraken, hadden we wel gemeenschappelijke kennissen. Zoals je al begrepen had, constateren wij die de zogenoemde "duistere kunsten" beoefenen vaak dat we moeten omgaan met wat ruigere soorten mensen: die ven, bandieten, voortvluchtigen en zo. Mensen die aan goederen kunnen komen waar we anders onmogelijk de hand op zouden kunnen leggen. Dit geldt in mindere mate voor mijn eigen roeping, want ik maak het meeste wat ik nodig heb zelf: afweerbezweringen, machtsstenen en andere voorwerpen die door de jaren heen nuttig zijn gebleken voor mijn interessegebied...'

'Je kop eraf laten rukken,' merkte Brandos op.

'Ik wilde eigenlijk iets anders zeggen, maar dat is ook duidelijk.' De zwarte magiër pakte peinzend zijn lepel op en porde ermee in de resten van zijn maaltijd. 'Zij die levende studieonderwerpen nodig hebben, moeten omgaan met slavenhandelaren, en degenen die de dood nodig hebben - zoals mijn broer - moeten ook omgaan met slavenhandelaren, strijdheren of anderen die gegarandeerd problemen veroorzaken. Sekten zijn heel nuttig.'

Toen hij dat woord hoorde, vroeg Puc aan Caleb: 'Heeft Zane...?'

'Nee,' antwoordde Caleb. 'Hij zei dat Sandrina liever wil wachten tot vader-bisschop Creegan er is.'

'Komt Creegan hierheen?' vroeg Amirantha, die zijn wenkbrauwen optrok als enige teken van verbazing.

'We hebben vele vrienden.'

'Inderdaad,' beaamde de zwarte magiër.

'Ken je hem?'

'Ik heb hem ontmoet,' antwoordde Amirantha.

'Geen zorgen,' merkte Brandos op. 'Creegan zou Amirantha graag op de brandstapel willen zetten, maar hij zal hem niet op zijn gezicht slaan. Daarvoor is hij veel te welgemanierd.'

Amirantha glimlachte spijtig. 'Hij is een praktisch man. Hij keurt mijn interessegebieden af, maar hij heeft zich er nooit in proberen te mengen.'

'Het helpt ook dat we aan de andere kant van de wereld wonen,' zei Brandos. 'Grote oceaan tussen ons in en zo.' Hij knipoogde naar Puc en zijn familie. 'Dat houdt de zaak beschaafd.'

Magnus glimlachte hoofdschuddend en Caleb lachte.

'Maar waarom was die stomp eigenlijk?' vroeg Miranda. 'Jammer dat ik dat niet heb gezien; het klinkt alsof het wel vermakelijk was.'

Brandos begon: 'Nou, dat is een lang verhaal...'

Amirantha onderbrak hem. 'Ook dat heeft te maken met de vader-bisschop. Ik was op doorreis door het Prinsdom. Dat was vier of vijf jaar geleden...' Hij keek Brandos aan, die vijf vingers opstak. 'Vijf jaar geleden. Er deed een verhaal de ronde over een demon die was gezien langs de kust van Krondor, vlak bij een dorp met de onwaarschijnlijke naam Gele Muilezel.'

'Goeie taveerne daar,' merkte Brandos op.

'Goeie taveerne,' beaamde Amirantha. 'We logeerden daar om te achterhalen wat er voor waarheid in dat gerucht school toen we Sandrina tegenkwamen, die er ook heen was gekomen om de streek van die demon te ontdoen. Onze doelen schenen elkaar te overlap pen...'

'En Sandrina is een heel mooie jongedame; mijn vriend hier heeft daar nogal een zwak voor.'

Amirantha keek zijn metgezel fronsend aan, die probeerde niet te grijnzen terwijl hij verder at. 'Dus sloegen we de handen ineen.'

Puc keek hem peinzend aan en zei: 'Meestal hoor ik het wel als er zoiets ongebruikelijks gebeurt als een opduikende demon, vooral zo dicht bij Krondor.' Hij keek naar Magnus en Caleb, die allebei hun schouders ophaalden, en toen wierp hij een vragende blik op Miranda.

'Ik heb er een verslag over gelezen; van onze vriend in het paleis van de prins.'

Pucs wenkbrauwen kropen omhoog. 'O?'

'Het leek me niets om ons druk over te maken. Er was een demon gezien, een paar dorpelingen maakten er korte metten mee, en dat was dat.'

Brandos en Amirantha wisselden een verbaasde blik uit en Brandos vroeg: 'Dorpelingen?'

'Vader-bisschop Creegan heeft onze namen waarschijnlijk uit het verslag weggelaten,' zei Amirantha.

Puc glimlachte. 'Dat is wel iets voor hem. Hij is ambitieus. Maar ga verder.'

'Veel meer valt er niet te vertellen,' zei Amirantha. 'Een... vreemde man, een beetje geschift denk ik, was het dorp in gedwaald en beweerde dat hij een of andere profeet was en dat hij indrukwekkende dingen had bereikt; althans, voor de dorpelingen waren ze indrukwekkend. Hij genas wat verwondingen, ontdeed een kleine boomgaard van ongedierte en wist een aardige weersvoorspelling te geven. Hij verzamelde een groepje volgelingen om zich heen en na een jaartje had hij hen ervan overtuigd dat hij de belichaming van een god was.

En toen, voor zover ik heb gehoord, werd het akelig.'

'Ja,' beaamde Brandos. 'Mensen die zich niet bij zijn stel wilden aansluiten werden plotseling ziek, hun koe gaf zure melk of hun gewassen kregen ongedierte.'

'Vervloeking,' zei Puc. 'Heksenwerk.'

'Misschien,' bevestigde Amirantha. 'Mijn moeder is vaker een heks genoemd dan ik me kan herinneren. Mijn titel, zwarte magiër, betekende vroeger eigenlijk "roeper van geesten" in de oude Satumbriaanse taal, maar nu wordt er "mannelijke heks" mee bedoeld.'

'Ik heb al die namen nooit begrepen,' merkte Brandos op. 'Je gebruikt magie of je gebruikt het niet, toch?' Die vraag richtte hij aan Puc.

Puc kon zijn lachen niet inhouden. 'Je hebt geen idee hoeveel gesprekken ik in de loop der jaren over die vraag heb gevoerd, mijn vriend.'

Amirantha ging verder met zijn relaas. 'Binnen een week ontdek ten we dat er nog anderen betrokken waren bij die sekte, mannen die op mysterieuze wijze midden in de nacht opdoken en dan weer verdwenen.'

'Magiërs?' vroeg Magnus.

Amirantha haalde zijn schouders op. 'Of afvallige priesters van de een of andere orde, maar ze waren een doorgeefluik voor informatie of instructies tussen die valse profeet en degene die achter de gebeurtenissen in Gele Muilezel zat.'

'De dorpelingen waren best een vrolijk stel, tot ze begonnen te sterven,' zei Brandos. 'Die profeet, die zich Jaymen noemde, gaf óns de schuld! Ongelooflijk, toch?'

Puc knikte. 'Ga door.'

'Dus, zoals gezegd,' zei Amirantha, 'tegen die tijd hadden Sandrina en ik de handen ineengeslagen. Ze probeerde de dorpelingen te redden; kennelijk werden de rapporten aan de kustwachters van de prins van Krondor genegeerd, en ik had heel veel belangstelling voor de demonengeur.'

'Geur?' vroeg Puc.

'Ja,' bevestigde Amirantha. 'Je bent toch wel eens demonen tegengekomen?'

'Jawel,' zei Puc knikkend. 'Niet met de beste resultaten, moet ik eraan toevoegen.'

'Heb je dan niet gemerkt hoe ze ruiken?'

Puc dacht terug aan zijn ontmoeting met de demon die zich had vermomd als de Smaragden Koningin, maar die herinnering was vaag. Hij was destijds ijdel en had het gevoel dat hij oppermachtig was, en hij was erheen gevlogen, alleen om uit de lucht te worden geblazen in een verzengende bol van vuur die hem bijna het leven had gekost.

'Ik kan niet zeggen dat ik de tijd had om een bepaalde geur op te Werken,' antwoordde Puc. Hij keek Miranda en Magnus aan.

'Ik heb diverse demonen op «lijn pad gehad, en op één na, die naar brandende zwavel stonk, roken ze allemaal... zweterig? Het was een doordringende, muskusachtige geur.'

Amirantha lachte. 'Het spijt me, ik bedoelde niet letterlijk hun geur, maar meer hoe hun magie ruikt.'

Puc kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Dit lijkt erg veel op een gesprek dat ik vele jaren geleden een keer met een stamsjamaan in Kesh had. Hij beweerde dat hij kon bepalen met wiens magie een afweerbezwering of een betovering was gemaakt.'

Amirantha's ogen werden groot. 'Jij niet dan?' Hij keek naar de anderen, toen naar Brandos en zei: 'Maar ik dacht dat elke magiër kon... voelen van wie een bezwering was. Ik bedoel, als hij die andere magiër kende en zijn toverkracht eerder had meegemaakt.'

Magnus wisselde blikken met zijn vader en moeder en zei: 'Een aanname die is gebaseerd op beperkt contact met andere beoefenaars van magie.' Hij dacht daar even over na. 'Ik geloof dat ik het ook kan.'

'Echt waar?' vroeg Puc.

'Daar heb je nooit iets over gezegd,' voegde zijn moeder eraan toe.

'Ik heb er eigenlijk nooit zo bij stilgestaan,' zei Magnus. 'Het is niet iets wat ik bewust doe. Als jij of moeder in de kamer hiernaast zou verschijnen of verdwijnen, weet ik altijd wie van jullie twee het is.'

Pucs ogen werden groot.

'Als ik in mijn kamer ben, weet ik meestal wie de leerlingen onderwijst, gewoon door hoe de magie op de achtergrond aanvoelt.'

Miranda schudde haar hoofd. 'Daar had ik geen idee van.'

Puc wendde zich tot Amirantha. 'Nadat onze huidige problemen zijn opgelost kan ik je misschien overhalen een tijdje te blijven, want ik zou graag meer weten over dat vermogen waar jij en mijn zoon het over hebben.'

'Ik weet niet of het een vermogen is dat je een ander kunt leren.'

'Misschien is het dan iets wat je kunt leren herkennen,' zei Puc. 'Iets wat we doen zonder erbij na te denken, zoals met je ogen knipperen of ademhalen.'

'Eigenlijk,' zei Brandos, 'denk ik best veel na over ademhalen, en dat gebeurt meestal als iemand probeert te voorkomen dat ik ermee doorga.'

Amirantha kneep zijn ogen samen, maar hij gaf geen commentaar. Tegen Puc zei hij: 'Brandos moet binnenkort terug naar huis, anders zet zijn vrouw Samantha mijn hoofd op een staak, maar ik wil wel een tijdje blijven als ik kan helpen.' Hij glimlachte. 'Boven dien is hier een heleboel wat me nieuwsgierig maakt, want jullie hebben hier een systeem van magie waar ik nog nooit van heb gehoord. Zoals ik al zei, voor degenen van ons die de zogenaamde duistere kunsten beoefenen zijn er maar weinig sociale gelegenheden om andere magiegebruikers te ontmoeten.'

'Afgesproken,' zei Puc.

Sandrina kwam binnen, begeleid door een van Pucs studenten. De ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken droeg een mannentuniek, een broek en sandalen. Puc gebaarde dat ze aan tafel moest plaatsnemen en ze ging in een stoel naast Miranda zitten, tegenover Amirantha.

'Goed geslapen?' vroeg Miranda op neutrale toon.

'Ja,' zei de nog steeds uitgeputte jonge vrouw.

'Je moet een van onze genezers naar je verwondingen laten kijken.'

Sandrina pakte een kom en schepte zichzelf wat stoofpot op. 'Niks aan de hand. Ik heb er zelf genoeg gehecht om te weten wanneer ze gaan ontsteken. Ik hou hier alleen een paar nieuwe littekens aan over.'

'Er is een priester van Kilian die je littekens kan laten vervagen, als je bij zijn tempel langs gaat,' stelde Miranda voor.

'Waarom zou ik?' vroeg Sandrina. Ze keek naar Amirantha toen ze zei: 'Littekens helpen me eraan herinneren dat onvoorzichtigheid een weg naar pijn is.'

Amirantha hield zijn hoofd een beetje schuin alsof hij het met haar eens was, maar hij zei niets.

Brandos stond op. 'Nou, dat was heerlijk, maar als jullie me verder niet nodig hebben denk ik dat ik buiten maar even de benen ga strekken. Anders val ik toch maar in slaap, en dat vind ik een irritante gewoonte; ik voel me er oud door.'

Miranda glimlachte. 'Ik zal een van de studenten je rond laten leiden; er zijn een paar plekken waar je niet per ongeluk binnen wilt lopen.'

Ze wenkte een jongeman in een donkere mantel en droeg hem op om Brandos de rest van de woongemeenschap te laten zien, en de twee vertrokken.

'Wil jij ook rondkijken?' vroeg Puc aan Amirantha.

'Als het je niet uitmaakt, wacht ik liever hier op Creegan. Dan hebben we dat maar achter de rug,' antwoordde de zwarte magiër.

Puc en Miranda wisselden een korte blik, maar ze zwegen. Magnus nam het woord: We hebben al onze agenten bericht dat Sandrina hier veilig is aangekomen, dus hij zou hier ieder moment moeten zijn.'

'Nou, als jullie er geen bezwaar tegen hebben,' begon Amirantha, 'mag ik dan informeren naar jullie wijnvoorraad?'

Puc lachte en wenkte een andere student. Hij vroeg: 'Heb je liever rode of witte?'

'Ja,' antwoordde de zwarte magiër.

Miranda lachte met haar man mee en Puc zei: 'Haal een fles wijn uit de kelder, en kijk even of we nog wat van die oude Ravensburger rode hebben; ik geloof dat er nog een paar flessen van waren. Haal die op en neem ook glazen mee.' Hij keek langs de tafel. Magnus, Caleb en Miranda gaven aan dat ze niets wilden, dus zei Puc: Twee glazen.'

Sandrina stak een vinger op en Puc zei: 'Maak er maar drie van.'

De student liep snel weg.

'Ik heb een stapel oude documenten uitgezocht die nog in de kelder in Sterrewerf lag,' zei Miranda, 'over zogenaamde "demonen-overlevering". Amirantha, als je er eens naar wil kijken, zou ik prijs stellen op je mening. Het is niet veel, dus het zou niet al te lang moeten duren.'

De zwarte magiër knikte instemmend.

'Nou, ik moet na de lunch nog lesgeven,' kondigde Magnus aan, 'en dat is nu, dus ik kan maar beter gaan. Ik zie jullie allemaal straks weer.'

Caleb stond ook op toen zijn broer de kamer uit liep. 'En het huishoudboekje en dergelijke behoeven ook aandacht.' Hij nam af scheid van de gasten.

De wijn werd gebracht en Amirantha was onder de indruk van de kwaliteit ervan. Terwijl ze zwijgend dronken, draaide hij zich om toen hij Pucs gezichtsuitdrukking zag veranderen.

Door een deur aan de andere kant van de kamer kwam een lange, roodharige man binnen, met vader-bisschop Creegan achter zich aan. 'Daar gaat de gezelligheid,' mompelde Amirantha.

Sandrina wilde opstaan, maar de vader-bisschop wuifde haar te rug op haar stoel. 'Eet rustig verder, meisje,' zei hij. Toen wendde hij zich tot Amirantha. 'Ik dacht dat je dood was.'

'Dat hoopte u zeker,' zei de zwarte magiër. 'Creegan,' vervolgde hij begroetend.

Puc stond op. 'Wijn?'

De vader-bisschop knikte en trok een stoel naar achteren.

Puc keek de roodharige man aan en vroeg: 'Jommy? Jij ook wijn?'

'Natuurlijk,' antwoordde de man grijnzend, waardoor hij er plotseling een stuk jonger uitzag.

Puc vroeg om nog twee glazen terwijl vader-bisschop Creegan zich tot Sandrina wendde. 'Wat heb je ontdekt?'

Sandrina begon haar verhaal langzaam, te beginnen met de aan val op de wagen van de herbergier onderweg naar Akrakon. Ze liet niets weg wat ze zich herinnerde, omdat ze vermoedde dat elk detail voor de vader-bisschop en zijn metgezellen belangrijk kon zijn. Af en toe ging haar blik naar Amirantha, die roerloos en even aandachtig zat te luisteren als alle anderen aan tafel. Uiteindelijk vertelde ze over haar bezoek aan de grot, waar ze de oude kluizenaar dood had aangetroffen.

Toen ze klaar was, voegde ze eraan toe: 'Het grootste deel van de tocht van Akrakon naar Ithra is nog wazig. Ik had koorts en ben een paar keer flauwgevallen. Mijn paard heeft me gered, me beschermd als ik bij haar lag te slapen. Ik herinner me nog vaag dat ik in Ithra aankwam en naar de monniken bij de tempel ging. Daarna... nou ja, dat heeft niets meer met deze missie te maken.'

Vader-bisschop Creegan keek Amirantha aan. Wat trek jij voor conclusies uit het oproepen van die demon en de moord op de magiër?'

Amirantha haalde zijn schouders op. 'Het is duidelijk dat de sekteleden niet gelukkig waren met de resultaten.' Hij zweeg een tijdje en vervolgde toen: 'Ik kan alleen maar speculeren, maar de offers waren bedoeld om iets op te roepen. Zoals Sandrina het beschrijft, lijkt het erop dat ze in plaats daarvan diverse lagere demonen opriepen. Ik denk dat ik hun slag wel ken, een akelig ding dat ik een hakker noem: vleermuisvleugels, enorme klauwen aan de voorpoten...' Sandrina knikte. Wie die ongelukkige magiër ook was, hij probeerde iets te doen wat zijn vaardigheden ver te boven ging en heeft daar de ultieme prijs voor betaald. Hij viste in onbekend water, met aas waar even gemakkelijk een haai als een makreel op af kon komen.' Hij zweeg weer een tijdje en vroeg vervolgens aan Sandrina: 'Waren alle demonen hetzelfde?'

Ze knikte.

'En ze verdwenen nadat ze het offer hadden gedood?'

Ze knikte opnieuw.

Hij zuchtte. 'Stelletje stommelingen. Op de een of andere manier hebben ze de hand weten te leggen op een ontbiedingsritueel, en waarschijnlijk dachten ze dat wel te kunnen aanpassen om iets anders op te roepen. Mensen die geen demonische magie kennen...' Hij keek Puc aan. 'Dat is net zoiets als proberen regen op te roepen door de bezwering voor sneeuw te gebruiken en alleen het woord "sneeuw" te vervangen door "regen".'

'Ik ben geen meester in de weermagie,' zei Puc, 'want dat is Temars terrein, maar je voorbeeld is goed. De hele structuur van de bezwering zou moeten worden aangepast.'

Amirantha knikte bevestigend. 'Zo gaat het ook met een oproep. Als ik gewoon één ontbiedingsbezwering zou kunnen gebruiken waarin ik alleen de naam van de demon hoefde te veranderen, zou mijn leven een stuk eenvoudiger zijn.'

'Of korter,' merkte Sandrina droogjes op.

Puc en vader-bisschop Creegan keken haar aan.

'Ik heb hem aan het werk gezien. Hij veroorlooft zich vrijheden en brengt vaak zichzelf en anderen in gevaar,' zei ze nadrukkelijk. Toen liet ze haar stem weer terugkeren naar normaal en keek de zwarte magiër aan. 'Je bent een arrogante rotzak, Amirantha.'

Amirantha neigde zijn hoofd een beetje alsof hij haar daarin gelijk gaf. 'Maar ik weet meer over demonen dan ieder ander die je kent.' Hij keek Puc aan. 'Iemand probeert in korte tijd iets onder de knie te krijgen waarvoor jaren van studie nodig zijn. Ik vermoed dat diegene dus haast heeft.'

Puc zweeg een tijdje. 'Jommy, vertel Amirantha en de anderen eens over die ontmoeting die je had toen we voor het eerst kennis maakten met de Zonne-elfen en de Quor.'

Sandrina en Amirantha kenden Jommy niet. Hij keek hen aan en nam het woord. 'Tien jaar geleden was ik nog een jongen in opleiding, en ik was toevertrouwd aan de niet bepaald tedere zorgen van ene Kaspar van Olasko.'

Amirantha lachte. 'Die is hier ook, weet je.'

Met een blik naar Puc vroeg Jommy: 'Aan het vissen?'

Puc knikte. 'Zelfs de demonen konden hem daar niet van weer houden.'

Jommy leek niet helemaal te snappen wat daarmee werd bedoeld, maar hij ging verder met zijn verhaal. 'Maar goed, de generaal heeft mij en een paar andere jongens opgeleid terwijl we een missie uit voerden voor...' Hij zweeg even, omdat hij niet wist of de gasten op de hoogte waren van de geheime organisatie die onder deze schijn baar normale school voor magie schuilging. 'Voor Puc. Het was een ellendige tijd, waarin we voornamelijk in de regen zaten te wachten op piraten.'

'Piraten?' vroeg Amirantha.

'Ja, zo was het ons verteld.' Hij keek Puc met toegeknepen ogen aan. 'Soms horen wij jongens aan het front alleen geruchten. Maar er lag dus een schip voor de westkust van het schiereiland van de Pieken van de Quor, en er kwamen drie sloepen aan land. Die lui leken op piraten, en ze droegen allemaal zwarte hoofddoeken.'

Sandrina keek om beurten naar de anderen aan tafel. 'Zwarthoeden?'

'Zou kunnen,' zei vader-bisschop Creegan. 'Als dat zo is, dan hebben ze zich een hele tijd koest gehouden.'

'Zelfs het niveau van magie dat Sandrina heeft gezien is niet gemakkelijk te bereiken. Als magiërs willen leren hoe ze demonen moeten oproepen, dan is tien jaar geen onredelijk lange tijd om zich schuil te houden en te studeren,' zei Amirantha.

'Ze hadden een magiër bij zich en hij... hij riep een of ander ding op,' vertelde Jommy.

'Beschrijf het eens?' vroeg Amirantha belangstellend.

'Groot en vals met een wazige, mensachtige omtrek, maar dan groter, een voet of zeven, acht lang. Er hing rook omheen, alsof hij een mantel om zijn schouders droeg of zo. Hij sprak in een taal die de magiër kon verstaan en zijn stem klonk hol, alsof hij van ver weg kwam. Hij nam vorm aan en die was... moeilijk te beschrijven. Zijn huid rimpelde, als dikke room wanneer je de kan schuin houdt, of als een vlag die wappert in de wind. Als je je daar iets bij kunt voorstellen.'

Amirantha knikte. 'Jawel.'

'Hij had ogen als brandende kooltjes, felrood, en toen werd zijn huid hard als donkere, rokende steen. Van wat er daarna gebeurde weet ik niet veel meer, want generaal Kaspar beval een aanval en de hel brak los.

Maar ik weet wel dat dat ding tijdens het vechten groter werd, en als hij iemand aanraakte, dan verbrandde die. Even later was hij bedekt met vuur, met gele en witte vlammen die hem van top tot teen omhulden. Ik zag hem een schild schroeien en de tuniek van een man in brand steken. Er walmde rook van hem af als van een kampvuur. Ik weet niet of we wel een schijn van kans maakten, maar toen verschenen de elfen, en die hebben hem verslagen.'

'Hoe deden ze dat?' vroeg Amirantha.

'Dat weet ik eigenlijk niet,' antwoordde Jommy. 'En ik heb er ook niet naar gevraagd. Het ene moment probeerden we uit alle macht te overleven, en het volgende verscheen er een felle lichtschacht en verstijfde dat ding gewoon; toen ging het vuur uit. Het regende, had ik dat al gezegd? Hoe dan ook, zodra hij verstijfde en het vuur uitging sloeg de damp van zijn huid door de regen, en toen viel hij gewoon ineens aan stukken.'

'Dat was geen echte demon,' zei Amirantha. 'Het was een gebonden elementaire dienaar.'

'Wat is het verschil?' wilde Puc weten.

'Ik heb eens een magiër gekend die Celik heette en die gefascineerd was door de eigenschappen van de elementen aarde, lucht, water en vuur,' vertelde Amirantha. 'Hij beweerde dat er een essentieel onderdeel van elk element was, een aspect dat op het leven leek maar geen echt leven was. Hij noemde die wezens elementaire dienaren. Ze kwamen van een plek... niet het demonenrijk, daar ben ik van overtuigd, maar van elders, een bestaansniveau dat wij niet kennen.'

'Fascinerend,' merkte Puc op. Zijn ervaringen in het volgende bestaansniveau, toen hij samen met zijn zoon en Nakur - de kleine gokker die vele jaren zijn vriend was geweest - de invasie van de Dasati op Kelewan bestreed, hadden Pucs nieuwsgierigheid over het bestaan van andere niveaus aangewakkerd. Tot zijn aanhouden de frustratie was er echter even weinig informatie beschikbaar over die bestaansniveaus als over demonen.

'Nou, wat het ook was, het was verdomde eng toen het op ons af kwam,' zei Jommy. 'Maar ik weet niet of ik snap wat dit te maken heeft met wat jullie aan het onderzoeken waren in de Pieken van de Quor.'

'Ik ook niet,' zei Puc. 'Die Zwarthoeden dienen iemand, of iets, en ze hebben al meer dan tien jaar belangstelling voor de Pieken van de Quor.'

Vader-bisschop Creegan reageerde hierop. 'De Sven'ga-ri. Hoe wel we nog niets van hun aard weten, alleen dat ze heel mooi zijn, weten we wel dat het wezens met macht zijn, en dat ze die schim men aantrokken...'

'Schimmen?' onderbrak Amirantha hem. 'Hebben jullie schim men gezien?'

'Ik, ja,' zei Jommy. 'Of iets wat op een schim leek.'

'Vertel eens,' zei Amirantha.

Jommy vertelde over de aanval van de vreemde mensachtige schepsels die op de rug van wolfachtige rijdieren reden en die haast onmogelijk te zien waren. Het waren bijna alleen maar donkere vlekken in zijn gezichtsveld geweest.

Miranda had de hele tijd gezwegen, maar nu zei ze: 'Ik heb ze helpen vernietigen.' Ze beschreef hun kamp en keek haar man toen vragend aan.

'Voor zover we konden bepalen waren het schepsels uit de leeg te, iets wat leek op drochten, een soort schimmen of geesten,' zei Puc. 'Ik ben twee keer drochten tegengekomen, en hun lagere ver wanten wat vaker.'

'Nu heb ik echt een grenzeloos respect voor je,' zei Amirantha zonder humor of ironie. 'Voor zover ik weet heeft helemaal niemand ooit de drochten ontmoet. Maar schimmen en geesten komen ook niet uit het demonenrijk. Ze zijn... iets anders.'

'Wat dan?' vroeg Jommy.

'Dat weten we niet,' antwoordde Puc. We weten alleen dat ze van ergens voorbij de Zeven Hellen of Hemelen komen.' Hij keek Amirantha aan. 'Het zijn schepsels uit de Leegte.'

Amirantha concludeerde: 'Ik heb het gevoel dat hier meer achter zit dan me wordt verteld, wat natuurlijk je goed recht is.' Hij keek Puc met samengeknepen ogen aan. 'En je weet ongetwijfeld al een heleboel over het demonenrijk.'

Puc zweeg terwijl de andere gasten aan tafel naar hem keken. Miranda stelde een zwijgende vraag, maar alle anderen keken ver wachtingsvol. Sandrina legde haar lepel naast haar bord, en vader-bisschop Creegan zette zijn glas neer. Puc zag twee leerlingen vlak bij staan wachten tot ze iets voor de gasten konden halen, en twee anderen die bezig waren met een onderzoek aan de andere kant van de eetzaal, waar ze op fruit en kaas stonden te kloppen. Puc riep hen en zei: 'Gaan jullie maar, en vraag die twee daar even of ze een ander plekje kunnen gaan zoeken. Dank je.'

De twee leerlingen haastten zich naar de anderen toe, en even later was de eetzaal verlaten, op degenen aan Pucs tafel na.

'Vertel het ze. Vertel ze alles. Ze moeten het weten,' zei Miranda uiteindelijk.

Puc begon zachtjes te vertellen. 'Jullie weten allemaal van de invasie van het Koninkrijk der Eilanden door de legers van de Smaragden Koningin. Voor de meesten van jullie is dat geschiedenis van lang geleden, maar Miranda en ik hebben het zelf meegemaakt.'

Amirantha zweeg; hij had gezien hoeveel vernietiging de legers van de Smaragden Koningin ook in zijn thuisland hadden aangericht toen hij nog jong was.

'Er zijn dingen uit die tijd waar ik niet over wil praten. Er zijn vragen die ik niet wil beantwoorden. Maar wat ik jullie wel zal ver tellen, kun je voor waar aannemen.'

Niemand zei iets, maar het was duidelijk dat de toehoorders zijn voorwaarden aanvaardden.

Miranda wist waar hij naar verwees, want zij was erbij geweest. Ze herinnerde zich alles wat Nakur over de Vijfde Cirkel had gezegd en wat er was gebeurd toen ze op de verwoeste wereld Shila stonden. Ze had haar vader Macros zien strijden tegen de demonenkoning Maarg, en ze had gesproken met de bezeten demon die was onderworpen door de sagenbewaarder van de Saaur, Hanam. Al leen Miranda, Puc en Magnus wisten dat hoewel Nakur een van hun meest vertrouwde vrienden was geweest, hij ook een marionet van Banath was, die tevens bekend stond als Kalkin, de God van Dieven en Leugenaars.

'Een van de redenen dat uw hogepriester in Rillanon ons jaren geleden aan elkaar voorstelde, vader-bisschop, was omdat veel van wat hier gebeurt ten dienste is van een veel hogere macht, een feit dat de meesten die hier werken niet kennen,' vertelde Puc. Hij keek de anderen om beurten aan: zijn vrouw, de zwarte magiër, de pre laat, zijn pleegkleinzoon en de ridder-adamant. 'Jullie zijn hier alle maal om verschillende redenen bij betrokken geraakt, of dat nemen jullie althans aan.' Hij keek lange tijd naar Amirantha en zei: 'Jouw rol is me nog niet duidelijk, maar ik vermoed dat het van essentieel belang was dat we je vonden.

Demonen begonnen op onverwachte plekken te verschijnen, zonder dat ze waren opgeroepen.'

Bij die uitspraak werden Amirantha's ogen wat groter, maar hij zei niets.

Puc zweeg weer een tijdje, en toen vervolgde hij: 'Vader-bisschop Creegan, Jommy en Miranda weten dit, maar jullie twee niet.' Hij gebaarde naar Amirantha en Sandrina. 'Sommigen van ons hier op dit eiland dienen een hoger doel, via een organisatie die het Conclaaf der Schaduwen wordt genoemd. Uit noodzaak zijn we een zeer geheime organisatie, die een heel bijzondere relatie onderhoudt met de regenten van de drie machtigste naties hier in Triagia.'

'Wat betekent dat ze ook invloed hebben in alle mindere koninkrijken,' voegde Creegan eraan toe.

'En gezien het feit dat Kaspar degene was die me hierheen bracht,' zei de zwarte magiër, 'strekt de invloed zich uit tot het Koninkrijk Muboya aan de andere kant van de wereld.' Hij leek onder de indruk.

'We hebben ook goede betrekkingen met andere groeperingen, waaronder diverse grote tempels. Ons doel is niet om die entiteiten, politiek en seculier, te ondermijnen of zelfs maar te beïnvloeden, maar om de communicatielijnen open te houden ten dienste van het algemeen belang.'

'En wat zou dat algemene belang dan moeten zijn?' vroeg de zwarte magiër.

Jommy lachte blaffend en antwoordde: 'Het voortbestaan van de wereld.' Hij boog zich naar voren en alle humor verdween uit zijn gezicht. Op dat ogenblik zag Amirantha onder de goedmoedige gelaatstrekken van de jongeman een geharde veteraan die verschrikkelijke dingen had meegemaakt. 'Ik heb dingen gezien. Ik heb dingen doorstaan die geen mens had moeten overleven, en ik heb mensen om wie ik gaf zien sterven.' Hij zweeg even. 'Er is niemand in het Conclaaf voor wie ik niet mijn leven zou geven, en ik ben er zeker van dat ook zij hun leven voor mij zouden geven. En dat komt niet door blinde loyaliteit. Deze mensen dragen iets bij.'

'Genoeg, Jommy,' zei Puc. 'We zijn hier niet om Amirantha ervan te overtuigen dat wij agenten van het goede zijn en dat al degenen die tegenover ons staan dienaren van het kwaad zijn.'

De zwarte magiër glimlachte. 'Niet nodig. Dat weet ik al. Ik geloof althans dat jullie denken dat jullie de goede zaak dienen.'

'Bijdehand,' zei Miranda.

De zwarte magiër glimlachte. 'Veel van de mensen die mij door de jaren heen hebben geprobeerd te vermoorden dachten dat ze een goede zaak dienden.'

Jommy lachte. 'Die ervaring heb ik ook.'

Sandrina keek ongeduldig om zich heen. 'De demonen?'

'Ja,' zei Amirantha. 'Wat weten jullie over het demonenrijk?'

'Er zijn meerdere niveaus van realiteit,' begon Puc. 'Dit is wat sommigen zouden zien als het eerste niveau van de hel.'

Jommy lachte. 'Soms denk ik dat dat te flatteus is.' Hij zag Miranda's gezicht betrekken en zei: 'En nu hou ik mijn mond.'

'We hebben tegen demonen gevochten op Shila, de wereld van de Saaur, en de weg gevonden naar de doorgang waar ze uit waren gekomen. We hebben de scheuring tussen Shila en hier vernietigd en zijn ontkomen.' Puc zei maar niet dat Macros, Miranda's vader, was gestorven terwijl hij de machtigste demon van de Vijfde Cirkel had beziggehouden zodat de anderen in hun opzet konden slagen. 'We weten dat de demonen worden geregeerd door een wezen dat Maarg heet, en dat hij kapiteins heeft. Daar weten we verder weinig van, behalve dat zijn eerste kapitein, honderd jaar geleden, Tugor heette.

Ze hebben een soort intelligentie, maar die lijkt niet op de onze.'

'Dat klopt,' bevestigde Amirantha. Tot nu toe heeft mijn ervaring me geleerd dat ze sluw kunnen zijn, soms zelfs slim, maar hun creatieve vermogens zijn beperkt.'

Puc knikte. 'Ze schijnen tot de hogere niveaus te worden aangetrokken als motten tot een kaarsvlam.'

'Dat klopt ook,' zei Amirantha. 'Daarom moet je tijdens een ontbieding altijd een vasthoudbezwering of afweer instellen, anders verslindt het schepsel alles wat hij ziet. Zelfs de kleine impen, zoals mijn Nalnar, gaan meteen op strooptocht als je daar geen stokje voor steekt.' Hij glimlachte. 'Hij is dol op gebak.'

Miranda scheen het idee niet grappig te vinden. 'De meeste die wij hebben gezien waren vleeseters,' zei ze kil.

'Dat klopt inderdaad ook,' gaf Amirantha toe. 'Maar ik denk dat de schepsels van het hoogste niveau ook in staat zijn om met hun heel eigen soort magie levensenergie rechtstreeks uit levende wezens te putten.'

'We weten dat ze magie hebben,' zei Puc, 'want een van die demonen wist iedereen die hem zag er met een illusie van te over tuigen dat hij de Smaragden Koningin was.'

'Daar weet ik niets van,' zei Amirantha, 'want ik heb nog nooit een demon ontmoet met de macht om zo'n illusie te creëren. Het verbaast me dat de demon tot zoiets in staat was. Ze zijn meestal vrij direct in hun gebruik van magie. Voor zover ik heb gehoord van de paar demonen die ik kan vertrouwen...'

'Vertrouwen?' viel Miranda hem in de rede. 'Zijn er demonen die je kunt vertrouwen?'

'Vertrouwen is misschien een groot woord. Ze zijn betrouwbaar in zoverre dat ze doen wat ik wil en me vertellen wat ik weten wil, omdat ze me zien als machtig; ze weten dat ik ze niet alleen terug kan sturen naar het demonenrijk, maar ook kan vernietigen.'

'Wat hebben ze dan verteld?' wilde Puc weten, terugkerend naar het onderwerp van het gesprek.

'Ze hebben steden, of iets van een sociale structuur,' vertelde Amirantha. 'Geen steden zoals wij die hebben, maar labyrinten in berggrotten; of misschien is korven een betere analogie.

Ze voeden zich doorlopend met elkaar, maar ik heb het gevoel dat daar iets mee is wat ik niet helemaal begrijp.' Hij zweeg even en keek Puc, Miranda en de anderen aan. 'Ik weet het niet zeker, maar mijn intuïtie vertelt me dat ze nooit echt sterven. Ik denk dat hun levensessentie ofwel wordt verorberd door een andere demon, of dat die op de een of andere manier terugkeert naar een soort uit gangstoestand in hun rijk.'

'Ja,' zei Jommy, 'anders zou hun voedsel toch allang op zijn ge weest?'

'Inderdaad,' zei Amirantha. 'Ze verbouwen geen gewassen, ze vissen niet, en voor zover ik heb gehoord is er in hun rijk geen ander leven dan demonenleven, zoals wij dat zien.'

Puc dacht aan hoe vreemd het Dasatirijk op het tweede bestaansniveau was geweest en dat het demonenrijk nog verder van dat van hen af stond. 'Misschien zullen we dat wel nooit begrijpen.

Maar laten we terugkeren naar onze huidige zorgen. De Saaur waren een ras van strijders en magiegebruikers dat kon wedijveren met elk ander ras dat ik ken, en toch wisten de demonen hen na zeventien jaren van strijd te vernietigen. Het rijk van de Saaur strek te zich uit over een hele wereld, en miljoenen van hen stierven in de gevechten tegen de demonen.

Onze vraag is natuurlijk waarom er steeds vaker demonen hier in Midkemia opduiken.'

'Daar zijn verschillende mogelijke verklaringen voor,' zei Amirantha.

'En die zou ik graag allemaal willen horen,' zei Puc, 'maar begin voorlopig maar met de meest waarschijnlijke.'

'Iemand haalt ze hier naartoe.'

'Je broer?' vroeg Puc.

Amirantha knikte. 'Zeker de demon die probeerde mij te ver moorden, de gebeurtenis waardoor ik op zoek ben gegaan naar Kaspar om hem te vertellen dat er iets akeligs aan de hand was. En als hij mijn bezweringen kan omzeilen...' Hij zuchtte. 'Hij is ofwel veel machtiger geworden dan ik voor mogelijk had gehouden, of hij werkt samen met anderen. Hoe dan ook, het is niet best.'

'Wie dient hij?' vroeg vader-bisschop Creegan.

'Zichzelf,' antwoordde Amirantha meteen.

'Het zit in de familie, kennelijk,' merkte Sandrina op.

Amirantha negeerde haar. 'Belasco is niet zo waanzinnig als Sidi was, maar hij is ook niet geheel rationeel. Hij krijgt woedeaanvallen waardoor hij dingen doet...' Hij haalde zijn schouders op. 'Sidi was volslagen irrationeel en daardoor onvoorspelbaar. Ik weet niet eens of hijzelf de helft van de tijd wel wist waarom hij dingen deed. Al sinds hij klein was werd hij gedreven door merkwaardige impulsen, behoeften en verlangens die ik me niet kan voorstellen.

Maar Belasco wordt gedreven door haat. Hij haat wat hij niet kan krijgen, wat hij niet kan beheersen, of wat hij niet kan begrijpen.'

Jommy zuchtte. 'Dat is een heleboel haat.'

'Inderdaad,' zei Amirantha. 'Als iets of iemand, een groepering die we eerder zijn tegengekomen of hebben geïdentificeerd - misschien wel die organisatie die jij de Zwarthoeden noemde, Sandrina - hem een grotere macht biedt, of meer rijkdom, of meer inzicht, met andere woorden als ze zijn ijdelheid en verlangens aanspreken, dan zou hij ze wel dienen.

En ik ben ervan overtuigd dat als hij inderdaad in dienst is van een ander, hij uiteindelijk van plan is om degene die hij dient te overstijgen en vervangen, maar dat is een ander verhaal. Voorlopig werkt hij ofwel voor iemand anders of voor zichzelf, maar hoe dan ook schijnt hij vastberaden te zijn om heel akelige schepsels naar onze wereld te halen.

De demon die ik ontmoette, die dit avontuur voor mij in gang zette, leek op niets wat ik eerder had gezien; hij was een strijddemon én een magiër. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe uniek dat is. Nog nooit had ik van dergelijke schepsels zelfs maar gehoord.

Demonen zijn doorgaans onder te verdelen in twee groepen, waarvan de magiegebruikers de kleinste vormen. Hun ras wordt gedomineerd door brute kracht, en vaak is magie subtieler. Degenen die magie gebruiken zijn meestal slimmer, manipulatiever, zelfs verleidelijk met hun kunsten.'

'Zeg, hoe gaat het trouwens met Darthea?' vroeg Sandrina sarcastisch.

Amirantha aarzelde even, maar toen besloot hij de opmerking te negeren. 'Ik heb me vaak afgevraagd hoe de kleine schepsels zoals Nalnar overleven.'

'We denken dat het een systeem van loyaliteit is,' zei Puc. 'Nuttig zijn, bescherming kopen van machtigere demonen die hoger in de hiërarchie staan. Maarg regeert via zijn kapiteins, en die op hun beurt hebben onderworpenen. We nemen aan dat schepsels zoals jouw imp ergens goed voor zijn, misschien om inlichtingen te ver garen, maar het kan ook zoiets simpels zijn als het opruimen van het afval.

Wat het ook is, één ding staat vast: we weten veel te weinig.' Kijkend naar Amirantha zei hij: Wat kun jij daarin voor ons betekenen?'

'Ik zal doen wat ik kan,' antwoordde de zwarte magiër. 'Zelfs als mijn broer hier niet bij betrokken was. Ik vind dit allemaal fascinerend. Ik denk niet dat ik op dit moment een plek zou kunnen ver zinnen waar ik liever zou zijn.'

Een student stak zijn hoofd om de deur en riep: 'Meester!'

Wat is er?' vroeg Puc.

'Schildwacht meldt dat er een draak aankomt.'

Puc stond snel op. 'Draken vallen ons gewoonlijk niet lastig. Het kan alleen maar Tomas zijn.'

'Tomas?' vroeg Amirantha.

Terwijl hij, Miranda, Puc en Jommy naar de deur liepen, draaide vader-bisschop Creegan zich om en zei: 'Komen jullie maar mee. Dit zie je misschien maar één keer in je leven.'

Ze haastten zich naar buiten, waar Puc en zijn familie zich al hadden verzameld. Amirantha zag dat Brandos zich bij hen had aangesloten, en ook de jongeman die Zane heette. In de verte zag hij een stipje in de lucht dat langzaam groter werd, toen een vogel achtige vorm kreeg en uiteindelijk iets leek te zijn als een kleine twee-potige draak.

Maar het schepsel bleef maar groter worden, en telkens als Amirantha dacht dat het nu dichtbij genoeg was om te landen, werd het nog een stukje groter. Uiteindelijk zweefde het boven hen, met een vleugelspanne die alle begrip te boven ging, en toen de draak met zijn vleugels sloeg om te landen klonk het als donderslagen.

'Ongelooflijk!' zei Sandrina, en Amirantha kon alleen maar knik ken. Hij voelde pijn en keek omlaag. Ze had zijn arm vastgegrepen en kneep er zo hard in dat hij er vast een blauwe plek aan zou overhouden.

Kaspar kwam aanlopen van een heuveltje ten noorden van de landingsplaats en sloot zich bij hen aan. Tegen Jommy zei hij: 'Nooit gedacht dit nog een keer te zullen zien.'

'Ik ook niet, generaal,' antwoordde de roodharige jongeman.

De draak liet zich rustig op de grond zakken en boog zijn enorme kop. Puc was verbaasd te zien dat er twee passagiers op zijn rug zaten. Tomas had hij verwacht, maar de tweede bezoeker was ie mand die hij nog nooit had gezien.

Hij leek op een elf, maar hij was zeven voet lang, met haren zo rood als de kam van een haan. Hij was gekleed in een mantel die leek te zijn geweven van fijne satijn, met geborduurde zomen in purper en goud, en op zijn rug droeg hij een staf die een mystieke energie uitstraalde.

Tomas omhelsde Puc, die zei: 'Welkom, oude vriend.'

De Krijgsleider begroette Miranda en de anderen. 'Puc, Miranda, mag ik jullie voorstellen aan Gulamendis, demonenmeester van de Clans van de Zeven Sterren, de taredhel, of in onze taal de Sterren elfen.'

Amirantha wendde zich naar vader-bisschop Creegan en Sandrina. 'Nu weet ik helemaal zeker dat ik nergens anders ter wereld zou willen zijn.'