5
En aan hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en aan hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk.
Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden.
OPENBARING 13: 7 en 10
Het zaad van Mikhtchah. Het zaad van de indringers…
Er was geen tijd en er was alle tijd. Amos voelde zijn hart ophouden met kloppen, maar het bloed bonkte door zijn aderen met een kracht die het al tientallen jaren niet meer gekend had. Hij voelde Ruth’s hand in de zijne, vervuld van terugkerend leven, maar toch wist hij dat ze nooit bestaan had. Naast hem voelde hij het haar van Doc Miller sneeuwwit worden, en hij wist dat het zo was hoewel hij Doc vanuit zijn positie onmogelijk zien kon.
Hij voelde de toorn van een Aanwezigheid op zich rusten en al zijn gedachten schenen zich te concentreren op de periode van zijn geboorte tot zijn dood. Hij bestond niet meer, en toch zou hij eeuwig bestaan. Hij voelde dat het Licht achter de sluier zich niet van hem bewust was, maar alleen ontvankelijk was voor de twee Mikhtchah-priesters die geknield lagen te bidden.
Deze uiterst verwarde indrukken deden zich slechts aan een deel van zijn geest voor. Aan een deel dat zó klein was dat hij niet wist waar het zich bevond, binnen en buiten alle tijd en ruimte. Toch was bij al zijn waarnemingen zijn hele geest betrokken, zoals die geweest was en zoals die zou worden. Verleden zowel als toekomst – alleen het heden leek een onoplosbaar begrip.
Hij zag een man op de berg aarde staan, die stenen tafels in ontvangst nam waarin woorden stonden gebeiteld die iedereen kon lezen. Hij kende die man, maar weigerde hem te herkennen want diens kleren pasten niet in het beeld, dat hij zich van hem had gevormd en diens regelmatige gelaatstrekken pasten niet bij het vreemde hoofddeksel en bij de taal die hij sprak.
Alle gebeden die hij ooit gebeden had, en nog zou bidden, trokken in een eindeloze reeks aan hem voorbij. Maar nergens was er die mantel van goddelijke warmte die hem als kind omhuld had en die hij die ochtend opnieuw had gevoeld. En er ontstond onrust, vermengd met toorn, rondom zijn gedachten; maar zolang die gedachten zich in zijn geest ontwikkelden, zolang was hij veilig.
Alle dingen waren onwaar, omdat hij niet begreep wat waar was.
De gedachten-chaos eindigde even plotseling als ze begonnen was; één microseconde of een miljoen jaren later. Hij wist niets meer, maar hij leefde. Hij was dood maar dat was een dood, die nog nooit iemand gestorven was.
Hier zag hij de Here God Almachtig voor zich, Hij die een verbond had gesloten met Abraham, met Isaac en met Jacob en met hun zaad. En hij wist dat het verbond geschonden was. De mensheid was verstoten en God stond nu aan de kant van de vijanden van Abraham’s zaad, de vijanden van alle volkeren ter wereld.
Deze wetenschap was te veel voor een mensenverstand dat niet langer functioneerde, niet langer contact had met eeuwenoude en steeds ingehamerde beginselen. En langzaam, heel langzaam kwam hij weer tot zichzelf.
Achter zich hoorde hij Doc Miller weer ademen; hij zag dat Doc zijn spierwitte haar vol verbijstering van zijn voorhoofd wegstreek en hoorde hem één enkel woord mompelen. ‘God!’
Een der Mikhtchah-priesters keek op; zijn ogen zwierven rond en er lag een verstarde trek op zijn gezicht.
Plotseling gaf Smithton een schreeuw; uit zijn opengesperde mond kwam een aanhoudend gekrijs en hij hijgde gruwelijk. Zijn ogen sperden zich open en er lag een starende blik in. Als een marionet stond hij op en liep houterig naar voren. Hij liep om de gordijnen heen en ging rechtstreeks op het Licht achter de sluier af. Het Licht verdween, maar Smithton liep door. De sluier viel dicht en hij stond stil.
Doc was geruisloos overeind gekomen en trok Amos mee. De dominee stond op, maar hij wist dat ze nergens naar toe konden. Het lag nu in Gods handen … Of …
Smithton draaide zich beheerst om. Zijn gezicht was strak en uitdrukkingloos. Hij was volslagen krankzinnig geworden. Werktuiglijk liep hij naar de twee priesters toe. Op het laatste moment weken ze opzij; ze hadden allebei een automatisch pistool in hun hand, dat klaarblijkelijk van aardse makelij was, maar ze maakten er geen gebruik van. Smithton liep verder naar de open voordeur.
Hij bereikte de stoep en de twee priesters keken hem na. Hij stapte van de eerste trede op de tweede en toen op het trottoir. En toen vuurden ze!
Er ging een schok door Smithton heen; hij bleef staan en gilde het uit van woede en pijn. Hij dook weg, opzij van de deur, en zijn wankele voetstappen klonken steeds verder weg. Hij moest dood zijn – de schietvaardigheid van de Mikhtchah was even doeltreffend als altijd – maar Smithton bewoog nog steeds, alleen steeds trager, alsof er eerst een extra lading leven moest komen uit een batterij die zich ontlaadde.
De priesters wisselden snel een blik en stormden toen achter hem aan Ze holden schreeuwend de nacht in. Heel even verscheen er nog een hoofd en toen een hand die een schot loste op de gordijnen waarachter Smithton vandaan gekomen was. Amos dwong zich zelf stil te blijven staan en voelde in zijn verbeelding al de schok van het lood in zijn lichaam. De kogel raakte de gordijnen en nog iets anders.
De priester aarzelde, maar verdween toch weer.
Amos rende de kerk door, langs het altaar, en achter zich hoorde hij vaag het geluid van Doc’s voetstappen.
Het valluik was er nog, verborgen onder een tapijt. Hij trok het omhoog en liet zich zakken in de ongeveer anderhalve meter hoge kelder. Toen ging hij opzij voor Doc. Ze stonden gebukt naast elkaar. Amos trok het luik dicht; het was vijf jaar geleden dat hij hier een keer naar beneden was geweest om te zien wat de teenagers die de tunnel hadden gegraven, precies hadden uitgespookt.
Even dacht hij dat hij al voorbij de kleine ingang was gelopen; het was trouwens heel goed mogelijk dat die ingestort was. Toen vond zijn hand het gat, een meter verderop, en hij trok Doc met zich mee.
De tunnel was smal en hier en daar was er aarde naar beneden gevallen. Ze legden een gedeelte van de weg op hun buik af en kwamen eindelijk bij de dichtgemetselde uitgang, waar ze met hun blote handen omhoog gingen graven. Ze deden er tien minuten over en in de verte hoorden ze vaag het wilde gebrul van de Mikhtchah. Toen ze er doorheen waren, bloedden hun handen. Ze namen niet de moeite om eerst te kijken of er ruimtelingen in de buurt waren, maar vluchtten meteen de bosjes in. Daar kwamen ze wat op adem.
De sloot was het gevaarlijkst, want het water stond op sommige plaatsen laag. Maar ze hadden opnieuw geluk, want die plekken lagen in de schaduw.
Daar was de smalle Republican-rivier voor hen en ze hadden het geluk een kleine, platte schuit te vinden.
Een paar seconden later dreven ze stroomafwaarts. Ze gaven hun pijnlijke longen wat rust, want de boot behoefde nauwelijks bestuurd te worden. En nog steeds was ‘t nacht – het enige licht was het gedempte maanlicht en er was weinig kans dat ze door vijandelijke vliegtuigen achtervolgd zouden worden. Amos kon net Doc’s gezicht zien, terwijl deze naar een sigaret zocht.
Hij stak hem op en inhaleerde diep. ‘Goed, Amos – je had gelijk en God bestaat. Maar ik voel me verdomme helemaal niks beter nu ik dat weet. Ik zie niet in dat God mij ook maar met iets zal helpen – ik geloof zelfs niet dat Hij de Mikhtchah veel goed doet. Wat hebben ze aan Hem, afgezien van een paar wonderen met het weer? Ze knappen gewoon Gods vuile werk op.’
‘Ze krijgen er de aarde voor in ruil, neem ik aan – als ze die hebben willen,’ zei Amos weifelend. Hij was daar eigenlijk niet zo zeker van. En hij begreep ook niet hoe die andere ruimtelingen in het patroon pasten; misschien had hij daarstraks het antwoord geweten, maar nu was het vervlogen. ‘Doc, je bent nog steeds atheïst, hoewel je nu zeker weet dat God bestaat.’
De dikke dokter grinnikte verbitterd. ‘Je hebt helaas gelijk. Maar ik ben tenminste mezelf nog. Jij kunt nooit meer jezelf zijn, Amos. Jij hebt je hele leven gegokt dat God bestaat en aan de goede kant staat. Dat je Hem moet dienen – en de enige manier waarop je Hem kon dienen was door de mensheid te helpen. Wat moet je nu doen? God heeft automatisch gelijk – maar alles waarin jij ooit geloofd hebt stelt Hem totaal in het ongelijk en je kunt Hem alleen maar dienen door je eigen volk te verraden. Wat is nu de zin van alles nog voor jou?’
Amos schudde zijn hoofd en verborg zijn gezicht in zijn handen. Zijn eerste reactie was, zijn trouw aan God zonder aarzelen te bevestigen; dat deed hij immers al zestig jaar. Maar nu kon hij dit besluit niet langer gestand doen. Als mens kon hij niet het hoofd buigen voor iets waarvan hij geloofde dat het door en door verdorven was, en de Mikhtchah waren, naar menselijke maatstaven, verdorven.
Kon hij de mensen de feiten vertellen en hun laatste houvast vernietigen? Kon hij naar de vijand overlopen, die hem alleen maar wilde hebben voor hun voedingsexperimenten? Of kon hij de mensen aanmoedigen om te strijden, met de oude woorden dat God met hen was – terwijl hij nu wist dat deze woorden niets dan leugens waren?
Toen drong tot hem door dat hij zich eigenlijk wat het hiernamaals betrof geen enkel argument herinnerde – noch ervoor noch ertegen. Wat gebeurde er met een volk dat door God in de steek werd gelaten? Werden ze alleen in hun lichamelijke vorm in de steek gelaten en nog steeds in staat gesteld geestelijke redding te zoeken? Of waren ze totaal verloren? Hadden ze nog een ziel die kon blijven leven? Of werden die zielen automatisch naar de hel verwezen, hoe nobel ze ook mochten zijn?
Hij had op geen enkele vraag antwoord gekregen. Hij wist dat God bestond, maar dat had hij altijd al geweten. Verder wist hij niets. Hij wist niet eens wanneer God de Mikhtchah had uitverkoren boven de mensheid. Het was onwaarschijnlijk dat dat pas in zijn eigen jeugd gebeurd was. Maar hoe kon hij anders die vreemde warmte verklaren die hij als lekenprediker had gevoeld?
‘Er is maar één redelijk antwoord,’ zei hij tenslotte. ‘Het maakt absoluut niets uit wat ik doe! Ik ben maar alleen.’
‘Columbus was ook alleen toen hij zwoer dat de aarde rond was. En de geschiedenis heeft aangetoond dat hij gelijk had. En ik geloof dat ik weet wat er in de Bijbel bedoeld wordt als er staat dat Mozes’ gezicht straalde toen hij van de berg afdaalde, zodat hij het met een sluier moest bedekken. Als ik gelijk heb, moge God de mensheid bijstaan, als jij het verkeerde besluit neemt!’
Doc gooide zijn sigaret in het water en stak een nieuwe op en Amos schrok toen hij zag hoe zijn handen beefden. De dokter haalde zijn schouders op en zijn stem klonk weer normaal. ‘Ik wou dat we meer wisten. Jij hebt altijd bijna uitsluitend in termen van het Oude Testament gedacht en in een paar stukjes van de Openbaringen – net als zoveel mensen die lekeprediker waren. Ik heb eigenlijk nooit over God nagedacht – ik kon niet in Hem geloven, dus heb ik Hem uit mijn hoofd gezet. Misschien hebben we daardoor dat beeld van Hem gekregen. Als ik nou maar wist hoe Jezus in het geheel past. Er zijn te veel hiaten. Te veel onbegrijpelijke zaken, te veel open vragen. We kennen maar twee feiten, en die begrijpen we geen van beiden: er bestaat een verschijningsvorm van God die zowel de Mikhtchah als de mensheid raakt; en Hij heeft nu verklaard dat hij de mensheid wil uitroeien. Dat moeten we niet uit het oog verliezen.’
Amos deed een laatste poging om het probleem waarmee hij geconfronteerd werd, te ontkennen. ‘Maar stel dat God de mens alleen maar weer op de proef stelt, zoals Hij al zo vaak gedaan heeft?’
‘Op de proef stelt?’ Het was of Doc die woorden voorzichtig proefde en toen uitspuwde. Hij leek veel ouder door het spierwitte haar en bijna een vreemde, omdat er geen enkele spot in zijn stem doorklonk. ‘Amos, de joden hebben zich rot gewerkt om Kanaän te krijgen. Veertig jaar lang hebben ze rondgezworven over een paar vierkante kilometer. Toen pas zei God ineens tegen ze dat dit het land was – en toen moesten ze het te vuur en te zwaard veroveren. Wonderen maken eigenlijk niets uit. Ze hebben Babylon uit weten te komen omdat de oude profeten zich dag en nacht uitsloofden om ze bij elkaar te houden, en ze in te prenten dat ze, als één volk, ooit aan hun trekken zouden komen. In onze tijd hebben ze hetzelfde moeten doen om Israel te krijgen, en zonder wonderen! Volgens mij heeft God het ze gewoon afgenomen, en ze moesten het zelf maar weer terug zien te krijgen. Als dat op-de-proef-stellen is, dan weet ik daar wel een ander, heel wat beter woord voor …!’
Amos voelde al zijn vastomlijnde waarden wankelen en afbrokkelen. Hij besefte dat hij zich alleen beheerste omdat Doc erbij was; anders was hij gek geworden, net als ieder ander verstand dat gedwongen werd het onoplosbare op te lossen. Hij kon zich zelf niet langer begrijpen, laat staan God. En het gevoel bekroop hem dat God Zichzelf ook niet helemaal begreep.
‘Kan een schepping in opstand komen tegen iets dat groot genoeg is om het te scheppen, Doc? En als dat mogelijk is, is het dan ook onvermijdelijk?’
‘Voor de meeste kinderen is het onvermijdelijk,’ zei Doc. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dit is jouw probleem, Amos. Ik kan niet meer doen dan je op een paar dingen wijzen. En misschien maakt het trouwens niets uit. We zitten nog midden in het gebied van de Mikhtchah en het wordt al bijna dag.’
De boot dreef verder, terwijl Amos zijn gedachten probeerde te ordenen en er steeds vaster in verstrikt raakte. Wat kon iemand doen die in God geloofde en dan ontdekte dat zijn God de tegenstander was van alles waarvan hij altijd gemeend had dat het goed was?
Een uitspraak van Kant kwam hem voor de geest; iemand had die woorden eens geciteerd – Doc waarschijnlijk: ‘Behandel derhalve de mens, in uw eigen persoon of in ieder ander, in ieder geval als een doel op zich, nimmer alleen als een middel’. Behandelde God nu de mens als een doel, of alleen als middel om een doel te bereiken. En had de mens God ooit werkelijk als een doel beschouwd, in plaats van als middel om geestelijke onsterfelijkheid te bereiken en om de angst voor de dood af te wentelen?
‘We worden gevolgd!’ fluisterde Doc ineens. Hij wees achter zich en Amos zag een zwak licht blinken in een bocht van de rivier. ‘Kijk – daar staat een huis. Zodra we in het ondiepe komen – maken we dat we wegkomen!’
Hij pakte de riemen en even later raakten ze de bodem van de rivier; ze sprongen over de zijkant en duwden de boot terug naar het midden. Het huis stond dertig meter van de oever en ze vlogen er op af. Zelfs in het zwakke maanlicht konden ze zien dat het een ruïne was, allang niet meer bewoond. Doc klom door een van de kapotte ramen naar binnen en trok Amos achter zich aan.
Door een kier in de muren zagen ze een andere boot de rivier afkomen, verlicht met een fakkel en bemand door twee Mikhtchah. De ene roeide en de ander zat in de boeg met een geweer en staarde voor zich uit. Ze voeren voorbij.
‘We moeten hier maar blijven,’ besloot Doc. ‘Over een half uur is het licht. Misschien komt het niet bij ze op zo’n ruïne te doorzoeken.’
Ze liepen een gammele trap op, vonden een kamertje en vielen doodmoe neer op de kale vloer. Amos probeerde urenlang een gemakkelijke houding te vinden; toen sliep hij plotseling in.
Hij werd een keer wakker toen er wat daglicht doordrong; in de verte hoorde hij zwaar geschut. Hij sliep weer bijna toen er hagelstenen razend op het dak neerkletterden. Nadat dit voorbij was, hield ook het schieten op.
Doc wekte hem toen het alweer donker begon te worden. Er was niets te eten en Amos was misselijk van de honger. Al zijn gewrichten deden pijn en lopen was één grote marteling. Doc keek omhoog naar de sterren, scheen te bepalen welke kant ze uit moesten, en ging op weg. Hij hijgde en kreunde en het leek erop dat hij zich even uitgeput voelde als Amos.
Maar hij had voldoende energie om hun discussie voort te zetten. ‘Ik zou wel eens willen weten wat Smithton heeft gezien, Amos. In elk geval niet wat wij zagen. En al die legenden over oorlog in de hemel? Was er niet ooit eens een grote veldslag, waarbij Lucifer bijna gewonnen heeft? Misschien is Lucifer gewoon het symbool voor een ander volk, dat God verstoten heeft?’
‘Lucifer was Satan, de geest van het kwaad. Hij probeerde Gods rijk te veroveren.’
‘Mmmm. Ik heb eens ergens gelezen dat we het altijd alleen met het verslag van de overwinnaar moeten doen, en dat is onvermijdelijk een zeer eenzijdig en bevooroordeeld verhaal. Hoe weten we waar het werkelijk om ging? En hoe het in werkelijkheid is afgelopen? Satan kan toch nooit helemaal kansloos geweest zijn toen hij met God de strijd aanbond.’
Lopen alleen al was zo inspannend dat praten nauwelijks mogelijk was. Amos haalde zijn schouders op en zette het gesprek niet voort. Maar in zijn geest wroette het verder.
Als God almachtig en alwetend was, waarom had Hij zich dan door hen laten bespieden? Was Hij eigenlijk wel almachtig tegenover een volk dat hij verworpen had? Zou het voor God enig verschil uitmaken wat de mens zou ondernemen nu Hij hen veroordeeld had? Was de Aanwezigheid die ze gezien hadden de gehele God – of slechts één verschijningsvorm van Hem?
Zijn benen bewogen stijf, verdoofd van moeheid en honger, terwijl hij in gedachten alsmaar piekerde over zijn voornaamste probleem. Waar lag zijn plicht nu? Bij God of juist tegen God?
In een verlaten huis vonden ze eten en ze maakten het klaar bij het omfloerste licht van een lantaarn. Ze luisterden naar het nieuws over een portable radiootje dat door de bewoners was achtergelaten. Het was een hopeloos verslag van vreemde landingen en menselijke nederlagen, maar zonder de wanhopige toon die ze zouden hebben verwacht. Ze waren halverwege de maaltijd toen ze de reden ontdekten.
‘Groot nieuws!’ kondigde de radio aan. ‘Zojuist ontvingen wij bericht uit de omgeving rond Denver. Een tweede atoomraket, bemand door vrijwilligers, is op de juiste plaats neergekomen! De basis van de ruimtelingen is vernietigd en de ruimteschepen zijn geheel buiten gevecht gesteld Inmiddels is gebleken dat de moeilijkheid bij eerdere pogingen gelegen was in het ontploffingsmechanisme. Dit wordt thans onderzocht en er worden nieuwe vrijwilligers getraind om dit onbetrouwbare deel van de bom te vervangen. Beide vrijwilligersmissies zijn geslaagd. Gevangen genomen ruimtelingen worden thans in Denver ondervraagd.’
Vervolgens werd opnieuw verslag uitgebracht van vijandelijke landingen, en Doc en Amos staarden elkaar aan. Het was te veel om ineens te kunnen verwerken.
Amos dacht zonder ophouden na en trachtte een verklaring te vinden voor het succes van de bombardementen waarbij de mens als vrijwilliger werd ingeschakeld, toen de volautomatische ontstekingen van de bommen het op onbegrijpelijke wijze steeds lieten afweten. Welke rol speelde de mens…
‘Ze kunnen dus verslagen worden!’ zei Doc schor.
Amos zuchtte toen ze opstonden om hun barre tocht voort te zetten. ‘Misschien. We weten dat God in Clyde was. Kunnen we zeker zijn dat Hij ook op die andere plaatsen aanwezig was om de bommen met Zijn wonderen tegen te houden!’
Ze sloften voort door de nacht, staken in het vage licht een stuk drassig land over, waar elke stap twee maal zoveel moeite kostte. Amos dacht na, probeerde het nieuws te gebruiken om tot een beslissing te komen. Als de mens zijn tegenstander kon terugdringen, al was het maar voor een tijdje…
Maar het antwoord op zijn vragen kreeg hij niet.
Bij het aanbreken van de dag waren ze in een bos. Doc hielp Amos met een boom inklimmen, waar hij de omgeving kon overzien. Vlak bij de rand van het bos stond een huis, maar het zou hun leven kunnen kosten om er te komen. Ze besloten verder te gaan.
Ze kwamen juist uit het bos toen een vijandelijk vliegtuig zijn stotterend gekrijs liet horen. Doc draaide zich om en liep terug naar Amos. Toen verstijfde hij. ‘Te laat! Hij heeft iets gezien. Moet een doelwit hebben!’
Hij stak zijn armen uit en gaf Amos een harde duw, zodat hij onder de dichtstbijzijnde boom viel. Hij draaide zich om en holde het open veld op; zijn dikke beentjes bewogen razend snel, terwijl hij met grote sprongen over het land rende. Amos probeerde op te staan, maar het was te laat.
Het geratel van schoten weerklonk en rondom Doc spoot de aarde omhoog. Hij slingerde en viel, bewoog even en bleef toen stil liggen.
Het vliegtuig vloog over terwijl Amos zich moeizaam oprichtte. Toen hij opstond, was het vliegtuig verdwenen. Doc had het een doelwit bezorgd en de piloot was kennelijk dik tevreden.
Doc leefde nog toen Amos naast hem neerviel. Twee schoten waren raak geweest, maar hij grijnsde terwijl hij zich op zijn ene elleboog oprichtte. Het zou maar een kwestie van minuten zijn en er was niets meer aan te doen. Amos pakte een sigaret voor Doc en stak hem met trillende handen aan.
‘Dank je.’ Doc hijgde nadat hij een diepe trek had genomen. Hij begon te hoesten maar wist zich te beheersen, waarbij zijn gezicht vertrok van de pijn. Het ritme van zijn woorden was onregelmatig, maar zijn stem klonk vlak. ‘Ik zal wel naar de hel gaan, Amos, want ik heb nooit berouw getoond – als er tenminste een hel is! En dat hoop ik! Ik hoop dat het er vol zit met alle zielen van alle verdoemde mensen en andere wezens die niet in goddelijke genade geloofden. En dan ga ik iets verzinnen om –’ Plotseling ging hij rechtop zitten, hoestend en kreunend. Hij vond ergens een laatste beetje kracht en keek Amos aan, met een zweem van zijn oude cynische glimlach.
‘– om nieuwe rekruten te werven!’ Toen viel hij achterover en alle veerkracht verdween uit zijn lichaam Een paar seconden later was hij dood.