4
Het was nog vroeg en hij liep Clare’s huis voorbij, tot aan de hoek, en bleef daar onder een zware olm staan, terwijl hij zijn sigaret oprookte.
Hij hoefde eigenlijk niets bijzonders te bedenken; hij hoefde alleen maar even ‘dag’ tegen haar te zeggen. Eén gemakkelijk uit te spreken lettergreep. En als ze hem zou vragen waar hij naar toe ging en hoe lang hij precies zou wegblijven, dan had hij zijn antwoord klaar. Rustig en zakelijk en ongeëmotioneerd zou hij erover praten, op een toon alsof ze eigenlijk nooit iets voor elkaar hadden betekend.
Zó moest het. Hij kende Clare Wilson nu ruim anderhalf jaar en al die tijd had hij haar aan het lijntje gehouden. Dat was niet fair en voor haar eigen bestwil moest het nu maar uit zijn. Hij had evenveel met een huwelijksaanzoek op als … als een gek die denkt dat hij Napoleon is.
Hij liet zijn peukje op de grond vallen en trapte het nijdig uit. Daarna liep hij terug naar het huis, de stoep op, en belde aan.
Clare deed zelf open. Haar gezicht kon hij niet onderscheiden door de lamp in de gang achter haar. Het licht viel door haar haar, waardoor het eruit zag als een bal van gesponnen goud. Hij wilde haar verschrikkelijk graag in zijn armen nemen, maar toch hield hij zijn armen strak omlaag, zijn vuisten gebald.
‘Dag Clare,’ zei hij onnozel, ‘hoe gaat het ermee?’
‘Dag George. Kom je niet even binnen?’
Ze stapte terug uit de deuropening om hem binnen te laten en nu viel het licht op haar gezicht. Ze zag er allerliefst uit, maar ze keek ernstig. Ze weet dat er iets aan de hand is, dacht hij. Hij kon het aan haar gezicht zien, en ook horen aan haar stem.
Nee, hij wilde niet binnenkomen. ‘Het is zulk mooi weer, Clare. Ga je mee een eindje om?’
‘Oké, George.’ Ze stapte de stoep op. ‘Het is prachtig weer vanavond. Zulke mooie sterren.’ Ze draaide zich om en keek hem aan. ‘Is een van die sterren van jou?’
Hij schrok even. Daarop deed hij een stap naar voren en pakte haar bij haar elleboog om haar de stoep af te helpen. Luchtigjes zei hij:
‘Ze zijn allemaal van mij. Wil je er eentje kopen?’
‘Kan ik er niet eentje van je cadeau krijgen? Een heel klein dwergsterretje maar. Al is het er maar eentje dat ik alleen maar met een telescoop kan zien.’
Ze liepen midden op straat, buiten gehoorsafstand van voorbijgangers, en opeens was de speelse ondertoon in haar stem verdwenen. Ze vroeg: ‘Wat is er aan de hand, George?’
Hij wilde zijn mond opendoen om te zeggen dat er niets aan de hand was, maar hij zweeg. Tegenover haar kon hij geen leugen over zijn lippen krijgen, maar de waarheid kon hij haar evenmin vertellen. Die vraag van haar, op die manier gesteld, had het allemaal veel gemakkelijker kunnen maken; het werd er alleen maar moeilijker door.
Weer een vraag: ‘Je bent van plan om voorgoed afscheid te nemen, hè George?’
Hij had een kurkdroge mond en zei: ‘Ja.’ Hij wist niet zeker of het er wel als één lettergreep uitkwam en daarom probeerde hij het nog eens:
‘Ja, ik ben bang van wel, Clare.’
‘Waarom?’
Hij durfde haar niet aan te kijken en staarde voor zich uit. ‘Dat … dat kan ik je niet vertellen, Clare. Maar het is het enige wat ik kan doen. Het is voor ons allebei het beste.’
‘Alleen dit, George. Ga je echt weg, of is het alleen maar een smoes?’
‘Nee, ik ga echt weg. Ik weet niet voor hoe lang. Maar vraag me alsjeblieft niet waarom. Ik kan het je echt niet vertellen.’
‘Zal ik het je dan vertellen, George? Vind je het erg als ik het je vertel?’
Erg? Hij vond het verschrikkelijk. Maar hoe kon hij dat zeggen? Hij zei niets, want ‘ja’ kon hij ook niet zeggen.
Het buurtparkje was eigenlijk alleen maar een soort plantsoentje en bood geen bescherming tegen nieuwsgierige oren, maar er stonden in ieder geval banken. Hij loodste haar – of zij hem, dat wist hij niet – het parkje in en ze gingen op een bank zitten. Er waren al wat mensen, maar niet al te dicht bij. Clare ging dicht tegen hem aan zitten en zei:
‘Je hebt je ongerust gemaakt over dat geheugenverlies van je, hè George?’
‘Ja, in zekere zin wel.’
‘En dat vertrek van jou heeft daar iets mee te maken, of niet soms? Je gaat ergens heen voor observatie, of voor een behandeling. Of misschien wel voor allebei?’
‘Zoiets. Zo eenvoudig is het niet, Clare. En ik … ik kan het je gewoon niet vertellen, Clare.’
Ze legde haar hand in de zijne. ‘Ik wist dat het daarom ging, George. Je hoeft me er niets over te vertellen. Zeg gewoon wat je wou zeggen. Maar zeg "tot ziens" in plaats van iets anders. Je hoeft me zelfs niet te schrijven als je dat niet wilt. Maar doe niet zo edelmoedig en verbrand niet alle schepen achter je, zogenaamd voor mijn bestwil. Wacht daar tenminste mee tot je daar geweest bent, wil je? Doe dat voor mij.’
Hij slikte. Uit haar mond klonk het zo eenvoudig, terwijl het toch zo ingewikkeld was Onhandig zei hij: ‘Goed Clare. Als je dat wilt.’
Ze stond plotseling op. ‘Laten we teruggaan, George.’ Hij stond nu naast haar. ‘Maar het is nog zo vroeg.’ ‘Dat weet ik wel, maar soms … nou ja, er zijn psychologische momenten waarop je uit elkaar moet gaan. Ik weet dat het idioot klinkt, maar laten we er geen drama van maken door …’ Hij lachte en zei: ‘Ik begrijp wat je bedoelt.’
Zonder iets te zeggen liepen ze naar haar huis terug. Hij wist niet of ze zwegen omdat ze gelukkig of ongelukkig waren. Daarvoor was hij te veel in de war.
In de schaduw op de stoep voor de deur draaide ze zich om en keek hem aan. ‘George,’ zei ze.
Stilte.
‘O verdomme, George! Hou toch op met dat edele gedoe van je. Of hou je niet meer van me? Of is het een slimme manier om me een blauwtje te laten lopen. Nou?’
Er waren nu maar twee dingen die hij kon doen. Of er als de bliksem vandoor gaan … Of – en dat deed hij. Hij sloeg zijn armen om haar heen en kuste haar. Hartstochtelijk.
Toen dat gebeurd was – en het duurde wel even voordat het gebeurd was – stond hij te hijgen en was hij niet al te helder meer, want hij zei dingen die hij helemaal niet had willen zeggen: ‘Ik hou van je, Clare, ik hou van je.’
‘Ik hou ook van jou. Je komt bij me terug, hè?’ En hij zei: ‘Ja ja!’
Het was zeven kilometer van haar huis naar zijn kamer, maar toch ging hij lopen en het leek of die wandeling maar een paar seconden duurde.
Op zijn kamer ging hij bij het raam zitten, met het licht uit, en dacht na, maar zijn gedachten volgden dezelfde kringloop als ze de afgelopen drie jaar hadden gedaan.
Er was geen enkel nieuw gezichtspunt bij gekomen, alleen dat hij nu zijn blik naar de ruimte richtte.
Misschien, heel misschien zou daar de oplossing vandaan komen.
Buiten, aan de andere kant van zijn raam, stonden de sterren als heldere diamanten aan de hemel. Bepaalde één van die sterren zijn lot? Als dat zo was, dan zou hij hem blijven volgen, tot het bittere einde, ook al zou die ster hem het gekkenhuis binnenvoeren. Diep in hem was de rotsvaste overtuiging dat dit geen toeval was, dat het geen samenloop van omstandigheden was, nu hij onder het mom van bedrog de waarheid moest opbiechten.
De ster van zijn noodlot.
Het Heldere Schijnsel? Nee, die woorden uit zijn dromen waren daarmee niet te rijmen; het was iets wat er los van stond. Het Heldere Schijnsel? Wat was Het Heldere Schijnsel?
En rood en zwart? Hij dacht aan alles wat Charlie hem verteld had en aan nog veel meer. Die schakers bijvoorbeeld. Maar dat was het niet …
Rood en Zwart!
Goed, wat het ook was, hij liep er in volle vaart op af, en er niet vandaan.
Hij ging naar bed, maar het duurde heel lang voor hij insliep.