Clifford D. Simak - Bruggehoofd
Niets, absoluut niets was in staat een menselijke planetaire expeditie te stoppen. Het was een gespecialiseerde eenheid die slechts voor één opdracht en met één bedoeling in het leven was geroepen – een bruggehoofd te vormen op een vreemde planeet, de grenzen van het gebied uit te breiden en er een basis te vestigen waar ze uit de voeten konden. En vervolgens dit gebied tegen alle indringers te verdedigen tot het tijd was om te vertrekken.
Nadat er eenmaal een basis was gevestigd, ging de braintrust van de groep aan het werk. Ze keerden het gebied binnenste-buiten. Ze legden het vast op de band en in reeksen symbolen die ze in hun veldboekjes krabbelden. Ze filmden het, beschreven het, brachten het in kaart en herleidden het tot een keurige verzameling sleutelwoorden en symbolen voor de galactische dossiers.
Als er sprake was van leven – en soms was dat het geval – prikkelden ze het op alle mogelijke manieren. Soms was de reactie buitengewoon heftig, soms haast onmerkbaar. Maar er waren ook manieren om zowel het gewelddadige als het onmerkbare aan te pakken, want de legermacht en hun robots waren uitermate goed getraind en wisten bijna overal raad op.
Niets in het hele tot dusverre bekende zonnestelsel was in staat een menselijke expeditie te stoppen.
Tom Decker die op zijn gemak in de lege hal zat, liet voldaan het ijs in zijn whisky-soda ronddraaien en keek naar de eerste robot die uit de ingewanden van het ruimtevrachtschip te voorschijn kwam. Er volgden er meer en ze sleepten een transportband achter zich aan. Decker die niets om handen had, zag ze stutten in de grond slaan en de transportband opstellen.
Achter Decker ging de deur open en hij keek om.
‘Mag ik binnenkomen, meneer?’ vroeg Doug Jackson. ‘Zeker,’ zei Decker.
Jackson liep naar het grote gebogen raam en keek naar buiten. ‘Wat denkt u ervan, meneer?’ vroeg hij.
Decker haalde zijn schouders op. ‘Een nieuw karwei,’ zei hij. ‘Zes weken. Zes maanden. Dat ligt eraan wat we vinden.’
Jackson ging naast hem zitten. ‘Het zal wel lastig worden,’ zei hij, ‘wilderniswerelden zijn altijd een stuk beroerder dan andere.’
‘Een karwei. Anders niet,’ gromde Decker. ‘Een nieuw karwei. Weer een rapport indienen. En dan sturen ze er een stelletje heen om de boel te exploiteren, of een armzalige troep blèrende kolonisten.’
‘Of ze stoppen het rapport in een dossier,’ zei Jackson, ‘en laten het daar duizend jaar lang of zo onder het stof begraven liggen.’
‘Ze kunnen doen wat ze willen,’ zei Decker tegen hem, ‘maar wij dienen dat rapport in. Wat iemand anders erna mee doet, is hun zaak, niet de onze.’
Ze zaten stil naar de zes robots te kijken die de eerste pakkist naar buiten rolden, het deksel eraf haalden, de zevende robot uitpakten en zijn verschillende onderdelen keurig op een rij in het platgetrapte gras legden. Vervolgens zetten ze, in teamverband werkend en zonder de geringste aarzeling, nummer 7 in elkaar, schroefden zijn hersenkas in zijn metalen schedel, draaiden aan zijn energieschakelaar en maakten met een klap zijn borstplaat vast.
Nummer 7 wankelde even op zijn benen. Hij zwaaide onzeker met zijn armen en schudde zijn hoofd heen en weer. Toen hij zich georiënteerd had, liep hij kwiek naar voren en hielp de andere zes de pakkist die nummer 8 bevatte, van de transportband lichten.
‘Het kost zo wel wat tijd,’ zei Decker, ‘maar het bespaart een hoop ruimte. Als we ze niet na ieder karwei inpakten, moesten we het met de helft van de robotbemanning doen. Zo kunnen we ze beter kwijt.
Hij nipte peinzend van zijn whisky-soda. Jackson stak een sigaret op.
‘Wie weet lopen we ooit nog eens tegen iets aan dat we niet de baas kunnen.’
Decker snoof.
‘Misschien hier wel,’ hield Jackson vol en hij gebaarde naar de schrikwekkende wereld van de wildernis buiten de observatie-koepel.
‘Je bent een romanticus,’ zei Decker kortaf. ‘Verliefd op het onverwachte. Bovendien kom je pas kijken. Als je er een tochtje of tien op hebt zitten, dan piep je wel anders.’
‘Het zou ons toch een keer kunnen gebeuren,’ hield Jackson vol.
Decker knikte, bijna slaperig. ‘Misschien wel,’ zei hij, ‘die mogelijkheid is niet uitgesloten. Het is nog nooit gebeurd, maar misschien heb je gelijk. Maar als het ooit gebeuren zou, gaan we er vandoor. Het is niet onze taak om te vechten tot de laatste man of robot. Als we ergens tegenaan lopen dat we niet de baas kunnen, blijven we niet rondhangen. We nemen geen enkel risico.’
Hij nam nog een teug. ‘Zelfs geen risico’s die we kunnen voorzien,’ voegde hij eraan toe.
Het ruimteschip rustte op de top van een lage heuvel, op een klein open ruimte die aan het oog onttrokken was door hoog gras, met hier en daar wat groepjes exotische bloemen. Aan de voet van de heuvel stroomde met een slakkegang een rivier, een brede baan chocoladekleurig water dat zich slaperig door het enorme met klimplaten overwoekerde woud voortbewoog.
Zover als het oog reikte strekte de wildernis zich uit, een broeiende duisternis die een zware, muffe geur van gevaar en verschrikking scheen af te scheiden, en die kwam aanrollen over de met gras begroeide top van de heuvel en zelfs tot in de observatiekoepel doordrong. Er was geen teken van leven te bespeuren, maar je wist bijna instinctief dat er zich een vorm van leven in de overwoekerde paden en tunnels van het grote bosland schuilhield.
Robot nummer 8 was van energie voorzien en nu splitsten de acht zich in twee groepen die, in plaats van één, nu twee pakkisten tegelijk verwerkten. Al gauw waren er twaalf robots en toen splitsten ze zich in drie werkgroepen.
‘Zo is het,’ zei Decker die de draad van het gesprek weer opnam. Hij gebaarde met zijn nu lege glas. ‘Geen risico’s, ook niet die we kunnen voorzien. We sturen de robots vooruit. Ze pakken alles uit en zetten hun collega’s in elkaar. Dan gaan ze aan de gang met de machinerieën. Geen mens zet zelfs een voet aan wal tot hij een stalen cordon om het ruimteschip heeft om hem te beschermen.’
Jackson zuchtte. ‘U zult wel gelijk hebben,’ zei hij. ‘Er kan niets gebeuren. We nemen geen risico’s, geen enkel.’
‘Waarom zouden we?’ vroeg Decker. Hij stond op en rekte zich uit. ‘Ik heb nog het een en ander te doen,’ zei hij. ‘Laatste controle.’
‘Ik blijf hier nog even zitten,’ zei Jackson. ‘Ik vind het fijn om toe te kijken. Het is allemaal nieuw voor me.’
‘Dat gaat wel over,’ zei Decker tegen hem. ‘In de komende twintig jaar.’
In zijn kantoor pakte Decker een bundel rapporten van zijn bureau en begon ze langzaam door te lezen. Hij controleerde ze allemaal zorgvuldig en prentte zich de fundamentele gegevens van de hem omringende wereld in.
Hij werkte onverstoorbaar door en bevochtigde zo af en toe zijn grote stompe duim met zijn tong om de bovenste bladzijden van de volgende stapel te kunnen omslaan, waarna hij ze in een minder geordende stapel met de voorkant naar beneden rechts van zich neerlegde.
Atmosfeer – luchtdruk iets hoger dan op aarde. Hoog zuurstofgehalte. Zwaartekracht – iets groter dan op aarde. Temperatuur – hoog. Dat was altijd het geval met wilderniswerelden. Buiten waaide het nu hevig. Misschien stond er altijd wel wind. Dat kon nuttig zijn. Rotatie – een dag van zesendertig uur.
Straling – niet van plaatselijke oorsprong, maar wat vaste, van de zon afkomstige deeltjes. In de gaten houden, dacht hij.
Aantal bacteriën en virussen – zoals gebruikelijk een heleboel. Waarschijnlijk niet al te gevaarlijk, omdat elke levende ziel immuun was gemaakt en tot zijn nek toe vol zat met injecties en hormonen. Maar je kon er nooit zeker van zijn, dacht hij. Nooit absoluut zeker. Geen risico’s die we kunnen voorzien, had hij tegen Jackson gezegd. Hier had je nu zo’n risico en het was er een waar je totaal niets aan kon doen. Als er een insect was dat je als gastheer uitkoos en je was niet ingespoten, moest je het beste er maar van hopen. De factor ‘leven’ – een grote onzichtbare hoeveelheid. Waarschijnlijk krioelde de vegetatie en misschien zelfs de bodem wel van vele soorten afschuwwekkend leven. Gemeen spul, misschien. Maar dat was een routinekwestie waar je rekening mee hield. Het had geen zin om risico’s te nemen. Je onderzocht de bodem, zelfs als er geen sprake was van leven – alleen maar om er zeker van te zijn dat het er niet was.
Er werd op de deur geklopt en hij riep ‘binnen’.
Het was kapitein Carr, commandant van het legioen.
Carr salueerde overdreven. Decker stond niet op. Hij beantwoordde de groet met opzet nogal achteloos. Die kerel moest beslist niet gaan denken dat er sprake was van gelijkheid, want in feite was dat niet zo. Een kapitein van het legioen was eenvoudig niet de gelijke in rang van de commandant van de galactische expeditie.
‘Kapitein Carr meldt zich, meneer,’ zei hij. ‘Wij zijn gereed voor de landing.’
‘Uitstekend, kapitein, uitstekend.’ Wat bezielde de gek? Het legioen stond altijd gereed, zou altijd gereed staan – dat was eenvoudig traditie. Waarom dan zo stram en formeel doen?
Maar het lag in de aard van iemand als Carr, veronderstelde hij. Het legioen met zijn strakke discipline, met zijn oude, luisterrijke militaire traditie, trok mannen als Carr aan en leidde ze op een uitstekende manier op tot volmaakte dienstkloppers.
Tinnen soldaten, dacht Decker, maar dan vervolmaakt. De taaiste troep vechtjassen die ons zonnestelsel ooit had gekend. Ze waren tot het uiterste gedrild en gedisciplineerd, met serum en hormonen ingespoten tegen alle bekende ziekten, getraind en opgeleid in de buitenaardse psychologie en nauwgezet geïndoctrineerd in de kunst van het overleven die hen zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden niet in de steek liet.
‘Wij zijn voorlopig nog niet klaar, kapitein,’ zei Decker. ‘De robots zijn nog maar juist begonnen met uitpakken.’
‘Uitstekend,’ zei Carr. ‘We wachten uw bevelen af, meneer.’
‘Dank u, kapitein,’ zei Decker en liet hem goed merken dat hij hem graag weer zag verdwijnen. Maar toen Carr zich omdraaide om weg te gaan, riep Decker hem terug.
‘Wat is er, meneer?’
‘Ik heb me iets af lopen vragen,’ zei Decker. ‘Begrijp me goed, het is zomaar iets dat bij me opkwam. Kunt u zich voorstellen dat er zich omstandigheden zouden kunnen voordoen die u niet de baas zou kunnen?’
Het was een waar genoegen om Carr’s gezicht te zien. ‘Het spijt me, maar ik begrijp uw vraag niet goed, meneer.’ Decker zuchtte. ‘Dat had ik ook niet verwacht,’ zei hij.
Voor het vallen van de nacht was de hele robotwerkgroep uitgepakt en had voldoende werktuigen gemonteerd om een kleine ring van alarmposten rond het ruimteschip te installeren.
Een vlammenwerper brandde op de heuvel een strook grond van een kleine tweehonderd meter rondom het ruimteschip plat. Een sterke straalgenerator begon ijverig aan zijn taak dood en verderf in de bodem te zaaien. De gevolgen moesten vreselijk zijn. Op sommige plaatsen kookte de grond letterlijk toen de stervende vormen van leven een ogenblik lang vergeefs vochten om aan de dood die hen overviel, te ontkomen.
De robots stelden grote batterijen lampen op die de top van de heuvel fel verlichtten en het werk werd voortgezet.
Toch had nog geen mens een voet buiten het schip gezet.
In het ruimteschip hadden de robotstewards een tafel in de hal geplaatst om de etende mensen gelegenheid te geven te zien wat er buiten het schip gebeurde.
Het hele gezelschap, op de legioensoldaten na die in hun kwartieren bleven, had zich voor de maaltijd verzameld toen Decker binnenkwam.
‘Goedenavond, heren,’ zei hij.
Hij liep naar het hoofd van de tafel en de anderen gingen op een rij aan de zijkanten staan. Hij ging zitten en toen de anderen plaatsnamen, was het heen en weer geschuif van stoelen die bijgetrokken werden, hoorbaar.
Hij vouwde zijn handen, boog zijn hoofd en deed zijn mond open om de gebruikelijke woorden te zeggen. Hij wachtte even voordat hij sprak en toen de woorden kwamen, waren het andere dan die hij al duizend keer eerder had afgeraffeld.
‘Goede Vader, wij zijn Uw dienstknechten in een onbekend land en op ons rust een luisterrijke taak. Leer ons nederigheid en doordring ons voor het te laat is van de wetenschap dat mensen, ondanks hun verre reizen en machtige werken, in Uw oog slechts kinderen zijn. Zegen het brood dat we gaan breken, dat smeken wij U, en blijf in mededogen op ons neerzien. Amen.’
Hij hief zijn hoofd op en keek de tafel langs. Sommigen keken ontzet toe, zag hij, anderen geamuseerd.
Ze vragen zich af of ik bezig ben af te knappen, dacht hij. Ze denken dat het met de Ouwe gedaan is. En dat is misschien ook wel zo, als ik het goed heb. Hoewel ik tot vanmiddag helemaal in orde was. Helemaal in orde tot die jonge Doug Jackson…
‘Dat hebt u fijn gezegd,’ zei oude MacDonald, de hoofdmachinist. ‘Hartelijk dank voor deze woorden, meneer, en er zijn erbij die er goed aan zouden doen ze ter harte te nemen.’
Schotels en schalen werden de hele tafel langs doorgegeven en het gebruikelijke, huiselijke gerinkel van zilveren bestek en aardewerk weerklonk.
‘Het lijkt me een interessante wereld,’ zei Waldron, de antropoloog. ‘Dickson en ik zijn net voor zonsondergang boven geweest om waarnemingen te verrichten. We dachten dat we iets bij de rivier zagen. De een of andere vorm van leven.’
‘Het zou vreemd zijn als we hier niet een heleboel leven tegenkwamen,’ mompelde Decker, terwijl hij uit een schaal gebakken aardappelen op zijn bord schepte. ‘De straalwagen heeft heel wat leven in beroering gebracht, toen hij vandaag met de bodem bezig was.’
‘Wat Waldron en ik zagen leek humanoïde,’ zei Dickson. Decker wierp een zijdelingse blik op de bioloog. ‘Weet je dat zeker?’
Dickson schudde zijn hoofd. ‘Het zicht was slecht. Ik ben er niet absoluut zeker van. Ik meen er twee of drie te hebben gezien. Lucifermannetjes.’
Waldron knikte. ‘Net een kindertekening,’ zei hij. ‘Een streep voor het lijf. En voor armen en benen ook ieder twee strepen.
Een cirkel als hoofd. Hoekig. Onelegant. Broodmager.’
‘Toch wel sierlijk ook,’ zei Dickson. ‘Als ze zich bewogen, liepen ze als katten. Eén vloeiende beweging.’
‘We zullen gauw genoeg een heleboel weten,’ zei Decker vriendelijk. ‘Over een paar dagen zullen we eens gaan kijken.’
Grappig, dacht hij. Haast bij ieder karwei kwam er wel iemand voor de dag met het bericht dat hij humanoïden had gezien. Meestal bleek het niet zo te zijn. Meestal was het alleen maar verbeelding. Waarschijnlijk de wens die de vader was van de gedachte, zei hij bij zichzelf, het verlangen van de mensen die ver van hun medemensen verwijderd waren, om op andere plaatsen een soort van leven te ontdekken dat hun op de een of andere manier vertrouwd was.
Hoewel de meeste humanoïden, als je ze eenmaal in levenden lijve tegenkwam, zo weerzinwekkend vreemd leken dat een inktvis er bij hen vergeleken, beslist menselijk uitzag.
‘Ik heb nagedacht over die bergen die westelijk van ons liggen,’ zei de oudste geoloog Franey. ‘De bergen die we zagen toen we binnenkwamen. Zagen er nieuw uit. Met nieuwe bergen kun je gemakkelijk werken. Ze zijn nog niet afgesleten. Wat er ook in zit, je kunt er gemakkelijk bij komen.’
‘We zullen onze eerste waarnemingslinie in die richting verplaatsen,’ zei Decker tegen hem.
Buiten het ronde observatieplatform werd het duister van de nacht verbroken door de gloed van de lampen. Glanzende robots zwoegden in groepen. Logge machines dreunden voorbij; kleinere scharrelden als verschrikte kevers rond. In het zuiden sprongen grote vlammenflarden omhoog en was de hemel rood van de uitbarstingen die een afdeling vlammenwerpers veroorzaakte.
‘Ze kappen er een landingsterrein uit,’ zei Decker. ‘Daar steekt een strook wildernis naar voren. Totaal vlak gebied. Net een vloer. ‘t Zal niet veel werk zijn om het geschikt te maken.’
De stewards brachten koffie, cognac en een doos goede sigaren. Decker en zijn mannen gingen wat gemakkelijker zitten en namen het ervan, terwijl ze de werkzaamheden buiten het ruimteschip gadesloegen.
‘Ik heb een hekel aan dat wachten,’ zei Franey die aan zijn sigaar trok.
‘’t Hoort bij het werk,’ zei Decker. Hij goot nog wat meer cognac in zijn koffie.
Bij het aanbreken van de dag waren de laatste machines in gereedheid gebracht en naar de vastgestelde plaatsen gereden. De vlammenwerpers hadden het gebied vergroot en de drie straalwagens waren aan hun ronde bezig. In het zuiden was het vliegveld gereed gekomen en de straalvliegtuigen stonden in een kaarsrechte rij opgesteld.
Een aantal robots, voor het moment klaar met hun werk, formeerde zich tot aaneengesloten rijen die samen een compact vierkant vormden. Ze stonden er keurig en ordelijk bij en ze namen een minimum aan ruimte in beslag. Zó opgesteld bleven ze staan wachten tot het tijdstip dat ze weer in actie moesten komen.
Tenslotte werd de loopplank neergelaten en de soldaten marcheerden er rinkelend en blinkend overheen met zo’n onbarmhartige precisie dat machines er jaloers op konden zijn. Er waren geen banieren en er waren geen trommels, want dat zijn maar nutteloze dingen en het legioen was ondanks het rinkelen en blinken een efficiënte organisatie.
De colonne zwenkte en stelde zich in een enkele rij op. IJverige, robots bakenden een terrein af en bouwden een openluchtpaviljoen op van bontgestreept canvas dat rimpelde in de wind, zetten tafels en stoelen in de schaduw neer en brachten er met bier gevulde en van extra ijsvakken voorziene koelkasten heen.
Tenslotte was het er veilig en comfortabel genoeg om de beschutting van het ruimteschip te kunnen verlaten.
Organisatie, zei Decker bij zichzelf – organisatie en efficiency, niets aan het toeval overlaten. Stop elk schietgat dicht voordat het een schietgat wordt. Sla elk verzet neer voordat het zich ontwikkelt tot verzet. Neem de volledige controle over op een bepaald aantal vierkante meter planeet en opereer daar vandaan.
Later moest je natuurlijk wel wat meer risico’s nemen; je kon ze nu eenmaal niet allemaal uitschakelen. Er zouden tochten worden gemaakt en ondanks alle voorzorgsmaatregelen die robots, machines en soldaten zouden treffen, bleven er bepaalde risico’s. Er zou aan luchtverkenning en luchtkartering worden gedaan en ook hierin scholen gevaren, maar ze waren tot het minimum beperkt.
En dan had je altijd de basis nog, een absoluut veilige en onneembare basis, waarop een patrouille of een verkenningsgroep zich terug kon trekken en vanwaar versterkingen konden worden uitgezonden of tegenaanvallen ondernomen.
Onfeilbaar, dacht hij bij zichzelf. Zo onfeilbaar als maar mogelijk was.
Hij vroeg zich even af wat er met hem de vorige avond aan de hand was geweest. Het was natuurlijk de schuld van die jonge Jackson – waarschijnlijk wel een bekwaam biochemicus, maar beslist niet de juiste man voor een dergelijk karwei. Er was iets fout gegaan: de keuringscommissie had een man als Jackson niet mogen laten passeren. Niet dat hij echt kwaad kon natuurlijk, maar hij kon iemand op zijn zenuwen gaan werken. Een lastpost, dacht Decker, dat is hij. Alleen maar een lastpost.
Decker legde een armvol persoonlijke eigendommen op de lange tafel onder de bontgekleurde koepel. Hij haalde er een kaart tussen uit en speldde hem op de vier hoeken met punaises vast. Er stond een gedeelte van de rivier en de bergen in het westen op geschetst. De basis werd voorgesteld door een met x’en vol getypt vierkant – maar de rest was nog maagdelijk.
Maar die rest zou wel komen; na verloop van een paar dagen zou de kaart meer vorm krijgen.
Van het vliegveld in het zuiden suisde een straalvliegtuig de lucht in, en maakte een langzame bocht naar het westen. Decker liep naar de grens van de schaduw die door de koepel werd veroorzaakt en zag hem uit het gezicht verdwijnen. Dat moesten Jarvis en Donnelly zijn, die belast waren met de voorlopige verkenning van de zuidwestelijke sector tussen de basis en de westelijke bergen.
Langzaam steeg er nog een straalvliegtuig op. Het liet een spoor van uitlaatgassen achter. Freeman en Johns, dacht hij.
Decker liep naar de tafel terug en ging zitten. Hij pakte een potlood en tikte er doelloos mee op de bijna maagdelijke kaart. Achter zijn rug hoorde hij nog een straalvliegtuig gonzend van het vliegveld opstijgen.
Hij liet zijn blikken over de basis dwalen. Deze was bezig zijn woeste, dorre aanblik te verliezen. De basis maakte al een enigszins aardse indruk.
Hier en daar stonden kleine groepjes mannen te praten. Hij zag dat een van hen op de grond gehurkt zat en iets bepraatte met drie robots die eveneens neergehurkt waren. Anderen liepen rond en namen de situatie in ogenschouw.
Decker liet een voldaan gegrom horen. Een bekwame groep mensen, dacht hij. De meesten van hen zouden pas echt aan de slag kunnen als de eerste gegevens over de verkenningen binnen waren gekomen, maar ze zouden eerst grondmonsters nemen en die onderzoeken. De levensvormen, waarvan de bodem krioelde, zouden door robots gevangen worden. De kronkelende dingen zouden worden vastgepind en onderzocht – gefotografeerd, doorgelicht, geobserveerd, aan reactieproeven onderworpen, ontleed en geanalyseerd. Bomen, planten en grassoorten zouden worden gecatalogiseerd; er zou getracht worden ze te rubriceren. Er zouden putten worden gegraven om een onderzoek in te kunnen stellen naar de aardlagen. Het water van de rivier zou worden geanalyseerd …
Dat zou allemaal gebeuren, hier en nu, terwijl ze wachtten tot de eerste exacte gegevens zouden binnenkomen over andere gebieden.
Als die rapporten er eenmaal waren, zouden ze met inzet van alles aan het werk gaan. Geologen en mijntechnici zouden doordringen in de diepste geheimen van de planeet. Er zouden posten worden uitgezet om meteorologische waarnemingen te verrichten. Botanici zouden uitgebreide verzamelingen aanleggen voor onderzoek. Kortom, iedere man zou het werk verrichten waarvoor hij was opgeleid. Van elk gebied zouden rapporten de basis binnenstromen waar de onderlinge samenhang werd bestudeerd en het totaalbeeld werd ontworpen.
En maar werken, hard werken. Dag en nacht werken. En al die tijd zou de basis een stukje aarde zijn, wat vierkante meters die tegen alle buitenaardse machtsontplooiing zouden worden verdedigd.
Decker zat op zijn gemak in zijn stoel en voelde de wind die onder het canvas door tochtte, een zacht windje dat door zijn haar waaide, de papieren op de tafel deed ritselen en rukte aan de met punaises vastgeprikte kaart. Het was hier plezierig, dacht hij. Maar het zou niet lang zo plezierig blijven. Dat was bijna nooit het geval.
Eens zal ik een fijne planeet vinden, dacht hij, een paradijselijke planeet waar het weer altijd volmaakt is en het voedsel voor het grijpen ligt en met inboorlingen die zo intelligent zijn dat je met ze kunt praten en aan wie je ook op andere manieren prettig gezelschap hebt, en dan ga ik daar nooit meer vandaan. Ja, ik ga de rest van mijn leven doorbrengen in een echt fascinerend deel van het rottige melkwegstelsel –
Hij schrok op uit zijn gepeins en zag dat Jackson aan de rand van de koepel naar hem stond te kijken.
‘Wat is er aan de hand, Jackson,’ vroeg hij plotseling verbitterd. ‘Waarom ben je niet …’
‘Ze brengen een inboorling binnen, meneer,’ zei Jackson ademloos. ‘Een van de dingen die Waldron en Dickson hebben gezien.’
De inboorling was humanoïde, maar geen mens.
Zoals Waldron en Dickson hadden gezegd, was hij een lucifermannetje, een vlees en bloed geworden tekening die een vierjarig kind zou maken. Hij was zo zwart als roet en droeg geen kleren, maar de ogen in het pompoen-vormige hoofd keken zo helder dat het op intelligentie zou kunnen wijzen.
Decker verstarde toen hij die ogen zag. Toen wendde hij zijn blik af en zag de mannen, zwijgend en even gespannen als hij, aan de rand van de koepel staan wachten.
Langzaam strekte hij zijn hand uit naar een van de beide koptelefoons van de mentograaf. Toen zijn vingers zich eromheen sloten, voelde hij even een vage, maar sterke weerzin voordat hij hem op zijn hoofd zette. Het was een akelig karwei om te proberen contact te krijgen met een buitenaards brein. Je kreeg er een misselijk gevoel van in je maag. Het was iets, dacht hij, waar een mens niet voor in de wieg was gelegd – een ervaring die de menselijke geest vreemd was.
Hij hief de koptelefoon langzaam op, bevestigde hem op zijn schedel en gebaarde naar de tweede.
Lange tijd keken de vreemde ogen van het wezen, dat rechtop en roerloos stond, hem aan.
Moed, dacht Decker. Domweg moed om plotseling in zo’n ongewone positie te verkeren en dan, onbevreesd, rechtop en roerloos te blijven staan, omringd door wezens die eruit moesten zien alsof ze uit een nachtmerrie afkomstig waren.
De humanoïde deed een stap naar de tafel toe, stak een hand uit en pakte de koptelefoon. Hij frunnikte wat met het ongewone ding en klemde hem toen op zijn hoofd. En geen moment lieten zijn blikken, die waakzaam en alert bleven, Decker’s ogen los.
Decker dwong zichzelf ontspannen te zijn, probeerde zijn geest tot rust en kalmte te dwingen. Dat was iets waar je voor moest zorgen. Je moest die wezens geen schrik aanjagen – je moest ze kalmeren, op hun gemak stellen, ervoor zorgen dat ze voelden dat je hun vriendelijk gezind was. Ze zouden anders van streek raken. Een plotselinge gedachte, zelfs een zweem van menselijke onzekerheid kon maken dat ze even gespannen raakten als een snaar.
Hier was sprake van intelligentie, dacht hij bij zichzelf, en wist zich met moeite te beheersen. Een grotere intelligentie dan je zou denken als je ernaar keek. Voldoende intelligentie om te weten dat hij de koptelefoon moest opzetten en ook nog de moed om het te doen.
Hij ving de eerste vage mentale golf van het lucifermannetje op en hij voelde zijn maag ineenkrimpen en kreeg een pijnlijk gevoel in zijn borst. Niets van wat hij van het ding opving kon in woorden worden omgezet. Het was iets vreemds, zoals een geur vreemd kan zijn. Het had een niet-menselijke betekenis die je deed huiveren. Hij worstelde met een verstikkende duisternis die de gevoelens van vriendschap in z’n gedachten probeerde te verstoren.
‘We zijn vrienden,’ dwong Decker zichzelf te denken. ‘We zijn vrienden. We zijn vrienden. We zijn vrienden. We zijn …’
‘U had niet moeten komen,’ zei de gedachte van het lucifermannetje.
‘We zullen u geen kwaad doen,’ dacht Decker. ‘We zijn vrienden. We zullen u geen kwaad doen. We zullen u geen kwaad doen.’
‘U zult nooit meer weggaan,’ was het antwoord van de humanoïde.
‘Laten we vrienden zijn,’ dacht Decker. ‘Laten we vrienden zijn. We hebben geschenken. We zullen u helpen. We zullen …’
‘U had niet moeten komen. Maar nu u hier bent, kunt u nooit meer weg.’
Geef hem gelijk, zei Decker bij zichzelf. Geef hem gelijk.
‘Goed dan,’ dacht hij. ‘We blijven. We zullen blijven en vrienden zijn. We zullen blijven en u iets leren. We zullen u de dingen geven die we meegebracht hebben en we zullen bij u blijven.’
‘U kunt niet meer weggaan,’ antwoordde de gedachte van het lucifermannetje en er was zoiets kils, logisch en doelbewusts in de manier waarop de gedachte werd overgebracht dat Decker plotseling rilde.
De humanoïde meende het, meende ieder woord van wat hij zei. Hij maakte er geen drama van en overdreef evenmin, blufte niet. Hij dacht echt dat de mensen niet zouden vertrekken, dat ze de planeet niet levend zouden verlaten. Decker glimlachte zacht in zichzelf.
‘U zult hier sterven,’ dacht de humanoïde.
‘Sterven?’ vroeg Decker. ‘Wat is sterven?’
De gedachte van het lucifermannetje bracht pure afkeer over. Vastberaden hief hij zijn arm omhoog, deed de koptelefoon af en legde hem behoedzaam op de tafel. Toen draaide hij zich om en liep weg en niemand stak ook maar een vinger uit om hem tegen te houden.
Decker deed zijn koptelefoon af en smeet hem op tafel.
‘Jackson, neem de telefoon en zeg tegen het legioen dat ze hem door moeten laten. Laat hem gaan. Probeer hem niet tegen te houden.’
Hij hing lusteloos in zijn stoel en keek naar de hem omringende gezichten die hem gadesloegen.
‘Wat is er, Decker?’ vroeg Waldron.
‘Hij heeft ons ter dood veroordeeld,’ zei Decker. ‘Hij zei dat we de planeet niet zouden verlaten. Hij zei dat we hier zouden sterven.’
‘Harde woorden,’ zei Waldron.
‘Hij meende het,’ zei Decker.
Zijn hand maakte een vermoeid gebaar. ‘Hij weet het natuurlijk niet,’ zei hij. ‘Maar hij denkt echt dat hij ons kan tegenhouden. Hij denkt dat we zullen sterven.’
De situatie was werkelijk vermakelijk! Een naakte humanoïde die uit de wildernis te voorschijn kwam en werkelijk meende deze grote expeditie te kunnen vernietigen.
Maar op geen van de andere gezichten verscheen een glimlach.
‘We laten ons zomaar niet vangen,’ zei Decker.
‘Niettemin moeten we voorzorgsmaatregelen nemen,’ merkte Waldron op.
Decker knikte. ‘We zullen onmiddellijk de noodtoestand afkondigen. En die zal gehandhaafd blijven tot we er zeker van zijn … tot we er …’ Zijn stem stierf weg. Zeker waarvan? Er zeker van zijn dat een wilde die geen kleren aanhad, geen spoor van beschaving vertoonde, een groep mensen kon uitroeien die beveiligd werden door een stalen cordon, bewaakt werden door machines, robots en soldaten die alles wisten van de meest geraffineerde manieren om wat ook dat hen aan zou vallen, snel en meedogenloos te verdelgen.
Belachelijk!
Natuurlijk was het belachelijk! En toch hadden die ogen blijk gegeven van intelligentie. Het wezen bezat niet alleen verstand, maar ook moed. Hij had midden in een kring met voor hem vreemde wezens gestaan en had geen vrees getoond. Hij had er oog in oog mee gestaan en gezegd wat hij te zeggen had en was daarna zo waardig weggegaan dat een mens er trots op zou zijn geweest. Hij moest hebben begrepen dat de vreemde wezens binnen de begrenzing van de basis niet van zijn eigen planeet afkomstig waren, want hij had gezegd dat ze niet hadden moeten komen en deze gedachte hield in dat hij besefte dat ze niet tot zijn wereld behoorden. Hij had begrepen dat hij de koptelefoon op moest zetten, maar of dat eerder van moed dan van intelligentie getuigde kwam je nooit te weten – want je kon niet weten of hij zich had gerealiseerd waar de koptelefoon voor was. Je wist het niet, en de moed alleen al om het ding op zijn hoofd te zetten was van een grootte die niet te meten was.
‘Wat denk je ervan?’ vroeg Decker aan Waldron.
‘We zullen voorzichtig moeten zijn,’ zei Waldron ijzig. ‘Bij alles wat we doen zullen we moeten uitkijken. Neem alle voorzorgsmaatregelen nu we gewaarschuwd zijn. Maar er is niets waar we bang voor behoeven te zijn, niets dat we niet de baas kunnen.’
‘Hij heeft gebluft,’ zei Dickson. ‘Geprobeerd ons zo bang te maken dat we uit onszelf zouden vertrekken.’
Decker schudde zijn hoofd. ‘Ik denk het niet,’ zei hij, ‘ik heb geprobeerd hem te intimideren en dat is niet gelukt. Hij is net zo zeker van zijn zaak als wij.’
Het werk ging door. Er kwam geen aanval.
De straalvliegtuigen stegen brullend op en ronkten weg, brachten het land in kaart. Terrein-verkenningsgroepen begaven zich behoedzaam naar buiten. Ze werden geflankeerd door robots en soldaten en voorafgegaan door lompe machines die zich een weg baanden door zelfs het zwaarste terrein. Op afgelegen punten werden meteorologische radiostations gevestigd en op de basis tikten tabulators de gegevens die de stations doorgaven op een band.
Andere groepen werden overgevlogen naar speciale gebieden die waren uitgekozen om intensiever te worden geëxploreerd en onderzocht.
En er gebeurde niets.
De dagen gingen voorbij. De weken gingen voorbij. De machines en de robots bleven waakzaam, de soldaten waren paraat en de mannen haastten zich bij het werk om de planeet spoedig te kunnen verlaten.
Er werd een steenkolenbekken gevonden en in kaart gebracht. Er werd een ijzerertslaag ontdekt. Een bepaald bergachtig gebied in het westen zat barstens vol radioactieve ertsen. De botanici vonden zevenentwintig soorten eetbare vruchten. Op de basis krioelde het van de dieren die gevangen waren om als specimina te dienen en er als huisdieren werden gehouden.
Ze ontdekten een dorp van de lucifermannetjes. Het stelde niet veel voor. De hutten waren primitief. Er was geen sanitair aanwezig.
Decker liet zijn stoel onder het gestreepte canvas in de steek en ging aan het hoofd van een groep naar het dorp.
De groep trok behoedzaam binnen, de wapens schietklaar, maar ze zorgden ervoor geen al te snelle bewegingen te maken, niet al te snel te praten en geen enkele beweging te maken die als vijandig kon worden uitgelegd.
De inboorlingen zaten in hun deuropeningen en sloegen hen gade. Ze spraken niet en vertrokken bijna geen spier. Ze keken alleen maar naar de mensen, terwijl die naar het centrum van het dorp liepen.
Daar zetten de robots een tafel neer en plaatsten er een mentograaf op. Decker ging in een stoel zitten en zette een van de koptelefoons op. De rest van de groep ging aan de kant staan en wachtte af. Ook Decker wachtte af.
Ze wachtten een uur en geen enkele inboorling verroerde zich. Er kwam er niet een naar voren om de andere koptelefoon op te zetten.
Decker legde vermoeid zijn koptelefoon op tafel.
‘Het heeft geen zin. Het lukt niet. Ga je gang maar, neem foto’s van ze. Doe wat je wilt. Maar val ze niet lastig. Raak niets aan.’
Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en veegde het zweet van zijn gezicht.
Waldron kwam naar hem toe en leunde op de tafel. ‘Wat denk jij ervan?’
Decker schudde zijn hoofd. ‘Het spookt maar door mijn hoofd. Ik kan maar aan één ding denken. Ik moet het mis hebben. Het kan niet waar zijn. En toch kan ik die gedachte maar niet van me afzetten.’
‘Dat heb je soms,’ zei Waldron, ‘hoe onlogisch het ook kan lijken, je raakt het niet kwijt, alsof het in je hoofd zit gebakken.’
‘Ik denk dat het dit is,’ zei Decker, ‘ze hebben ons alles gezegd wat er te zeggen viel. En nu hebben ze ons niets meer te zeggen.’
‘Denk je dat?’
Decker knikte. ‘Een rare gedachte, het kwam zomaar ineens bij me op. En het kan niet kloppen.’
‘Ik weet het niet,’ zei Waldron. ‘Er klopt hier zoveel niet. Is het je opgevallen dat ze helemaal geen ijzeren gereedschap hebben? Nergens een stukje metaal te ontdekken. Hun potten en pannen zijn van steen, een raar soort materiaal, zoiets als speksteen. Het weinige gereedschap dat ze hebben, is van steen. En toch zijn ze ontwikkeld. Zonder dat ze metaal kennen.’
‘Ze zijn intelligent,’ zei Decker. ‘Kijk maar eens naar de manier waarop ze ons gadeslaan. Helemaal niet bang. Ze wachten gewoon af. Rustig en zeker van zich zelf. En die kerel die naar de basis kwam. Hij had door wat hij met die koptelefoon moest doen.’
Waldron keek nadenkend. ‘We kunnen beter naar de basis teruggaan,’ zei hij. ‘Het is al laat.’ Hij wierp een blik op zijn pols.
‘Mijn horloge staat stil. Hoe laat heb jij het, Decker?’
Decker hief zijn arm op en Waldron hoorde met een scherp geluid zijn adem stokken. Langzaam hief Decker zijn hoofd op en keek de ander aan.
‘Mijn horloge staat ook stil,’ zei hij bijna fluisterend.
Een ogenblik lang verstarden ze tot standbeelden, bleven ze van schrik roerloos staan door iets dat anders niet meer dan een klein ongerief geweest zou zijn. Toen sprong Waldron overeind en wendde zich haastig tot de mannen en de robots.
‘Verzamelen!’ schreeuwde hij. ‘Terug naar de basis. Snel!’
De mannen kwamen hard aanlopen. De robots gingen in het gelid staan en de colonne zette zich in beweging. De inboorlingen zaten rustig in hun deuropeningen en sloegen hun vertrek gade.
Decker zat in zijn kampstoel en hoorde het canvas van het paviljoen zachtjes klapperen in de wind, alsof het leefde en lachte en in zichzelf praatte. Een lantaarn die aan een ring boven zijn hoofd hing, zwaaide heen en weer en wierp vluchtige lichtvlekken op de wanden van het paviljoen. Een robot stond stram en stil naast een van de pijlers.
Traag stak Decker een vinger uit en raakte het hoopje radertjes en veren aan dat op de tafel lag. Sinister, dacht hij. Vreemd en sinister.
Op de tafel lag het binnenwerk van hun horloges. Niet alleen die van hem en Waldron, maar ook die van de anderen. Ze waren allemaal stil blijven staan, voerden hun taak om de tijd aan te geven, niet langer uit.
Al uren geleden was de avond gevallen, maar de basis gonsde van een koortsachtige activiteit. De mannen liepen heen en weer in de schaduwen en staken de plekken over die verblindend fel verlicht werden door de batterijen lampen die de robots vele weken tevoren hadden geïnstalleerd. Als je de mannen gadesloeg, kreeg je de indruk dat ze door het noodlot werden achtervolgd, maar je wist evengoed als zij dat er niets bepaalds was om bang voor te zijn. Niets concreets, niets dat je met je vingers aan kon raken en waarvan je kon zeggen: dit is het waar je bang voor moet zijn.
Alleen maar één kleinigheid.
De horloges waren stil blijven staan. En dat was zoiets onschuldigs dat er een onschuldige verklaring voor moest zijn.
Alleen kun je, dacht Decker, op een onbekende planeet geen enkel voorval, geen ongeluk of incident als iets onschuldigs beschouwen. En de wet van oorzaak en gevolg en de regels voor de kansberekening zouden op zo’n planeet weleens anders kunnen luiden dan op aarde.
Er was maar één gedragslijn, dacht Decker grimmig, één gedragslijn: neem geen risico’s. Dat was de veiligste gedragslijn die je kon volgen, de enige die je moest volgen.
Hij had alle terrein-verkenningsgroepen bevolen zich op de basis terug te trekken; hij had bevolen dat het ruimteschip in geval van nood onmiddellijk kon opstijgen; hij had de robots gewaarschuwd zich gereed te houden om de machines onmiddellijk te kunnen inladen. Hij was er zelfs op voorbereid dat de machines achter zouden moeten blijven als ze daar door de omstandigheden toe gedwongen werden.
Toen dit alles geregeld was, kon hij alleen maar afwachten. Wachten tot de terrein-verkenningsgroepen terugkwamen van hun vooruitgeschoven kampen. Wachten tot de oorzaak voor het falen van de horloges was gevonden.
Het was niet iets dat onrust of paniek rechtvaardigde, prentte hij zichzelf in. Het was alleen iets waar je rekening mee moest houden en niet mocht veronachtzamen. Het maakte het alleen maar noodzakelijk dat je bepaalde voorzorgsmaatregelen nam, maar het was geen situatie die je ertoe kon brengen om alle gevoel voor verhoudingen uit het oog te verliezen.
Je kon niet naar de aarde teruggaan en zeggen: ‘Tja, zie je, onze horloges bleven stilstaan en dus –’
Er klonken voetstappen en hij draaide zich om in zijn stoel. Het was Jackson.
‘Wat is er?’
‘De kampen geven geen antwoord, meneer,’ zei Jackson. ‘De telefonist heeft geprobeerd ze te bereiken maar er komt geen antwoord. Er is geen enkel contact meer.’
Decker liet een gegrom horen. ‘Maak je niet ongerust. Ze zullen wel antwoord geven. Geef ze de tijd.’
Terwijl hij dit zei, wou hij maar dat hij zelf iets van de geruststelling voelde die hij in zijn stem probeerde te leggen. Een seconde lang greep een gevoel van angst hem bij de keel, maar hij slikte het weg.
‘Ga zitten,’ zei hij. ‘We drinken hier eerst een biertje en dan gaan we naar de radiohut om te zien wat er aan de hand is.’ Hij klopte op de tafel. ‘Bier,’ zei hij. ‘Twee bier.’
De robot die bij de paviljoenpijler stond verroerde zich niet.
Decker leunde met gebalde vuisten op de tafel en probeerde op te staan, maar zijn benen voelden plotseling slap aan en leken op onverklaarbare wijze in water veranderd. Hij was niet in staat om op te staan.
‘Jackson,’ hijgde hij, ‘geef die robot eens een tik op zijn schouder. Zeg hem dat we bier willen.’
Hij zag Jackson’s gezicht van angst verbleken toen hij opstond en er langzaam heen liep. Hij voelde hoe de angst hem weer bij de keel greep.
Jackson stond naast de robot, stak aarzelend zijn hand uit en tikte hem zachtjes op de schouder, sloeg iets harder en … de robot viel plat op zijn gezicht!
Voetstappen dreunden over de vastgestampte grond in de richting van het paviljoen.
Decker draaide zich met een ruk om. Roerloos zat hij nu in zijn stoel om de man op te wachten die aan kwam hollen. Het was MacDonald, de hoofdmachinist.
Hij bleef voor Decker staan en stak zijn handen uit die smerig waren en vol littekens zaten van de jarenlange strijd met weerspannige motoren. Hij greep de rand van de tafel beet, en zijn gegroefde gezicht vertrok in grimassen, alsof hij op het punt stond te gaan huilen.
‘Het schip, meneer. Het schip …’
Decker knikte afwezig. ‘Ik weet het. Het schip doet het niet.’
MacDonald maakte een slikbeweging. ‘De voornaamste dingen zijn in orde, meneer. Maar de kleine instrumenten … het inspuitmechanisme … de …’
Hij zweeg plotseling en staarde Decker aan. ‘U weet het al,’ zei hij. ‘Hoe bent u het te weten gekomen?’
‘Ik wist dat er iets zou gebeuren,’ zei Decker. ‘Niet op deze manier misschien, maar er moest iets gebeuren. Ik wist dat het eens afgelopen zou zijn met ons geluk. Ik hield me natuurlijk groot, net zoals jullie allemaal, maar ik wist dat het zover zou komen: dat we aan alles gedacht zouden hebben, behalve aan iets dat we nooit hadden kunnen voorzien. En dát zal ons te gronde richten.’
De inboorlingen hadden geen metaal, peinsde hij. Geen spoor van metaal in hun dorp. Hun borden waren van speksteen en ze droegen geen sieraden. Hun werktuigen waren van steen. En toch waren ze intelligent genoeg, ontwikkeld genoeg, beschaafd genoeg om metaal te kunnen bewerken. Er was in de westelijke bergen ijzererts aangetroffen. Ze hadden het misschien geprobeerd, vele eeuwen geleden, hadden metalen gereedschap vervaardigd en het binnen een paar weken onder hun handen in stukken uiteen zien vallen.
Een beschaving zonder metaal. Een cultuur zonder metaal. Het was ondenkbaar. Zonder metaal wordt de mens weer holbewoner. Zonder metaal is hij gebonden aan de aarde en heeft alleen zijn blote handen tot zijn beschikking
Waldron kwam zachtjes het paviljoen binnen. ‘De radio doet het niet,’ zei hij, ‘en de robots sterven als vliegen. Je kunt ze overal zien liggen, alleen maar een hoop schroot.’
Decker knikte. ‘De kleine spullen, de fijnste mechanismen gaan er het eerst aan,’ zei hij. ‘Zoals horloges en het binnenwerk van radio’s en robothersens en het inspuitmechanisme. Dan de generatoren. En dan zullen we geen licht meer hebben en geen energie. Dan zullen de machines het begeven en blijven er van onze wapens niet veel meer dan wat waardeloze knuppels over. Tenslotte waarschijnlijk al het grote materieel.’
‘De inboorling heeft het gezegd toen u met hem praatte,’ zei Waldron. "U zult nooit weggaan," zei hij.’
‘We hebben er toen niets van begrepen,’ zei Decker. ‘We dachten dat hij ons bang wilde maken en we waren ervan overtuigd dat hij geen partij voor ons was, dat we voldoende beveiligd waren en nergens bang voor hoefden te zijn. Maar hij wilde ons natuurlijk helemaal niet bang maken. Hij deelde ons alleen maar iets mee.’
Hij maakte een wanhopig gebaar met zijn handen. ‘Wat is de oorzaak precies?’
‘Niemand weet het,’ zei Waldron bedaard. ‘Nog niet tenminste. Wie weet zullen we ‘t ooit ontdekken, maar dat zal ons niet veel helpen. Een microbe misschien. Een virus. Iets dat ijzer vreet nadat het aan hitte is blootgesteld of met andere metalen is vermengd. Voor puur ijzererts voelt het niets. Als dat wel zo was, zou de voorraad die we hebben gevonden, allang geleden verdwenen moeten zijn.’
‘Als dat waar is,’ zei Decker, ‘hebben wij voor dat virus, of wat het ook moge zijn, de eerste stevige maaltijd meegebracht die het misschien in eeuwen heeft gehad. Het kan duizend jaar zijn, maar ook een miljoen jaar. Er is hier geen bewerkt metaal. Maar hoe ziet het dan kans om in leven te blijven? Hoe heeft het kunnen leven zonder voedsel?’
‘We hebben de dampkring onderzocht.’ Maar Waldron had die woorden nog niet uitgesproken of hij had al door hoe dwaas ze klonken. Ze hadden de dampkring onderzocht, maar hoe zouden ze in staat geweest zijn iets te ontdekken waar ze nog nooit mee in aanraking waren geweest? De graadmeter die de mens hanteerde was beperkt – beperkt tot de dingen waar hij iets van afwist, beperkt door het gezichtsveld van zijn eigen ervaring. Hij beveiligde zichzelf tegen datgene waarvan hij zich een voorstelling kon maken. Hij kon zich niet verdedigen tegen het onbekende.
Decker stond op en zag dat Jackson nog steeds bij de paviljoenpijler stond, met de robot aan zijn voeten uitgestrekt.
‘Je vraag is beantwoord,’ zei hij tegen de biochemicus. ‘Weet je nog de eerste dag dat we hier waren? Jij zei toen iets over…’
Jackson knikte. ‘Ik weet het nog, meneer.’
En plotseling was Decker er zich van bewust dat er over de hele basis een stilte was gevallen.
Een windvlaag uit de richting van de wildernis deed het canvas klapperen.
En nu pas, voor de eerste keer sinds ze waren geland, bespeurde hij in de wind de vreemde geur van een vreemde wereld.