2

Hij pakte zijn hoed en jas en liep de deur uit. De hitte op straat sloeg hem tegemoet. Van het rustige gekkenhuis van een redactie, vlak voor het draaien van de krant, kwam hij in het iets rustiger gekkenhuis van de stad op een drukkend hete julimiddag.

Hij schoof zijn hoed naar achteren en veegde met zijn zakdoek zijn voorhoofd af. Waar zou hij eens heengaan? Niet naar de leeszaal om zijn kennis over paranoia op te frissen. Die smoes had hij alleen maar gebruikt om de rest van de middag vrij te zijn; hij had twee jaar geleden al alles over paranoia en aanverwante onderwerpen gelezen. Wat dat betreft was hij expert. Hij kon elke huis-, tuin- en keukenpsychiater misleiden en hem wijsmaken dat hij wel, of niet, goed bij zijn hoofd was.

Hij liep het park in en ging op een van de banken in de schaduw zitten. Hij legde zijn hoed naast zich neer en veegde zijn voorhoofd weer af.

Hij staarde naar het heldergroene gras in het zonlicht, en naar de duiven, die zo dwaas met hun kop schudden als ze lopen. Een eekhoorn kwam aan de ene kant van een boom naar beneden, keek om zich heen en schoot aan de andere kant van dezelfde boom weer naar boven.

Zijn gedachten gingen terug naar die geheugenmuur die hij nu al drie jaar lang had.

Het was helemaal geen muur geweest. Een streep was het, een plotselinge verandering. Het ging om twee totaal verschillende levens. Een leven van zevenentwintig jaar vóór het ongeluk en een leven van drie jaar na dat ongeluk.

Maar dat wist niemand. Tot vanmiddag had hij tegen niemand ooit de waarheid verteld – als het tenminste de waarheid was. Hij had er voor het eerst iets over gezegd toen hij Candler’s kamer uitliep, omdat hij wist dat Candler het als een goeie grap zou opvatten. En als het zo was, dan moest je nog uitkijken. Als je zulke grappen vaak verkoopt, gaan de mensen je vreemd aankijken.

Aan een gebroken kaak, een van de verwondingen die hij bij dat ongeluk had opgelopen, had hij het waarschijnlijk te danken dat hij nu vrij rond liep en niet in een inrichting zat.

Achtenveertig uur nadat zijn auto vijftien kilometer buiten de stad frontaal op een truck was ingereden was hij bijgekomen. Zijn kaak zat in het gips en daardoor had hij drie weken lang niets kunnen zeggen. Hij had alleen maar pijn gevoeld en was in de war geweest. Maar hij had in ieder geval de kans gekregen om over een paar dingen na te denken. Toen had hij die muur bedacht. Die geheugenmuur paste prachtig in het geheel en klonk veel geloofwaardiger dan de waarheid zoals hij die kende.

Maar was dat wel de waarheid?

Dat spookbeeld achtervolgde hem nu al drie jaar lang, vanaf het moment dat hij spierwit in een spierwitte kamer was wakker geworden en er een vreemd uitgedoste man die hij niet kende, naast zijn bed zat.

Zo’n bed had hij nog nooit en in geen enkel veldhospitaal gezien. Hij had ook nog nooit van zo’n bed gehoord. Een bed met een ijzeren geraamte boven zijn hoofd. En toen hij van het gezicht van de onbekende naar zijn eigen lichaam keek, zag hij dat een van zijn benen en zijn beide armen in het gips zaten, en zijn been werd bij de enkel met een touw over een katrol omhooggehouden.

Hij probeerde zijn mond open te doen om te vragen waar hij was, wat er met hem gebeurd was, en toen had hij het gips om zijn kaak gevoeld.

Hij had naar de vreemde man liggen staren in de hoop dat de ander het zou begrijpen en hem zou inlichten. De man had zitten grinniken. ‘Dag George,’ had hij gezegd. ‘Weer wakker? Je zult er wel weer gauw bovenop zijn.’

Er was iets vreemds met die taal. Tot hij wist wat het was: Engels! Was hij in Engelse handen gevallen? Hij kende die taal slecht, maar toch begreep hij de vreemdeling voortreffelijk. En waarom noemde hij hem George?

Misschien was er iets van de twijfel, iets van die heftige verwarring in zijn ogen te lezen, want de man boog zich dicht naar het bed toe en zei: ‘Misschien ben je nog een beetje in de war, George. Je hebt nogal een zwaar ongeluk gehad. Je reed met die auto van je recht op een zware zandtruck in. Dat is eergisteren gebeurd en nu kom je pas voor de eerste keer bij. Je bent er goed afgekomen, maar je zult nog wel een tijdje in het ziekenhuis moeten blijven, tot je botten weer helemaal aan elkaar zitten. Het valt allemaal nogal mee.’

Daarna waren er pijngolven komen opzetten en was de verwarring weggevaagd. Hij had zijn ogen dicht gedaan.

Iemand anders in de kamer zei: ‘We zullen u even een injectie geven, meneer Vine.’ Maar hij had zijn ogen niet nog eens open durven doen. Als je niets ziet, kun je gemakkelijker tegen de pijn vechten.

Hij voelde de prik van een naald in zijn bovenarm en weldra was toen het Niets gekomen.

Toen hij weer bijkwam – twaalf uur later, hoorde hij – lag hij nog steeds in dezelfde witte kamer in hetzelfde vreemde bed, maar nu stond er een vrouw in vreemde witte kledij aan het voeteneind en bestudeerde een op een stuk karton geprikt papier.

Ze glimlachte toen ze zag dat hij zijn ogen geopend had. ‘Goedemorgen, meneer Vine,’ zei ze, ‘ik hoop dat u zich nu wat beter voelt. Ik zal dokter Holt even vertellen dat u weer bijgekomen bent.’

Ze ging weg en kwam even later terug met een net zo vreemd geklede man, ongeveer met dezelfde kleren aan als de onbekende die hem George had genoemd.

De dokter keek hem aan en grinnikte. ‘Eindelijk eens een patiënt die niets kan terugzeggen. Of iets opschrijven.’ Toen keek hij weer ernstig. ‘Hebt u pijn, eigenlijk? Knippert u eens één keer met uw ogen als u geen pijn hebt en twee keer als u wel pijn hebt.’

Het deed nu niet zo erg veel pijn en hij knipperde één keer. De dokter knikte tevreden. ‘Die neef van u heeft steeds opgebeld. Hij zal blij zijn als hij hoort dat u weer in staat bent om – nou ja – te luisteren. Praten is er voorlopig niet bij. U vindt het toch niet erg als hij u vanavond even komt opzoeken?’

De verpleegster maakte het bed wat in orde en daarna waren beiden godzijdank weer weggegaan en hadden hem verder met rust gelaten, zodat hij zijn chaotische gedachten kon ordenen.

Ordenen? Daar was hij nu al drie jaar mee bezig en hij had er nog steeds geen kans toe gezien.

Het krankzinnige was dat ze Engels hadden gesproken en dat hij dat barbaarse taaltje helemaal had kunnen volgen, ondanks zijn geringe kennis ervan. Hoe kon hij door een ongeluk een taal die hij alleen maar oppervlakkig kende, vloeiend spreken?

En verdomme! Ze hadden hem met een andere naam aangesproken! ‘George’ had die bezoeker hem genoemd, en die verpleegster had meneer Vine gezegd. George Vine, waarschijnlijk een Engelse naam!

En wat die man hem de avond ervoor over dat ongeluk had verteld, was wel de klap op de vuurpijl geweest. Was dat misschien die neef over wie de dokter het had gehad? ‘Je reed met die auto van je recht op een zware zandtruck in’.

Het ongerijmde was dat hij wist wat een auto was, en wat een truck was. Niet dat hij zich kon herinneren dat hij ooit achter het stuur van een auto had gezeten, of dat hij dat ongeluk had gehad … Wat was er gebeurd nadat hij in zijn tent na de slag bij Lodi … maar hoe kon het beeld van een auto, iets dat werd voortgedreven door benzine, in zijn hersens opkomen, als hij zoiets nog nooit in werkelijkheid had gezien?

Een krankzinnige vermenging van twee werelden: de een scherp, helder en duidelijk omlijnd. De wereld waarin hij zevenentwintig jaar geleden – 15 augustus 1769 – op Corsica was geboren. De wereld waarin hij naar bed gegaan was – het leek of het gisteravond was – in zijn tent bij Lodi, als generaal van de legermacht in Italië, na zijn eerste belangrijke overwinning op het slagveld.

En dan die verwarrende wereld waarin hij was wakker geworden. Een wereld waarin ze Engels spraken dat, nu hij erover nadacht, verschilde van het Engels dat hij in Brienne, Valence of Toulon had gehoord. Toch was het een Engels dat hij voortreffelijk verstond, waarvan hij instinctief voelde dat hij het zou kunnen spreken als zijn kaak niet in het gips had gezeten. Ze noemden hem George Vine en – dat was nog het vreemdste van alles – ze gebruikten woorden die hij niet kende, die hij niet kon kennen, en die toch beelden bij hem opriepen!

Auto, truck. Hij concentreerde zijn gedachten op wat een auto kon zijn en hoe zoiets functioneerde, en daar kwamen de gegevens: het cilinderblok, de zuigers die op en neer bewogen, benzinedamp die door een elektrische vonk tot ontploffing kwam…

Elektriciteit? Hij deed zijn ogen open en keek naar het gedempte licht aan het plafond. Vaag wist hij dat het elektrisch licht was. Hij wist ongeveer wat elektriciteit was, want hij had over de experimenten van de Italiaan Galvani gelezen, maar ze hadden geen betrekking gehad op iets praktisch als licht, zoals daar. En terwijl hij naar dat gedempte licht lag te staren, zag hij, erachter, waterkracht die dynamo’s in beweging bracht, kilometers draad, motoren die generatoren in werking stelden. Hij hield zijn adem in toen dat beeld van buiten zijn hersens, of gedeeltelijk van binnenuit, op hem afkwam.

Die eerste, onhandige experimenten van Galvani, met hun zwakke stroompjes, waardoor je kikvorspoten kon laten schokken, waren nauwelijks een voorbode geweest van het van alle geheimzinnigheid ontdane mysterie van het licht daar aan het plafond. En nu het vreemdste van alles: een deel van hem vond het mysterieus en een ander deel nam het voor kennisgeving aan en begreep ongeveer hoe het werkte.

Hoe zat het ook weer? dacht hij, het elektrische licht werd uitgevonden door Thomas Alva Edison omstreeks … Belachelijk! … Hij wilde zeggen: omstreeks 1900, en het was nu pas 1796!

Maar toen kwam er iets verschrikkelijks op hem af en hij probeerde rechtop in bed te galm zitten. Het was vergeefse moeite en het deed nog pijn ook.

Het was 1900 geweest, zo vertelde zijn geheugen hem, en Edison was in 1931 overleden! En een man, genaamd Napoleon Bonaparte, was honderd en tien jaar daarvoor, in 1821, overleden!

Toen was hij bijna gek geworden.

En, gek of niet, alleen doordat hij niet kon praten was hij niet in een inrichting terechtgekomen, had hij over de dingen kunnen nadenken en had hij beseft dat hij alleen een kans zou hebben om met rust te worden gelaten als hij beweerde dat hij aan geheugenverlies leed en dat hij zich niets van zijn leven van vóór het ongeluk kon herinneren. Voor een geheugenstoornis sluiten ze je niet op. Ze vertellen je wie je bent, laten je teruggaan en vertellen je hoe je vroeger hebt geleefd. En jij moet dan maar proberen je alles weer te herinneren.

En dat had hij drie jaar geleden gedaan. En nu zou hij morgen naar een psychiater gaan om te vertellen wie hij was: Napoleon!