1
… de wachters des huizes zullen beven en de sterke mannen zullen zich krommen … en de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid van het malen … ook wanneer zij voor de hoogte zullen vreezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien … want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers zullen in de straat rondgaan …
PREDIKER 12: 3-5
Er vloog juist een vijandelijk ruimteschip over met aangehouden gekrijs, toen dominee Amos Strong de preekstoel opnieuw beklom. Hij trok zijn vierkante, magere schouders wat achteruit en de uitgeteerde holten in zijn wangen werden nog dieper. Een ogenblik aarzelde hij en hij sloeg zijn donkere ogen op onder de ruige, grijzende wenkbrauwen. Toen boog hij zich voorover en legde de gescheurde envelop met het telegram bij zijn aantekeningen. De blauw dooraderde hand en de knobbelige pols die uit zijn glimmend zwarte togamouw stak, beefden nauwelijks.
Zijn ogen gingen naar de bank waar zijn vrouw had moeten zitten. Ruth kwam vandaag niet. Ze had het bericht gelezen voordat ze het naar de kerk had laten brengen. Nu liet ze verstek gaan. Dat was vreemd voor hem; ze had nooit een kerkdienst overgeslagen sinds Dick’s geboorte, bijna dertig jaar geleden.
Het rumoer van het ruimteschip stierf sissend weg in de verte en Amos deed een stap voorwaarts en omklemde met beide handen de wankele lessenaar. Hij rechtte zijn rug en legde in zijn stem een klankrijkheid en kalmte die hij zelf niet voor mogelijk had gehouden:
‘Ik heb zojuist bericht ontvangen dat mijn zoon gesneuveld is bij de slag om de maan,’ deelde hij de gemeente mede. Hij verhief zijn stem en deze werd dieper van toon. ‘Ik had gebeden of deze beker indien mogelijk aan mij voorbij mocht gaan. Doch niet gelijk ik wil, Heer, maar gelijk Gij wilt.’
Hij wendde zich af van de geschrokken gezichten, en liet de uitroepen van ontsteltenis en medelijden niet tot zich doordringen. De kerk dateerde uit de tijd toen Wesley twee maal zoveel inwoners telde als tegenwoordig; maar de mensen waren door hun zorgen en moeilijkheden naar het aftandse oude gebouw gedreven en de kerk was helemaal gevuld. Hij trok zijn aantekeningen naar zich toe en dwong zich alleen maar te denken aan het werk dat zijn hele leven beheerst had.
‘De schriftlezing is vandaag uit Genesis,’ sprak hij. ‘Genesis zeventien, vers zeven, en Genesis zesentwintig, vers vier. Gods belofte aan Abraham en Isaac.’ Hij begon te lezen uit de Bijbel die voor hem lag.
‘En Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uw zaad na u.’
‘En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde.’
Omdat hij niet langer kon rekenen op de zo noodzakelijke inspiratie, steunde hij voor het overgrote deel van de preek op zijn routine en ervaring. Het begin liep goed; de flarden van de zinnen die werkelijk tot hem doordrongen, gaven de gemeente de meest voor de hand liggende, troostende antwoorden op hun onzekerheden. God had, als eeuwig verbond, de mens de aarde beloofd. Waarom zou de mens dan bang zijn of zijn geloof verliezen als vanuit de leegte der sterren vreemde wezens neerdaalden om het geloof van de mens op de proef te stellen? Evenals in de dagen van de ballingschap in Egypte of tijdens de gevangenschap te Babylon, zouden er ook nu beproevingen en tijden zijn waarin de wankelmoedigen zouden twijfelen over hun geloof, alhoewel God de uiteindelijke afloop duidelijk had vastgelegd.
Hij had al eens eerder over deze tekst gepreekt, in zijn vroegere parochie Clyde, toen de overheid pas begonnen was aan de bouw van de maanbasis, en toen had hij grote nadruk gelegd op die verwijzing naar de sterren, om de twijfel te sussen van hen die vonden dat de mens niets in de ruimte te maken had. Het was in die tijd geweest dat Dick had aangekondigd dat hij op de maanbasis kon komen en hij had zijn weigering om predikant te worden verdedigd met Amos’ eigen woorden. Sinds die tijd had hij zijn zoon niet meer gezien.
En ruim veertig jaren geleden had hij de tekst nóg een keer gebruikt, maar de aanleiding kon hij zich niet meer herinneren. Alleen de uitdrukking van schrik op het baardige gezicht van zijn vader, toen hij een zin verkeerd citeerde, stond hem nog helder voor de geest. Het was een van zijn weinige duidelijke herinneringen aan de tijd toen hij als lekenprediker hartstochtelijk het Woord verkondigde.
Na zijn wijding tot dominee had hij getracht zijn inspiratie te hervinden, en de keren dat huwelijk en vaderschap afbreuk deden aan zijn bezieling, had hij bitter betreurd. Maar tenslotte had hij begrepen dat God niet meer van hem verwachtte dan dat hij een moderne kluizenaar zou zijn en berustte in zijn opdracht. En nu was hij terug in zijn allereerste parochie en hoewel hij zijn gehoor niet langer kon opzwepen, hij kon ze althans met pasklare vertroostende woorden een klein beetje helpen tegen hun angst voor de gruwelijke invasie uit de ruimte.
Er raasde opnieuw een ruimteschip over, zodat zijn woorden nauwelijks verstaanbaar waren. Een half jaar geleden waren ze plotseling uit het niets verschenen en naar de maan gevlogen om de daar gelegerde garnizoenen aan te vallen. Een maand later waren hun aanvallen op de aarde begonnen. En nu, terwijl een verenigde wereld moeizaam bezig was zich tegen de vijand op te stellen, stichtten ze overal bases en veroverden de aarde, kilometer voor kilometer.
Amos zag hoe de gezichten beneden hem werden opgeheven, geladen en tegelijk onzeker. Hij verhief zijn stem boven het geraas en raffelde zijn preek af.
Hij beëindigde haastig de dienst en aarzelde toen de mensen in beweging kwamen. Het ritueel was voorbij en de woorden waren gesproken, maar een echte dienst was het niet geweest. Langzaam ging zijn mond open en hij hoorde zijn stem de zevenentwintigste psalm declameren. ‘God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen?’
Zijn stem klonk zacht, maar hij voelde de reactie van de gemeente toen die toepasselijke woorden tot hen doordrongen. ‘Al zie ik zelfs een leger mij omringen, nog vrees ik niet; ‘k verlaat mij op den Heer. Al wil men mij door eenen oorlog dwingen, ‘k leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer.’ Het was alsof de lucht trilde, net als lang geleden, toen God direct tot hem scheen te spreken; en toen hij uitgesproken was bleef het doodstil in de kerk. ‘Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer; Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer.’
De warmte van die mystieke gloed bleef hangen terwijl hij geruisloos de preekstoel afdaalde. Toen klonk buiten het geronk van motoren en er werd op de deur gebonkt. Het gevoel van warme beslotenheid verdween.
Iemand stond op, deed de deur open en er stroomde plotseling daglicht de kerk binnen. De adem van de hete, droge, door sprinkhanen geteisterde wereld daarbuiten drong naar binnen. Amos voelde de bitterheid weer over hem heen komen in bijna tastbare golven, nog vóór hij de korte, gezette gestalte van dr. Man Miller zag.
‘Amos! Heb je het gehoord?’ Hij hijgde alsof hij hard gelopen had. ‘Het is net over de radio omgeroepen, terwijl jij hier stond te kletsen.’
Het geronk van nog meer motoren, rijdend door de enige hoofdstraat van Wesley, in westelijke richting, legde hem het zwijgen op. De berijders waren allemaal in militair uniform en gewapend, en ze reden zo hard ze konden. Stof stoof achter hen op en Doc begon te hoesten en te vloeken. Hij liet de laatste paar jaren zijn atheïsme steeds openlijker blijken; toen Amos hem pas kende, in zijn eerste parochie, had Doc althans nog enige eerbied voor religieuze zaken aan de dag gelegd.
‘Kalm,’ zei Amos scherp, ‘je bent hier in Gods huis, Doc. Wat heb je over de radio gehoord?’
Doc beheerste zich en slikte zijn hoestbui in. ‘Sorry. Maar verdomme, man, de ruimtelingen zijn in Clyde geland, maar zeventig kilometer hier vandaan. Ze hebben er een basis ingericht! Daarom vlogen er de hele tijd zoveel over!’
De gezichten van de kerkgangers die hem verstaan hadden, verstarden, en ontzet vertelden zij op fluistertoon het nieuws verder.
Amos merkte de verwarring en opschudding nauwelijks op. Voordat hij hier terug was gekomen, was Clyde zijn parochie geweest en hij probeerde zich voor te stellen hoe de vreemde ruimteschepen neerdaalden, hoe de stad met gas en kogels geteisterd werd. Ze zouden allemaal sterven, de kruidenier op de hoek met zijn negen kinderen, de kreupele diaken die daar had gewerkt, de twee fanatieke gezusters Aimes met hun horde katten en honden … Hij probeerde zich voor te stellen hoe de ruimtelingen met hun groene huid en hun bijna-menselijk uiterlijk door de stad gingen, de kerk binnendrongen, het altaar ontheiligden! Anne Seyton woonde hier en hoewel ze een andere geloofsovertuiging had, was ze Dick’s meisje geweest.
‘En het garnizoen daar in de buurt dan?’ brulde een zwaarlijvige boer over de menigte heen. ‘Ik heb daar een zoon zitten en die zei dat ze al die ruimteschepen makkelijk aankonden als ze probeerden te landen! Dat ze de boel kapot zouden schieten als ze neerkwamen …’
Doc schudde zijn hoofd. ‘Een half uur vóór de landing hebben ze daar een cycloon gehad. Het dak is van het hoofdgebouw gewaaid en het hele opleidingskamp is verwoest.’
‘Jim!’ De grote man schreeuwde de naam van z’n zoon en sleurde zijn tengere vrouw met zich mee, naar de auto. ‘Als ze Jim te pakken hebben gekregen –’
Anderen wilden achter hem aan hollen, maar ze werden tegengehouden door een nieuwe groep motoren. Deze reden niet zo hard als de vorige want achter hen aan kwamen enorme tanks. De achterste stopte vlak vóór de kerk en een man met een groezelig gezicht, in een slordig officiersuniform leunde naar buiten.
‘Dekking zoeken, mensen! Hebben jullie het nieuws nog niet gehoord? Ga naar huis en blijf bij de radio zitten voordat een van hun vliegtuigen voor de grap op jullie begint te schieten. De ruimtelingen komen hier straks pal over, als ze naar Topeka oprukken.’ Hij verdween weer in de geschutstoren. De tank trok hortend en stotend op en reed verder in de richting van Clyde.
De mensen stroomden angstig de kerk uit. Er had genoeg in de kranten gestaan over de ‘spelletjes’ die de ruimtelingen speelden. Amos trachtte ze tegen te houden om tenminste een kort gebed uit te spreken en ze gelegenheid te geven om hun gedachten te ordenen, maar hij gaf het op toen de eerste mensenkluwen zich langs hem heen wrong. Een minuut later was hij alleen over met Doc Miller.
‘Ik zou maar naar huis gaan, Amos,’ drong Doc aan. ‘Mijn auto staat een straat verder. Zal ik je een lift geven?’
Amos knikte vermoeid. Zijn botten voelden broos en droog aan, en het stof in zijn mond was dichter dan in de lucht. Hij voelde zich oud en voor het eerst vrijwel nutteloos. Hij liep zwijgend achter de dokter aan, blij dat hij de zes korte straten naar het huisje dat bij de parochie hoorde, kon meerijden.
Een stokoude, kapotte auto kwam rammelend aanrijden toen ze bij Doc’s wagen stonden. Zij bleven staan en een man in een smerige overall boog zich naar buiten, zijn gezicht krampachtig vertrokken. ‘Zijt gij bereid, broeders? Wilt gij gered worden? Armageddon is hier, zoals in het Boek voorspeld is. Verzoen u met God, broeders! Het einde van de wereld is nabij. Amen!’
‘Waar wordt in de Bijbel dan gesproken over leven op andere planeten?’ beet Doc hem toe.
De man knipperde met zijn ogen, fronste zijn voorhoofd en schreeuwde dat zondaars eeuwig in de hel moesten branden. Toen reed hij weer verder met z’n gammele auto. Amos zuchtte. Nu hun moeilijkheden steeds meer toenamen, zouden er meer fanatici komen om een eigen evangelie te prediken en de ondergang te voorspellen. En hij zou nooit weten of deze mensen door Gods dan wel door Satan’s macht bezield waren.
‘In het huis des Vaders zijn vele woningen,’ citeerde hij toen ze wegreden. ‘Het is heel goed mogelijk dat dat een allegorische verwijzing is naar andere werelden in het heelal.’
Doc grijnsde en haalde zijn schouders op. Toen zuchtte hij, nam een hand van het stuur en legde die op Amos’ schouder. ‘Ik heb het gehoord van Dick, Amos. Het spijt me. De eerste baby die ik op de wereld geholpen heb – en de knapste!’ Hij zuchtte nogmaals en staarde in de richting van Clyde. Amos wist niet wat hij hierop moest zeggen. ‘Ik begrijp het niet. Waarom kunnen we geen atoombommen op ze gooien? Wat is er gebeurd met de projectielen van de maanbasis?’
Amos stapte uit bij het verveloze huis waar hij woonde, gaf Doc zwijgend een hand en knikte om hem te bedanken.
Vanmiddag zou hij zich moeten bezinnen over de nabije toekomst. Zodra het avond werd zouden de mensen weer de straat op kunnen zonder het gevaar te lopen door een raket van de ruimtelingen te worden neergeschoten. De kerkklokken moesten hen dan weer roepen, want misschien zouden ze geestelijke bijstand nodig hebben … Hij moest ze helpen en ze leren dat ze God nooit zouden kunnen begrijpen, en Hem alleen maar moesten aanvaarden…
In de kerk was er zoeven dat moment geweest, toen het was alsof God hem en de gemeente met warmte omhulde – net zo’n geweldig gevoel als beloften eindelijk in vervulling gaan. Misschien had hij nu, in het uur van de grootste nood, zijn inspiratie toch nog enigszins teruggekregen.
Ruth was bezig de tafel te dekken. Haar kleine, kalme lichaam bewoog net zo efficiënt als anders, maar haar gezicht was opgeblazen en haar ogen waren rood. ‘Het spijt me dat ik niet kon komen, Amos. Maar vlak na het telegram kwam Anne Seyton. Ze had het gehoord – nog eerder dan wij. En –’
De televisie stond aan, er werden koppen uit de Kansas City Star vertoond en hij zag dat het niet meer nodig was haar het nieuws te vertellen. Hij legde zijn hand op de hare. ‘God heeft alleen maar tot zich genomen wat hij ons eerst geschonken heeft, Ruth. Tenslotte hebben wij Dick dertig jaar mogen hebben.’
‘Ik red me wel.’ Ze rukte zich los en draaide zich om naar de keuken, haar rug een toonbeeld van opgekropte misère. ‘Hoor je dan niet wat ik zeg? Anne is hier. Dick’s vrouw! Ze zijn in het geheim getrouwd, vóór zijn vertrek – vlak nadat je met hem gepraat had over hun verschillende geloofsopvattingen. Ga naar haar toe, Amos. Ze weet wat er met haar familie in Clyde gebeurd is.’
Hij zag zijn vrouw weggaan. Het slaan van de buitendeur onderstreepte haar woorden. Hij had het huwelijk niet verboden; hij had de jongen, die zo op Ruth leek, alleen maar gewaarschuwd. Hij aarzelde even en liep tenslotte maar de kleine logeerkamer. Er werd gedempt ‘ja’ geroepen toen hij klopte en het slot klikte roestig.
‘Anne?’ zei hij. De gordijnen waren dicht, maar hij kon in het halfduister het blonde hoofd en de magere, bijna onvrouwelijke lijnen van haar lichaam gemakkelijk onderscheiden. Hij stak zijn hand uit en voelde haar dunne vingers tegen zijn handpalm. Toen ze haar gezicht omdraaide, zag hij geen spoor van tranen; alleen haar hand beefde. ‘Anne, Ruth zei mij dat God ons een dochter geschonken heeft – ‘
‘God!’ ze spuwde het bijna uit, terwijl ze haar hand met een ruk terugtrok. ‘Gód, dominee Strong? Wiens God? De God die meteorieten op Dick’s basis afstuurt en sprinkhanenplagen en grote droogte naar onze boerderijen? De God die tornado’s gebruikt om de ruimtelingen makkelijker te laten landen? Die God, dominee Strong? Niet God, maar Dick heeft u een dochter geschonken en nu is hij dood! Dood!’
Amos liep achterwaarts de kamer uit. Hij had geleerd de spottende toon waarmee Doc de naam van de Heer uitsprak, te verdragen, maar dit was iets anders. Hij wist niet wat hij hierop moest antwoorden. Anne had weliswaar een andere overtuiging, maar hij had altijd gedacht dat ze tenminste gelovig was.
Waarschijnlijk was ze gewoon overspannen. Hij liep naar de keuken om Ruth binnen te roepen en haar te vragen naar het meisje toe te gaan.
Boven zijn hoofd sneed het staccato-geluid van een vreemd vliegtuig door de lucht; dat geluid had hij nog nooit eerder gehoord, maar ze hadden het op de radio tot in finesses beschreven. Dit kon geen aards toestel zijn!
Toen nog één en nog één, totdat de geluiden zich vermengden tot een aanhoudend gedreun.
Er bovenuit klonk plotseling het gebulder van zwaar geschut en in de tuin achter het huis was direct daarop een reeks snel opeenvolgende ontploffingen.
Amos liep struikelend naar de achterdeur. ‘Ruth!’ riep hij uit. Er klonk een serie schoten. Ruth zakte in elkaar, nog voordat hij de deuropening bereikt had.