Frederic Brown - ‘Arena’
Carson sloeg zijn ogen op en keek in een glinsterende, blauwe schemering.
Het was heet en hij lag op zandgrond en een scherpe kei, die vastzat in het zand, stak hem pijnlijk in zijn rug. Hij rolde zich van de steen af en ging moeizaam overeind zitten.
‘Ik ben krankzinnig,’ dacht hij. ‘Krankzinnig – of dood – of iets anders.’ Het zand was blauw, helder blauw. En zoiets als blauw zand bestond helemaal niet, noch op aarde, noch op een van de andere planeten.
Blauw zand.
Blauw zand onder een blauw gewelf. Op de een of andere manier wist hij dat het gewelf begrensd was – hoewel hij de top ervan niet kon zien.
Hij nam wat van het zand in zijn hand en liet het tussen zijn vingers glijden. Het vloeide neer op zijn blote been. Bloot?
Naakt. Hij was spiernaakt en zijn lichaam droop van het zweet door de verlammende hitte en overal waar het met de grond in aanraking was geweest, was het bedekt met een laagje blauw zand.
Maar op de overige plekken was zijn lichaam blank.
Hij dacht: Dit zand is dus werkelijk blauw. Als het alleen maar blauw geleken had door het blauwe schijnsel, dan was ik zelf ook blauw geweest. Maar ik ben blank, dus het zand is blauw. Blauw zand. Maar blauw zand bestaat niet. En zo’n plek bestaat evenmin.
Het zweet drupte in zijn ogen.
Het was heet, heter dan de hel. Maar de hel was toch rood (althans zo wilden de verhalen het) en niet blauw?
Maar als dit de hel niet was, wat was het dan wel? Van alle planeten was Mercurius de enige waar het zo heet was en dit was niet Mercurius. Mercurius bevond zich zo’n zeven miljard kilometer van –
Toen herinnerde hij zich weer waar hij was geweest. In de kleine eenmansverkenner, buiten de baan van Pluto, waarmee hij een verkenningsvlucht had gemaakt, bijna twee miljard kilometer verwijderd van de luchtvloot van de aarde, die in slagorde was opgesteld om de Buitenbewoners te onderscheppen.
Dat plotselinge, schelle en schokkende gerinkel van de alarmbel, toen de vijandige verkenners – die van de Buitenbewoners – binnen het bereik van zijn detectors waren gekomen.
Niemand wist wie de Buitenbewoners waren, hoe ze eruit zagen, van welk verafgelegen zonnestelsel ze kwamen; alleen dat dit ergens in de richting van de Pleiaden gezocht moest worden.
Aanvankelijk waren er alleen maar verspreide invallen gedaan in aardse kolonies en buitenposten. Verspreide gevechten tussen aardse patrouilles en kleine ruimtevlooteenheden van de Buitenbewoners; gevechten die soms werden gewonnen en soms werden verloren, maar die tot dusver nog nooit hadden geleid tot de verovering van een vijandelijk schip. Evenmin was er ooit een lid van een overvallen kolonie in leven gebleven die een beschrijving had kunnen geven van de Buitenbewoners die hun schepen hadden verlaten – als ze die al hadden verlaten.
Ze hadden in het begin geen al te ernstige bedreiging gevormd, want hun invallen waren niet talrijk geweest. En de schepen waren, qua bewapening, iets minder deugdelijk gebleken dan de beste aardse gevechtsschepen, hoewel ze wel iets sneller waren en een iets grotere wendbaarheid hadden.
Niettemin had de aarde zich voorbereid op ernstige moeilijkheden, op een krachtmeting, en was aan de opbouw begonnen van de machtigste vloot aller tijden. Deze armada had lang gewacht, maar nu zou de strijd dan ook gaan plaatsvinden.
Verkenners hadden, bijna dertig miljard kilometer van de aarde, de nadering ontdekt van een machtige vloot van de Buitenbewoners. De verkenners waren nooit teruggekeerd, maar wel hun radiotronische berichten. En nu bevond zich daar, ver in de ruimte, buiten Pluto’s baan, de aardse armada: tienduizend schepen en een half miljoen gevechtsklare ruimtevaarders, gereed om de vijand te onderscheppen en een strijd te leveren op leven en dood.
En het zou allesbehalve een ongelijke strijd worden, te oordelen naar de vooruit gezonden berichten van de mannen van de buitenste patrouille, die hun leven hadden gegeven om – voor ze stierven – rapporten door te geven over de grootte en de sterkte van de vijandelijke vloot.
Het was onmogelijk te voorspellen wie de strijd zou winnen: de heerschappij van het zonnestelsel was nog onbeslist, de kansen stonden gelijk. Een laatste en enige kans, want de aarde en al zijn kolonies zouden volkomen zijn overgeleverd aan de genade van de Buitenbewoners als ze deze strijd verloren.
Ja, Bob Carson herinnerde het zich weer allemaal.
Dat schelle gerinkel van de alarmbel en zijn sprong naar het instrumentenbord, zijn koortsachtige gemorrel aan de riemen toen hij zich vastbond op zijn stoel, de stip in zijn vizierglas, die steeds groter werd.
De droogte in zijn mond. Het verschrikkelijke besef dat het nu stond te gebeuren. Voor hem althans, want de hoofdvloten waren nog buiten elkaars bereik.
Dit was zijn voorproef van de strijd. Binnen drie seconden of minder zou hij overwinnaar zijn, of een verkoolde sintel. Dood.
Drie seconden -want zo lang duurde een ruimtegevecht. Je had tijd genoeg om tot drie te tellen, langzaam, en dan had je gewonnen of je was dood. Eén treffer was voldoende om een licht bewapend en gepantserd eenmanstoestel als een verkenner uit te schakelen.
Koortsachtig – terwijl zijn droge lippen onbewust het woord ‘één’ vormden – trok hij aan knoppen en handels om de steeds groter wordende stip te centreren op de kruisdraden op zijn vizierglas. En terwijl zijn handen daarmee bezig waren, hing zijn voet vlak boven het pedaal dat de vuurstraal zou doen losbranden. Eén enkele straal van geconcentreerd hels vuur die raak moest zijn – en anders … Er zou geen tijd zijn voor een tweede schot.
‘Twee.’ Hij wist ook niet dat hij dit gezegd had. De stip in het vizierglas was geen stip meer. Op nog slechts enkele duizenden kilometers afstand, zag de stip er in de vergroting van het glas uit alsof hij maar een paar honderd meter van hem verwijderd was. Het was een ranke, snelle, kleine verkenner, net als de zijne.
Maar onbekend en vijandig.
‘Dri –’ Zijn voet drukte op het pedaal.
En toen zwenkte de Buitenbewoner plotseling opzij en was in een fractie van een seconde van het vizierglas verdwenen. Hij joeg de neus van zijn verkenner er achteraan en zag hem weer, terwijl hij recht naar de grond dook.
De grond?
Het was waarschijnlijk gezichtsbedrog. Dat moest het wel zijn, die planeet – of wat het ook mocht zijn dat nu zijn vizierglas bedekte. Maar een planeet kon het onmogelijk zijn – de dichtstbijzijnde planeet was Neptunus, vijf miljard kilometer ver – met Pluto aan de andere zijde van de puntkleine zon.
Zijn detectors! Die hadden geen enkel voorwerp gemeld met planetaire afmetingen. En dat deden ze nog steeds niet.
Dus het kon er niet zijn, dat vreemde, onbekende, maar een paar honderd kilometer beneden hem, waar hij nu recht op af dook.
En plotseling doodsbang dat hij zou neerstorten, vergat hij zelfs het schip van de Buitenbewoners. Hij bracht zijn voorste remraketten tot ontbranding en zelfs toen de plotselinge verandering in zijn snelheid hem met een schok naar voren perste in zijn riemen, bracht hij zijn verkenner met een scherpe bocht naar links, hoewel hij wist dat deze onverwachte wending hem korte tijd buiten bewustzijn zou brengen.
En dat gebeurde ook.
En dat was alles. Nu zat hij, spiernaakt, maar verder ongedeerd, in heet, blauw zand. Hij zag geen spoor van zijn verkenner. Van de ruimte trouwens evenmin. Dat gewelf boven hem was geen uitspansel, wat het dan ook wel mocht zijn.
Hij krabbelde overeind.
De zwaartekracht was iets groter dan die op aarde. Maar niet veel meer.
Zand, dat zich ver en vlak uitstrekte, met hier en daar wat schrale struiken en bosjes. De struiken waren ook blauw, maar in diverse tinten, en sommige waren lichter blauw dan het zand, andere donkerder.
Vanonder de dichtstbijzijnde struik schoot een beest weg; het leek op een hagedis, maar het had meer dan vier poten. Het was ook blauw. Helder blauw. Het zag hem en rende terug onder de struik.
Hij keek weer naar boven en probeerde vast te stellen wat zich daar bevond. Het was niet direct een dak, maar het was wel koepelvormig. Het glinsterde en was enigszins pijnlijk om naar te kijken. Maar het welfde duidelijk omlaag naar de grond, naar het blauwe zand, overal om hem heen.
Hij stond niet ver van het middelpunt van de koepel. Het was, schatte hij, een honderd meter van de dichtstbijzijnde wand, als het tenminste een wand was. Het was alsof een blauw halfrond van iets met een omtrek van ongeveer tweehonderd vijftig meter, als een reusachtige stolp op de zandvlakte was neergezet.
En alles was blauw, behalve één ding. Vlakbij de wand, aan de overzijde van de koepel, lag een rood voorwerp. Het was bolvormig en had, zo op ‘t oog, een doorsnee van één meter. Het was te ver weg om het, door de blauwe glinstering heen, duidelijk te kunnen zien. Maar onwillekeurig huiverde hij.
Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd. Was dit een droom, een nachtmerrie? Deze hitte, dit zand, dat onbestemde gevoel van afgrijzen dat hij kreeg als hij naar dat rode ding keek?
Een droom? Nee, je ging niet slapen en dromen als je midden in een ruimtegevecht gewikkeld was.
Was dit de dood? Nee, uitgesloten. Als er een eeuwigheid bestond, kon het nooit zo iets zinloos zijn als dit, deze blauwe hitte, dit blauwe zand, dat rode monster.
Toen hoorde hij de stem –
Hij hoorde hem binnen in zijn hoofd, niet met zijn oren. De stem kwam van nergens en overal.
‘Dolend door ruimten en dimensies, kom ik in deze ruimte en in deze tijd,’ sprak de stem in zijn geest, ‘en zie twee volkeren die op het punt staan een oorlog te beginnen, die het ene zou verdelgen en het andere zo zou verzwakken dat het in verval zou raken en nooit zijn bestemming zou bereiken, maar terug zou keren tot geestloze stof, waar het zijn oorsprong vond. En dit, zeg ik, mag niet gebeuren.’
‘Wie – wat bent u?’ Carson zei het niet hardop, maar de vraag vormde zich in zijn gedachten.
‘U zou dit toch nooit helemaal kunnen begrijpen. Ik ben –’ De stem zweeg alsof hij – in Carson’s brein – zocht naar een woord dat niet bestond, dat hij niet kende. ‘Ik ben het einde van een evolutie van een ras, zo oud, dat de tijd zich niet laat uitdrukken in woorden die voor jouw geest bevattelijk zijn. Een ras, dat is opgegaan in een enkel eeuwig wezen –
Een wezen waarin ook het primitieve ras, waartoe u behoort, zou kunnen uitgroeien, na verloop van zekere tijd. Ook het ras dat u, in uw geest, de Buitenbewoners noemt. En daarom treed ik tussenbeide in de op handen zijnde strijd, de strijd tussen twee machten, die zo in kracht gelijk zijn dat verdelging van beide rassen het gevolg zal zijn. Een van beide moet het overleven. Eén moet voortleven en evolueren.’
‘Eén ras?’ dacht Carson. ‘Het mijne, of –?’
‘Het ligt in mijn vermogen om deze oorlog tegen te houden, om de Buitenbewoners terug te zenden naar hun stelsel. Maar ze zouden terugkomen, of uw ras zou hen vroeg of laat daarheen volgen. Alleen door in deze ruimte en in deze tijd te blijven en voortdurend tussenbeide te komen, zou ik kunnen voorkomen dat zij elkaar vernietigen en ik kán niet blijven.
Dus kom ik nu tussenbeide. Ik zal één vloot volkomen vernietigen, zonder de ander verliezen toe te brengen. En zo zal één beschaving blijven voortleven!
Een nachtmerrie. Dit moest een nachtmerrie zijn, dacht Carson. Maar hij wist dat het dat niet was.
Het was te krankzinnig, te onmogelijk om werkelijkheid te kunnen zijn.
Hij durfde niet de vraag te stellen – welke van de twee? Maar zijn gedachten vroegen het voor hem.
‘De sterkste zal blijven leven. Daarin kan ik – en wil ik – geen verandering brengen. Ik kom louter en alleen tussenbeide om er een totale overwinning van te maken en geen … geen pyrrusoverwinning voor een half verslagen ras.
Uit de buitenste gelederen van de strijdkrachten heb ik twee enkele tegenstanders gekozen – u en een Buitenbewoner. Ik lees in uw gedachten dat – in uw vroegste uitingen van nationalisme – gevechten tussen kampioenen, teneinde een geschil tussen rassen te beslechten, niet onbekend waren.
U en uw tegenstander staan hier tegenover elkaar, naakt en ongewapend, in omstandigheden die u beiden even onbekend zijn en even onaangenaam. Er is geen tijdslimiet, want hier bestaat geen tijd. De overlevende is de kampioen van zijn ras. Dat ras zal voortleven.’
‘Maar –’ Carson kon zijn protest niet onder woorden brengen, maar de stem gaf er antwoord op.
‘Het is een eerlijk duel. De omstandigheden zijn zodanig dat de toevalligheid van fysieke kracht niet beslissend zal zijn. Er is een barrière, die overwonnen moet worden. Intelligentie en moed zullen belangrijker zijn dan kracht. Vooral moed, want deze staat gelijk aan de wil om te overleven.’
‘Maar intussen zullen de vloten –’
‘Neen, u beiden bent in een andere ruimte en een andere tijd. Zolang u beiden hier zijt, staat de tijd in het universum dat u kent, stil. Ik zie dat u zich afvraagt of deze plek werkelijk bestaat. Ja en nee. Zoals ik – in uw beperkte bevattingsvermogen – wél en niet besta. Ik besta geestelijk, niet lichamelijk. U zag mij als een planeet, het had ook een stofje of een zon kunnen zijn.
Maar voor u is deze plek werkelijkheid. Het lijden dat u hier zult ondergaan, zal werkelijk lijden zijn. En als u hier sterft, zult u een werkelijke dood sterven. Faalt u, dan betekent dit het einde van uw ras. Meer behoeft gij niet te weten.’
En toen was de stem verdwenen.
Opnieuw was hij alleen, maar hij was niet de enige. Want toen Carson opkeek, zag hij het rode ding, het rode bolvormige monster, waarvan hij nu wist dat het een Buitenbewoner was, naar hem toerollen.
Het had geen armen of benen en geen bepaalde kenmerken. Het ding rolde over het blauwe zand met de soepelheid en snelheid van kwikzilver. Het werd voorafgegaan, niet zichtbaar maar voelbaar, door een golf van verstikkende en afgrijselijke haat.
Carson keek koortsachtig om zich heen. Een steen, een halve meter van hem vandaan, in het zand, was het enige voorwerp dat in de buurt van een wapen kwam. Het was niet groot, maar er zaten scherpe kanten aan, als bij een platte vuursteen. Het zag er een beetje uit als blauwe vuursteen.
Hij raapte de steen op en dook in elkaar, gereed om de aanval op te vangen. Het Gedrocht naderde snel, sneller dan hij kon lopen.
Hij had nu geen tijd om te bedenken hoe hij de strijd moest aanbinden, en hoe zou hij dat ook kunnen, met een tegenstander wiens kracht, wiens eigenschappen en gevechtsmethoden hij niet eens kende? Met de snelheid waarmee het op hem af kwam rollen leek het meer dan ooit op een volmaakte bol.
Tien meter nog. Vijf. En toen kwam het tot stilstand.
Nee, het werd tot stilstand gebracht. Plotseling werd het aan een kant plat gedrukt, alsof het tegen een onzichtbare muur was aangerold. Het stuiterde met een boog terug.
Toen rolde het opnieuw naar hem toe, langzamer nu, voorzichtiger. Het stopte weer, op dezelfde plek. En opnieuw ondernam het een poging.
Er stond de een of andere barrière tussen hen in! En nu herinnerde Carson zich het opeens. Die gedachte die in zijn brein was geprojecteerd door het Wezen dat hem op deze plek had gebracht: ‘– de toevalligheid van fysieke kracht zal in deze strijd niet beslissend zijn. Er is een barrière …’
Natuurlijk, een krachtveld. Maar niet het Netziaanse krachtveld dat bekend was in de aardse wetenschap, want dat gloeide en bracht een knetterend geluid voort. En dit was onzichtbaar en geruisloos.
Het was een scherm dat het halfrond in twee helften scheidde. Carson hoefde zich daar niet zelf van te overtuigen. Het Gedrocht deed dat al, rollend langs de barrière, zoekend naar een doorgang die er niet was.
Carson deed zes stappen naar voren, tastte met zijn linkerhand voor zich uit en voelde de barrière. Het scherm was glad en gaf mee; het voelde warm aan, maar niet zo warm als het zand onder zijn voeten. En het was volkomen onzichtbaar, zelfs van heel dichtbij.
Hij liet de steen vallen, legde zijn beide handen tegen het scherm aan en drukte. Het voelde aan als een plaat rubber die aan de achterzijde met staaldraad was verstevigd.
Hij ging op zijn tenen staan, reikte zover hij kon en voelde de barrière nog steeds.
Hij zag het Gedrocht terugkomen en opnieuw werd Carson bevangen door een gevoel van walging; hij stapte terug van de barrière toen het ding erlangs rolde. Het stopte niet.
Maar hield de barrière misschien op bij de begane grond? Carson knielde neer en begon in het zand te wroeten. Het was zacht, licht zand en het graven ging gemakkelijk. Op ruim een halve meter diepte voelde hij de barrière nog steeds.
Het Gedrocht kwam weer terug. Het was duidelijk dat het aan de andere zijde ook geen doorgang kon vinden.
Toch moest er een doorgang zijn, dacht Carson. Er moet een manier zijn waarop we elkaar kunnen bereiken, anders is dit duel zinloos.
Maar eerst moest hij iets anders proberen. Het Gedrocht was nu terug en lag vlak achter de barrière, twee meter van hem vandaan. Het scheen hem te observeren, hoewel Carson er geen enkel uiterlijk zintuig aan kon ontdekken. Er was niets dat op ogen leek, of oren, of zelfs een mond. Maar wat hij wel zag was een serie gleuven, misschien twaalf in totaal, en hij zag plotseling uit twee van die gleuven twee tentakels te voorschijn schieten en in het zand tasten alsof ze de samenstelling ervan wilden onderzoeken. Tentakels van bijna drie centimeter dikte en een halve meter lang.
Maar de tentakels konden worden teruggetrokken in de gleuven en bleven daar als ze niet werden gebruikt. Ze waren teruggetrokken als het ding voortrolde en schenen niets te maken te hebben met de wijze waarop het zich voortbewoog. Dat scheen te gebeuren, voor zover Carson het kon beoordelen, door het verplaatsen van zijn zwaartepunt.
Hij huiverde, terwijl hij het ding gadesloeg. Het was een wezen dat op weerzinwekkende wijze verschilde van alles wat er op aarde leefde en van elke levensvorm die op andere planeten in het zonnestelsel waren aangetroffen. Intuïtief wist hij dat het geestelijk even vreemdsoortig moest zijn als lichamelijk.
Maar hij moest het proberen. Als het helemaal geen telepathische vermogens had, was deze poging tot mislukking gedoemd, maar hij dacht wel dat het over zulke vermogens beschikte. Er was in ieder geval een projectie geweest van iets dat niet fysiek was, toen het een paar minuten geleden voor de eerste maal op hem was afgekomen. Een bijna tastbare golf van haat.
Als het die kon projecteren, misschien kon het dan ook zijn gedachten lezen, en dat was voldoende voor hetgeen hij beoogde.
Bedachtzaam pakte Carson de steen op die zijn enige wapen had gevormd, wierp hem met een gebaar van overgave van zich af en hief zijn lege handen, met de palmen naar boven gericht, voor zich op.
Hij sprak hardop, wetende dat, hoewel zijn woorden geen betekenis hadden voor het wezen tegenover hem, hij door ze uit te spreken zijn gedachten volledig zou richten op de boodschap die hij wilde overbrengen.
‘Kan er geen vrede tussen ons bestaan?’ zei hij, en zijn stem klonk vreemd in de doodse stilte. ‘Het Wezen dat ons hier heeft gebracht, heeft ons verklaard wat er gebeuren moet als onze rassen elkaar bestrijden: het ene zal verdwijnen, het andere zal verzwakken en in verval raken. De strijd tussen u beiden, zei het Wezen, hangt af van hetgeen we hier doen. Waarom kunnen we niet tot een eeuwigdurende vrede geraken, uw ras in uw sterrenstelsel, wij in het onze?’
Carson schakelde zijn gedachten uit om een antwoord te kunnen ontvangen.
Het antwoord kwam en deed hem fysiek terugdeinzen. Hij week een paar stappen achteruit uit pure weerzin voor de intensiteit van de haat en de moordlust die spraken uit de rode beelden die op hem geprojecteerd werden. Niet zo duidelijk als woorden, zoals de gedachten van het Wezen hem hadden bereikt, maar als een brede stroom van felle emoties.
Een ogenblik, dat een eeuwigheid leek te duren, moest hij vechten tegen de mentale schok die deze haat bij hem teweegbracht; vechten om het uit zijn geest te verjagen en de vreemde gedachten te verbannen die hij tot zich had toegelaten, door zijn eigen gedachten uit te schakelen. Hij werd er misselijk van.
Langzaam werd zijn geest weer helder, langzaam, als de geest van iemand die, ontwakend uit een nachtmerrie, de draden waarmee zijn angstdroom was geweven, uiteen rafelt. Hij ademde zwaar en hij voelde zich zwakker, maar hij kon niet denken.
Hij sloeg het Gedrocht nauwlettend gade. Het had zich niet verroerd tijdens het mentale duel dat het bijna had gewonnen. Nu rolde het een halve meter opzij, naar de dichtstbijzijnde blauwe struiken. Drie tentakels schoten uit hun gleuven en begonnen de struiken te onderzoeken.
‘Goed dan,’ zei Carson, ‘dan wordt het oorlog.’ Hij lachte bitter. ‘Als ik je goed heb begrepen, voel je niets voor vrede.’ En omdat hij per slot van rekening nog een jongeman was, kon hij geen weerstand bieden aan de impuls om er een dramatisch tintje aan te geven en voegde eraan toe: ‘Oorlog op leven en dood!’
Maar zijn stem klonk in deze intense stilte nogal dwaas, zelfs in zijn eigen oren. Toen drong het pas goed tot hem door dat het inderdaad een strijd op leven en dood wás. Niet alleen zijn eigen dood of die van het rode, bolvormige wezen, maar ook de dood van een van hun beider rassen. Het einde van het menselijk ras, als hij faalde.
Die gedachte stemde hem opeens heel nederig en beklemde hem. Het was meer dan een gedachte: hij wist het. Op een of andere wijze, met een kennis die zelfs uitging boven geloof, wist hij dat het Wezen, dat dit duel had geregeld, de waarheid had gesproken over zijn bedoelingen en zijn invloed. Het had hem niet maar wat wijsgemaakt.
De toekomst van de mensheid hing van hem af. Dit besef was ontstellend en hij schudde het van zich af. Hij moest zich concentreren op de situatie van het moment.
Er moest een manier zijn om de barrière te doorbreken, of om door de barrière heen te doden.
Met zijn gedachten? Hij hoopte dat er meer voor nodig was, want het Gedrocht beschikte kennelijk over sterkere telepathische vermogens dan het menselijk ras. Of misschien toch niet?
Hij was in staat gebleken om de gedachten van het Gedrocht uit zijn eigen geest te bannen, maar kon het ook zijn gedachten verjagen? Als zijn vermogen om te projecteren sterker was, was zijn opnemingsvermogen dan wellicht niet kwetsbaarder?
Hij staarde het Gedrocht aan en hield zijn gedachten er volledig op geconcentreerd.
‘Sterf!’ dacht hij. ‘Je zult sterven. Je sterft. Je –’
Hij probeerde er variaties in te brengen, beelden op te roepen. Het zweet parelde op zijn voorhoofd en hij zag dat hij trilde van inspanning. Maar het Gedrocht ging door met het onderzoeken van de struik, even onaangedaan alsof Carson de tafels van vermenigvuldiging had staan opzeggen.
Dus dat haalde niets uit.
Hij voelde zich een beetje zwak en duizelig door de hitte en de inspanning waarmee hij zich concentreerde. Hij ging op het blauwe zand zitten en besteedde al zijn aandacht aan de bestudering van het Gedrocht. Door nauwkeurige observatie kon hij misschien de kracht van zijn tegenstander peilen en zijn zwakke kanten ontdekken; dingen te weten komen die waardevol zouden kunnen zijn als ze slaags zouden raken.
Het was nu bezig takken af te breken. Carson hield het scherp in de gaten en probeerde vast te stellen hoezeer het zich daarbij inspande. Later, dacht hij, zou hij bij eenzelfde struik, aan zijn kant, takken van dezelfde dikte kunnen afbreken en een vergelijking kunnen trekken tussen de fysieke kracht van zijn armen en handen en die van de tentakels.
De takken lieten zich moeilijk afbreken; het Gedrocht had met elke tak kennelijk de grootste moeite. Elke tentakel had vorkvormige uiteinden van twee vingers die begroeid waren met klauwachtige nagels. De klauwen zagen er niet bijzonder lang of gevaarlijk uit. Niet meer dan zijn eigen nagels, als hij die wat langer zou laten groeien.
Nee, over het geheel genomen, maakte het Gedrocht geen al te sterke indruk. Tenzij die struik natuurlijk uitzonderlijk taai was. Carson keek om zich heen, en ja, vlak bij hem zag hij eenzelfde soort struik.
Hij stak zijn arm uit en brak een tak af. Het hout was bros en het had hem niet de minste moeite gekost. Het was natuurlijk ook nog mogelijk dat het Gedrocht deed alsof het hem wel moeite kostte, maar dat geloofde Carson niet.
Maar waar was het dan wel kwetsbaar? Hoe zou hij het het beste kunnen doden, als hij de kans kreeg? Hij observeerde het opnieuw. De huid zag er behoorlijk sterk uit. Hij zou een heel scherp wapen moeten gebruiken. Hij pakte de steen weer op. De steen was ruim twintig centimeter lang, smal, en aan één kant vrij scherp. Als hij er scherven af kon slaan, net als bij vuursteen, kon hij er een soort mes van maken.
Het Gedrocht was nog steeds bezig de struiken te onderzoeken. Het rolde van de ene struik naar de andere. Een blauwe hagedis, veelpotig, net als de hagedis die Carson aan zijn kant van de barrière had gezien, vluchtte onder een struik.
Een tentakel van het Gedrocht schoot uit, ving het, en pikte het op. Een andere tentakel werd er bij getrokken en begon de hagedis de poten uit te trekken, even rustig en kalm als het de takken van de struik had afgebroken. Het beest verzette zich heftig en stootte een hartverscheurend gepiep uit, het eerste geluid dat Carson, behalve zijn eigen stem, had gehoord.
Carson huiverde en wilde zijn ogen ervan afwenden. Maar hij dwong zichzelf te blijven kijken: alles wat hij over zijn tegenstander te weten kon komen, zou waardevol kunnen blijken. Zelfs de ontdekking van deze wreedheden. Nee, juist deze ontdekking, bedacht hij kwaadaardig. Het zou hem een waar genoegen zijn om het Gedrocht te doden, als hij de kans kreeg.
Alleen al daarom bleef hij onafgebroken kijken naar het martelen van de hagedis. Maar hij was toch blij toen het beest dat nu nog maar een paar poten over had, zich niet langer verzette en niet meer piepte maar slap en dood in de greep van het Gedrocht rustte.
Het liet de overige pootjes onaangeroerd. Minachtend wierp het de hagedis van zich af, in Carson’s richting. Het vloog met een boog door de lucht en belandde vlak voor zijn voeten.
Het was door de barrière heen gekomen! De barrière was er niet meer!
Carson schoot overeind, omvatte stevig het mes en deed een sprong naar voren. Hij moest deze kans benutten, nu de barrière verdwenen was.
Maar die was niet verdwenen. Dat ontdekte hij toen hij er hard met zijn hoofd tegenaan stootte. Half versuft viel hij terug en zakte in elkaar.
Toen hij weer overeind ging zitten, schuddend met zijn hoofd om bij zijn positieven te komen, zag hij iets door de lucht op zich af schieten en hij wierp zich plat op het zand om het projectiel te ontwijken. Het volgende ogenblik voelde hij een scherpe pijn in de kuit van zijn linkerbeen.
Hij rolde zich op zijn rug, de pijn negerend, en krabbelde overeind. Het was een steen die hem had geraakt. Het Gedrocht raapte er weer een op en zwaaide er achterwaarts mee met twee tentakels om opnieuw te gooien.
De steen zeilde door de lucht op hem af, maar nu kon hij het projectiel gemakkelijk ontwijken. Het Gedrocht kon klaarblijkelijk wel recht gooien, maar niet hard of ver. De eerste steen had hem alleen getroffen omdat hij hem te laat had zien aankomen.
Op het moment dat hij opzij stapte voor die tweede zwakke worp, haalde Carson zijn rechterarm uit en wierp de steen weg die hij nog steeds in zijn hand hield. Als projectielen, dacht hij plotseling verheugd, door de barrière heen kunnen vliegen, dan kan ik ook dat werpspelletje spelen. En een sterke rechterarm van een aardebewoner…
Hij zou onmogelijk een bol met een middellijn van één meter en op maar vier meter afstand kunnen missen, en hij miste dan ook niet. De steen schoot er recht op af en veel sneller dan de steen die het Gedrocht had geworpen. Hij trof dan ook doel, maar met de platte zijde, in plaats van met de punt.
Maar hij kwam hard aan en deed duidelijk pijn. Het Gedrocht wilde juist een andere kei grijpen, veranderde toen van gedachten en ging er vandoor. Op het moment dat Carson klaar stond om opnieuw een steen te gooien bevond het Gedrocht zich, heelhuids, veertig meter van de barrière af.
Zijn tweede worp miste op een halve meter en zijn derde was te kort. Het Gedrocht was nu buiten zijn bereik, althans buiten het bereik van een projectiel dat zwaar genoeg was om hem te kwetsen.
Carson grinnikte. Die ronde had hij gewonnen. Dat wil zeggen –
Hij hield op met grinniken toen hij zich voorover boog om zijn kuit te onderzoeken. De gekerfde rand van een steen had er een vrij diepe, centimeters lange snee in aangebracht. De wond bloedde behoorlijk, maar hij geloofde niet dat er een slagader was geraakt. Hopelijk zou het bloeden vanzelf ophouden. Zo niet, dan zag het er lelijk voor hem uit.
Maar dit probleem werd voorlopig overschaduwd door een ander: de barrière.
Hij liep er weer heen, ditmaal voorzichtig tastend met zijn handen. Even later voelde hij het onzichtbare scherm; hij hield zijn ene hand er tegenaan en wierp er met de andere een handvol zand naartoe. Het zand ging er dwars doorheen. Zijn hand niet.
Organische stof contra anorganische? Nee, want de dode hagedis was er ook doorheen gegaan en een hagedis, levend of dood, was bepaald organisch. Plantaardig leven? Hij brak een tak af en porde ermee tegen de barrière. De tak ging er doorheen, zonder enige weerstand te ontmoeten, maar toen zijn vingers, die de tak vasthielden, de barrière aanraakten, konden ze niet verder.
Hij kon er niet doorheen komen, het Gedrocht evenmin. Maar wel stenen, zand en een dode hagedis.
En een levende hagedis? Hij ging op zoek onder de struiken tot hij er een vond en ving hem. Hij wierp hem voorzichtig tegen de barrière; het diertje stuitte terug en schoot weg over het blauwe zand.
Dit wist hij nu: het scherm was een barrière voor levende dingen. Alleen dode of anorganische stof kon er doorheen.
Carson keek opnieuw naar zijn gewonde been. Het bloeden was minder geworden; hij hoefde zich dus geen zorgen te maken. Maar hij moest wel aan water zien te komen, als dat te vinden was, om de wond schoon te maken.
Water – de gedachte daaraan deed hem opeens beseffen dat hij verging van de dorst. Hij moest water vinden, voor het geval de strijd lang zou gaan duren.
Lichtelijk hinkend ging hij op weg om een rondgang te maken over zijn helft van de arena. Zichzelf leidend met een hand langs de barrière, liep hij naar rechts tot hij de gewelfde zijwand had bereikt. Deze was zichtbaar en had, van dichtbij gezien, een doffe, blauwgrijze kleur en het oppervlak voelde aan als de barrière die de arena in tweeën deelde.
Hij wierp er een handvol zand naartoe; het vloog door de wand en was verdwenen. Het koepelvormige gewelf was dus ook een krachtveld, maar ondoorschijnend, in plaats van doorzichtig, zoals de barrière.
Hij liep erlangs, tot hij weer bij de barrière terugkwam en ging langs de barrière terug tot het punt vanwaar hij vertrokken was.
Geen spoor van water.
Rusteloos doorkruiste hij de vlakte tussen de barrière en de buitenwand en bekeek grondig elke vierkante meter die hij betrad.
Geen water. Blauw zand, blauwe struiken en onverdraaglijke hitte. Anders niets.
Hij moest het zich inbeelden, hield hij zichzelf woedend voor, dat hij zó zeer naar water verlangde. Hoe lang was hij nu al hier? Natuurlijk, tijd bestond niet. Het Wezen had hem gezegd dat de tijd, zolang hij hier zou zijn, stilstond. Maar zijn lichamelijke processen gingen gewoon door. En hoe lang was hij, gezien zijn lichamelijke gesteldheid, nu hier? Drie of vier uur misschien. Zeker niet lang genoeg om naar water te snakken.
Maar toch had hij vreselijke dorst: zijn keel was dor en verdroogd. Waarschijnlijk was de intense hitte hiervan de oorzaak. En het was heet. Hij schatte de hitte zeker op veertig graden Celsius. Een droge, zware hitte, waarin geen zuchtje wind stond.
Hij liep erg moeilijk en was volkomen uitgeput toen hij klaar was met het vruchteloze onderzoek van zijn domein.
Hij staarde naar het bewegingloze Gedrocht en hoopte dat het er even beroerd aan toe was als hij. Vermoedelijk beviel hem deze situatie ook allerminst. Het Wezen had gezegd dat de omstandigheden voor beiden even onbekend en ongerieflijk waren. Misschien kwam het Gedrocht van een planeet waar een hitte van zeventig graden normaal was. Misschien had het wel last van de kou, terwijl hij geroosterd werd.
Misschien was de lucht even veel te zwaar voor zijn tegenstander als te ijl voor hem. Want hij stond nog na te hijgen van zijn inspannende speurtocht naar het water. De atmosfeer was hier niet veel zwaarder dan die op Mars.
Geen water.
Dit betekende, voor hem althans, het einde. Als hij geen methode vond om door de barrière heen te komen of om zijn vijand vanaf deze kant te doden, zou hij tenslotte van dorst omkomen.
Het vervulde hem met een lichte paniek. Hij kan niet werkeloos blijven toezien. Maar hij dwong zichzelf een ogenblik te gaan zitten en na te denken.
Wat moest hij doen? Niets, en toch ook weer heel veel. Al die verschillende soorten struiken, bijvoorbeeld. Ze zagen er niet veelbelovend uit, maar hij zou ze toch moeten onderzoeken op hun mogelijkheden. En dan zijn been, daar moest hij ook iets aan doen, ook al had hij geen water om de wond te reinigen.
Hij moest munitie verzamelen, in de vorm van stenen. En een steen zien te vinden, waarvan hij een mes zou kunnen maken.
Zijn been deed behoorlijk pijn. Hij besloot daar het eerst wat aan te doen. Bepaalde struiken hadden bladeren – of dingen die er veel op leken. Hij trok er een handvol af, onderzocht ze en besloot het erop te wagen. Hij veegde er het zand en gestolde bloed mee van zijn been, maakte toen van nieuwe bladeren een kussentje en bond dit op de wond met de stengels van dezelfde struik.
De stengels bleken onverwacht taai en sterk te zijn. Ze waren dun, zacht en buigzaam, maar hij kon ze niet breken. Hij moest ze met de scherpe kant van het blauwe vuursteen van de struik afzagen. Sommige van de iets dikkere waren meer dan dertig centimeter lang en hij prentte zich alvast in dat met een aantal van deze stengels best een bruikbaar touw te maken zou zijn.
Vervolgens maakte hij een mes. Het blauwe vuursteen liet inderdaad schilfers los. Een lange scherf bewerkte hij tot een primitief, maar dodelijk wapen en van de stengels maakte hij een gordel, waarin hij het stenen mes kon steken, zodat hij dit steeds bij zich kon dragen en tegelijk zijn handen vrij had.
Hij ging opnieuw de struiken nader bekijken. Er waren drie verschillende soorten. De eerste was bladerloos, dor en teer. De tweede bestond uit zacht, kruimelig hout, alsof het vermolmd was. Het zag eruit en voelde aan of het zich uitstekend zou lenen om vuur mee te maken. De derde soort leek het meest op gewoon hout en had broze bladeren die bij één enkele aanraking verschrompelden, maar de stengels waren, hoewel kort, recht en sterk.
Het was afschuwelijk, ondraaglijk heet.
Hij strompelde naar de barrière en voelde of die er nog steeds was. Ja, nog steeds.
Hij sloeg het Gedrocht een tijdje gade. Het hield zich op veilige afstand van de barrière, buiten steenworpsafstand. Het scharrelde wat rond, maar Carson kon niet zien wat het deed.
Op een gegeven moment kwam het dichterbij en scheen al zijn aandacht op hem te richten. Opnieuw moest Carson een gevoel van walging onderdrukken. Hij wierp een kei naar het Gedrocht; het rolde terug en zette zijn bezigheden voort.
Hij zou het zo tenminste op een afstand kunnen houden.
Maar, bedacht hij opeens, daar schoot hij niets mee op. Toch bracht hij het volgende uur door met het verzamelen van stenen die hij zou kunnen gebruiken als projectielen, en zette die, vlak bij de barrière, in stapels naast elkaar.
Zijn keel leek in brand te staan. Het kostte hem moeite om aan iets anders te denken dan aan water.
Maar hij moest aan andere dingen denken. Hoe hij door de barrière moest komen, eronder door of er overheen, om bij de rode bol te komen en die te doden, voor de hitte en de dorst hem eerder zouden doden.
De barrière liep van wand tot wand, maar hoe hoog was hij en hoe ver liep hij door onder het zand?
Hij was even te versuft om naar een antwoord op die vragen te zoeken. Lusteloos zat hij op het hete zand – hij herinnerde zich niet dat hij was gaan zitten – en keek naar een kleine blauwe hagedis die vanonder een struik wegglipte en onder een andere kroop.
Daar bleef het diertje hem aanstaren.
Carson keek glimlachend terug. Hij herinnerde zich opeens wat de vroegere woestijnkolonisten op Mars eens hadden verteld: ‘Al gauw voel je je zó eenzaam, dat je tegen de hagedissen begint te praten en dan duurt het niet lang meer of je merkt dat de hagedissen ook tegen jou gaan praten …’
Hij had zich natuurlijk uitsluitend moeten bezighouden met de vraag hoe hij het Gedrocht moest doden, maar in plaats daarvan grinnikte hij naar de hagedis en zei: ‘Hallo, ouwe jongen.’
De hagedis deed een paar stappen in zijn richting. ‘Hallo,’ zei hij.
Carson was een ogenblik perplex. Toen wierp hij zijn hoofd naar achteren en barstte in lachen uit. En het deed niet eens pijn aan zijn keel; zo’n dorst had hij dus ook weer niet.
Was het wel zo gek? Waarom zou het Wezen dat deze nachtmerrie had bedacht, behalve die eigenschappen die het al had, ook geen gevoel voor humor hebben? Sprekende hagedissen die hem in zijn eigen taal antwoord gaven. Dat was aardig bedacht.
Hij lachte tegen de hagedis en zei: ‘Kom ‘s hier.’ Maar de hagedis draaide zich om en rende weg, van struik naar struik, tot hij uit het gezicht was verdwenen.
Hij had weer dorst.
En hij moest iets doen. Hij kon deze strijd niet winnen door hier maar te blijven zitten piekeren. Hij moest iets doen. Maar wat?
Door de barrière heen zien te komen. Hij kon er niet door. heen komen of er overheen. Maar wist hij wel zeker dat hij er niet onderdoor kon? En vond je niet soms water als je maar diep genoeg groef? Hij zou twee vliegen in één klap kunnen slaan …
Carson hinkte pijnlijk naar de barrière en begon met twee handen tegelijk te graven. Het was een langdurig en zwaar werk, want het zand gleed steeds terug van de zijkanten en hoe dieper hij kwam, hoe breder het gat moest worden om te kunnen scheppen. Hoeveel uur hij bezig was geweest, wist hij niet, maar op anderhalve meter diepte stuitte hij op een rotsachtige bodem. Kurkdroog en zonder een spoor van water.
En het krachtveld van de barrière zette zich in deze onderlaag voort. Geen water. Niets.
Hij klom uit het gat, viel hijgend neer en hief zijn hoofd op om te zien wat het Gedrocht uitvoerde. Het moest daar aan de andere kant met iets bezig zijn.
En inderdaad, het was iets aan het bouwen met de takken van de struiken die het met stengels bij elkaar had gebonden. Een eigenaardig gevormd vierkantig geraamte, ongeveer anderhalve meter hoog. Om het beter te kunnen zien klom Carson op de heuvel zand die hij had opgeworpen en keek toe.
Er staken aan de achterzijde twee lange hefbomen uit en aan één daarvan zat een komvormig geval. Het leek wel een soort katapult, dacht Carson.
En ja, dat bleek het ook te zijn. Het Gedrocht tilde een grote steen in het komvormige uiteinde. Een van zijn tentakels trok de andere hefboom een paar keer op en neer, het draaide het toestel een beetje bij, alsof het wilde richten, en de hefboom met de steen schoot omhoog en naar voren.
De steen vloog enkele meters over Carson’s hoofd heen; zo hoog, dat hij niet hoefde te bukken. Maar hij mat de afstand die de steen had afgelegd en floot zachtjes. Een steen van die afmetingen zou hij nooit verder kunnen gooien dan de helft van deze afstand. En zelfs al trok hij zich helemaal terug tot de uiterste grens van zijn terrein, dan zou hij nog niet buiten het bereik komen van dat toestel, als het Gedrocht het vlak achter de barrière schoof.
Opnieuw vloog een steen over hem heen. Deze keer minder hoog.
Dat apparaat kan wel eens gevaarlijk worden, dacht Carson. Maar wat kon hij er tegenover stellen?
Een volgende steen bracht hem op een idee. De kei trof een van de stapels stenen die hij vlak bij de barrière had verzameld om als munitie te gebruiken en er vlogen vonken af.
Vonken. Vuur. De primitieve mens had vuur gemaakt door vonken uit stenen te slaan en als hij een paar van die droge, verdorde struiken als tondels gebruikte …
Gelukkig stond er zo’n struik vlak bij hem. Hij brak hem af, bracht hem naar de stapel stenen en sloeg geduldig een steen tegen de ander tot er een vonk oversloeg op het vermolmde hout van de struik. Het stond zo snel in lichterlaaie dat de vlammen zijn wenkbrauwen verschroeiden en binnen enkele seconden was het veranderd in een hoopje as.
Maar hij wist nu wat hem te doen stond en een paar minuten later had hij een klein vuurtje achter de berg zand. Met de tondelstruiken had hij het vuur aan de gang gekregen en met andere struiken, die gestadig maar zeker vlam vatten, hield hij het brandende. De taaie, harde stengels vatten moeilijk vlam en dit vergemakkelijkte het maken en gooien van brandbommen: een bosje twijgen, vastgebonden aan een kleine steen om het te verzwaren, en een lus in de stengel om het beter weg te kunnen slingeren.
Hij maakte er zes voor hij de eerste aanstak en wegwierp. De bom schoot ver weg en het Gedrocht trok zich snel terug, de katapult achter zich aan slepend. Maar Carson had de andere al klaar liggen en wierp ze snel achter elkaar naar de katapult. De vierde bleef steken in het geraamte van het toestel en leverde het gewenste resultaat op. Het Gedrocht probeerde wanhopig het fel oplaaiende vuur met zand te doven, maar zijn geklauwde tentakels konden maar kleine beetjes tegelijk opscheppen en zijn pogingen haalden niets uit. De katapult stond in lichterlaaie.
Het Gedrocht ging het vuur veilig uit de weg en scheen zijn aandacht weer helemaal op Carson te richten, en wéer voelde hij die golf van haat en afkeer. Maar minder sterk dan voorheen: óf het Gedrocht zelf raakte verzwakt, óf Carson had geleerd hoe hij zich moest beschermen tegen zo’n mentale aanval.
Hij lachte uitdagend naar het Gedrocht en joeg het achteruit met een steen. Het trok zich nu helemaal tot de uiterste rand van zijn helft terug en begon weer struiken uit de grond te trekken. Blijkbaar was het van plan een nieuwe katapult te maken.
Carson stelde – voor de zoveelste maal – vast dat de barrière nog steeds intact was en merkte dat hij er vlak bij in het zand zat, omdat hij plotseling te zwak was om op te staan.
De wond in zijn been klopte gestadig en hij werd gekweld door hevige dorst. Maar deze ongemakken werden geheel in de schaduw gesteld door de staat van volkomen uitputting waarin zijn hele lichaam verkeerde.
En door de hitte.
Zo verschrikkelijk moest het in de hel zijn, dacht hij. De hel, waarin zijn voorouders hadden geloofd. Hij vocht om wakker te blijven, maar wakker blijven leek hem ook nutteloos, want hij kon verder niets doen. Niets, zolang de barrière ondoordringbaar bleef en het Gedrocht zich buiten zijn bereik hield.
Maar er moest toch iets zijn dat hij kon doen. Hij probeerde zich te herinneren wat hij had gelezen in boeken over archeologie, over de gevechtsmethoden uit de dagen van vóór het metaal en het plastic; het stenen projectiel, dat het eerst was gebruikt. En dat hij nu al gebruikt had.
De enige verbetering daaraan zou een katapult zijn, zoals het Gedrocht had gemaakt. Maar het zou hem nooit lukken er een te maken met de kleine stukjes hout die de struiken opleverden en geen stuk was langer dan een centimeter of dertig. Hij zou er zeker wel het mechanisme voor weten te bedenken, maar hij had niet voldoende kracht meer voor het werk, dat zeker dagen zou vergen.
Dagen? Maar het Gedrocht had er ook een gemaakt. Waren ze dan al dagen hier? Toen bedacht hij dat het Gedrocht met zijn vele tentakels het werk veel vlugger had kunnen doen dan hij.
Bovendien, een katapult zou ook geen beslissing brengen. Hij moest een betere oplossing vinden.
Pijl en boog? Nee, hij had al eens een poging gedaan met pijl en boog en hij wist dat hij er niet mee overweg kon. Zelfs niet met een moderne wedstrijdboog van durastaal, die speciaal gemaakt was om zuiver te kunnen richten. Hij betwijfelde of hij met zo’n primitief in elkaar gezet wapen als hij hier kon maken, even ver zou kunnen schieten als hij een steen kon gooien; en hij wist dat hij ook niet even recht zou richten.
Een speer? Die zou hij kunnen maken. Als werpwapen zou een speer voor elke afstand nutteloos zijn, maar van dichtbij – als hij ooit dichtbij kwam – zou hij hem goed kunnen gebruiken.
En hij zou weer iets om handen hebben en dat zou hem helpen zijn hersens bij elkaar te houden; hij had soms al moeite om zich te herinneren waarom hij hier was, waarom hij het Gedrocht moest doden.
Gelukkig bevond hij zich vlak bij een stapel stenen. Hij zocht er een tussen uit die ongeveer de vorm van een speerpunt had en bewerkte die met een kleine steen tot de punt aan beide kanten scherpe baarden had die de spies op zijn plaats zouden houden, als hij in zijn slachtoffer was gedrongen.
Als een harpoen? Daar zat iets in, dacht hij. Een harpoen was voor dit krankzinnige duel misschien beter dan een speer. Als hij er een touw aan vastmaakte en de spies in het Gedrocht zou weten te krijgen, kon hij het naar de barrière toe trekken en het stenen lemmet door de barrière steken, ook al kreeg hij zijn handen er niet door.
Met de lans zelf had hij meer moeite dan met de speerpunt. Maar door de stammen van vier van de struiken te splijten en in elkaar te schuiven en de voegen te omwinden met de taaie, dunne stengels, kreeg hij een sterke lans van bijna anderhalve meter lang. Hij bond tenslotte de stenen punt vast in een inkeping aan een van de uiteinden.
Het wapen zag er primitief, maar sterk uit.
En nu het touw. Van de dunne, taaie stengels maakte hij een touw van ruim zes meter. Het ene uiteinde bond hij aan de stok van de harpoen en het andere om zijn rechterpols. Miste hij straks zijn doel, dan zou hij het wapen in ieder geval kunnen terugtrekken.
En toen, nadat hij de laatste knoop had gelegd en verder niets meer kon doen, waren de hitte, de vermoeidheid, de pijn in zijn been en de verschrikkelijke dorst plotseling duizendmaal erger dan voorheen.
Hij probeerde op te staan om te zien wat het Gedrocht aan het doen was, en merkte dat hij niet overeind kon komen. Bij zijn derde poging kwam hij niet verder dan op zijn knieën en viel toen languit neer.
‘Ik moet gaan slapen,’ dacht hij. ‘Als het nu tot een krachtmeting zou komen, zou ik verloren zijn. Ik moet eerst op krachten komen.’
Langzaam en pijnlijk kroop hij van de barrière weg. Tien meter, twintig...
De doffe slag van iets dat naast hem in het zand plofte deed hem ontwaken uit een verwarrende en angstwekkende droom voor een nog verwarrender en angstwekkender werkelijkheid: hij opende zijn ogen en keek weer in de blauwe schittering boven het blauwe zand.
Hoe lang had hij geslapen? Een minuut? Een dag?
Een tweede steen plofte vlak naast hem neer en er spatte zand over hem heen. Hij drukte zich met zijn armen op en ging overeind zitten. Hij keek om en zag het Gedrocht op twintig meter afstand, vlak bij de barrière.
Het rolde snel weg toen hij overeind schoot en kwam pas bij de achterwand tot stilstand.
Hij moest in slaap gevallen zijn, dacht hij, nog voor hij buiten het bereik van het Gedrocht was gekomen. Toen het hem roerloos had zien liggen, had het zich dicht bij de barrière gewaagd om hem te bekogelen. Gelukkig wist het niet hoe zwak hij was, anders was het daar gebleven en zou ermee zijn doorgegaan.
Had hij lang geslapen? Hij geloofde van niet, want hij voelde zich nog even rot. Niet uitgerust, niet dorstiger, niet anders. Waarschijnlijk had hij hier maar een paar minuten gelegen.
Hij kroop weer verder en dwong zichzelf nu om in beweging te blijven tot hij niet verder kon, tot de kleurloze, ondoorschijnende buitenwand van de arena nog maar een meter van hem af was.
Toen raakte hij buiten bewustzijn.
Hij kwam weer bij en er was niets veranderd om hem heen, maar deze keer wist hij dat hij lange tijd had geslapen. Het eerste waar hij zich van bewust werd was de droogte in zijn mond; zijn tong was opgezwollen.
Hij voelde zich minder vermoeid, zijn toestand van volkomen uitputting was voorbij. Daar had de slaap voor gezorgd. Maar hij had pijn, een martelende pijn. Pas toen hij zich probeerde te verroeren, merkte hij dat het zijn been was.
Hij hief zijn hoofd op en keek ernaar. Het been was onder de knie sterk opgezwollen en de zwelling had zich zelfs tot halverwege zijn dij voortgezet. De stengels waarmee hij het kussentje van bladeren had vastgebonden sneden diep in het opgezette vlees.
Het zou onmogelijk geweest zijn om zijn mes onder het strakke windsel te krijgen, maar gelukkig zat de laatste knoop vooraan boven zijn scheenbeen, waar de stengel minder diep in het vlees sneed. Het lukte hem met veel pijn en moeite de knoop los te krijgen.
Een blik onder het kussentje vertelde hem dat hij er erg slecht aan toe was. Er was een ernstige infectie ontstaan.
En zonder medicijnen, zonder verband en zonder water kon hij er niets tegen beginnen.
Niets, alleen sterven, als de infectie zich zou doorzetten, door zijn hele lichaam heen.
Hij wist dat zijn toestand hopeloos was, dat hij verloren was.
En met hem de mensheid. Als hij hier stierf zouden al zijn vrienden, iedereen, ook sterven. En de aarde en de gekoloniseerde planeten zouden bezet worden door de rode, rollende Buitenbewoners. Wezens die thuishoorden in een nachtmerrie, monsters zonder enige menselijke eigenschap, die er behagen in schepten om hagedissen de poten uit te rukken.
Het was die overweging die hem de moed gaf om, bijna verblind van pijn, terug te kruipen naar de barrière. Niet op handen en voeten deze keer, maar zich voortslepend met zijn armen en handen.
Hij gaf zichzelf nog één kans op de miljoen dat hij genoeg kracht zou hebben, als hij daar aankwam, om één enkele dodelijke worp te maken met zijn harpoen, als – en dat was ook één kans op de miljoen – het Gedrocht bij de barrière zou komen. Of als de barrière nu verdwenen was.
Het duurde uren, zo leek het hem toe, om er te komen.
De barrière was niet weg. Hij was even ondoordringbaar als toen hij hem voor het eerst had betast.
En het Gedrocht was niet bij de barrière. Hij richtte zich op zijn ellebogen op en zag hoe het achterin zijn helft van de arena bezig was aan de bouw van een houten geraamte, dat een half voltooid duplicaat was van de vernielde katapult.
Het bewoog zich traag: ongetwijfeld was het nu ook verzwakt.
Maar Carson geloofde niet dat het Gedrocht die tweede katapult ooit nodig zou hebben. Hij zou dood zijn, voor het ermee klaar was.
Als hij het nu naar de barrière kon lokken, nu hij nog leefde … Hij zwaaide met zijn arm en probeerde te schreeuwen, maar zijn verdroogde keel wilde geen geluid voortbrengen. Of als hij door de barrière heen kon komen…
Hij moest een ogenblik zijn verstand verloren hebben, want hij merkte dat hij in mateloze woede met zijn vuisten tegen de barrière beukte en hield daar onmiddellijk mee op.
Hij sloot zijn ogen en probeerde zichzelf tot kalmte te dwingen.
‘Hallo,’ zei de stem.
Het was een zachte, aarzelende stem. Het klonk als –
Hij opende zijn ogen en draaide zijn hoofd om. Een hagedis. ‘Ga weg,’ wilde Carson zeggen. ‘Ga weg, je bent niet echt, of je bent er wel, maar je praat niet echt. Mijn verbeelding speelt me weer parten.’
Maar hij kon niets zeggen; zijn verdroogde keel en tong maakten hem het spreken onmogelijk. Hij sloot zijn ogen weer. ‘Pijn,’ zei de stem. ‘Dood. Pijn – dood. Kom.’
Hij deed zijn ogen weer open. De blauwe tienpotige hagedis was er nog steeds. Rende een eindje langs de barrière, kwam terug, rende opnieuw weg en kwam toen weer terug.
‘Pijn,’ riep de hagedis. ‘Dood. Kom!’
Opnieuw rende het dier weg en kwam weer terug. Het wilde kennelijk dat Carson met hem mee zou gaan, langs de barrière.
Hij sloot zijn ogen weer. Hij bleef de stem horen. Steeds diezelfde drie zinloze woorden. Telkens als hij zijn ogen opende rende de hagedis weg en kwam weer terug.
‘Pijn. Dood. Kom!’
Carson kreunde. Hij zou geen rust hebben voor hij het beest zijn zin had gegeven.
Hij kroop met hem mee. Nu hoorde hij een andere stem, hoog en gillend en steeds luider.
Er lag iets in het zand, kronkelend en gillend. Iets kleins en blauws, dat er uitzag als een hagedis en het toch niet –
Toen zag hij wat het was: de hagedis die lang geleden door het Gedrocht doodgemarteld was. Maar hij was niet dood; hij leefde nog en lag nu in doodsstrijd te kronkelen en te gillen.
‘Pijn,’ zei de andere hagedis. ‘Pijn. Dood. Dood.’
Carson begreep het. Hij nam het vuurstenen mes uit zijn gordel en doodde het dier. De levende hagedis maakte zich snel uit de voeten.
Carson kroop weer terug naar de barrière. Hij leunde met zijn hoofd en handen tegen het onzichtbare scherm en keek naar het Gedrocht dat, ver teruggetrokken op zijn helft, werkte aan een nieuwe katapult.
‘Zó ver zou ik kunnen komen,’ dacht hij, ‘als ik er doorheen kon komen. Als ik er doorheen kon komen, zou ik het misschien nog van hem kunnen winnen. Hij ziet er ook verzwakt uit. Ik zou –’
En toen werd hij opeens overvallen door een gevoel van diepe wanhoop, waarin de pijn zijn wilskracht ondermijnde, en hij wou maar dat hij dood was. Hij benijdde de hagedis die hij zojuist uit zijn lijden had geholpen. En hij zou pijn moeten blijven lijden. Het kon nog uren, misschien wel dagen duren, voor hij aan de infectie zou sterven.
Kon hij dat mes maar in zichzelf steken …
Maar hij wist dat hij dit niet zou doen. Zolang hij leefde was er één kans op de miljoen dat –
Zich tot het uiterste inspannend duwde hij met zijn vlakke handen tegen de barrière en hij zag hoe sterk vermagerd zijn armen waren. Hij moest hier al heel lang zijn om zó te kunnen vermageren.
En hoeveel langer nog, voor hij zou sterven? Hoeveel hitte, dorst en pijn zou zijn lichaam nog kunnen verdragen?
Even leek het erop of hij zijn verstand zou verliezen, en toen werd hij opeens vervuld van een diepe kalmte, en een gedachte die hem verbijsterde.
De hagedis die hij daarnet had gedood, was levend door de barrière gekomen. Het Gedrocht had het dier de poten uitgerukt en het minachtend naar hem toegeworpen, door de barrière. Omdat het dacht dat de hagedis dood was.
Maar de hagedis was niet dood geweest, alleen maar bewusteloos.
Een levende hagedis kon niet door de barrière heen, maar wel een bewusteloze! De barrière was dus geen barrière voor levende wezens, maar voor wezens die bij bewustzijn waren. Het was een mentale blokkade.
Vervuld van die gedachte kroop Carson verder langs de barrière om zijn laatste wanhopige poging te wagen. Een poging die alleen iemand die sterven gaat had durven ondernemen.
Hij kroop naar de zandheuvel die hij – hoe lang geleden? – had opgeworpen, toen hij onder de barrière naar water had gezocht.
De achterste helling van die heuvel lag half achter de barrière, half ervoor.
Hij pakte een steen van een nabije stapel, klom over de top van de zandheuvel en liet zich tegen de barrière rollen; zijn gewicht rustte er nu zodanig tegenaan dat, wanneer de barrière zou worden weggenomen, hij de helling verder af zou rollen, op vijandelijk terrein.
Hij keek of het mes stevig in zijn gordel zat, zorgde dat de harpoen in de kromming van zijn linkerarm rustte en met het zes meter lange touw aan zijn pols vast zat.
Toen tilde hij met zijn rechterhand de steen op, waarmee hij zichzelf tegen zijn hoofd zou slaan. Het geluk moest met hem zijn bij die slag; deze moest hard genoeg zijn om hem buiten kennis te brengen en niet zo hard dat hij lang buiten kennis zou blijven.
Hij vermoedde dat het Gedrocht hem op dit ogenblik gadesloeg, hem de helling zou zien afrollen en naar hem toe zou komen om hem van dichtbij te bekijken. Het ding zou denken dat hij dood was -hij dacht wel dat het, wat de aard van de barrière betrof, tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen als hij. Maar het zou voorzichtig naderbij komen. Hij zou maar weinig tijd hebben om –
Hij sloeg toe.
Hevige pijn bracht hem weer tot bewustzijn. Een plotselinge, scherpe pijn in zijn heup die verschilde van de kloppende pijn in zijn been en de bonzende pijn in zijn hoofd.
Maar hij had deze pijn verwacht vóór hij toesloeg, er zelfs op gehoopt en er zich tegen vermand, zodat hij niet met een onverwachte beweging bij kennis zou komen.
Hij hield zich roerloos, keek door zijn oogharen en zag dat zijn vermoeden juist was geweest. Het Gedrocht kwam dichterbij. Het was nog zes meter van hem vandaan en de pijn waarvan hij weer tot bewustzijn kwam, was van de steen die het naar hem toe gegooid had om te zien of hij leefde of dood was.
Hij bleef stil liggen. Het kwam nog dichterbij, was nu vier meter van hem verwijderd en lag stil. Carson durfde nauwelijks adem te halen.
Hij trachtte zoveel mogelijk elke gedachte uit zijn geest te bannen, zodat het Gedrocht met zijn telematisch vermogen niet zou merken dat hij bij bewustzijn was. Maar in die staat van volledige gedachteloosheid werd hij mentaal bijna verpletterd door de gedachten die het Gedrocht in hem projecteerde.
Hij werd vervuld van afschuw door het volkomen buitenaardse en vreemdsoortige karakter van die gedachten. Dingen die hij voelde, maar niet vatten kon, omdat geen aardse taal ze kon verwoorden, geen aardse geest ze kon verbeelden. Als een spin, of een bidsprinkhaan of een Martiaanse zandslang uitgerust zou worden met verstandelijke vermogens en in telepathisch contact gebracht met de menselijke geest, zou die ervaring vergeleken bij wat hij nu doormaakte, onbetekenend en alledaags zijn.
Hij begreep nu dat het Wezen gelijk had gehad: het was óf de Mens óf het Gedrocht; in het heelal was geen plaats voor beiden. Met een afstand tussen hen die groter was dan tussen God en de Duivel, zouden ze elkaar zelfs nooit in evenwicht kunnen houden.
Het kwam dichterbij. Carson wachtte tot het niet meer dan een meter van hem vandaan was, tot het zijn geklauwde tentakels uitstrekte –
Zijn ondraaglijke pijn vergetend, verhief hij zich en slingerde de harpoen naar het Gedrocht met alle kracht die hem nog restte; maar een nieuwe kracht doorvoer plotseling zijn lichaam en hij was op hetzelfde moment even ongevoelig voor pijn alsof zijn zenuwen waren uitgeschakeld.
Toen het Gedrocht, waarin de harpoen diep was doorgedrongen, wegrolde, probeerde Carson overeind te komen om het achterna te gaan. Dat lukte hem niet; hij viel, maar bleef voortkruipen.
Het Gedrocht had het andere uiteinde van het touw vast en hij werd door één ruk aan zijn pols naar voren getrokken. Het sleurde hem een meter mee en hield toen op met trekken. Carson kroop verder en trok zichzelf, hand over hand, langs het touw ernaar toe.
Het Gedrocht bleef liggen waar het lag en probeerde, kronkelend en rukkend met zijn tentakels, de harpoen uit zijn lijf te trekken. Het moest begrepen hebben dat het Carson niet uit de weg kon gaan, want het rolde nu naar hem toe en hield zijn geklauwde tentakels naar hem uitgestrekt.
Met het stenen mes in zijn hand ging hij het te lijf. Hij stak, keer op keer, overal waar hij het raken kon, terwijl de klauwen huid, vlees en spieren van zijn lichaam scheurden.
Hij bleef hakken en steken en slaan en eindelijk bleef het ding roerloos liggen.
Hij hoorde een bel rinkelen en het duurde even, nadat hij zijn ogen had geopend, voor hij besefte waar hij was en wat het was. Hij zat vastgebonden aan de stoel in zijn verkenner en het vizierglas voor hem liet alleen maar een lege ruimte zien. Geen schip van de Buitenbewoners en geen onmogelijke planeet.
De bel was een signaal op het communicatiescherm: iemand wilde dat hij de ontvanger inschakelde. Het was zuiver een reflexbeweging die hem in staat stelde om zijn arm uit te strekken en de schakelaar om te gooien.
Het gezicht van Brander, kapitein van de Magellan, het moederschip van zijn groep verkenners, verscheen op het scherm. Zijn gezicht was bleek en zijn donkere ogen schitterden van opwinding.
‘Magellan roept Carson op,’ snauwde hij. ‘Kom terug. De strijd is voorbij. We hebben gewonnen!’
Het scherm was weer leeg; Brander zou nu wel de andere verkenners oproepen die onder zijn commando stonden.
Langzaam bediende Carson het instrumentenpaneel om aan de terugreis te beginnen. Langzaam, zonder het nieuws nog helemaal te kunnen geloven, gespte hij zijn riemen los en ging naar achteren om wat te gaan tappen uit de koudwater-tank. Om de een of andere reden had hij een ongelooflijke dorst. Hij dronk zes glazen.
Hij leunde daar tegen de wand en probeerde zijn gedachten te verzamelen. Was het wel echt gebeurd? Hij voelde zich gezond en ongedeerd. Zijn dorst was meer geestelijk geweest dan lichamelijk: hij had geen droge keel gehad. Zijn been –
Hij trok zijn broekspijp op en bekeek zijn kuit. Hij zag een lang, wit litteken, maar het was volkomen genezen. Het was daar nooit eerder geweest. Hij ritste zijn hemd los en zag dat zijn borst en onderbuik kris kras bezaaid waren met kleine, bijna onmerkbare littekentjes.
Het was dus werkelijk gebeurd.
De verkenner, die nu automatisch bestuurd werd, ging het luik van het moederschip al binnen. De enterhaken trokken de verkenner in zijn eigen kluis en een ogenblik later liet een zoemer horen dat de kluis met lucht was gevuld. Carson opende de deur van zijn verkenner, stapte naar buiten en verliet de kluis door de dubbele deur.
Hij liep rechtstreeks naar de kamer van Brander, ging naar binnen en salueerde.
Brander keek nog steeds een beetje versuft en verdwaasd. ‘O dag Carson,’ zei hij. ‘Jongen, je hebt wat gemist. Wat een prachtvertoning!’
‘Wat is er gebeurd, meneer?’
‘Ik weet ‘t niet precies. We schoten een salvo af en er bleef van hun hele vloot niets over. Wát het was weet ik niet, maar het schoot als een bliksemstraal van het ene schip naar het andere, zelfs naar die waar we niet eens op gericht hadden en die buiten ons bereik waren! De hele vloot spatte vlak voor onze ogen uit elkaar en niet één van onze schepen liep ook maar een schrammetje op!
We kunnen er niet eens de eer voor opeisen. Het moet een zwak bestanddeel geweest zijn in het metaal dat ze gebruiken. Het salvo bracht het waarschijnlijk meteen tot ontbranding. Kerel, kerel, wat jammer dat je die hele vertoning bent misgelopen.’
Carson wist een glimlach op zijn gezicht te brengen. Het was een heel vermoeide glimlach, want het zou dagen duren voor hij zijn schokkende ervaringen verwerkt zou hebben. Maar de kapitein keek niet naar hem en zag niet hoe verward hij was.
‘Inderdaad meneer,’ zei hij. Zijn gezonde verstand, meer dan zijn bescheidenheid, zei hem dat hij voor altijd gebrandmerkt zou zijn als de ‘Grootste Leugenaar van de Ruimte’ als hij ooit zijn verhaal zou vertellen.
‘Inderdaad, meneer, ontzettend jammer dat ik die hele vertoning ben misgelopen.’