Fredric Brown - Een Sprankje Groen
De grote karmijnrode zon brandde in een paarse hemel. Aan de rand van de bruine vlakte, bezaaid met bruine struiken, lag de rode jungle.
McGarry liep erop af. Het was zwaar en gevaarlijk werk, dat doorzoeken van die rode jungle, maar het moest gebeuren. En hij had er al duizend doorzocht; deze was niet meer dan de zoveelste.
Hij zei: ‘Daar gaan we weer, Dorothy. Ben je klaar?’
Het vijfpotige wezentje dat op zijn schouder zat, gaf geen antwoord, maar dat deed het nooit. Het kon niet spreken; het was alleen maar iets om tegen te praten. Het was gezelschap. Wat grootte en gewicht betreft voelde het verwonderlijk veel aan als een hand die op zijn schouder rustte.
Hij had Dorothy al … hoe lang? Vier jaar, schatte hij. Hij was hier al een jaar of vijf, voor zover hij kon nagaan, en het was ongeveer na het eerste jaar dat hij haar had gevonden. Tenminste, hij nam aan dat Dorothy van het vrouwelijk geslacht was, al was het maar de tederheid waarmee ze op zijn schouder rustte, net de hand van een vrouw.
‘Dorothy,’ zei hij, ‘we moesten ons maar vast schrap zetten. Er konden daar wel eens leeuwen of tijgers zitten.’
Hij gespte de holster van zijn zonnepistool los en legde zijn hand schietklaar om de kolf van het wapen. Voor de duizendste maal dankte hij zijn gelukkig gesternte dat het wapen, dat hij uit het wrak van zijn ruimteschip had weten te redden, een zonnepistool was geweest, het enige wapen dat bijna altijd werkte zonder het opnieuw te laden en zonder munitie. Een zonne-pistool hoefde alleen maar een uur of twee per dag blootgesteld te worden aan de stralen van de zon; het zoog energie op. En als je de trekker overhaalde kwam die energie los. Met elk ander wapen dan het zonnepistool had hij het hier op Kruger III nooit vijf jaar kunnen uithouden.
Nog voor hij de rand van de rode jungle had bereikt, zag hij de leeuw. Het dier leek natuurlijk in niets op een leeuw die hij vroeger op aarde had gezien. Deze was helrood en verschilde in kleur net genoeg van het paars-rode struikgewas waarachter hij zich verschool, om hem te kunnen zien. Hij had acht poten, zonder gewrichten en even soepel en sterk als de slurf van een olifant en hij had een geschubde kop met een snavel als van een toekan.
McGarry noemde het dier een leeuw, maar hij had het met evenveel recht iedere andere naam kunnen geven, want het had nog nooit een naam gekregen. En was dat wel het geval, dan was zijn naamgever nooit naar de aarde teruggekeerd om verslag uit te brengen over de flora en fauna op Kruger III. Er was hier, voor zover bekend, maar één ruimteschip geland vóór McGarry, en dat was daarna nooit meer opgestegen. Hij was er nu naar op zoek; al die vijf jaar dat hij nu hier was, had hij er systematisch naar gezocht.
Als hij het vond, zou het misschien – heel misschien – nog intact zijn en een paar van de elektronische buizen bevatten die bij de noodlanding van zijn eigen schip vernield waren. En als dat zo was, zou hij naar de aarde kunnen terugkeren.
Toen hij de rand van de rode jungle tot op tien passen was genaderd, stond hij stil en richtte zijn zonnepistool op de struiken waarachter de leeuw zich schuilhield. Hij haalde de trekker over en er schoot een helgroene vlam uit de loop; het was niet meer dan een flits, maar die was mooi – o zo mooi – en toen waren de struiken verdwenen, net als de achtpotige leeuw.
McGarry grinnikte zacht. ‘Zag je dat Dorothy. Dat was groen, de enige kleur die op die rottige rode planeet van jou niet voorkomt. De mooiste kleur van het heelal, Dorothy. Groen! En ik ken een wereld waar bijna alles groen is, en daar gaan wij samen naartoe. Reken maar. Het is de wereld waar ik vandaan kom en het is de mooiste plek die er bestaat, Dorothy. Je zal ‘t er vast fijn vinden.’
Hij draaide zich om en keek uit over de bruine vlakte met de bruine struiken, naar de paarse lucht daarboven en de karmijnrode zon. De eeuwige karmijnrode zon van Kruger, de zon die op de dagzijde van deze planeet nooit onderging, die er altijd naar toegekeerd stond, zoals de maan van de aarde altijd met één zijde naar de aarde stond toegewend.
Geen dag of nacht – tenzij je de schaduwgrens overschreed naar de nachtzijde, die zo ijskoud was dat er geen leven mogelijk was. Geen seizoenen. Eén gelijkmatige, nooit veranderende temperatuur, geen wind, geen stormen.
Hij dacht voor de duizendste keer – of de miljoenste – dat het geen slechte planeet zou zijn om op te wonen, als hij maar groen was net als de aarde, als er maar een sprankje groen op te zien was, behalve die enkele groene flits uit zijn zonnepistool. De atmosfeer was best om in te leven, de temperatuur was gematigd – variërend van vijf graden Celsius aan de schaduwgrens tot ongeveer dertig recht onder de rode zon, waar de stralen recht vielen in plaats van schuin. Er was voedsel genoeg en hij had lang geleden geleerd welke planten en dieren eetbaar waren en welke niet.
Ja, het was een prachtige wereld. Hij was zelfs al helemaal gewend geraakt aan de eenzaamheid die hem (als het enige intelligente wezen dat er op rondliep) voortdurend omringde. Dorothy had hem daarbij goed geholpen. Hij kon tegen haar praten, ook al zei ze nooit iets terug.
Alleen … o God, wat verlangde hij ernaar weer eens een groene wereld te zien.
De aarde, de enige planeet in het heelal waar groen de overheersende kleur was, waar het planteleven gebaseerd was op chlorofyl…
Andere planten, zelfs die op planeten in het zonnestelsel, waar de aarde toe behoorde, hadden niet meer te bieden dan wat groenige strepen, die alleen voorkwamen op zeldzame gesteenten, een sporadisch vormpje van leven, in een kleurnuance die je, als je er toch een naam aan wilde geven, hoogstens bruinachtig-groen zou kunnen noemen.
McGarry zuchtte. Hij had bij zichzelf lopen denken, maar nu dacht hij hardop. Dorothy vond dat wel goed. ‘Ja, Dorothy,’ zei hij, ‘het is de enige planeet die waard is om op te leven – de aarde! Groene weilanden, grazige velden, groene bomen. Dorothy, ik ga er nooit meer vandaan, als ik er eenmaal terug ben. Ik ga een hut bouwen in het bos, midden tussen de bomen, maar niet zulke dikke bomen dat er onderaan geen gras groeit. Groen gras. En ik schilder die hut groen, Dorothy. We maken alles groen.’
Hij zuchtte en keek naar de rode jungle die voor hem lag.
‘Wat zei je daar, Dorothy?’ Ze had niets gezegd, maar het was een spelletje, waarbij hij deed alsof ze iets had gezegd. Een spelletje dat hem hielp zijn verstand bij elkaar te houden. ‘Of ik ga trouwen, als ik terug ben? Vroeg je dat?’
Hij dacht erover na. ‘Tja, kijk ‘ns, Dorothy, dat weet ik nog niet. Misschien wel, misschien niet. Ik heb jou de naam gegeven van een vrouw op aarde, weet je. Een vrouw waarmee ik zou gaan trouwen. Maar vijf jaar is een hele tijd, Dorothy. Ik ben opgegeven als vermist en ze nemen aan dat ik dood ben. Ik betwijfel of ze al die tijd op me heeft gewacht. Als dat zo is, ja, dan ga ik zeker met haar trouwen, Dorothy.
Vroeg je wat ik ga doen als ze niet heeft gewacht? Nou, dat weet ik nog niet. Laten we ons daar maar geen zorgen over maken vóór we terug zijn, hè? Natuurlijk, als ik een vrouw kon vinden die groen was, of al had ze maar groen haar, dan zou ik stapelgek op haar zijn. Maar op aarde is bijna alles groen, behalve de vrouwen.’
Hij grinnikte om zichzelf en liep, met zijn zonnepistool in de aanslag, de jungle in; de rode jungle, waar niets groens te zien was, alleen de vlam die af en toe uit zijn zonnepistool flitste.
Gek even goed! Als hij op aarde een zonnepistool afvuurde, kwam er altijd een blauwe vlam uit. Hier, onder de rode zon, was die groen. Maar dat was eigenlijk nogal makkelijk te verklaren. Een zonnepistool onttrok energie aan een nabije ster en de vlam die eruit schoot, als hij met het wapen vuurde, was de complementaire kleur van zijn energiebron. Onttrok je energie aan Sol, de gele zon, dan kwam er een blauwe vlam; ging je uit van Kruger, de rode zon, dan kreeg je een groene vlam.
Misschien, dacht hij, was dat het enige – afgezien van Dorothy’s gezelschap – wat hem niet krankzinnig had gemaakt; die paar groene flitsen per dag. Een sprankje groen om hem eraan te herinneren hoe die kleur was. Om zijn ogen erop ingesteld te houden, als hij die kleur ooit nog eens terug zou zien.
Het bleek dat de jungle maar een klein bos was, zoals er op Kruger III veel voorkwamen. Dit was een van die schijnbaar ontelbare, miljoenen bossen. En misschien waren het er inderdaad wel miljoenen: Kruger III was groter dan Jupiter. Er zou wel eens meer dan een mensenleeftijd mee heen kunnen gaan om overal te komen. Dat wist hij, maar hij wilde niet aan die gedachte toegeven. Het zou wel eens slecht met hem kunnen aflopen als hij er ooit aan zou gaan twijfelen of hij het wrak zou vinden van het enige schip dat hier voor hem was geland. Of als hij eraan zou twijfelen, wanneer hij het schip eenmaal had gevonden, of hij wel de onderdelen zou aantreffen die hij nodig had om zijn eigen ruimteschip weer operationeel te maken.
Deze jungle besloeg niet meer dan anderhalve vierkante kilometer, maar overal zo dicht begroeid dat hij genoodzaakt was één keer te slapen en een paar keer te eten voor hij er doorheen was. Hij doodde onderweg nog twee leeuwen en een tijger. En toen hij er doorheen was, liep hij er omheen en voorzag de grootste bomen die aan de rand stonden, van een merkteken zodat hij de jungle niet nog eens zou gaan doorzoeken. De bomen waren zacht; met zijn zakmes sneed hij de rode schors gemakkelijk los van het roze onderhout.
Daarna ging hij weer verder, over de eentonige, bruine vlakte.
‘Deze leverde niets op, Dorothy. Misschien de volgende. Die daar, vlak bij de horizon. Misschien ligt-ie daar.’
Paarse hemel, rode zon, bruine vlakte, bruine struiken.
‘O, die groene heuvels op aarde. Dorothy. Wat zul je ze mooi vinden …’
De bruine, eindeloze vlakte.
De altijd paarse lucht.
Hoorde hij daar een geluid boven hem? Dat kon niet. Er was daar nooit enig geluid geweest. Maar toch keek hij omhoog, en zag het.
Een klein zwart vlekje in het paars van de hemel. Het bewoog. Een ruimteschip. Het móest een ruimteschip zijn. Er leefden geen vogels op Kruger III. En vogels trokken geen vuurstralen achter zich mee …
Hij wist wat hem te doen stond: miljoenen keren had hij bedacht hoe hij een ruimtevaarder een sein kon geven als die ooit in zicht kwam. Hij rukte het zonnepistool uit zijn holster, richtte het recht op de paarse lucht en haalde de trekker over. De vlam die eruit flitste, was niet groot, van de ruimtevaarder uit gezien, maar hij was groen. En als de piloot maar wilde kijken, of als hij maar keek voor hij weer uit het gezicht verdween, dan moest hij de groene vlam zien op een wereld waar geen ander groen bestond.
Hij vuurde opnieuw.
En de piloot van het ruimteschip had hem gezien! Hij zette zijn straalmotoren driemaal snel achter elkaar aan en uit – het gebruikelijke antwoord op een noodsein – en begon rond te cirkelen.
En McGarry beefde over zijn hele lichaam. Het wachten had zo lang geduurd, het einde kwam zo plotseling. Hij bracht zijn hand naar zijn linkerschouder en beroerde het vijfpotige wezentje dat zowel bij de aanraking van zijn vingers als op zijn naakte schouder, zo sterk aanvoelde als een vrouwehand.
‘Dorothy,’ zei hij. ‘Het is –’ Hij kon niet uit zijn woorden komen.
Het ruimteschip maakte zich nu, al cirkelend, gereed voor de landing. McGarry bekeek zichzelf en voelde zich plotseling beschaamd over de wijze waarop hij zich aan zijn redder moest vertonen. Zijn lichaam was naakt, hij droeg niet meer dan de riem waaraan zijn holster zat en zijn mes en wat gereedschap bungelden. Hij was vuil en waarschijnlijk stonk hij ook. En onder het vuil zag zijn lichaam er mager en verwaarloosd uit, bijna oud. Maar dat was natuurlijk te wijten aan het slechte dieet, een paar maanden behoorlijk voedsel – aards voedsel – zouden daar gauw verandering in brengen.
Aarde! De groene heuvels van de aarde!
Hij holde nu, soms struikelend, naar de plek waar hij het ruimteschip zag landen. Het was op deze afstand heel laag en hij kon zien dat het een éénpersoons was, net als het zijne geweest was. Maar dat gaf niet: een éénpersoons kon in geval van nood altijd twee man vervoeren, zeker tot de dichtstbijzijnde bewoonde planeet, waar hij wel een ander transport naar de aarde zou kunnen krijgen. Naar de groene heuvels, de groene weilanden, de groene dalen…
Hij bad een beetje en vloekte een beetje, terwijl hij voort rende. Er liepen tranen over zijn wangen.
Hij had de plek nu bereikt en wachtte tot de deur openging en een jonge, lange, slanke man in het uniform van de Ruimte-patrouille naar buiten stapte.
‘Neem je me mee terug?’
‘Natuurlijk,’ zei de man. ‘Ben je allang hier?’
‘Vijf jaar!’ McGarry wist dat hij huilde, maar hij kon zijn tranen niet bedwingen.
‘Goeie God,’ zei de man. ‘Ik ben luitenant Archer van de Ruimtepatrouille. Natuurlijk neem ik je mee terug, man. We vertrekken zodra mijn motoren genoeg afgekoeld zijn om op te stijgen. Ik zal je in ieder geval naar Carthago brengen, op Aldebaran II, daar kun je een schip krijgen naar elke bestemming. Heb je nu direct nog wat nodig? Voedsel? Water?’
McGarry schudde versuft zijn hoofd. Zijn knieën knikten. Voedsel, water – wat kwamen die dingen er nu nog op aan?
De groene heuvels van de aarde! Hij zou ze weer zien. Daar ging het om, daarom alleen. Het wachten had zo lang geduurd, het einde was zo plotseling gekomen. Hij zag de paarse lucht plotseling voor zijn ogen draaien, toen werd alles zwart en hij zakte door zijn knieën.
Hij lag plat op zijn rug, de man drukte een fles tegen zijn lippen en hij nam een lange teug van het sterke, brandende vocht. Hij ging overeind zitten en voelde zich al beter. Hij keek of het ruimteschip er nog stond en voelde zich opeens geweldig.
De man zei: ‘Hou je goed, ouwe jongen. We vertrekken over een half uur. Over zes uur zit je in Carthago. Wil je nog wat praten, tot je weer helemaal in orde bent? Wil je me vertellen wat er allemaal gebeurd is?’
Ze zaten in de schaduw van een bruine struik. McGarry vertelde hem hoe alles in zijn werk was gegaan. Over de landing en hoe zijn schip onherstelbaar werd vernield. Z’n vijf jaar lange speurtocht naar het andere schip, waarvan hij wist dat het op dezelfde planeet was neergestort en waarin hij onbeschadigde onderdelen hoopte te vinden die hij nodig had om zijn eigen schip te repareren. De lange speurtocht. Hij vertelde over Dorothy die op zijn schouder zat en hoe geduldig ze naar hem had geluisterd.
Maar terwijl McGarry vertelde, veranderde er iets in het gezicht van luitenant Archer. Hij begon steeds ernstiger te kijken; er kwam zelfs iets van medelijden in zijn blik.
‘Zeg, ouwe jongen,’ zei Archer vriendelijk, ‘welk jaar was het, toen je hier kwam?’ McGarry zag het aankomen. Hoe kun je het tijdsverloop volgen als je op een planeet zit waarvan de zon en de seizoenen onveranderlijk zijn? Een planeet waar het eeuwig dag is, eeuwig zomer…
Op vlakke toon zei hij: ‘Ik kwam hier in tweeënveertig. Hoever ben ik ernaast, luitenant? Hoe oud ben ik in plaats van dertig, zoals ik dacht?’
‘We leven nu in tweeëntwintig tweeënzeventig, McGarry. Het is dertig jaar geleden dat je hier landde. Je bent nu vijfenvijftig. Maar trek het je niet aan. De medische wetenschap heeft intussen grote vorderingen gemaakt. Je hebt nog een lang leven voor je.’
McGarry herhaalde het, nauwelijks hoorbaar. ‘Vijfenvijftig. Dertig jaar.’
Luitenant Archer keek hem medelijdend aan en zei: ‘Wil je alles ineens horen, ouwe jongen? Ik heb heel wat slechte berichten voor je. Ik ben geen psycholoog, maar het is misschien het beste voor je dat je alles tegelijk hoort, nu je weet dat je hier niet langer hoeft te blijven. Denk je dat je het kunt verwerken, McGarry?’
Het kon nooit erger zijn dan wat hij al wist: het feit dat hij hier dertig jaar van zijn leven had doorgebracht. Natuurlijk kon hij de rest ook verwerken, zolang hij maar zou terugkeren naar de aarde, de groene aarde.
Hij staarde naar de paarse lucht, de rode zon en de bruine vlakte en zei rustig: ‘Ik kan ‘t wel hebben, luitenant. Ga je gang maar.’
‘Je hebt je in die dertig jaar geweldig goed gehouden, Mc Garry. Je mag God wel danken voor het feit dat je dacht dat het schip van Marley was neergestort op Kruger III. Maar dat gebeurde op Kruger IV. Je zou het hier nooit gevonden hebben, maar dank zij die speurtocht waar je ‘t over had, bleef je redelijk goed bij je verstand.’ Hij zweeg een tijdje. Zijn stem klonk zacht toen hij verder sprak. ‘Er zit niets op je schouder, McGarry. Die Dorothy heeft alleen maar in je fantasie bestaan. Maar maak je daar niet ongerust over. Dat waanidee heeft waarschijnlijk voorkomen dat je helemaal in elkaar klapte.’
McGarry bracht zijn hand langzaam naar zijn schouder. Hij voelde zijn schouder – en niets anders.
Archer zei: ‘God man, het is gewoon geweldig dat je overigens helemaal oké bent. Na dertig jaar alleen zijn … het is bijna een wonder. En als dat waanidee blijft bestaan, nu ik heb gezegd dat het een waanidee is, dan helpt een psychiater in Carthago of op Mars je daar zó vanaf.’
McGarry zei dof: ‘Het blijft niet bestaan. Het is er nu al niet meer. Ik – ik betwijfel zelfs, luitenant, of ik ooit wel echt in Dorothy heb geloofd. Ik denk dat ik haar opzettelijk heb bedacht om tegen iets te kunnen praten, zodat ik mijn verstand bij elkaar zou houden. Ze was – ze was als de hand van een vrouw, luitenant. Of heb ik je dat al verteld?’
‘Ja. Wil je de rest nog horen, McGarry?’
McGarry keek hem strak aan. ‘De rest? Wat is er dan nog meer? Ik ben vijfenvijftig in plaats van dertig. Ik heb – want ik was toen vijfentwintig – dertig jaar jacht gemaakt op een ruimteschip dat ik nooit gevonden zou hebben omdat het op een andere planeet ligt. Ik ben, maar alleen in één opzicht, bijna al die tijd stapelgek geweest. Maar dat doet er allemaal verder niet toe, nu ik naar de aarde kan terugkeren.’
Luitenant Archer schudde langzaam zijn hoofd. ‘Niet terug naar de aarde, ouwe jongen. Naar Mars, als je wilt, naar de prachtige bruine en gele heuvels van Mars. Of, als je goed tegen de hitte kunt, naar de rode wereld van Venus. Maar niet naar de aarde, ouwe jongen. Daar leeft nu niemand meer.
‘Is – de aarde – weg? Ik begrijp niet –’
‘Niet weg, McGarry. Hij is er nog. Maar hij is zwart en verdord, één verkoolde bol. Door de oorlog met de Arcturiers, twintig jaar geleden. Zij vielen het eerst aan en veroverden de aarde. Wij sloegen terug. We overwonnen ze en roeiden ze uit, maar de aarde was al verwoest vóór wij met de tegenaanval begonnen. ‘t Spijt me, ouwe jongen, maar je zult met een andere woonplaats genoegen moeten nemen.’
McGarry zei: ‘Geen aarde meer.’ Er lag geen uitdrukking in zijn stem. Totaal geen uitdrukking
Archer zei: ‘Dat is ‘t, ouwe jongen. Maar het is op Mars zo slecht niet, hoor. Je zult er wel aan wennen. Het is nu het centrum van het zonnestelsel en er wonen vier miljard mensen van de aarde. Je zal het groen van de aarde wel missen natuurlijk, maar daar kom je wel overheen.’
McGarry zei: ‘Geen aarde meer.’ Er lag geen uitdrukking in zijn stem. Totaal geen uitdrukking.
Archer knikte ‘Ik ben blij dat je ‘t zo beheerst opneemt, ouwe jongen. Zoiets moet toch wel hard aankomen. Kom, we moesten maar eens gaan. De motoren zullen nu wel genoeg afgekoeld zijn. Ik zal ze voor alle zekerheid nog even controleren.’ Hij stond op en stapte naar het kleine ruimteschip.
McGarry trok zijn zonnepistool uit de holster, schoot, en luitenant Archer was niet meer. McGarry kwam overeind en liep naar het kleine ruimteschip. Hij richtte het zonnepistool en haalde de trekker over. Een deel van het schip was verdwenen. Hij schoot nog zes keer en er was niets van het schip over. Atoompjes die het ruimteschip waren geweest, atoompjes die luitenant Archer van de Ruimtepatrouille waren geweest, zweefden nu misschien door de lucht, maar ze waren onzichtbaar.
McGarry stak het pistool terug in de holster en ging op weg naar de volgende jungle, die als een rode vlek aan de horizon lag.
Hij legde zijn hand op zijn schouder en tastte naar Dorothy en ze was er weer, zoals ze daar steeds was geweest, vier van de vijf jaar die hij op Kruger III had doorgebracht. En ze voelde in zijn vingers en op zijn schouder aan als de hand van een vrouw.
Hij zei: ‘Maak je niet ongerust, Dorothy. We vinden hem wel. Misschien is hij in die jungle daar terechtgekomen. En als we hem vinden …’
Hij was nu bij de rand van de jungle, de rode jungle; er sprong een tijger uit te voorschijn die op hem af rende om hem te verslinden. Een lichtpaarse tijger met zes poten en een kop als een ton. McGarry richtte zijn zonnepistool en er schoot een felgroene vlam uit de loop; het was niet meer dan een flits, maar mooi – o zo mooi – en toen was de tijger er niet meer.
Mc Garry grinnikte zachtjes. ‘Zag je dat, Dorothy? Dat was groen. Die kleur is op geen enkele andere planeet te vinden dan die waar wij naar toe gaan. De mooiste kleur in het heelal, Dorothy. Groen! Ik ken een wereld die bijna helemaal groen is, de enige die er bestaat. En daar gaan wij samen heen. Het is de mooiste plek in het heelal, Dorothy; het is de wereld waar ik vandaan kom. Je zult het er heerlijk vinden.’
Ze zei: ‘O, wel zeker, Mac.’ Haar diepe warme stem klonk hem bekend in de oren. Het was niet vreemd dat ze hem antwoord had gegeven; dat had ze steeds gedaan. Hij kende haar stem even goed als zijn eigen stem. Hij stak zijn hand uit en raakte haar aan, terwijl ze op zijn naakte schouder zat. Ze voelde aan als de hand van een vrouw.
Hij draaide zich om en keek uit over de bruine vlakte, die bestrooid was met bruine struiken, met daarboven de paarse hemel en de karmijnrode zon. Hij lachte erom. Het was geen lach van een krankzinnige, maar een zachte, milde lach. Het gaf allemaal niets, want hij zou heel gauw het ruimteschip vinden waar hij naar zocht en de onderdelen waarmee hij zijn eigen schip kon herstellen, zodat hij terug kon gaan naar de aarde.
Naar de groene heuvels, de groene dalen, de grazige weiden.
Hij gaf nog eens een klopje op de hand op zijn schouder en draaide zich weer om. Met het pistool in de aanslag ging hij de rode jungle binnen.