6

Hij droeg een grauwlinnen broek en een grauwlinnen overhemd, zonder das, want hij zou zich wel eens op kunnen hangen. Om dezelfde reden had hij ook geen riem gekregen, maar zijn broek sloot gemakkelijk om zijn middel en gevaar voor afzakken bestond er niet. Uit het raam kon hij ook al niet vallen, want er zaten tralies voor.

Toch zat hij niet in een cel, maar in een grote zaal op de derde verdieping. Hij zat er met zeven anderen en liet zijn blik over hen glijden. Twee zaten er te schaken, met het bord op de grond tussen hen in. Een ander zat op een stoel in het niets te staren. Weer twee anderen leunden tegen de tralies van een van de openstaande ramen, keken naar buiten en praatten verstandig over het een of andere onderwerp. Er zat iemand een tijdschrift te lezen en in de hoek speelde een man pijlsnelle melodieën op een piano die er helemaal niet was.

Hij stond tegen de muur geleund en keek naar de zeven mensen. Hij was hier nu twee uur; het leken wel twee jaar.

Het gesprek met dr. Ellsworth Joyce Randolph was glad verlopen; het was vrijwel een kopie geweest van zijn gesprek met Irving. En het was duidelijk dat Randolph nog nooit van hem gehoord had. Natuurlijk niet, hij had niet anders verwacht.

Hij voelde zich erg kalm – nu. Voorlopig, zo had hij besloten, zou hij nergens meer aan denken, zich nergens zorgen over maken; en hij zou zijn gevoelens uitschakelen.

Hij slenterde door de zaal en bleef bij de schakers staan kijken. Het was een normaal partijtje. De regels werden correct in acht genomen.

Een van de twee keek op en vroeg: ‘Hoe heet jij?’ Het was een volstrekt normale vraag, maar er klopte toch iets niet: dezelfde man had die vraag in de twee uur dat hij er was, nu al voor de vierde keer gesteld.

Hij zei: ‘George Vine.’

‘Ik heet Bassington. Zeg maar Ray. Ben jij krankzinnig?’ ‘Nee.’

‘Een paar van ons zijn wel krankzinnig, anderen niet. Hij daar is het wel.’ Hij wees naar de man die op de onzichtbare piano zat te spelen. ‘Schaak je?’

‘Niet zo goed.’

‘Goed. We gaan zo eten. Wil je nog iets weten? Vraag het dan maar.’

‘Hoe kom je hier uit? Nee, ik bedoel het niet als een grap. Hoe gaat dat in zijn werk?’

‘Eens per maand kom je voor een commissie. Ze stellen je vragen en ze bepalen dan of je weg mag of dat je nog een tijdje moet blijven. Soms douwen ze naalden in je lijf. Waar zit jij voor?’

‘Zitten? Hoe bedoel je?’

‘Zwakzinnig, manisch-depressief, dementia praecox, melancholie…’

‘O dat! Ik geloof paranoia.’

‘Dat is rot, want dan douwen ze naalden in je lijf.’

Er ging ergens een bel.

‘Eten,’ zei de andere schaker. ‘Wel eens geprobeerd om zelfmoord te plegen? Of iemand te vermoorden?’

‘Nee.’

‘Dan mag je aan tafel A, met mes en vork.’

De zaaldeur ging aan de buitenkant open en een verpleger zei: ‘Oké, kom maar.’ Ze liepen in een rij naar buiten, allemaal, behalve de man die op een stoel in het niets zat te staren.

‘Wat moet er met hem?’ vroeg hij aan Ray Bassington.

‘Hij komt er niet aan te pas vanavond. Manisch-depressief. Dan laten ze je wel eens een maaltijd overslaan. Als je de volgende keer nog niet aan tafel kunt komen, nemen ze je mee en word je kunstmatig gevoed. Ben jij manisch-depressief?’

‘Nee.’

‘Dan heb je mazzel. Het is verdomde vervelend als je in de put zit … Hier, deze deur door.’

Het was een grote zaal, vol met tafels en banken waarop al meer mannen in dezelfde grauwe broeken en grauwe overhemden zaten te eten. Een verpleger pakte hem bij zijn arm toen hij de deur doorkwam en zei: ‘Daarheen, die plaats daar.’

Het was vlak naast de deur. Er stond een tinnen bord met eten erop en een lepel ernaast. Hij vroeg: ‘Krijg ik geen mes en vork? Ze zeiden dat …’

De verpleger drukte hem op zijn plaats. ‘Observatieperiode. Dat duurt een week. Niemand krijgt hier mes en vork voor de observatieperiode voorbij is. Ga zitten.’

Hij ging zitten. Niemand aan zijn tafel had bestek. Alle anderen zaten al te eten. Een paar maakten er verschrikkelijk veel lawaai bij. Hij hield zijn ogen op zijn eigen bord gericht. Het zag er erg onsmakelijk uit. Hij speelde wat met zijn houten lepeltje en zag kans om een paar stukken aardappel en de minst taaie hompen vlees uit de stamppot naar binnen te krijgen.

Hij kreeg koffie in een tinnen kroes voorgezet en hij vroeg zich af waarom, tot het opeens tot hem doordrong hoe breekbaar een gewone aarden beker zou zijn en hoe dodelijk het zware soort koppen kan zijn dat ze in goedkope restaurants gebruiken.

De koffie was slap en lauw; hij kon het niet naar binnen krijgen. Hij leunde achterover en deed zijn ogen dicht. Toen hij ze weer opende, stonden er een leeg bord en een lege beker voor hem en de man naast hem zat zijn eten razendsnel naar binnen te werken. Het was de man die op de onzichtbare piano had zitten spelen.

Als ik hier maar lang genoeg ben, dacht hij, krijg ik vanzelf wel zo’n honger dat ik die rommel opeet. Maar hij voelde er niets voor om hier zo lang te moeten blijven.

Even later ging er een bel en per tafel stonden ze op, op een teken dat Vine niet kon zien. Zijn groep was het laatst naar binnen gekomen en ging nu het eerste weg.

Op de trap liep Ray Bassington achter hem en zei: ‘Je zult er wel gauw aan gewend zijn. Hoe zei je ook weer dat je heette?’ ‘George Vine.’

Bassington lachte. Achter hen ging de deur weer aan de buitenkant op slot.

Buiten was het nu donker. Hij liep naar een van de ramen en staarde tussen de tralies door naar boven. Er was maar één heldere ster te zien. Hij stond recht boven de olm op de binnenplaats. Zijn ster? Nou ja, de ster was hem tot hier gevolgd. Er schoof nu een wolk voor.

Er stond iemand achter hem. Hij draaide zich om en zag dat het de man was die piano had zitten spelen. Hij had een donker, exotisch gezicht met twee diepzwarte ogen. Precies op het moment dat hij omkeek begon de ander te glimlachen, alsof hij het als een goeie grap beschouwde.

‘Jij bent hier nieuw, hè? Of kom je van een andere afdeling? Waar kom je vandaan?’

‘Nieuw. Ik heet George Vine.’

‘Baroni. Ik ben musicus. Tenminste, dat was ik. Nou ja … Wil je iets over de inrichting hier weten?’

‘Jawel. Hoe kom je hier uit?’

Baroni lachte even – het was geen opgewekte lach, maar het klonk ook niet bitter. ‘Overtuig ze er eerst maar eens van dat je weer normaal bent. Vind je het vervelend om te vertellen wat je mankeert? Of kan het je niet schelen? Sommigen van ons vinden het vervelend, anderen niet.’

Hij keek Baroni aan en vroeg zich af hoe hij er tegenover stond. Eindelijk zei hij: ‘Ik geloof dat het me niets kan schelen. Ik … ik denk dat ik Napoleon ben.’

‘Ben je het echt?’

‘Wat ben ik echt?’

‘Ben je echt Napoleon? Als je het niet bent, wat dan nog? Dan ben je er met een maand of zes wel uit. Als je wel Napoleon bent, dan ziet het er beroerd voor je uit. Dan kom je hier waarschijnlijk niet levend meer uit.’

‘Waarom? Ik bedoel, als ik het echt ben, dan ben ik normaal en …’

‘Dat is het punt niet. Het gaat erom of zij vinden of je wel of niet normaal bent. Ze stellen het zich zo voor: als jij denkt dat je Napoleon bent, dan ben je niet normaal. Hetgeen bewezen moet worden. En dan blijf je hier.’

‘Ook als ik ze vertel dat ik George Vine ben?’

‘Ze hebben heus wel meer gevallen van paranoia gehad. En daarom ben je ook opgenomen. Neem dat maar van mij aan. En telkens als iemand met paranoia er genoeg van krijgt, zal hij proberen zich eruit te liegen. Ze zijn ook niet van gisteren. Dat weten ze heus wel.’

‘Over het algemeen wel, maar hoe …’

Plotseling liep er een koude rilling over zijn ruggegraat. Hij hoefde zijn zin niet af te maken. Ze douwen naalden in je lijf. Die zin had niets betekend toen hij uit Bassington’s mond kwam, maar nu –

De donkere man tegenover hem knikte. ‘Waarheidsserum,’ zei hij. ‘Als een lijder aan paranoia zo ver genezen is dat hij de waarheid spreekt, dan overtuigen ze zich ervan of hij wel echt de waarheid zegt, voor ze hem laten gaan.’

Nu begreep hij hoe mooi de val was geweest en hoe hij erin was gelopen. Waarschijnlijk kwam hij er nooit meer levend uit. Hij steunde met zijn hoofd tegen de koele ijzeren tralies en deed zijn ogen dicht. Hij hoorde voetstappen van hem weggaan en wist dat hij nu alleen was.

Hij deed zijn ogen open en keek het donker in. Voor de maan waren zware wolken geschoven.

Clare, dacht hij, Clare!

Een val.

Maar … als er een val was, dan moest iemand die voor hem opgezet hebben.

Hij was normaal of hij was krankzinnig Als hij normaal was, was hij in de val gelopen en, als er een val was, dan moest iemand die voor hem opgezet hebben.

Als hij krankzinnig was …

God, was hij maar krankzinnig! Dan zou alles op zijn pootjes terechtkomen en zou hij vandaag of morgen wel worden ontslagen. Dan kon hij weer bij de Blade aan de slag, en misschien herinnerde hij zich dan wel al de jaren die hij daar had gewerkt. Of die George Vine er had gewerkt.

Maar daar zat hem nu juist de kneep. Hij was George Vine niet!

Hij was niet krankzinnig.

Hij voelde niets dan het koele ijzer tegen zijn voorhoofd.

Even later ging de deur open en hij keek om. Twee verplegers kwamen binnen. Een wilde, redeloze hoop welde in hem op. Maar dat duurde niet lang.

‘Bedtijd, mensen,’ zei een van de verplegers. Hij keek naar de manisch-depressieve, die roerloos op een stoel zat en zei: ‘Getikt. Hé Bassington, help eens even die vent daar naar bed brengen!’

De andere verpleger, een zwaargebouwde man met kort geknipt haar, die eruit zag als een worstelaar, kwam naar het raam toe.

‘Jij daar. Jij bent de nieuweling, hè? Vine heet je toch?’ Hij knikte.

‘Ga je herrie schoppen of gedraag je je? Wat ben je van plan?’ De vingers van de rechterhand van de verpleger kromden zich en de vuist ging naar achteren.

‘Ik ga geen herrie schoppen. Ik lig al genoeg met mezelf overhoop.’

De verpleger ontspande zich even. ‘Oké. Hou je daar aan, dan kom je er wel. Daar is een lege krib.’ Hij wees de plaats aan. ‘’s Morgens moet je het zelf opmaken. Blijf ‘s nachts in je bed en bemoei je met je eigen zaken. Als er rotzooi in de zaal is, komen wij het wel opknappen. Op onze eigen manier. Je zou het wel eens niet leuk kunnen vinden.’

Hij voelde zich opgelaten en knikte alleen maar. Hij draaide zich om en ging naar het slaaphokje dat de verpleger hem had aangewezen. Er stonden twee kribben. De manisch-depressieve die op de stoel had gezeten lag op zijn rug met wijd open ogen naar het plafond te staren. Ze hadden hem zijn schoenen uitgetrokken, maar verder had hij alles nog aan.

Hij liep naar zijn eigen krib, omdat hij wist dat hij niets, maar dan ook niets voor de ander kon doen, dat hij hem op geen enkele manier kon bereiken door de ondoordringbare muur van kleurloze ellende, die elke manisch-depressieve zonder ophouden omringt.

Hij sloeg een grauw laken op en vond daar weer een ander laken onder, op een harde, maar goede matras. Hij trok zijn overhemd en broek uit en hing ze bij het voeteneind op een haak aan de muur. Hij zocht naar een knopje om het licht uit te doen, maar kon het niet vinden. Even later ging het licht vanzelf uit.

In de zaal bleef nog licht branden, waarbij hij zijn schoenen en sokken kon uittrekken en in zijn krib kon kruipen.

Een tijdje lag hij doodstil en hoorde maar twee soorten geluiden, allebei zwak en schijnbaar ver weg. Ergens in een van de slaaphokjes lag iemand zachtjes te zingen. Het had veel weg van neuriën. Ergens anders lag iemand te snikken. In zijn eigen slaaphokje kon hij niet eens de ademhaling van zijn kamergenoot horen.

Opeens klonk er geschuifel van blote voeten en iemand in de deuropening zei: ‘George Vine.’

Hij zei: ‘Ja?’

‘Ssst, niet zo hard. Bassington. Ik wou je alleen even zeggen dat ik je voor die verpleger had moeten waarschuwen. Zorg dat je geen rotzooi met hem krijgt.’

‘Krijg ik niet.’

‘Dat heb ik gehoord. Je deed het goed. Hij stampt je in elkaar als hij maar even de kans krijgt. Het is een sadist. Trouwens een heleboel verplegers zijn sadisten; daarom werken ze in inrichtingen. Als ze wegens mishandelingen worden ontslagen, krijgen ze zó weer ergens anders een baan. Morgenochtend komt hij weer. Ik vond dat ik je moest waarschuwen.’

De schim in de deuropening verdween.

In de schemering van de halfduistere zaal lag hij na te denken en vroeg zich af of gekken ooit konden weten of ze gek waren. Konden ze het van zichzelf zeggen? Waren ze er allemaal, net als hij, zeker van dat …

Hij keek naar de krib naast de zijne. Daar lag zijn kamergenoot. Het was meer een voorwerp, onbereikbaar, overgeleverd aan een lijdensweg die voor ieder normaal mens onvoorstelbaar is…

‘Napoleon Bonaparte!’

Een duidelijke stem, maar kwam hij uit hemzelf, of van buitenaf? Hij ging rechtop zitten. Zijn ogen probeerden de duisternis te doorboren, maar konden niets onderscheiden.

Hij zei: ‘Ja?’