7
Pas toen hij rechtop zat en ‘ja’ had gezegd, drong het tot hem door met welke naam hij was aangesproken.
‘Sta op. Kleed je aan.’
Hij slingerde zijn benen over de rand van de krib en stond op. Hij pakte zijn hemd en stond op het punt zijn armen in de mouwen te steken, toen hij vroeg: ‘Waarom?’
‘Om de waarheid te zien.’
‘Wie bent u?’
‘Spreek niet hardop. Ik kan je wel verstaan. Ik ben binnen je en buiten je. Ik heb geen naam.’
‘Maar wat bent u dan?’ Hij sprak hardop zonder erbij na te denken.
‘Een werktuig van Het Heldere Schijnsel.’
Hij had net zijn broek opgepakt, maar liet hem vallen. Voorzichtig ging hij op de rand van zijn krib zitten en bukte zich. Hij tastte rond om hem weer terug te vinden.
Ook zijn hersens waren aan het rondtasten. Waren op zoek naar iets dat hijzelf niet wist. Eindelijk stuitte hij op een vraag … de vraag. Hij stelde hem deze keer niet hardop, maar in gedachten en concentreerde zich uit alle macht, terwijl hij zijn broekspijpen uitsloeg en erin stapte:
‘Ben ik gek?’
Het antwoord – neen – kwam scherp en duidelijk, alsof het hardop uitgesproken werd; maar werd het wel uitgesproken? Of hoorde hij het alleen maar in zijn gedachten?
Hij vond zijn schoenen en trok ze aan. Terwijl hij zijn veters onhandig zat vast te knopen, dacht hij: ‘Wie – of wat – is Het Heldere Schijnsel?’
‘Het Heldere Schijnsel is wat de aarde is. Het is het brein van onze planeet. Het is een van de drie breinen in het zonnestelsel, een van de vele in het heelal. De aarde is er een van; het wordt Het Heldere Schijnsel genoemd.’
‘Dat begrijp ik niet,’ dacht hij.
‘Je zult het gaan begrijpen. Ben je gereed?’
Hij was klaar met zijn andere schoenveter. Hij stond op en de stem zei: ‘Kom mee. Loop geruisloos.’
Het was alsof hij door de bijna-duisternis werd heengeleid, alsof hij geen enkele tastzin meer had. Hij zag ook niets tastbaars om zich heen, maar vol vertrouwen liep hij voort, weliswaar op zijn tenen, hoewel hij wist dat hij nergens tegenop zou lopen, dat hij niets omver kon gooien.
Hij liep de grote zaal door en toen raakte zijn uitgestrekte hand de knop van een deur aan. Voorzichtig draaide hij hem om en de deur ging naar binnen open. Het licht verblindde hem. De stem zei: ‘Halt’ en onbeweeglijk bleef hij stilstaan. Aan de andere kant van de deur, in de verlichte gang, hoorde hij papiergeritsel, het geluid van een bladzijde die werd omgeslagen.
Aan het andere einde van de hal klonk een schrille kreet. Een stoel schraapte over de grond en voetstappen gingen in de richting waar de gil vandaan was gekomen. Er ging een deur open en weer dicht.
De stem zei: ‘Kom’ en hij deed de deur verder open. Hij liep langs de tafel en de lege stoel van de nachtverpleger. Weer een deur, weer een gang. De stem zei ‘Stop’, de stem zei: ‘Kom’; ditmaal liep hij langs een slapende verpleger. Toen een trap af.
Hij dacht: ‘Ik word –’
‘Gek,’ zei de stem.
‘Maar u zei dat ik –’ Hij had het hardop gezegd en schrok bijna nog meer van zijn eigen stem dan van het antwoord op zijn laatste gedachte. En in de stilte die nu volgde kwam van beneden, om de hoek van de trap, het geluid van een zoemende telefoon en iemand zei: ‘Ja? … oké, Dokter, ik kom eraan.’ Voetstappen en het dichtslaan van een liftdeur.
Hij liep de overige trappen af, sloeg de hoek om en stond in de grote entreehal. De balie was leeg. Hij liep op de voordeur af en schoof de zware grendels opzij. Hij stapte naar buiten, de nacht in.
Hij liep langzaam over beton, over grind; toen kwamen zijn schoenen in aanraking met gras en hij hoefde niet meer op zijn tenen te lopen. Het was nu aardedonker en hij voelde dat er vlak bij hem bomen stonden. Er streken bladeren langs zijn gezicht, maar snel en doelbewust liep hij door en precies op tijd strekte hij zijn hand uit en raakte een bakstenen muur.
Hij tastte de muur af en kon met zijn hand bij de bovenkant komen. Hij trok zich op en sprong eroverheen. Bovenop de muur zat glas ingemetseld; hij scheurde zijn kleren en liep snijwonden op, maar hij voelde geen pijn, alleen maar het vochtige, kleverige bloed.
Hij liep langs een verlichte weg, door donkere straten die er verlaten bij lagen en kwam uit bij een klein, nog donkerder steegje. Hij deed het hekje van een achtertuin open en liep op de achterzijde van een huis af. Hij ontsloot de deur en ging naar binnen. In een van de voorkamers brandde licht; hij kon de rechthoek van licht aan het eind van de gang zien. Hij liep de verlichte kamer binnen. Er stond een bureau, waarachter iemand zat die nu opstond. Iemand – een man die hij kende, maar die hij zich niet –
‘Ja,’ zei de man glimlachend, ‘je kent me, maar je kent me ook niet … Je hersens zijn voor een deel verlamd en je vermogen om me te herkennen is uitgeschakeld. Afgezien daarvan en van je gevoelloosheid – je zit onder het bloed door het glas op de muur, maar je voelt in het geheel geen pijn – ben je normaal.’
‘Wat heeft dat allemaal te betekenen?’ vroeg hij. ‘Waarom ben ik hierheen gebracht?’
‘Omdat je normaal bent. Dat spijt mij, want dat behoor je niet te zijn. Niet zozeer omdat je nog herinneringen aan je vroegere leven hebt behouden, nadat je werd overgeplaatst – dat komt wel meer voor –, maar vooral omdat je vaag iets weet wat je niet mag weten omtrent Het Heldere Schijnsel en het Spel tussen rood en zwart. Om die reden …’
‘Welke reden?’
De man die hij wel en niet kende glimlachte vriendelijk. ‘Om die reden moet je de rest ook weten, zodat je dan helemaal niets meer weet. Want alles leidt tot niets. De waarheid zal je gek maken.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Natuurlijk niet. Als je de waarheid zou kunnen bevatten, zou je niet gek worden. Maar je kunt de waarheid in de verste verte niet bevatten.’
Het angstzweet brak hem uit. Hij keek naar het onbekende gezicht dat hem toch vertrouwd voorkwam en toen naar zichzelf. Hij zag zijn gescheurde kleren, zijn gewonde handen, die onder het bloed zaten. Zijn handen maakten een grijpbeweging alsof ze iemand wilden vermoorden. En die iemand – wie het ook was – stond daar voor hem.
‘Wie bent u?’ vroeg hij.
‘Ik ben een werktuig van Het Heldere Schijnsel.’
‘Hetzelfde werktuig dat mij hierheen heeft gebracht, of een ander?’
‘Een is al, alles is één. Tussen het geheel en zijn delen bestaat geen verschil. Het ene werktuig is hetzelfde als het andere en rood is zwart en zwart is wit, en er is geen verschil. Het Heldere Schijnsel is de ziel der aarde. Ik gebruik het woord ziel, omdat dat woord het begrip in jouw taal het dichtst benadert.’
‘Wat is Het Heldere Schijnsel?’ vroeg hij. De woorden klonken hem als een vervloeking in de oren.
‘Als je dat weet word je gek. Wil je het echt weten?’ Zijn eenvoudig ‘ja’ klonk als een vervloeking.
Het licht werd gedempt. Of lag het aan zijn ogen? Het werd steeds donkerder in de kamer en tegelijkertijd trok die kamer zich terug. Van de aarde uit gezien was het al gauw een klein vierkant blokje licht. Het blokje trok zich verder en verder in de duisternis terug tot het niet meer was dan een speldeknop van licht. En in dat lichtpunt zat nog steeds het voorwerp van zijn haat: de man – was het wel een mens? – die naast het bureau stond.
De duisternis in, de ruimte in, los van de aarde. Hij zag de aarde: een duistere bol in de oneindige ruimte. Ook die bol gleed achteruit en stond zwart afgetekend tegen de met ontelbare kleine lichtjes bezaaide ruimte van het heelal. Plotseling stond alles stil en ook de tijd stond stil. Naast hem, in de leegte, klonk de stem van het werktuig van Het Heldere Schijnsel.
‘Kijk! Het Wezen der Aarde.’
Hij keek. Het was of er geen uitwendige, maar een inwendige verandering bij hem plaats vond, alsof zijn zintuigen hem nu in staat stelden om iets te zien dat tot nu toe onzichtbaar voor hem was geweest.
De bolvormige aarde begon op te gloeien en even later straalde zij Het Heldere Schijnsel uit.
‘Je ziet het brein dat de aarde regeert,’ zei de stem. ‘Het grote geheel van zwart, wit en rood dat één is, maar toch verdeeld, zoals ook hersenlobben verdeeld zijn. Het is de grote drie-eenheid.’
De stralende bol en de sterren erachter vervaagden, en er ontstond diepe duisternis. Om hem heen werd het langzaam weer licht en hij bevond zich weer in de kamer met de man achter het bureau.
‘Nu heb je het gezien,’ zei de man die hij haatte. ‘Maar begrepen heb je het niet. Je zult je wel afvragen wat je hebt gezien, wat Het Heldere Schijnsel is. Het is het ware brein van de aarde, één brein te midden van drie andere in het zonnestelsel, één te midden van vele in het heelal.
Maar, zul je vragen, wat is de mens? Mensen zijn pionnen in een – voor jou – ongelooflijk ingewikkelde reeks spelen tussen rood en zwart, tussen wit en zwart, louter en alleen als spel. Het wordt door het éne deel van het geheel tegen het andere gespeeld, om een moment van de eeuwigheid door te komen. Er zijn nog veel onmetelijkere spelen, tussen melkwegstelsels, maar daar komen geen mensen aan te pas.
De mens is een parasiet die alleen maar op aarde voorkomt en de aarde duldt voor een tijdje zijn aanwezigheid. De mens komt nimmer buiten zijn eigen zonnestelsel en hij zal ook niet lang meer bestaan. Nog maar een paar oorlogen op het schaakbord, oorlogen waarvan hij denkt dat hij ze zelf voert … Ja, je begint er iets van te begrijpen …’
De man achter het bureau glimlachte.
‘Je wilt weten wat er met jezelf aan de hand is? Niets is zó onbelangrijk. Vóór Lodi was er een zet gedaan. Rood was nu aan zet. Er was een sterke, meedogenloze persoonlijkheid nodig; het was een keerpunt in de geschiedenis, dat wil zeggen: in het Spel. Begrijp je het nu? Er werd een reserve ingezet, een reserve die Napoleon moest worden.’
Hij kon maar twee woorden over zijn lippen krijgen: ‘En toen?’
‘Het Heldere Schijnsel doodt niet. Voor onbepaalde tijd moest je ergens heen. Vele jaren later kwam een zekere George Vine bij een auto-ongeluk om het leven. Zijn lichaam was nog steeds bruikbaar. George Vine was niet krankzinnig, maar hij had een Napoleon-complex. De overgang was aardig om te zien.’
‘Daar twijfel ik niet aan.’ Het was nog steeds onmogelijk voor hem om bij de man achter het bureau te komen. De haat zelf stond als een muur tussen hen in.
‘Dus George Vine is dood?’
‘Ja. En jij bent voorbestemd – omdat je net iets te veel wist – om krankzinnig te worden, zodat je niets meer weet. Wie de waarheid weet, wordt gek.
‘Nee.’
Het werktuig glimlachte.