5
Charlie Doerr kwam de spreekkamer uit en stak zijn hand uit: ‘Sterkte. George. De dokter zit al op je te wachten.’
Hij drukte Charlie’s hand en zei: ‘Ga jij er maar vandoor. Ik zie je maandag wel, dan is het eerste bezoekdag.’
‘Ik wacht hier op je. Ik had vandaag toch vrij, weet je wel? Trouwens, misschien houden ze je wel helemaal niet vast’
Hij liet Charlie’s hand los en keek hem recht in zijn ogen. Langzaam zei hij: ‘Wat bedoel je, Charlie – misschien houden ze me wel helemaal niet vast?’
‘Nou …’ Charlie voelde zich kennelijk niet op zijn gemak. ‘Nou, misschien zegt hij wel dat je normaal bent of geeft hij je alleen maar de raad om regelmatig bij hem op het spreekuur te komen, tot je er helemaal vanaf bent, of …’ Charlie’s stem klonk aarzelend. ‘Of … zoiets.’
Ongelovig staarde hij Charlie aan. Hij wilde zeggen: Ben jij nu gek of ik? Maar onder deze omstandigheden zou dat idioot geklonken hebben. Toch moest hij er zeker van zijn dat Charlie zijn mond niet voorbij gepraat had. Misschien was hij nog in de rol die hij moest spelen, toen hij daarnet met de dokter had gesproken. Hij zei: ‘Charlie, weet je niet meer dat …’ En zelfs het vervolg van deze vraag kwam hem krankzinnig voor, tegenover Charlie die hem daar maar zat aan te kijken. Het antwoord was van Charlie’s gezicht af te lezen; het hoefde niet meer gezegd te worden.
Charlie zei nog eens: ‘Natuurlijk wacht ik op je. Sterkte, George.’
Hij keek Charlie recht in de ogen en knikte. Toen draaide hij zich om en ging de deur met ‘privé’ binnen. Hij deed hem achter zich dicht, terwijl hij de man achter het bureau, die nu was opgestaan, aandachtig opnam. Een grote, breedgeschouderde man met zilvergrijs haar.
‘Dr. Irving?’
‘Ja meneer Vine. Gaat u zitten, alstublieft.’
Hij nam plaats in de gemakkelijke, beklede leunstoel tegenover het bureau van de psychiater.
‘Meneer Vine,’ zei de dokter, ‘een eerste gesprek als dit is altijd een beetje moeilijk. Voor de patiënt dan, bedoel ik. Zolang u me niet beter kent zal het wat moeilijk voor u zijn om een bepaalde natuurlijke terughoudendheid te overwinnen om over uzelf te praten. Wat hebt u liever? Wilt u alles op uw manier vertellen, of hebt u liever dat ik maar een paar vragen stel?’
Hij dacht erover na. Hij had zijn verhaal al klaar, maar die paar woorden die hij daarnet met Charlie in de wachtkamer had gewisseld, hadden alles in de war gestuurd.
Hij zei: ‘Misschien kunt u me beter wat vragen stellen.’
‘Uitstekend.’ Irving zat met een potlood in zijn hand klaar en op het bureau lag een bloknoot. ‘Waar en wanneer bent u geboren?’
Hij haalde diep adem: ‘Naar mijn beste weten op Corsica, op 15 augustus 1769. Natuurlijk kan ik me mijn geboorte niet herinneren. Wel weet ik dingen uit mijn jeugd op Corsica. We zijn daar gebleven tot ik tien was en ik ben toen naar Brienne gestuurd om een schoolopleiding te volgen.’
De dokter schreef niets op, maar tikte met de punt van zijn potlood op het bloknoot. Hij vroeg: ‘Welke maand en welk jaar hebben we nu?’
‘Augustus 1947. Ja, ik weet wel dat ik dan ruim honderd zeventig jaar oud zou zijn. U wilt natuurlijk weten hoe ik dat verklaar. Dat weet ik zelf ook niet. Ik kan ook niet verklaren dat Napoleon Bonaparte in 1821 is overleden.’
Hij leunde achterover in zijn stoel, sloeg zijn armen over elkaar en staarde naar het plafond. ‘Ik probeer de tegenstrijdigheden en de inconsequenties niet te verklaren. Ik erken ze als zodanig. Maar volgens mijn eigen herinneringen ben ik zevenentwintig jaar lang Napoleon geweest, of dat nu logisch is of niet. Ik zal niet opsommen wat er al die tijd is gebeurd. Het staat allemaal in de geschiedenisboekjes te lezen.
Maar in 1796, na de slag bij Lodi, terwijl ik het bevel voerde over de legermacht in Italië, ging ik naar bed, net als iedereen die waar ook en op welk moment ook naar bed gaat. Maar ik werd wakker in een ziekenhuis hier in de stad. Ik had niet het flauwste idee hoe lang ik had geslapen. Ik kreeg in dat ziekenhuis te horen dat ik George Vine heette, dat het 1944 was en dat ik toen zeven en twintig jaar oud was.
Ze hebben me alles over dat zeven en twintigjarige leven verteld – alles. Absoluut alles. Ik heb geen idee van het leven dat George Vine – ik – tot aan het moment van dat auto-ongeluk heeft geleid. Ik weet een heel klein beetje van zijn leven af, maar alleen doordat het me is verteld.
Ik weet wanneer hij werd geboren, waar hij naar school ging en wanneer hij bij de Blade in dienst kwam. Ik weet wanneer hij als vrijwilliger in militaire dienst ging en dat hij zijn ontslag kreeg tegen het einde van 1943 – omdat ik een verwonding aan mijn been had opgelopen en daar had ik een voetbalknietje aan overgehouden. Niet door een gevechtshandeling, maar door een doodgewoon ongeluk. Er was geen enkele "psycho-neurotische" reden voor mijn – zijn – ontslag.’
De dokter speelde niet meer met zijn potlood. Hij vroeg: ‘Hebt u zich drie jaar lang zo gevoeld … en het geheim weten te houden?’
‘Drie jaar lang ben ik George Vine geweest. Van wat daarvoor is gebeurd kan ik me geen beeld vormen. Ik denk niet dat ik Vine was. Ik denk – voor zover ik iets denk – dat ik drie jaar geleden in George Vine’s lichaam wakker ben geworden.’
‘En wat hebt u dan in die honderd en zoveel jaar gedaan?’
‘Ik heb niet het flauwste idee. Af en toe twijfel ik er niet aan of dit is George Vine’s lichaam. Daarmee heb ik dan ook zijn kennis geërfd – alleen zijn persoonlijke herinneringen niet. Ik wist bijvoorbeeld hoe mijn werk op de krant in elkaar zat, hoewel ik me niemand van mijn collega’s daar herinneren kon. Ik heb zijn kennis van het Engels, bijvoorbeeld, en het gemak waarmee hij schrijft. Ik wist hoe ik met een schrijfmachine moest omgaan. En mijn handschrift is hetzelfde als het zijne.’
‘U denk dus dat u Vine niet bent. Hoe verklaart u dat?’
Hij boog zich voorover: ‘Ik denk dat een deel van me George Vine is en een ander deel niet. Ik geloof dat er de een of andere overgang heeft plaatsgevonden die het menselijk begrip te boven gaat. Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat het iets bovennatuurlijke is – of dat ik gek ben. Of wel soms?’
Dr. Irving gaf geen antwoord. In plaats daarvan vroeg hij: ‘Om begrijpelijke redenen hebt u dat allemaal drie jaar lang voor u gehouden. En nu, waarschijnlijk om een andere reden, hebt u besloten ermee voor de dag te komen. Wat deed u van gedachten veranderen?’
Hij had zich over deze vraag het meest het hoofd gebroken.
Langzaam zei hij: ‘Ik geloof niet in een toevallige samenloop van omstandigheden. Er is in de situatie zelf iets veranderd. Ik heb er genoeg van om de schijn op te houden. Ik wil het risico nemen om als paranoïde te worden opgesloten, want ik wil achter de waarheid komen.’
‘Wat is er dan in die situatie veranderd?’
‘Gisteren stelde mijn hoofdredacteur me voor om me in verband met mijn werk krankzinnig te laten verklaren. En ik zou dan moeten doen alsof ik dacht dat ik Napoleon was. Ik geef graag toe dat de kans bestaat dat ik inderdaad krankzinnig ben. Maar ik kan alleen maar leven met de wetenschap dat ik niet gek ben. U weet van uzelf dat u dr. Williard E. Irving bent. Alleen met die wetenschap kunt u leven, maar hoe kunt u dat zeker weten? Misschien bent u wel krankzinnig, maar kunt u alleen leven en handelen als u doet alsof u het niet bent.’
‘U denkt dus dat uw werkgever in een complot zit … een complot tegen u? Denkt u dat er een samenzwering is om u in een psychiatrische inrichting te krijgen?’
‘Dat weet ik niet. Ik zal u vertellen wat er sinds gistermiddag is gebeurd.’
Hij haalde diep adem en ging van start. Hij vertelde dr. Irving het hele verhaal van zijn gesprek met Candler, wat Candler over dr. Randolph had verteld, over zijn gesprek met Charlie Doerr en over Charlie’s vreemde gedrag in de wachtkamer.
Toen hij klaar was, zei hij: ‘Dat is alles’ en nam dr. Irving’s uitdrukkingloze gezicht meer nieuwsgierig dan belangstellend op en probeerde er iets uit op te maken. Hij voegde er op effen toon aan toe: ‘U gelooft me natuurlijk niet. U denkt dat ik krankzinnig ben.’
Hij keek Irving recht in de ogen en zei: ‘U hebt geen keus, tenzij u er de voorkeur aan geeft om te denken dat ik een heel netwerk van leugens heb bedacht om u ervan te overtuigen dat ik krankzinnig ben. Ik bedoel – als wetenschapsman en als psychiater kunt u niet ontkennen dat alles wat ik u over mijn denkbeelden heb verteld, klopt. Heb ik gelijk of niet?’
‘Helaas wel.’
‘Gaat u dan maar door en tekent u uw verklaring. Ik wil nu voor alle consequenties opdraaien. Ik wil ook dat dr. Ellsworth Randolph als tweede tekent.’
‘Hebt u daar geen bezwaar tegen?’
‘Zou het er iets toe doen als ik er wel bezwaar tegen had?’
‘In één opzicht wel, meneer Vine. Als een patiënt een vooroordeel tegen – of een bepaald idee over – een psychiater heeft, is ‘t het beste dat hij niet aan de zorg van die psychiater wordt toevertrouwd. Als u denkt dat dr. Randolph in het complot zit, dan wil ik wel iemand anders voor u aanwijzen.’
Op gedempte toon vroeg hij: ‘Zelfs als ik erop sta dat dr. Randolph tekent?’
Dr. Irving hief verontschuldigend zijn hand op: ‘Natuurlijk, natuurlijk, als u en de heer Doerr erop staan dat …’
‘Wij staan erop.’
Het zilvergrijze hoofd knikte ernstig. ‘Eén ding begrijpt u natuurlijk wel. Als dr. Randolph en ik vinden dat u in een inrichting opgenomen moet worden, dan doen we dat niet alleen om u op te sluiten en te verplegen. We willen u opnemen om u een behandeling te doen ondergaan, waardoor u genezen wordt.’
Hij knikte.
Dr. Irving stond op. ‘Wilt u me even excuseren? Ik ga dr. Randolph bellen.’
Hij zag hoe dr. Irving een andere kamer inliep en dacht: Daar staat een telefoon op zijn bureau, maar hij wil zeker niet dat ik hoor wat hij zegt.
Rustig bleef hij zitten wachten tot Irving terug kwam en zei: ‘Dr. Randolph is vrij op het ogenblik. Ik heb alvast een taxi besteld om ons erheen te brengen. Wilt u me nog even excuseren? Ik zou nog graag even iets met uw neef, meneer Doerr, willen bespreken.’
Hij bleef zitten en keek op noch om toen de dokter de wachtkamer in ging. Hij had naar de deur kunnen lopen en proberen om iets van het op fluistertoon gevoerde gesprek op te vangen, maar dat deed hij niet. Hij bleef zitten tot hij de deur van de wachtkamer weer achter zich hoorde opengaan en Charlie’s stem zei: ‘Kom, George. De taxi staat voor.’
Ze gingen in de lift naar beneden. Irving gaf het adres op en de taxi reed weg.
Halverwege zei hij: ‘Wat een weer, hè?’ Charlie schraapte zijn keel en zei: ‘Ja.’ Hij probeerde het niet nog eens en de rest van de rit heerste er een diep stilzwijgen in de taxi.