1
Bij het wakker worden die ochtend had hij al een vaag vermoeden gehad.
En nu, naar buiten starend door het raam van de redactie, in het zonlicht dat schuin over de gebouwen viel en een patroon van licht en schaduw vormde, wist hij het zeker. Hij voelde dat er iets zou gaan gebeuren; misschien vandaag al. Of het goed of slecht zou zijn kon hij onmogelijk zeggen, maar hij vermoedde wel uit welke richting het zou komen. Er gebeuren maar weinig goede dingen onverwacht, dat wil zeggen, dingen die voor altijd belangrijk blijven. Rampen kunnen daarentegen uit ontelbare richtingen toeslaan en meestal op een verbazingwekkend aantal verschillende manieren.
Iemand riep: ‘Hé, meneer Vine.’ Langzaam wendde hij zich van het raam af. En dat was op zichzelf al vreemd, want het paste niet bij hem om zich langzaam te bewegen. Hij was klein van stuk, beweeglijk en bliksemsnel in zijn reacties en handelingen.
Maar nu was er iets waardoor hij zich langzaam omdraaide, bijna alsof hij verwachtte dat hij dat spel van licht en schaduw niet meer terug zou zien.
‘Wat is er, Rooie?’ vroeg hij.
De sproetige redactiejongen zei: ‘Zijne Majesteit wil u spreken.’
‘Nu?’
‘Ja. Als het u schikt. Als u het te druk hebt, moet u anders voor volgende week maar een afspraak met hem maken.’
Hij zette zijn vuist tegen Rooie’s kin en drukte door. De redactieloopjongen schoof zichtbaar verontrust achteruit.
Hij stond op uit zijn draaistoel, liep naar de waterautomaat, drukte met zijn duim op een knop en gorgelend viel er water in een plastic bekertje.
Harry Wheeler slenterde langs. ‘Hé, Nappie, wat is er aan de hand? Bij de baas komen?’
‘Ja,’ zei hij. ‘Opslag waarschijnlijk.’
Hij dronk het bekertje leeg, frommelde het in elkaar en wierp het in de afvalmand. Daarop liep hij de deur met ‘privé’ binnen.
Hoofdredacteur Walter J. Candler keek achter zijn bureau van zijn werk op. ‘Ga zitten, Vine,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik ben zo klaar.’ Toen las hij weer verder in de papieren die op zijn bureau lagen.
Hij ging in een stoel tegenover Candler zitten, haalde met enige moeite een sigaret uit het zakje van zijn overhemd en stak hem op. Hij keek naar de achterkant van het papier, waarvan de hoofdredacteur de voorkant zat te lezen; er stond niets op.
Candler legde het papier neer en keek hem aan.
‘Vine, ik heb hier iets vreemds. En jij bent nogal goed in vreemde zaakjes.’
Hij glimlachte vaag terug. ‘Als dat een compliment is, bedankt dan.’
‘Het is een compliment, helemaal. Je hebt al een paar heel vervelende zaakjes voor ons opgeknapt, maar dit is iets anders. Ik heb een verslaggever nog nooit opgedragen iets te doen wat ik zelf voor geen goud zou willen doen. Dat is nu eenmaal tegen mijn principes, dus draag ik jou ook niet op om het te doen.’ Candler nam het papier dat hij had zitten lezen even op en legde het weer neer, zonder er verder naar te kijken. ‘Wel eens gehoord van Ellsworth Joyce Randolph?’
‘Directeur van de psychiatrische kliniek? Ik heb hem wel eens ontmoet, maar ik zou echt niet meer weten waar.’
‘Wat maakte hij voor indruk op je?’
Hij was er zich van bewust dat Candler hem gespannen zat aan te kijken en dat hij niet zomaar iets vroeg. ‘Wat bedoel je? In welk opzicht? Of het een aardige vent is, een goed politicus, of hij zich als psychiater wel netjes genoeg gedraagt, zo naast de divan?’
‘Ik bedoel, hoe goed denk jij dat hij bij zijn verstand is?’
Hij keek Candler aan en Candler maakte geen grappen, want Candler keek met een effen gezicht terug.
Hij lachte, maar hield er al gauw mee op. Hij leunde naar voren, over Candler’s bureau heen. ‘Ellsworth Joyce Randolph,’ zei hij, ‘je bedoelt toch Ellsworth Joyce Randolph, hè?’
Candler knikte. ‘Randolph was hier vanmorgen. Hij vertelde me een nogal vreemd verhaal. Hij wou niet dat ik het zou publiceren, maar hij vroeg of ik het wilde laten uitzoeken en of ik dat door mijn beste man wou laten doen. Hij zei dat, als we tot de conclusie waren gekomen dat het allemaal klopte, we het in rood met een vette kop op de frontpagina konden brengen.’
Candler grinnikte droog. ‘Dat zouden we kunnen doen als we ook nog een steunkleur konden gebruiken!’
Hij drukte zijn sigaret uit en nam Candler aandachtig op. ‘Maar is het verhaal zo vreemd, dat je zelf niet eens zeker weet of Randolph al dan niet bij zijn verstand is?’
‘Precies.’
‘En wat is er nu zo gevaarlijk aan die opdracht?’
‘Randolph beweert dat een verslaggever dat verhaal alleen van binnenuit te pakken kan krijgen.’
‘Je bedoelt dat die verslaggever als verpleger of … of zoiets de kliniek in zou moeten…’
‘Zoiets.’
‘O’
Hij stond op uit zijn stoel, liep naar het raam en met zijn rug naar Candler toe ging hij naar buiten staan kijken. De zon was nauwelijks verschoven, maar toch zag het schaduwpatroon op straat er anders uit. Onheilspellend anders. Evenals het schaduwpatroon in hemzelf. Dit, wist hij, was wat er zou gaan gebeuren. Hij draaide zich om.
‘Nee, verdomme, nee.’
Onmerkbaar haalde Candler zijn schouders op. ‘Ik neem het je niet kwalijk. Ik heb je zelfs niets opgedragen. Ik zou het zelf ook niet gedaan hebben.’
Hij vroeg: ‘En wat denkt Ellsworth Joyce Randolph dan wel dat er in zijn gekkenhuis aan de hand is? Als jij er niet eens zeker van bent of Randolph ze zelf wel allemaal heeft, dan moet het nogal een vreemd verhaal zijn.’
‘Ik kan verder niets loslaten, Vine. Ik heb beloofd dat ik je niets zou vertellen, of jij de opdracht nu aannam of niet.’
‘Je bedoelt dat ik zelf niet eens zou weten waarnaar ik op zoek zou zijn, ook al zou ik de opdracht aannemen?’
‘Precies. Je zou dan bevooroordeeld zijn en dus niet objectief. Je zou naar iets op zoek gaan en dan zou je kunnen denken dat je het gevonden had, of het er nu wel of niet was. Of je zou zelfs zo bevooroordeeld kunnen zijn, dat je het niet eens zou willen zien, ook al zou het je bij wijze van spreken in je been bijten.’
Hij liep langzaam van het raam naar het bureau terug en liet zijn vuist met een donderende slag neerkomen.
‘Verdomme, Candler, waarom ik? Je weet toch wat er drie jaar geleden met me gebeurd is?’
‘Jawel, geheugenverlies.’
‘Precies, geheugenverlies. Maar ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik er nu nog niet overheen ben. Ik ben nu dertig, hè? Mijn herinnering gaat drie jaar terug. Begrijp je eigenlijk wel hoe je je voelt als je je niets kunt herinneren van wat er vóór je zevenentwintigste met je gebeurd is? Nou ja, ik weet nu wel wat er aan de andere kant van die blanke muur ligt, maar alleen omdat iedereen me dat verteld heeft. Ik weet dat ik tien jaar geleden als redactie-loopjongetje ben begonnen. Ik weet waar ik geboren ben en wanneer, en ik weet ook dat mijn ouders overleden zijn. Ik weet hoe ze eruit zien, omdat ik hun foto’s heb gezien. Ik weet dat ik geen vrouw en geen kinderen heb, omdat iedereen die mij kende, me dat heeft verteld. Let wel: iedereen die mij kende, niet iedereen die ik kende. Ik kende niemand. Ik geef toe dat ik het er sindsdien aardig afgebracht heb. Toen ze me uit het ziekenhuis ontsloegen – ik kan me zelfs het ongeluk niet meer herinneren waardoor ik erin ben gekomen – ging alles toen ik hier terug kwam, gesmeerd, omdat ik nog steeds wist hoe je een "story" moet brengen, zelfs al moest ik me de namen van jan-en-alleman weer inprenten. Ik was niet slechter dan een verslaggever die in een vreemde stad gaat werken. En iedereen heeft me geweldig geholpen.’
Candler hief bezwerend zijn hand op, als om de woordenstroom te stuiten. ‘Oké, Nappie. Je zei nee, en nee is voor mij nee. Ik zie niet in wat het allemaal met dit verhaal te maken heeft. Je hoefde alleen maar nee te zeggen. Dus laat verder maar zitten.’
Hij voelde zich nog steeds gespannen. ‘Begrijp je dan niet, wat het allemaal met het verhaal te maken heeft? Je draagt me op, of nou ja, je draagt niets op, je stelt alleen maar voor of ik me krankzinnig wil laten verklaren en me dan in die kliniek wil laten opnemen. Hoeveel vertrouwen kan ik in mijn eigen verstand hebben als ik me niet eens meer mijn schooltijd kan herinneren, als ik me niet eens meer de mensen kan herinneren met wie ik dag in dag uit optrok, als ik gewoon niets meer weet van wat er drie jaar geleden is gebeurd?’
Hij liet opnieuw zijn vuist op het bureau neerkomen. Hij schrok er zelf van. ‘Neem me niet kwalijk, Candler, het was niet mijn bedoeling om er zo opgewonden over te gaan doen.’
‘Ga zitten,’ zei Candler.
‘Mijn antwoord blijft nee.’
‘Ga toch maar even zitten.’
Hij ging zitten, frommelde een sigaret uit zijn zak en hield zijn aansteker erbij.
Candler zei: ‘Het was niet mijn bedoeling om over dat geheugenverlies te gaan beginnen, maar nu moet ik wel. Ik wist niet dat het je nog zó dwars zat. Ik dacht dat je er nu wel overheen was. Maar goed, het gaat hierom: dr. Randolph vroeg me wie van ons het beste dit verhaal zou kunnen maken, en toen vertelde ik hem over jou, wat je achtergronden waren, en zo. Hij kon zich ook nog herinneren dat hij je wel eens had ontmoet, maar hij wist niet dat je aan geheugenverlies leed.’
‘Heb je me daarom aanbevolen?’
‘Laat me even uitspreken. Hij zei dat hij in de tijd dat jij in de kliniek zou zijn, graag eens een van de nieuwste en niet zo ruwe shockmethodes op je zou willen toepassen, en dat deze therapie jou misschien zou kunnen helpen. Hij zei dat het in ieder geval de moeite van het proberen waard zou zijn.’
‘Maar hij stond er niet voor in dat het echt zou helpen.’
Hij drukte zijn sigaret uit, hoewel hij er maar drie trekjes van had genomen. Hij staarde Candler aan. Tenslotte hoefde hij niet te vertellen wat er in hem omging, want voor Candler was hij een open boek.
Candler zei: ‘Beheers je, ouwe jongen. Vergeet niet dat ik er niet eerder over begonnen ben dan toen jijzelf ging vertellen hoezeer dat geheugenverlies je nog dwars zat. Ik had het echt niet achter de hand gehouden. Ik kwam er alleen mee omdat ik open kaart met je wou spelen, na dat opgewonden gedoe van je.’
‘Open kaart! Kom nou!’
Candler haalde zijn schouders op. ‘Je zei nee. Dat had ik maar te nemen. Toen begon je tegen me op te spelen en je ging zo ver dat ik iets waaraan ik op dat moment niet eens dacht, wel moest vertellen. Nou ja, zand erover. Hoe zit het met dat corruptieverhaal? Nog nieuwe gegevens?’
‘Ben je van plan om nou iemand anders op dat verhaal over die kliniek te gaan zetten?’
‘Nee. Jij bent de enige die ervoor in aanmerking komt.’
‘Waar gaat het nou precies om? Het moet nogal een raar zaakje zijn als jij denkt dat die Randolph niet goed bij zijn hoofd zou zijn. Vindt hij soms dat zijn patiënten maar eens stuivertje moeten wisselen met zijn psychiaters, of zo?’
Hij lachte. ‘Natuurlijk je laat toch niks los. Het zijn twee prachtige vliegen in één klap: nieuwsgierigheid – en natuurlijk hoop je dat die geheugenmuur van me nou eindelijk eens wordt gesloopt. Als ik ja in plaats van nee zeg, hoe lang zit ik er dan in en onder wat voor omstandigheden? Kom ik er ooit weer uit, of hoe zit dat? En hoe kom ik erin?’
Candler zei langzaam: ‘Vine, nu je er zo over denkt, voel ik er ineens niet zoveel meer voor. Vergeet het maar, allemaal.’
‘Geen sprake van, of je moet me nu vertellen wat erachter zit.’
‘Vooruit dan maar. Je gaat er onder een andere naam in, dus er rust helemaal geen schandvlek op je als het allemaal de mist in gaat. Als het allemaal wel lukt, dan mag je schrijven wat je wilt, ook hoe Randolph te werk is gegaan om je de kliniek in en weer uit te krijgen. We weten dan waar we aan toe zijn. Best mogelijk dat je je verhaal binnen een paar dagen hebt – en met een week of twee is het in elk geval wel bekeken.’
‘Hoeveel mensen in die inrichting weten wie ik ben en waarom ik er ben? Afgezien van Randolph, natuurlijk?’
‘Niemand.’ Candler leunde voorover en stak vier vingers van zijn linkerhand op. Hij wees op de eerste: ‘Vier mensen moeten ervan op de hoogte zijn. Jij.’ Hij wees weer een vinger aan. ‘Ik.’ Weer een vinger. ‘Verder dr. Randolph.’ Tenslotte de vierde vinger: ‘En dan nog iemand van ons.’
‘Niet dat ik er iets tegen heb, maar waarom nóg iemand?’
‘Een tussenpersoon. Een "broer" van je. En wel om twee redenen. In de eerste plaats moet hij met jou naar de een of andere psychiater. Randolph geeft je iemand op die je gemakkelijk om de tuin kunt leiden. Als je hem hebt overtuigd, zal hij een andere psychiater inschakelen om je te onderzoeken en krankzinnig te verklaren. Je overtuigt ze er allebei van dat je getikt bent en zij tekenen dan een verklaring. Natuurlijk zijn er twee psychiaters voor nodig om je opgenomen te krijgen, maar Randolph is die tweede. Die zogenaamde broer van je zal Randolph er als tweede bij willen hebben.’
‘En dat allemaal, zeg maar: anoniem?’
‘Nou ja, wat je wilt. Er is natuurlijk geen enkele reden voor om het zó te doen.’
‘Ik vind van wel. Hou het in ieder geval buiten de krant, hè? Vertel iedereen hier maar, behalve mijn… nee, in dat geval zouden we geen broer in het leven kunnen roepen. Charlie Doerr van Binnenland is een volle neef van me en hij zal het best willen doen.’
‘O ja, waarom niet? En Charlie moet dan verder maar als tussenpersoon blijven optreden. Hij komt je in de kliniek opzoeken en hij brengt dan alles wat je aan gegevens hebt, mee terug.’
‘En als ik na een paar weken nog niets heb gevonden, haal je me er dan weer uit?’
Candler knikte. ‘Ik geef Randolph dan wel een seintje. Hij onderzoekt je, verklaart dat je genezen bent en dan ben je weer vrij. Je komt hier terug en je hebt er een beetje vakantie op zitten. Dat is alles.’
‘Wat voor krankzinnigheid moet ik voorwenden?’
Hij had de indruk dat Candler een beetje in zijn stoel heen en weer zat te schuiven.
‘Nou, zou die Nappie-geschiedenis niet iets voor je zijn? Ik bedoel, dr. Randolph zei dat paranoia een vorm van krankzinnigheid zonder lichamelijke kenmerken is. Het is een afwijking waarbij je waanvoorstellingen hebt, en die beleef je helemaal als echt. Als je paranoïde bent, kun je je in alle opzichten normaal gedragen, behalve in één opzicht.’
Hij nam Candler op en er kwam een vaag glimlachje om zijn lippen.
‘Je bedoelt dat ik moet doen alsof ik denk dat ik echt Napoleon ben?’
Candler maakte een vaag gebaar. ‘Neem nou maar die afwijking die jou het beste ligt. Maar ligt dat niet voor de hand? Ik bedoel, de jongens op de redactie nemen je toch al in de maling en ze noemen je Nappie. En …’ Hij maakte aarzelend zijn zin af: ‘… en verder van alles en nog wat.’
Candler keek hem nu recht aan: ‘Nou, hoe denk je erover?’
Hij stond op. ‘Morgen. Als ik er een nachtje over geslapen heb, hoor je wel van me of het doorgaat of niet. Voorlopig zeg ik ja. Zullen we het daar maar op houden?’
Candler knikte.
‘De rest van de middag neem ik vrij,’ zei hij. ‘Ik ga naar de leeszaal om wat over paranoia te lezen. Ik heb toch niets anders te doen. En vanavond bespreek ik het met Charlie Doen.’
‘Bedankt, tot dusver.’
Hij grijnsde, leunde over het bureau heen en zei: ‘Ik zal je een geheimpje vertellen, nu de zaken er zo voor staan: Ik ben Napoleon.’
Het was een mooie slotzin en hij ging meteen weg.