3

De zon stond nu lager. Boven hem vloog een vliegtuig dreunend voorbij. Hij keek ernaar en begon te lachen. Hij stelde zich Napoleon Bonaparte in zo’n vliegtuig voor en wist hoe krankzinnig die gedachte was.

Voor zover hij wist had hij nog nooit in een vliegtuig gezeten. Maar had George Vine ooit in zijn zeven en twintigjarig leven gevlogen? Vast wel! Maar betekende dat dan dat hij bok wel eens gevlogen had? Het was maar een klein onderdeel van het hele probleem.

Hij stond op. Het was bijna vijf uur. Charlie Doerr kon elk ogenblik van de krant thuiskomen. Hij kon hem het beste nu maar even bellen, om er zeker van te zijn dat hij vanavond thuis zou blijven.

Hij stapte een bar binnen en belde hem op de krant op. ‘Met George, Charlie. Ben je vanavond thuis?’

‘Ik zou gaan pokeren vanavond, maar ik heb het afgezegd toen ik hoorde dat jij langs zou komen.’

‘Toen je hoorde … O, ben je bij Candler geweest?’

‘Ja. Zeg, als ik eerder geweten had dat je zou komen, had ik Marge even gebeld, maar heb je zin om bij ons te komen eten? Als je wilt bel ik haar nog even.’

Hij zei: ‘Nee, dank je Charlie. Ik heb al een afspraak. En ga gerust pokeren vanavond. Ik kan om een uur of zeven bij je zijn en ik ben zó weer weg. Je gaat toch niet voor achten de deur uit?’

‘Welnee, ik heb er toch al niet veel zin in en je bent al zo lang niet meer bij ons geweest. Tot zeven uur dan.’

Hij hing op en dronk aan de bar een biertje. Waarom had hij die uitnodiging om te komen eten afgeslagen? Waarschijnlijk wilde hij nog een paar uur voor zichzelf hebben, vóór hij mensen sprak, ook al zouden dat dan Charlie en Marge zijn.

Hij dronk langzaam zijn glas leeg, want hij wilde het zo lang mogelijk rekken. Vanavond moest hij nuchter zien te blijven, angstvallig nuchter. En hij had nu nog de tijd om van gedachten te veranderen. Hij had voor een uitweg gezorgd; hij kon nog steeds bij Candler binnenstappen en zeggen dat hij het niet deed.

Over de rand van zijn bril staarde hij naar zichzelf in de spiegel achter de bar. Hij was klein en gedrongen. Zijn haar hing los om zijn hoofd. Wat de kleine, gedrongen gestalte betrof klopte het wel, maar voor de rest? Niet de minste gelijkenis met Napoleon.

Hij dronk langzaam nog een biertje en tegen half zes slenterde hij weer naar buiten en liep de stad in. Hij kwam langs de Blade en keek naar boven, naar de derde verdieping, naar het raam waarachter hij had zitten werken toen Candler hem had laten roepen. Hij vroeg zich af of hij ooit weer bij dat raam naar een zonovergoten middag zou zitten kijken.

Misschien wel, misschien niet.

Hij dacht na over Clare. Wilde hij vanavond naar haar toe? Eerlijk gezegd niet. Maar als hij voor een week of twee wegging, zonder iets te laten horen, dan kon hij haar wel afschrijven. Dat zou ze niet pikken.

Hij kon beter maar even langsgaan.

Hij liep een drugstore binnen en belde haar thuis op.

‘Met George, Clare. Moet je horen, ik moet morgen voor een verhaal de stad uit. Ik weet niet hoe lang ik weg blijf. Het is zo’n zaak die in een paar dagen, maar ook pas in een paar weken bekeken kan zijn. Kan ik vanavond nog even langs komen?’

‘Natuurlijk, George! Hoe laat kom je?’

‘Het zal wel na negenen worden, maar niet veel later. Oké? Ik moet eerst naar Charlie om nog van alles en nog wat met hem te bespreken. Ik zal daar wel niet vóór negenen weg zijn.’

‘Natuurlijk, George! Fijn dat je komt.’

Onderweg at hij een hamburger, hoewel hij geen trek had. Toch nam hij daarna nog een sandwich en een stuk taart. Het was nu kwart over zes. Als hij ging lopen zou hij ongeveer op het afgesproken tijdstip bij Charlie zijn. Dus ging hij lopen.

Charlie deed open. Met een vinger op zijn lippen wees hij met zijn hoofd in de richting van de keuken, waar Marge met de afwas bezig was. Hij fluisterde: ‘Ik heb Marge niets verteld. Ze zou zich maar zorgen maken.’

Hij wilde Charlie vragen waarom Marge zich zorgen zou kunnen maken, maar zag ervan af. Misschien was hij een beetje bang voor het antwoord. Het zou kunnen betekenen dat Marge zich al een tijdje zorgen over hem maakte en dat was een slecht voorteken. En hij dacht nog wel dat hij het er in die drie jaar zo goed had afgebracht!

Hij kon er in ieder geval niet op ingaan, want Charlie loodste hem de huiskamer binnen, en de keuken was binnen gehoorsafstand. ‘Leuk, dat je een potje komt schaken, George. Marge gaat vanavond uit. Ze wil een film hier in de buurt zien. Dat pokeravondje – nou ja, daar hoef ik helemaal niet heen.’

Charlie pakte het schaakbord en de stukken uit de kast en begon het spel op te zetten.

Marge kwam binnen met een blad grote koele glazen bier erop en zette het naast het schaakbord neer. ‘Dag George,’ zei ze. ‘Ik hoor dat je voor een paar weken de stad uit gaat.’

Hij knikte. ‘Maar ik weet nog niet waarheen. Candler vroeg of ik vrij was voor een opdracht buiten de stad en ik heb toegehapt. Hij zei dat ik morgen de rest wel zou horen.’

Charlie hield twee gesloten vuisten naar voren, met in iedere vuist een pion. Hij wees naar de linkerhand en kreeg wit. Hij zette zijn koningspion naar e4. Charlie schoof ook zijn koningspion twee plaatsen vooruit. En hij verzette daarop één van zijn paarden.

Marge stond met haar hoed voor de spiegel te manipuleren. Ze zei: ‘Als je hier niet meer bent als ik terug kom, George, tot ziens dan en veel succes.’

‘Bedankt, Marge, en tot ziens.’

Hij deed nog een paar zetten, vóór Marge, die op het punt stond om weg te gaan, terugkwam, Charlie een kus gaf; en toen drukte ze hem lichtjes een kus op het voorhoofd: ‘Pas goed op jezelf, George.’

Even ontmoette zijn blik Marge’s vaalblauwe ogen en hij dacht: ze maakt zich zorgen over me. Het maakte hem een beetje bang.

De deur viel achter haar dicht en hij zei: ‘Laten we maar ophouden, Charlie. Laten we het nu meteen maar over morgen hebben, want om negen uur heb ik een afspraak met Clare. Ik weet niet hoe lang ik weg blijf, dus kan ik het me niet permitteren om niet even bij haar langs te gaan.’

Charlie keek hem aan: ‘Is het ernst tussen Clare en jou, George?’

‘Ik weet het niet.’

Charlie pakte zijn bier op en nam een slok. Plotseling werd zijn stem hard en zakelijk. ‘Oké dan. Morgenochtend om elf uur hebben we een afspraak met een vent, Irving heet hij, dr. W. E. Irving. Hij woont in Appleton Block. Een psychiater, aanbevolen door dr. Randolph.

Toen ik bij Candler vandaan kwam, heb ik hem opgebeld. Candler had al met Randolph gesproken. Ik gaf hem mijn echte naam op en zei dat ik een neef had die zich de laatste tijd nogal vreemd gedroeg. Ik heb hem niet verteld in welk opzicht. Ik wilde dat hij eens met je praatte, maar je naam heb ik niet opgegeven. Ik zei hem dat hij zich zonder vooroordelen een mening moest vormen. Ik zei ook dat ik het er met jou over had gehad, om eens met een psychiater te gaan praten en dat ik alleen Randolph kende, dat ik Randolph had opgebeld en dat die me gezegd had dat hij geen particuliere patiënten had en daarom Irving had aanbevolen. Ik zei dat ik jouw naaste familielid ben. Dat laat voor Randolph de weg vrij voor de tweede naam op de krankzinnigheidsverklaring. Als jij Irving er werkelijk van kunt overtuigen dat je niet goed bij je hoofd bent, en als hij je echt wil laten opnemen, dan kan ik altijd eisen dat Randolph erbij is, omdat ik hem het eerst wilde hebben. En dan stemt Randolph natuurlijk toe.’

‘En heb je niet gezegd waaruit die krankzinnigheid van mij bestond?’

Charlie schudde zijn hoofd. ‘We gaan morgen geen van tweeën naar de krant. Ik ga op de normale tijd van huis, zodat Marge niets te weten komt, en ik pik je dan ergens in de stad op, laten we zeggen bij de Christina Bar, om kwart over elf. En als jij Irving ervan kunt overtuigen dat je gek bent – als dat het juiste woord is – dan halen we Randolph er meteen bij en hebben we morgen de hele zaak al rond.’

‘En als ik van gedachten verander?’

‘Dan bel ik die afspraak af. Dat is alles. Nou, dat was het wel, hè? Laten we het partijtje maar even afmaken. Het is pas tien voor half acht.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik praat liever nog even, Charlie. In ieder geval zag je toch nog één ding over het hoofd. Wat doen we na morgen? Hoe vaak kom je me opzoeken om de rapporten voor Candler op te halen?’

‘Ach ja, natuurlijk. Dat vergat ik helemaal. Nou, zo vaak als de bezoekuren dat toelaten, natuurlijk. Maandag -, woensdagen vrijdagmiddag. Morgen is het vrijdag, dus als je er morgen ingaat, dan kom ik je maandag voor het eerst opzoeken.’

‘Oké. Zeg Charlie, heeft Candler tegenover jou iets losgelaten over dat verhaal dat ik daar te pakken moet zien te hijgen?’

Charlie Doerr schudde langzaam zijn hoofd. ‘Geen woord. Waar gaat het eigenlijk om? Of is het soms zo geheim dat je er niets over mag loslaten?’

Hij staarde Charlie aan en vroeg zich af of het allemaal wel klopte.

En plotseling voelde hij dat hij de waarheid niet kon vertellen, dat hij zelfs niet wist wat de waarheid was. Hij zou er een veel te vreemde indruk mee maken. Toen Candler hem de reden – in ieder geval één reden – had opgegeven om hem niets te vertellen, had hij dat vrij logisch gevonden. Maar nu zou het al te gek klinken.

Hij zei: ‘Als Candler je niets heeft verteld, kan ik ook maar beter mijn mond houden, Charlie.’ Het klonk niet erg overtuigend en hij voegde eraan toe: ‘Ik heb Candler beloofd niets te vertellen.’

De bierglazen waren leeg en Charlie ging ermee naar de keuken om ze weer bij te vullen. Hij liep Charlie achterna, omdat hij zich in de ongedwongen sfeer van de keuken meer op zijn gemak voelde. Hij ging achterstevoren op een van de keukenstoelen zitten en leunde met zijn ellebogen op de rugleuning. Charlie stond tegen de koelkast geleund.

‘Proost,’ zei hij. Ze dronken wat en Charlie vroeg: ‘Heb jij je verhaaltje voor dr. Irving al klaar?’

Hij knikte ‘Heeft Candler je verteld wat voor verhaal ik bij hem moet ophangen?’

‘Bedoel je dat je Napoleon bent?’ Charlie grijnsde. Maar was die grijns wel oprecht? Hij keek Charlie aandachtig aan en het wilde er niet bij hem in dat er iets achter stak. Charlie was eerlijk en oprecht. Charlie en Marge waren zijn beste vrienden; de beste vrienden die hij in de drie jaar dat hij ze kende, had gehad. Voor Charlie gold dat al veel en veel langer. Maar die andere zevenentwintig jaar? Dat was weer iets anders.

Hij schraapte zijn keel, want de woorden bleven hem in de keel steken. Maar hij moest zekerheid hebben:

‘Charlie, ik moet je een verschrikkelijke vraag stellen. Is dit zaakje wel helemaal in orde?’

‘Wat bedoel je?’

‘Ja, ik weet dat het verschrikkelijk is om zoiets te veronderstellen, maar jij en Candler denken toch niet dat ik echt gek ben, hè? Jullie hebben dat zaakje toch niet samen bekokstoofd om me zonder moeite weg te kunnen werken … of in ieder geval, om me te laten onderzoeken, zonder dat ik wist wat er zou gaan gebeuren, vóór het te laat zou zijn?’

Charlie zat hem aan te staren. ‘Jezus, George, je denkt toch zeker niet dat ik zoiets zou doen, hè?’

‘Nee, dat niet. Maar je zou kunnen denken dat het voor mijn eigen bestwil was en dat je het daarom wel doen moest. Als dat het is, Charlie, als je echt denkt dat ik gek ben, dan wil ik je wel even zeggen dat ik het erg unfair van jullie zou vinden. Ik ga morgen tegen een psychiater zitten liegen om hem ervan te overtuigen dat ik de een of andere afwijking heb. Gewoon om hem om de tuin te leiden. Het zou zo unfair als de pest zijn, vind ik. Dat zie je toch ook wel in, hoop ik?’

Charlie werd een beetje bleek. Langzaam zei hij:

‘Echt, George, zo zit het helemaal niet. Alles wat ik ervan afweet is wat Candler en jij me ervan hebben verteld.’

‘Je denkt toch ook dat ik normaal ben, hè, helemaal normaal?’

Charlie likte zijn lippen af en zei: ‘Moet ik openhartig zijn?’ ‘Ja.’

‘Tot nu toe heb ik er nooit aan getwijfeld. Nou ja … een geheugenstoornis is in zekere zin een geestelijke afwijking. Je bent er nooit helemaal overheen gegroeid, maar dat bedoel je niet, hè?’

‘Nee.’

‘Nou dan, ja … zeg, George, het lijkt wel of je aan achtervolgingswaanzin lijdt, of je inderdaad meent wat je daarnet zei!

Een complot om jou … Vind je het zelf eigenlijk ook geen belachelijk idee? Waarom zouden Candler en ik willen dat je gaat zitten liegen en dan wordt opgesloten?’

Hij zei: ‘Sorry, Charlie. Het schoot heel even door me heen. Nee, natuurlijk geloof ik het zelf ook niet.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Laten we dat partijtje maar even afmaken.’

‘Goed. Wacht even, dan ga ik eerst nog even de glazen bijvullen.’

Hij speelde zorgeloos en kreeg het voor elkaar om binnen een kwartier te verliezen. Hij wees Charlie’s aanbod voor een revanchepartijtje van de hand en leunde achterover in zijn stoel.

‘Charlie, heb jij wel eens van rode en zwarte schaakstukken gehoord?’

‘N-nee. Of wit en zwart, óf rood en wit, dat zijn de enige die ik ken. Waarom?’

‘Zomaar.’ Hij grinnikte. ‘Ik geloof dat ik het je maar beter niet kan vertellen, nu ik je net gevraagd heb of je vindt dat ik gek ben of niet. Maar de laatste tijd droom ik steeds weer hetzelfde. Doodgewone dromen zijn het, maar altijd hetzelfde.

Eén droom gaat altijd over het een of andere spel tussen rood en zwart, ik weet zelfs niet eens of het wel schaken is. Je weet hoe dat met dromen gaat. Alles wat erin gebeurt schijnt een bedoeling te hebben, of het nu wel of niet klopt. Tijdens zo’n droom sta ik er nooit bij stil of dat rood-en-zwart-gedoe echt iets met schaken te maken heeft. Ik weet het wel, of ik schijn het te weten. Maar het komt niet over. Begrijp je wat ik bedoel?’

‘Jawel, ga maar door.’

‘Nou, ik heb me zitten afvragen of het iets te maken kan hebben met dat geheugenverlies, waar ik nooit overheen gekomen ben. Dit is de eerste keer in mijn – nou ja, niet in mijn leven misschien, maar in de drie jaar die ik me kan herinneren – dat ik steeds dezelfde dromen heb. Zou het kunnen zijn dat mijn geheugen soms weer probeert terug te komen? Heb ik bijvoorbeeld ooit rode en zwarte schaakstukken gehad? Of, toen ik naar school ging, werd daar dan gevoetbald in rode en zwarte shirts? Of … of zoiets?’

Charlie dacht lang en diep na, maar schudde toen zijn hoofd. ‘Nee, uitgesloten! Bij roulette heb je meestal rood en zwart en op speelkaarten is de achterkant meestal ook rood en zwart.’

‘Nee, ik weet haast wel zeker dat het niets met kaarten of roulette te maken heeft. Nee … daar heeft het niets mee te maken. Het is een spel tussen rood en zwart. Dat zijn op de een of andere manier de spelers. Denk eens goed na, Charlie. Niet hoe jij op zoiets zou kunnen komen, maar hoe ik erop gekomen zou kunnen zijn.’

Hij zag Charlie met het probleem zitten worstelen en even later zei hij:

‘Oké Charlie, vermoei je hersens maar niet. Maar wat denk je hiervan: "Het Heldere Schijnsel?" ‘

‘Het Heldere Schijnsel?’

‘Alleen maar Het Heldere Schijnsel. Zegt je dat helemaal niets?’

‘Nee.’

‘Oké,’ zei hij. ‘Vergeet het dan maar.’