3
De goddeloozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hunnen boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten die oprecht van weg zijn … Ik heb gezien eenen gewelddrijvenden goddelooze, die zich uitbreidde als een groene inlandsche boom …
PSALM 37: 14 en 35
Het werd al donker toen ze Anne naar Doc Miller’s auto brachten. Ze keken of de tank vol was. Anne was kalm; ze had haar zelfbeheersing grotendeels hervonden, maar ze vermeed de blik van Amos zo veel mogelijk. Tegen Doc Miller zei ze: ‘Wat gaat u nu doen? Daar denk ik nou pas aan, maar –’
‘Maak je over mij geen zorgen, kind,’ zei hij vriendelijk; zó zou hij ook een heel oude man vertellen dat hij nog wel veertig jaar te leven heeft! ‘De laatste die hier weggaat is de centraliste en ik rijd met haar mee. Ga jij nu maar en volg de route die we voor je uitgestippeld hebben. Neem onderweg zoveel mogelijk lifters mee. Het kan geen kwaad, niemand is nog begonnen met plunderen, aanranden en moorden. Daar beginnen ze later nog wel mee.’
Ze gaf hem een hand en stapte in. Op het laatste moment drukte ze ook Amos vlug de hand. Toen gaf ze gas en de auto reed met grote snelheid de straat uit.
‘Ze haat me,’ zei Amos. ‘Ze houdt te veel van de mensen en te weinig van God om het te kunnen begrijpen.’
‘En misschien hou jij wel te veel van die God van jou om te kunnen begrijpen dat je ook van de mensen houdt, Amos. Maar maak je geen zorgen, ze komt er wel achter. De volgende keer dat je haar ziet zal ze er anders over denken. Tot straks.’
Doc ging met zijn dokterskoffertje op weg naar de telefooncentrale. Amos keek hem na, nog altijd verbijsterd dat iemand die het bestaan van God zo categorisch kon ontkennen, tóch alle geboden van de Heer opvolgde, behalve het geloven zelf. Ze waren al lange tijd vrienden en de parochianen die nooit hadden begrepen dat deze antipoden vrienden konden zijn, hadden het tenslotte geaccepteerd.
Ergens verderop hoorde hij de geluiden van een ruimteschip en het vreemde gestotter van de stuwstraaljagers van de ruimtelingen. De machines vlogen kennelijk heel laag, maar deze keer werd er niet geschoten.
Amos stond even naar het raam van de slaapkamer te kijken. Toen draaide hij zich om naar de kerk en wierp de deuren wijd open. Er was geen spoor van de koster te bekennen maar hij had zelf het klokketouw vaak genoeg gehanteerd. Hij trok zijn versleten jas uit en begon met het luiden.
Het was zwaar werk en zijn handen gloeiden. Eens had hij dit met plezier gedaan, maar het was nu alsof zijn bloed te dun was om de benodigde zuurstof op te nemen. Zijn overhemd plakte aan zijn klamme rug en toen hij klaar was voelde hij zich duizelig en misselijk.
Vrijwel op hetzelfde moment begon de telefoon in het kantoortje nerveus te jengelen. Hij wankelde er op af, nam hijgend de hoorn van de haak en hoorde een vrouwestem, schel van angst: ‘Dominee, wat is er aan de hand? Waarom wordt de klok geluid?’
‘Voor de dienst, natuurlijk,’ zei hij. ‘Waarom anders?’ ‘Vanavond? Wel, verd–’ Toen hing ze op.
Hij stak een paar kaarsen aan en zette ze op het altaar, zodat het licht zichtbaar was in de donkere straat, maar niet naar boven kon uitstralen; zij zouden het in elk geval niet kunnen waarnemen. Hij ging zitten en vroeg zich af of de organist ook zou komen.
Plotseling schrok hij op. Buiten startte een auto, toen nog een en nóg een. Hij hoorde er verscheidene wegrijden en liep naar de deur om te zien wat er aan de hand was. Overal waren mensen bezig hun bezittingen naar buiten te slepen en in auto’s te laden. Degenen die klaar waren, staken alleen hun hand op, bij wijze van groet, en reden dan snel weg. Hij hoorde overal telefoons rinkelen, maar als iemand een belangrijke boodschap had door te geven, was dat voor de meesten wel te laat.
Hij ging terug naar het altaar en knielde neer. Er welde geen duidelijk gebed in hem op. Hij strengelde alleen zijn knoestige vingers ineen en bleef op zijn knieën liggen, terwijl hij opkeek naar datgene wat zijn leven inhoud had gegeven. Op straat was het nog steeds lawaaiig. Het maakte opeens niets meer uit of er vanavond iemand naar de kerk zou komen of niet. Maar Gods huis was open, zoals het past en betaamt in tijden van nood.
Hij deed allang niet meer zijn best om het geloof op te dringen aan mensen die er niet rijp voor waren; hij had geleerd te aanvaarden. Toen zijn dochtertje op driejarige leeftijd was gestorven, was de pijn in de loop der tijden wel verminderd, maar nooit geheel verdwenen. Een vreemde pijn die altijd deel had uitgemaakt van zijn leven. Hij had het ‘waarom’ nooit begrepen, maar zijn geloof had hem geholpen om God zonder haat tegemoet te treden. Ook nu aanvaardde hij de dingen zoals ze gebeurden.
Hij hoorde voetstappen achter zich en draaide zich om. Het was de naaister, Angela Anduccini, die aarzelend bij de deur bleef staan. Ze was nooit binnen geweest, ook al woonde ze sedert haar achttiende in Wesley. Ze sloeg een kruis en bleef staan wachten.
Hij stond op. ‘Kom binnen, Angela. Dit is het huis van God, en al Zijn dochters zijn welkom.’
Er blonk een vreemde, krampachtige angst in haar ogen terwijl ze achterom keek, naar buiten. ‘Ik dacht – het orgel –’
Hij liep naar het orgel toe en draaide de schakelaar om. Hij wilde haar uitleggen hoe ze de knoppen moest bedienen, maar de glimlach op haar lippen waarschuwde hem dat dat niet nodig was. Haar eeltige vingers gleden over de registers en ze begon zacht te spelen. Hij liep naar een bank, en ging zitten luisteren. Twee jaar lang had hij het orgel de schuld gegeven, maar nu wist hij dat het niet aan het instrument had gelegen, maar aan de organist. Het was muziek zoals nooit eerder in de kerk had geklonken, maar hij was er diep van onder de indruk.
Een echtpaar dat verhuisd was naar een oude boerderij buiten de stad kwam hand in hand binnen, alsof ze elkaar overeind moesten houden. En een minuut later kwam Buzz Williams binnen gestruikeld en probeerde op zijn tenen door het gangpad naar Amos te lopen. Hij was een probleemkind sinds zijn ouders waren gestorven. Nu was hij half dronken, maar zonder zijn gebruikelijke lawaaiigheid.
‘Ik heb geen auto, en ik ben dronken,’ fluisterde hij. ‘Mag ik hier blijven tot er iemand komt die me mee kan nemen?’
Amos zuchtte en beduidde Buzz dat hij maar ergens moest gaan zitten. Er moest toch nog wel een vervoermiddel te krijgen zijn voor de vier daklozen, die aan God dachten, toen elke andere poging om hulp te krijgen, nutteloos bleek. Als een van hen kon rijden en hij een auto op de kop kon tikken, was het zijn plicht ervoor te zorgen dat ze in veiligheid werden gebracht.
Plotseling was het gevoel van beschutting dat de kerk en de muziek bij hem hadden opgeroepen, verdwenen en hij was weer omgeven door een dreigende onwerkelijke wereld.
Hij liep de stoeptreden van de kerk af en probeerde zich te herinneren of de zoon van Jameson zijn auto had meegenomen. Een veewagen kwam de straat inrijden en stopte voor de kerk. Doc Miller stapte uit en wrong zich hijgend achter het stuur vandaan. Amos bracht hem op de hoogte.
‘Maar vier zwervertjes? Echt niet meer? Dan hoeven we niet op elkaar gepropt te zitten!’ Doc liep naar Buzz toe. ‘Ik heb buiten een wagen staan, Buzz. Verzamel de schare en maak dat je wegkomt!’
‘Ik ben dronken,’ zei Buzz en werd vuurrood.
Nou goed, je bent dronken, en wat dan nog? Je weet het tenminste zelf en er is haast geen verkeer. Rij in de richting van Salina, niet harder dan zestig, dan gebeurt er niets.’ Doc haalde de kleine Angela Anduccini achter het orgel vandaan en bracht haar naar buiten. Buzz hielp het echtpaar de stoep af. ‘Wegwezen, allemaal!’
Buzz ging achter het stuur zitten en Angela schoof naast hem. De stad was dood. Amos zette het orgel af en sloot de kerkdeuren.
‘Een eindje verderop staat een tractor voor ons, Amos,’ zei Doc tenslotte. ‘Het heeft me ontzettend veel moeite gekost om dat ding te krijgen. Ik heb geprobeerd al de idioten die dachten dat ze hier wel konden blijven, te waarschuwen, maar ik heb er vast nog wel een stuk of wat over het hoofd gezien. Hoe dan ook, die tractor is misschien een beetje een plomp geval, maar wel reuze bruikbaar op al die achteraf weggetjes. Kom mee.’
Amos schudde zijn hoofd. Zijn besluit stond vast. Ruth moest op een fatsoenlijke manier begraven worden. Hij kon haar nu niet alleen laten; dat had hij toen ze nog leefde ook nooit gedaan. ‘Ga maar alleen, Doc, ik blijf hier.’
‘Dat dacht ik al.’ De dokter zuchtte en veegde het zweet van zijn voorhoofd. ‘ … En dan ik zeker tot mijn dood het gevoel hebben dat gelovigen meer moed hebben dan atheïsten! Nee Amos, die vlieger gaat niet op. Dan blijf ik ook. Laten we de kaarsen maar uitdoen.’
Amos doofde ze met tegenzin; hij vroeg zich af hoe hij de ander zou kunnen overhalen om toch weg te gaan. Hij had in de verte al horen schieten; de ruimtelingen waren onderweg.
Ergens in de buurt klonk het onzekere en telkens weer wegstervende geronk van een motor. Een schreeuw, toen opnieuw stilte; de motor sloeg weer aan, liep misschien tien tellen, knetterde even en zweeg.
Een man liep midden op straat een stokoude auto te duwen, terwijl zijn vrouw achter het stuur zat. Maar het ding wilde niet meer starten. De man graaide nu naar zijn gereedschap, rukte de motorkap omhoog en begon haastig te zoeken waar de fout zat.
‘Verderop staat een tractor, als u weet hoe u daarmee om moet gaan,’ riep Doc hem toe.
De man keek op, wierp een snelle blik achterom en trok de vrouw uit de auto. Al gauw klonk het zware brullen van de tractor. De man gaf vol gas en scheurde de straat uit en Amos en Doc waren alleen. Het schieten was nu dichterbij en om de bocht van de straat werd een vreemd licht zichtbaar.
Er was nergens iets waar ze zich konden verbergen. Ze ontdekten een raam waar de verf op het namaak glas-in-lood losgelaten had en ze pulkten er wat af tot ze een paar kijkgaten hadden. De verkenners van de ruimtelingen waren al in zicht en stormden langs de huizen. Telkens lieten ze iets vallen waar wolken vurige rook afkwamen, maar die glinstering had niets met aards vuur te maken, want er stond geen enkel huis in brand.
Op het moment dat er een grote groep in zicht kwam, vloog de deur van een huis open. Een magere man rende naar buiten, gevolgd door zijn dikke vrouw en nog dikkere dochter. Ze holden de straat in, rukten aan hun kleren en krabden als razenden aan hun vuurrood geworden huid.
Er klonken schoten. Ze wankelden alle drie even, maar holden toen door. Nog meer schoten. Eerst dacht Amos dat de ruimtelingen ongelooflijk slecht mikten, maar toen begreep hij dat ze juist op een ongelooflijke manier hun doel bereikten. Ze schoten eerst op de handen en gingen systematisch omhoog langs de armen, zodat ze geen gelegenheid tot martelingen voorbij lieten gaan.
Voor het eerst sedert jaren voelde Amos angst en woede samenklonteren in zijn maag. Hij stond op, voelde hoe zijn schouders vanzelf rechtgetrokken werden, en met opgeheven hoofd ging hij naar de deur. Zijn lippen spraken woorden die hij maar half begreep. ‘Sta op, Heer; o God, hef Uw hand op; vergeet de nederigen niet. Waarom veroordeelt de boze mens God? Hij heeft in zijn hart gezegd: Gij zult het niet vergelden. Gij hebt het gezien, want Gij ziet kwaad en afgunst en vergeldt het met Uw hand; de arme bindt zich aan U; Gij zijt de helper van de vaderlozen. Breek toch de arm van het kwade en goddeloze, zoek hun kwaad tot Gij niets meer vindt –’
‘Hou op, Amos!’ raspte Doc’s stem schor aan zijn oor. ‘Doe niet zo idioot! En je zegt het helemaal verkeerd!’
De woorden sneden door de dichte mist van Amos’ verwarring heen. Hij wist dat Doc hem opzettelijk aan zijn vader had willen herinneren, maar het hielp en zijn kille woede maakte plaats voor de herinnering aan de boosheid van zijn vader als hij verkeerd citeerde.
Toen drong het tot hem door dat het voorbij was. Van hun doelwitten was niets over. Hij zag de slachtoffers, vrijwel onherkenbaar, de helft van hun huid weggerukt…
Doc maakte kokhalzende geluiden, terwijl hij zei: ‘We kunnen niets doen, Amos. Ik begrijp niet dat een volk dat intelligent genoeg is om zulke raketten te bouwen, dergelijke dingen kan doen. Maar op den duur zullen ze het toch tegen ons moeten afleggen. Terwijl onze legers bezig zijn zich te organiseren verspillen zij hieraan hun tijd. En het verzet zal er alleen maar heviger door worden.’
De ruimtelingen beperkten zich niet alleen tot mensen. Ze leefden hun wreedheid ook uit op een grote oude kat die ze ergens ontdekten. Alle lijken werden op een grote kar gesmeten die werd voortgetrokken door twintig buitenaardse wezens.
De ruimtelingen waren systematisch te werk gegaan. Ze hadden alle winkels overgeslagen en zich geconcentreerd op woonhuizen. De verkenners waren zonder aarzelen langs de kerk heen gelopen. Maar ze gingen de slagerij onmiddellijk binnen en kwamen naar buiten met vlees, dat op de kar bij de lijken gestapeld werd.
Nu bleef er een troepje voor de kerk stilstaan, wijzend naar de klokketoren. Twee van hen duwden een soort mortier voort. Het werd snel gericht en er werd een lading in gebracht. Een gedempte explosie weerklonk, en de klok luidde kort, waarna de stukken kletterend op het dak en in de tuin vielen.
Een ander richtte het mortier opnieuw, ditmaal op de deur van de kerk. Doc trok Amos naar omlaag, tussen twee banken, en mompelde: ‘Ze hebben ook iets tegen kerken, verdomme! Nou, fijne plaats om te schuilen! Kijk uit voor de splinters!’
De deur werd verbrijzeld en een zwaar voorwerp vloog tegen het altaar, zodat dit vernield werd, en viel toen op het orgel. Amos kreunde.
Er gebeurde niets meer toen ze weer voor hun kijkgaten gingen staan. De ruimtelingen marcheerden langzaam verder. Ondanks hun straaljagers schenen ze geen gemotoriseerde rijtuigen te kennen en de kar werd voortgetrokken door twintig groenhuidige wezens en reed nu langs de kerk.
Amos staarde ernaar bij het flakkerende licht van de grote toortsen die sommigen meedroegen. De meeste lijken herkende hij niet. Maar toen bleven zijn ogen rusten op het verwrongen bovenlichaam van Ruth, haar gezicht uitdrukkingloos, ontspannen door de dood.
Vermoeid kwam hij overeind; Doc deed geen poging om hem tegen te houden. Hij liep langs een rij banken en om de overblijfselen van een der deuren heen. Buiten de kerk was de lucht nog steeds heet en droog, maar hij haalde diep adem. De voorzijde van de kerk lag in de schaduw en de ruimtelingen zagen hem niet meteen.
Hij liep met dezelfde afgemeten passen als toen zijn huwelijk van angst. Zijn hart bonkte zwaar, maar bang was hij niet meer. Hij zag de ruimtelingen stilhouden en naar hem staren en ze begonnen druk te praten.
Hij liep de stenen stoep af. Zijn knieën knikten nu niet meer werd ingezegend. Hij kwam hij de kar, stak zijn hand uit en legde een van Ruth’s slappe armen weer over haar lichaam.
‘Dit is mijn vrouw,’ zei hij kalm tegen de wezens die hem aanstaarden. ‘Ik neem haar mee naar huis.’
Hij stak zijn armen uit en probeerde de andere lijken van haar af te duwen. Hij was niet verbaasd toen hij naast zich Doc’s armen zag die hem trachtten te helpen, terwijl er een gestage stroom van gefluisterde vloeken over zijn lippen kwam.
Hij had niet verwacht dat het zou lukken. Hij had niets verwacht.
Plotseling sprong er een tiental ruimtelingen op de twee mannen af. Amos liet zich overmeesteren zonder zich te verweren. Doc verzette zich even en toen gaf ook hij zich over; ze werden vastgebonden en op de kar gegooid.