8

De kamer, de lichtkubus, werd gedempt en scheen te kantelen. Hij stond nog steeds rechtop, maar hij voelde zich achterover vallen en kwam van een verticale in een horizontale stand.

Zijn gewicht drukte op zijn rug en onder hem voelde hij de matras van zijn krib en een ruwe deken. Hij kon zich weer bewegen en ging zitten.

Had hij gedroomd? Was hij werkelijk buiten de inrichting geweest? Hij hield zijn handen op en betastte met de ene hand de andere. Ze voelden vochtig en kleverig aan. Net als zijn hemd en zijn broekspijpen. En hij had zijn schoenen aan.

Toen hij over de muur was geklommen, was hij gewond geraakt. Hij zat onder het bloed. De gevoelloosheid verdween. Hij voelde opeens overal pijn. Een scherpe, bijtende pijn.

Hardop zei hij: ‘Ik ben niet gek! Ik ben niet gek!’ Schreeuwde hij het?

‘Nee, nog niet!’ Was dat dezelfde stem die hij in zijn slaaphokje gehoord had? Of was het de man in de verlichte kamer? Of was het één en dezelfde stem?

Er klonk een bevel: ‘Vraag "Wat is de mens?" ‘

Hij vroeg het zonder erbij na te denken.

‘De mens is een doodlopend slop in de evolutie. De mens kwam te laat om nog mee te kunnen doen. De mens is altijd de speelbal van Het Heldere Schijnsel geweest. Het Heldere Schijnsel was al oud en wijs vóór de mens rechtop kon lopen.

De mens is een parasiet op een planeet die al bevolkt was, vóór hij erop terecht kwam. Die planeet was bewoond door een Wezen dat één is en vele is, een miljard cellen, maar één ziel, één brein, één wil – hetgeen ook voor de andere bewoonde planeten in het heelal geldt.

De mens is een clown, een grap, een parasiet. Hij betekent niets en hij zal nog minder gaan betekenen.’

‘Zorg dat je gek wordt!’

Hij stapte weer uit bed en liep door de grote zaal naar de deur die op de gang uitkwam en waar een dunne streep licht onderdoor scheen. Maar deze keer strekte hij zijn hand niet uit naar de deurknop.

In plaats daarvan bleef hij onbeweeglijk naar de deur staan kijken. De deur begon op te lichten. Langzaam werd het licht helderder.

De deur was nu een zichtbare rechthoek in de hem omringende duisternis, alsof er een schijnwerper op gericht was en was even helder als de streep licht eronder.

De stem zei: ‘Vóór je zie je een cel van de grote heerser. Geen denkende cel, wel een klein onderdeel van een eenheid die intelligentie bezit, een van de miljoenen eenheden, die samen Het Heldere Schijnsel vormen dat de aarde … en jou … regeert.

En dit aarde omspannende Schijnsel is een van de miljoenen breinen die het heelal beheersen.’

‘Maar de deur? Ik…’

De stem sprak niet meer, had zich teruggetrokken, maar vaag in zijn geest hoorde hij de echo van een lach weerklinken.

Hij boog zich voorover en zag wat hij moest zien. Een mier kroop tegen de deur omhoog.

In paniek volgde hij hem met zijn blik. Hij voelde de angst langs zijn ruggegraat omhoog kruipen. Talloze dingen die hem verteld waren en die ze hem hadden laten zien, pasten nu plotseling in een schema, een schema dat hem met afschuw vervulde.

Rood, wit en zwart: de rode mieren, de witte en de zwarte mieren: zij gebruikten de mensen als schaakstukken, zij waren de afzonderlijke delen van één groot brein. De mens was het gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden, een parasiet, een pion. Miljoenen planeten in het heelal werden bevolkt door een insectenvolk dat het brein van zo’n planeet vormde. En al die breinen bij elkaar vormden het grote kosmische brein en dat was … God!

Dat laatste woord wilde niet komen.

In plaats daarvan werd hij gek.

Met zijn bloedende handen, zijn hoofd, zijn knieën, met heel zijn lichaam beukte hij tegen de nu donkere deur, hoewel hij allang was vergeten wat hij wilde en wat de oorzaak van zijn razernij was. Hij was volslagen krankzinnig – geen paranoia, maar dementia praecox – toen ze zijn lichaam tegen zijn aanval van razernij beschermden en hem in een dwangbuis stopten.

Hij was ongevaarlijk gek – paranoia, geen dementia praecox – toen ze hem elf maanden later als genezen ontsloegen. Paranoia, ziet u, is een merkwaardige afwijking: er zijn geen lichamelijke bijverschijnselen; het is eerder een beklemmende zinsbegoocheling. Dankzij een shocktherapie was de dementia praecox opgeheven en liet alleen de dwanggedachte achter dat hij George Vine was. George Vine, een verslaggever.

De psychiaters van de inrichting dachten ook dat hij George Vine was, dus werd de dwanggedachte niet als zodanig herkend. Ze ontsloegen hem en gaven hem een verklaring mee om te bewijzen dat hij normaal was.

Hij trouwde met Clare en werkt nu nog steeds op de Blade voor een zekere Candler. Hij schaakt nog steeds veel met zijn neef Charlie Doerr. En hij gaat nog steeds regelmatig voor controle naar zowel dr. Irving als dr. Randolph.

Wie van hen lacht er nu in zijn vuistje? Wat doet het er toe als u het zou weten?

Het is onbelangrijk. Begrijpt u dat niet? Het is volstrekt onbelangrijk.